Open in de app Alle boeken Job ← 20 22 → Job 21 Job: de goddelozen hebben het goed
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Job: luister naar mij 1 Job antwoordde en zei:
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hoofdstuk 21 keert het betoog van de vrienden om.
Zij zeggen dat de goddeloze snel ten onder gaat (hoofdstuk 15, 18, 20).
Job antwoordt: dat zie ik niet gebeuren.
De goddelozen leven lang, hebben veel kinderen en sterven in vrede.
2 „Luister goed naar mijn woorden. Laat dit jullie troost zijn.
מִלָּתִ֑י
(milati)
mijn woord
וּתְהִי
(utehi)
en laat het zijn
תַּנְח֥וּמֹֽתֵיכֶֽם
(tanchumoteikhem)
jullie troost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Verdraag mij, dan zal ik spreken, en na mijn woorden mogen jullie spotten.
שָׂ֭אוּנִי
(sauni)
verdraag mij
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
אֲדַבֵּ֑ר
(adaber)
zal spreken
וְאַחַ֖ר
(veachar)
en nadat
דַּבְּרִ֣י
(daberi)
ik gesproken heb
תַלְעִֽיג
(talig)
kun je spotten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Is mijn klacht dan gericht tot een mens? En waarom zou mijn geest niet ongeduldig zijn?
לְאָדָ֣ם
(leadam)
tot een mens
שִׂיחִ֑י
(sichi)
mijn klacht
תִקְצַ֥ר
(tiqtsar)
zou ongeduldig worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Kijk naar mij en sta verbaasd, en leg de hand op de mond.
וְהָשַׁ֑מּוּ
(vehashamu)
en wees verbaasd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Als ik eraan denk, schrik ik, en huivering grijpt mijn lichaam.
זָכַ֥רְתִּי
(zakharti)
ik denk eraan
וְנִבְהָ֑לְתִּי
(venivhalti)
dan schrik ik
וְאָחַ֥ז
(veachaz)
en grijpt
בְּ֝שָׂרִ֗י
(besari)
mijn vlees
פַּלָּצֽוּת
(palatsut)
huivering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Waarom blijven de goddelozen leven? 7 Waarom blijven goddelozen leven, worden ze oud en nemen ze zelfs toe in kracht?
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
עָ֝תְק֗וּ
(atequ)
worden oud
גָּ֥בְרוּ
(gaveru)
worden machtig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de kern van Jobs tegenwerping: de wereld werkt niet volgens het schema van de vrienden.
Vergelijk Ps. 73:3–12 en Jer. 12:1.
8 Hun nageslacht staat stevig bij hen, hun kinderen voor hun ogen.
זַרְעָ֤ם
(zaram)
hun nageslacht
נָכ֣וֹן
(nakhon)
staat vast
לִפְנֵיהֶ֣ם
(lifneihem)
voor hen
וְ֝צֶאֱצָאֵיהֶ֗ם
(vetseetsaeihem)
en hun spruiten
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Hun huizen zijn veilig, zonder angst, en de staf van Eloah is niet over hen.
בָּתֵּיהֶ֣ם
(bateihem)
hun huizen
מִפָּ֑חַד
(mipachad)
zonder angst
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Zijn stier bevrucht en faalt niet. Zijn koe kalft en verliest haar jong niet.
שׁוֹר֣וֹ
(shoro)
zijn stier
פָּ֝רָת֗וֹ
(parato)
zijn koe
תְשַׁכֵּֽל
(teshakel)
verliest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Ze laten hun kinderen uitgaan als een kudde, en hun jongen dansen.
יְשַׁלְּח֣וּ
(yeshalechu)
ze sturen uit
כַ֭צֹּאן
(katson)
als een kudde
עֲוִילֵיהֶ֑ם
(avileihem)
hun kleintjes
וְ֝יַלְדֵיהֶ֗ם
(veyaldeihem)
en hun kinderen
יְרַקֵּדֽוּן
(yeraqedun)
dansen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Ze zingen bij tamboerijn en harp, en zijn vrolijk bij de klank van de fluit.
יִ֭שְׂאוּ
(yisu)
ze heffen aan
וְכִנּ֑וֹר
(vekhinor)
en harp
וְ֝יִשְׂמְח֗וּ
(veyismechu)
en zijn blij
לְק֣וֹל
(leqol)
bij het geluid van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Ze brengen hun dagen door in welvaart, en in een ogenblik dalen ze neer in het dodenrijk.
יְכַלּ֣וּ
(yekhalu)
ze brengen door
בַטּ֣וֹב
(batov)
in welvaart
יְמֵיהֶ֑ם
(yemeihem)
hun dagen
וּ֝בְרֶ֗גַע
(uverega)
en in een ogenblik
שְׁא֣וֹל
(sheol)
het dodenrijk
יֵחָֽתּוּ
(yechatu)
dalen ze neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Ze zeggen tegen El: ‘Ga weg van ons! Wij hebben geen zin in kennis van Uw wegen.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en ze zeggen
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van ons
וְדַ֥עַת
(vedaat)
en kennis van
דְּ֝רָכֶ֗יךָ
(derakheikha)
Uw wegen
חָפָֽצְנוּ
(chafatsenu)
verlangen wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 14–15 geven de woorden van de goddelozen weer: zij vragen niet naar Elohim en vinden dat zij Hem niet nodig hebben, en toch gaat het hen goed.
Vers 16 laat Job zeggen dat hij hun raad niet deelt.
15 Wie is Sjaddai, dat wij Hem zouden dienen? Wat baat het ons als wij Hem aanroepen?’
נַֽעַבְדֶ֑נּוּ
(naavdenu)
wij Hem dienen
נּ֝וֹעִ֗יל
(noil)
baat het ons
נִפְגַּע
(nifga)
wij ons wenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Zie, hun geluk ligt niet in hun hand. De raad van de goddelozen is ver van mij.
בְיָדָ֣ם
(beyadam)
in hun hand
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Hoe vaak dooft de lamp van de goddelozen? Komt hun ondergang over hen? Verdeelt Hij pijnen in Zijn toorn?
רְשָׁ֘עִ֤ים
(reshaim)
goddelozen
עָלֵ֣ימוֹ
(aleimo)
over hen
אֵידָ֑ם
(eidam)
hun ondergang
חֲ֝בָלִ֗ים
(chavalim)
pijnen
יְחַלֵּ֥ק
(yechaleq)
verdeelt Hij
בְּאַפּֽוֹ
(beapo)
in Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Zijn ze als stro voor de wind, als kaf dat de storm wegvoert?
כְּתֶ֥בֶן
(keteven)
als stro
וּ֝כְמֹ֗ץ
(ukhemots)
en als kaf
גְּנָבַ֥תּוּ
(genavatu)
dat steelt weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 ‘Eloah bewaart zijn onrecht voor zijn kinderen’: laat Hij het hem zelf vergelden, zodat hij het weet.
לְבָנָ֥יו
(levanav)
voor zijn zonen
יְשַׁלֵּ֖ם
(yeshalem)
laat Hij vergelden
וְיֵדָֽע
(veyeda)
zodat hij weet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job citeert een zegswijze van zijn vrienden: Eloah bewaart het onrecht van de vader voor zijn kinderen.
Hij antwoordt: laat Elohim het de man zelf vergelden (vers 20–21).
Een straf die alleen op de kinderen valt, heeft voor de dader geen betekenis.
Vergelijk Ex. 20:5 en Ezech. 18:2–4.
20 Laat zijn ogen zijn ondergang zien, laat hij zelf van de grimmigheid van Sjaddai drinken.
כִּיד֑וֹ
(kido)
zijn ondergang
וּמֵחֲמַ֖ת
(umechamat)
en van de gloed van
יִשְׁתֶּֽה
(yishte)
laat hij drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Want wat gaat hem zijn huis aan na hem, als het aantal van zijn maanden is afgesneden?
חֶפְצ֣וֹ
(cheftso)
zijn lust
בְּבֵית֣וֹ
(beveito)
in zijn huis
וּמִסְפַּ֖ר
(umispar)
en getal van
חֳדָשָׁ֣יו
(chodashav)
zijn maanden
חֻצָּֽצוּ
(chutsatsu)
is afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Zal iemand El kennis leren, Hem die de hoogsten oordeelt?
יְלַמֶּד
(yelamed)
leert men
רָמִ֥ים
(ramim)
de hoogsten
יִשְׁפּֽוֹט
(yishpot)
oordeelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job vraagt scherp: wie zou El onderwijzen, Hem die zelfs de hoogsten, de hemelse wezens, oordeelt?
23 De een sterft in zijn volle kracht, geheel zorgeloos en rustig.
בְּעֶ֣צֶם
(beetsem)
in het wezen van
תֻּמּ֑וֹ
(tumo)
zijn volheid
שַׁלְאֲנַ֥ן
(shalanan)
zorgeloos
וְשָׁלֵֽיו
(veshaleiv)
en rustig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Zijn emmers zijn vol melk, en het merg van zijn beenderen is verzadigd.
עֲ֭טִינָיו
(atinav)
zijn emmers
וּמֹ֖חַ
(umoach)
en merg van
עַצְמוֹתָ֣יו
(atsmotav)
zijn beenderen
יְשֻׁקֶּֽה
(yeshuqe)
is verzadigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
עֲטִינָיו (atinav) komt alleen hier voor en is onzeker.
Het kan ‘zijn emmers’ (melkemmers) of ‘zijn dijen’ betekenen.
Het beeld is in elk geval dat van volle welvaart.
25 En de ander sterft met een bittere ziel, zonder ooit van het goede te hebben gegeten.
בְּנֶ֣פֶשׁ
(benefesh)
met een ziel
בַּטּוֹבָֽה
(batova)
van het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Samen liggen ze in het stof, en de made bedekt hen.
יִשְׁכָּ֑בוּ
(yishkavu)
liggen ze
וְ֝רִמָּ֗ה
(verima)
en de made
תְּכַסֶּ֥ה
(tekhase)
bedekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job zegt: in de dood liggen de goddeloze en de rechtvaardige samen in het stof, en de made bedekt hen beiden.
In het graf blijft er geen verschil, zoals er in het leven ook geen verschil te zien was in hun lot.
Jullie antwoorden zijn onzin 27 Zie, ik ken jullie gedachten, en de plannen waarmee jullie mij onrecht aandoen.
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
ik ken
מַחְשְׁבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(machshevoteikhem)
jullie gedachten
וּ֝מְזִמּ֗וֹת
(umezimot)
en plannen
תַּחְמֹֽסוּ
(tachmosu)
waarmee jullie onrecht doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Want jullie zeggen: ‘Waar is het huis van de edele, en waar de tent waar de goddelozen woonden?’
תֹֽאמְר֗וּ
(tomru)
jullie zeggen
וְ֝אַיֵּ֗ה
(veaye)
en waar is
מִשְׁכְּנ֬וֹת
(mishkenot)
woningen van
רְשָׁעִֽים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vrienden zeggen: waar staat nu het huis van de goddeloze (vergelijk 8:22; 18:15–21)?
Job vraagt hun de reizigers te vragen, die de wereld kennen (vers 29).
29 Hebben jullie reizigers niet gevraagd? Willen jullie hun tekenen niet erkennen:
שְׁ֭אֶלְתֶּם
(sheeltem)
hebben jullie gevraagd
ע֣וֹבְרֵי
(overei)
reizigers van
וְ֝אֹתֹתָ֗ם
(veototam)
en hun tekenen
תְנַכֵּֽרוּ
(tenakeru)
herkennen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹתֹתָם (otot) betekent ‘hun tekenen’, getuigenissen of bewijzen.
Job roept reizigers als getuigen op: wie de wereld verkent, ziet dat de goddeloze niet zomaar wordt gestraft.
30 dat de slechte wordt gespaard op de dag van het onheil, op de dag van de toorn wordt weggevoerd?
לְי֣וֹם
(leyom)
voor de dag van
יֵחָ֣שֶׂךְ
(yechasekh)
wordt gespaard
לְי֖וֹם
(leyom)
voor de dag van
יוּבָֽלוּ
(yuvalu)
wordt hij weggevoerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Wie houdt hem zijn weg voor? En wat hij heeft gedaan, wie vergeldt hem dat?
יַגִּ֣יד
(yagid)
houdt voor
פָּנָ֣יו
(panav)
zijn gezicht
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
יְשַׁלֶּם
(yeshalem)
vergeldt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Hij wordt naar het graf gebracht, en bij de grafheuvel wordt gewaakt.
לִקְבָר֣וֹת
(liqvarot)
naar graven
יוּבָ֑ל
(yuval)
wordt gebracht
גָּדִ֥ישׁ
(gadish)
een grafheuvel
יִשְׁקֽוֹד
(yishqod)
wordt gewaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּדִישׁ (gadish) is een stapel of grafheuvel.
De goddeloze krijgt een groot gevolg bij zijn begrafenis (vers 33).
33 De kluiten van het dal zijn hem zoet. Achter hem trekt ieder mens, en voor hem zijn ze zonder getal.
מָֽתְקוּ
(matequ)
zoet zijn
רִגְבֵ֫י
(rigvei)
kluiten van
וְ֭אַחֲרָיו
(veacharav)
en achter hem
יִמְשׁ֑וֹךְ
(yimshokh)
trekken
וּ֝לְפָנָ֗יו
(ulefanav)
en voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Hoe kunnen jullie mij dan troosten met onzin? Van jullie antwoorden blijft alleen trouweloosheid over.”
תְּנַחֲמ֣וּנִי
(tenachamuni)
troosten jullie mij
וּ֝תְשֽׁוּבֹתֵיכֶ֗ם
(uteshuvoteikhem)
en jullie antwoorden
נִשְׁאַר
(nishar)
blijft over
מָֽעַל
(maal)
trouweloosheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעַל (ma’al), ‘trouweloosheid’: de vrienden hebben niets te bieden dan onwaarheid.
Job beschuldigt hen van ontrouw aan de waarheid en aan hem.