1 Petrus 1
Aanhef; een levende hoop; heilig leven
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
Zie Pontus (ongeveer): Pontus was de kuststreek aan de zuidkant van de Zwarte Zee, in het noorden van het huidige Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Galatië (ongeveer): Galatië is het binnenland van het huidige Turkije, rond Ankara.
Of Paulus de streek in het noorden bedoelt of de Romeinse provincie, die ook Pisidië en Lykaonië omvatte (met Ikonium, Lystra en Derbe), is niet zeker; het punt is bij benadering.
Zie Kappadocië (ongeveer): Kappadocië was het hoogland in het midden van het huidige Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Bithynië (ongeveer): Bithynië was de streek in het noorden van het huidige Turkije, aan de Zee van Marmara en de Zwarte Zee.
De grenzen zijn bij benadering.
Πέτρος (Petros), ‘Petrus’: Grieks voor ‘rots’; in de evangeliën heet hij ook Kefas (Aramees voor ‘rots’), zie Joh. 1:42. παρεπίδημοι (parepidemoi), ‘vreemdelingen’: mensen die ergens tijdelijk verblijven, zonder er thuis te zijn. διασπορά (diaspora), ‘verstrooiing’: de Joden en andere gelovigen die buiten het land verspreid wonen; vergelijk Jak. 1:1. ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkoren’: uitgekozen door Elohim.
De vijf streken liggen in het noorden en westen van het huidige Turkije; het Grieks noemt ze in deze volgorde.
Zie ook Joh. 1:42; Jak. 1:1.
πρόγνωσις (prognosis), ‘voorkennis’: vooraf weten; hetzelfde woord als in Hand. 2:23. ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’: apart gezet worden voor Elohim. ῥαντισμός (rantismos), ‘besprenkeling’: het besprenkelen met bloed, zoals bij het sluiten van het verbond in Exod. 24:8.
Het Grieks noemt hier Elohim de Vader, de Geest en Yeshua de Messias naast elkaar.
πληθυνθείη (plethyntheie), ‘moge toenemen’: een wens in de aanvoegende wijs.
Zie ook Exod. 24:8; Hand. 2:23.
Een levende hoop
εὐλογητός (eulogetos), ‘geprezen’: dezelfde lofprijs als in Luc. 1:68. ἀναγεννάω (anagennao), ‘opnieuw verwekken’: het woord kan ook ‘opnieuw doen geboren worden’ betekenen; het komt in deze brief alleen hier en in vers 23 voor.
Vergelijk Joh. 3:3.
Zie ook Luc. 1:68; Joh. 3:3.
κληρονομία (kleronomia), ‘erfdeel’: wat een erfgenaam ontvangt; in het Oude Testament vooral het land.
Drie woorden met ‘on-’: ἄφθαρτος (afthartos) ‘onvergankelijk’, ἀμίαντος (amiantos) ‘onbevlekt’ en ἀμάραντος (amarantos) ‘onverwelkelijk’.
φρουρέω (frourew), ‘bewaken’.
Het Grieks heeft twee woorden voor ‘bewaren’: τηρέω (tereo) in vers 4 en φρουρέω hier. ἑτοίμην (hetoimen), ‘gereed’: de redding ligt klaar. ἀποκαλύπτω (apokalypto), ‘onthullen’.
ἐν ᾧ (en ho), ‘hierover’: letterlijk ‘waarin’.
Het kan verwijzen naar de redding of de tijd van vers 5, of naar het geheel van verzen 3–5. ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘juichen’: uitbundig vreugde tonen. πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent ook ‘verzoeking’; zie Jak. 1:2.
Bij ‘als het nodig is’ (εἰ δέον) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jak. 1:2–3.
δοκίμιον (dokimion), ‘beproefdheid’: wat blijkt als iets de proef doorstaat; hetzelfde woord als in Jak. 1:3.
Goud wordt in het vuur beproefd; vergelijk Spr. 17:3.
In het Grieks staat de zin in één keer; wij hebben hem in tweeën gedeeld en de volgorde iets omgezet.
Bij ‘kostbaarder’ en bij ‘heerlijkheid en eer’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jak. 1:3; Spr. 17:3.
De SBLGNT markeert bij ‘gezien hebbend’ en bij ‘juichen’ een lezing; wij volgen de SBLGNT. ἀνεκλάλητος (aneklaletos), ‘onuitsprekelijk’: te groot om uit te spreken. δεδοξασμένη (dedoxasmene), ‘verheerlijkt’: vol van heerlijkheid.
τέλος (telos), ‘einddoel’: het doel waar het geloof naartoe gaat, en ook het einde. ψυχή (psyche), ‘ziel’: het leven van de mens als geheel.
Bij ‘jullie’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering.
De profeten en de redding
ἐκζητέω (ekzeteo) en ἐξεραυνάω (exeraunao): ‘uitzoeken’ en ‘nauwkeurig naspeuren’; twee werkwoorden voor dezelfde inspanning.
πνεῦμα Χριστοῦ (pneuma Christou), ‘de Geest van de Messias’: het Grieks noemt de Geest die in de profeten sprak zo; in vers 12 heet Hij ‘de Heilige Geest’. τὰ εἰς Χριστὸν παθήματα (ta eis Christon pathemata), ‘het lijden voor de Messias’: het kan ook ‘het lijden dat de Messias treft’ betekenen. δόξαι (doxai), ‘heerlijkheden’: een meervoud.
Vergelijk Jes. 52:13–53:12.
Zie ook Jes. 52:13–53:12.
παρακύπτω (parakypto), ‘zich bukken om te kijken’: iemand die zich voorover buigt om naar binnen te kijken; vergelijk Joh. 20:5.
De profeten dienden ‘jullie’: het Grieks zegt niet in welke periode zij leefden.
De SBLGNT markeert bij ‘jullie’ een lezing; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 20:5.
Wees heilig
ἀναζώννυμι τὰς ὀσφύας (anazonnymi tas osfyas), ‘de lendenen omgorden’: het lange kleed met een riem opbinden om te kunnen werken of lopen; vergelijk Exod. 12:11 en Luc. 12:35. νήφω (nepho), ‘nuchter zijn’: helder van geest blijven. τελείως (teleiōs), ‘volkomen’. ἀποκάλυψις (apokalypsis), ‘onthulling’.
Zie ook Exod. 12:11; Luc. 12:35.
τέκνα ὑπακοῆς (tekna hypakoes), ‘kinderen van gehoorzaamheid’: een uitdrukking voor ‘gehoorzame kinderen’. συσχηματίζω (syschematizo), ‘vormen naar’: zich laten vormen naar een bepaald patroon. ἄγνοια (agnoia), ‘onwetendheid’.
ἅγιος (hagios), ‘heilig’: apart gezet voor Elohim. ἀναστροφή (anastrofe), ‘levenswandel’: de manier waarop iemand leeft.
Dit woord keert terug in 1:17, 1:18, 2:12 en 3:1–2.
Het citaat staat in Lev. 19:2 en komt in dezelfde bewoordingen terug in Lev. 11:44–45 en Lev. 20:7, waar Yahweh zelf spreekt: ‘Ik ben heilig’.
Daarom staat het citaat rood.
Ons Hebreeuws heeft in Lev. 19:2 ‘Heilig moeten jullie zijn, want Ik, Yahweh, jullie Elohim, ben heilig’; Petrus laat ‘Yahweh, jullie Elohim’ weg.
Het Grieks heeft een toekomende tijd: ‘jullie zullen heilig zijn’.
Zie ook Lev. 19:2; Lev. 11:44–45; Lev. 20:7.
Losgekocht met kostbaar bloed
ἀπροσωπολήμπτως (aprosopolemptos), ‘zonder aanzien van personen’: zonder iemand om zijn uiterlijk of rang voor te trekken; vergelijk Deut. 10:17 en Jak. 2:1. ἐπικαλέομαι (epikaleomai), ‘aanroepen’: ook ‘noemen’. παροικία (paroikia), ‘verblijf als vreemdeling’: het wonen als bijwoner, zonder blijvend verblijf; vergelijk Ps. 39:13 (in de Nederlandse telling 39:12), waar iemand zegt ‘een vreemdeling bij U’ te zijn.
Zie ook Deut. 10:17; Ps. 39:13; Jak. 2:1.
λυτρόω (lytroo), ‘loskopen’: een losgeld betalen om een slaaf of gevangene vrij te maken; vergelijk Mark. 10:45. ματαία (mataia), ‘zinloos’: leeg, zonder resultaat. πατροπαράδοτος (patroparadotos), ‘van de vaders overgeleverd’: door de voorgeslachten doorgegeven.
Zie ook Mark. 10:45.
ἀμνός (amnos), ‘lam’; ἄμωμος (amomos), ‘zonder gebrek’: zoals het Pesachlam ‘zonder gebrek’ moest zijn (Exod. 12:5). ἄσπιλος (aspilos), ‘zonder vlek’.
In het Grieks staat ‘de Messias’ aan het eind van de zin: ‘als van een lam zonder gebrek en vlek, van de Messias’.
Vergelijk ook Jes. 53:7.
Zie ook Exod. 12:5; Jes. 53:7; Joh. 1:29.
προγινώσκω (proginosko), ‘tevoren kennen’: de stam van πρόγνωσις in vers 2. καταβολή κόσμου (katabole kosmou), ‘grondlegging van de wereld’: het leggen van het fundament, het begin van de wereld; vergelijk Joh. 17:24. φανερόω (faneroo), ‘zichtbaar maken’.
Zie ook Joh. 17:24.
De SBLGNT markeert bij ‘gelovigen’ (πιστούς) een lezing; wij volgen de SBLGNT.
Het slot kan ook worden gelezen als ‘zodat jullie geloof ook hoop op Elohim is’.
Opnieuw verwekt door het levende woord
ἁγνίζω (hagnizo), ‘reinigen’: rein maken. φιλαδελφία (filadelfia), ‘broederliefde’: liefde voor broers en zusters in het geloof; ἀνυπόκριτος (anypokritos) ‘ongeveinsd’, zonder toneelspel. ἐκτενῶς (ektenos), ‘vurig’: met volle inspanning.
De SBLGNT markeert bij ‘de waarheid’ en bij ‘uit’ een lezing; wij volgen de SBLGNT.
ἀναγεννάω (anagennao), ‘opnieuw verwekken’: zie vers 3. σπορά (spora), ‘zaad’: het gezaaide zaad. ζῶντος καὶ μένοντος (zontos kai menontos), ‘levende en blijvende’: het Grieks kan dit op ‘woord’ betrekken (‘het levende en blijvende woord van Elohim’) of op ‘Elohim’ (‘het woord van de levende en blijvende Elohim’).
Wij kiezen het eerste, dat bij het citaat van vers 24–25 past.
Bij ‘blijvende’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Het citaat is Jes. 40:6–8.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Al het vlees is gras, en al zijn trouw is als de bloem van het veld.’
De Griekse tekst heeft ‘al zijn heerlijkheid’ en ‘de bloem van het gras’.
Aan het begin van het citaat in Jes. 40:6 zegt een stem ‘Roep!’; het citaat is dus geen woord van Yahweh in de eerste persoon en staat zwart.
Bij ‘zijn’ (αὐτῆς) en bij ‘bloem’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jes. 40:6–8.
Ons Hebreeuws heeft in Jes. 40:8: ‘het woord van onze Elohim blijft voor eeuwig bestaan’.
De Griekse tekst heeft κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’.
Wij schrijven ‘Heer’, omdat het Hebreeuws hier niet de Naam Yahweh heeft. ῥῆμα (rema), ‘woord’: in vers 23 staat λόγος (logos). εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’.
Zie ook Jes. 40:8.