Galaten 3
De Geest en het geloof van Abraham, de vloek van de wet, de belofte en de opvoeder
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Geest door het geloof
Zie Galatië (ongeveer): Galatië is het binnenland van het huidige Turkije, rond Ankara.
Of Paulus de streek in het noorden bedoelt of de Romeinse provincie, die ook Pisidië en Lykaonië omvatte (met Ikonium, Lystra en Derbe), is niet zeker; het punt is bij benadering.
ἀνόητος (anoetos), ‘onverstandig’. βασκαίνω (baskaino), ‘betoveren’: iemand met een boze blik of een toverkracht schaden; Paulus bedoelt: wie heeft jullie het verstand benomen? προγράφω (prografo), ‘openlijk voorstellen’: ook ‘tevoren opschrijven’ of ‘openlijk bekendmaken’, zoals op een aanplakbiljet. ἐσταυρωμένος (estaurromenos), ‘gekruisigd’, van σταυρός (stauros), ‘kruis’.
De Galaten zijn de mensen in Galatië (zie 1:2).
Welke streek met ‘de Galaten’ bedoeld is, zegt de brief niet.
Handelingen noemt ‘het Galatische land’ in Hand. 16:6 en 18:23 en beschrijft Paulus’ werk in Klein-Azië in Hand. 13–14.
Zie ook Hand. 13:14; Hand. 14:1; Hand. 14:8; Hand. 16:6; Hand. 18:23.
ἀκοή (akoe), ‘het horen’: ook ‘wat gehoord wordt, de boodschap’. πίστεως (pisteos), ‘van geloof’: ‘het horen met geloof’ is ons voorstel; het Grieks kan ook ‘het horen van de boodschap van het geloof’ betekenen. πνεῦμα (pneuma), ‘Geest’: de Geest van Elohim. ἔργα νόμου: zie 2:16.
Zie ook Gal. 2:16.
σάρξ (sarx), ‘vlees’: niet alleen het lichaam, maar ook de zwakke, aardse menselijke natuur, tegenover de Geest. ἐπιτελέω (epiteleo), ‘voltooien’: de Griekse vorm kan ook lijdend zijn: ‘worden jullie nu met het vlees voltooid?’
πάσχω (pascho), ‘lijden’: ook ‘ervaren, meemaken’; Paulus bedoelt wat de Galaten meegemaakt hebben, goed of kwaad. εἰκῇ (eike), ‘vergeefs’: ook ‘zonder reden’. εἴ γε καὶ εἰκῇ (ei ge kai eike), ‘als het tenminste vergeefs was’: Paulus laat open dat het niet vergeefs hoeft te zijn.
ἐπιχορηγέω (epichoregeo), ‘schenken’: rijkelijk verschaffen. δύναμις (dynamis), ‘kracht’: in het meervoud krachtige daden, wonderen. ἐν ὑμῖν (en humin), ‘onder jullie’: ook ‘in jullie’.
Het Grieks heeft in de vraag geen werkwoord; wij vullen ‘is dat’ aan.
Abraham, het geloof en de zegen
Aanhaling van Gen. 15:6.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Abram geloofde Yahweh, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid’.
De Griekse tekst heeft ‘Abraham geloofde Elohim, en het werd hem gerekend tot gerechtigheid’: het Griekse citaat noemt Abraham (in Gen. 15:6 heet hij nog Abram), heeft ‘Elohim’ waar ons Hebreeuws ‘Yahweh’ heeft en zet het toerekenen in de lijdende vorm. λογίζομαι (logizomai), ‘rekenen, toerekenen’: iets op iemands rekening zetten. δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’.
Het citaat staat zwart: Paulus haalt het aan.
Zie ook Gen. 15:6.
Γινώσκετε (ginoskete), ‘weet’: de Griekse vorm kan ook een mededeling zijn, ‘jullie weten’. οἱ ἐκ πίστεως (hoi ek pisteos), ‘zij die uit geloof zijn’: wie uit het geloof leeft. υἱοί (huioi), ‘zonen’: het woord omvat in de gemeente ook de dochters, zoals ἀδελφοί bij 1:2.
γραφή (grafe), ‘Schrift’: de heilige geschriften, hier als sprekend voorgesteld. προευαγγελίζομαι (proeuangelizomai), ‘vooraf de goede boodschap brengen’.
Aanhaling van Gen. 12:3.
Ons Hebreeuws heeft ‘In jou zullen alle families van de grond gezegend worden’; de Griekse tekst heeft ‘alle volken’ (ἔθνη).
Vergelijk Gen. 22:18, waar ons Hebreeuws ‘alle volken van de aarde’ heeft.
In Genesis spreekt Yahweh deze woorden; hier haalt Paulus ze aan als wat de Schrift zegt, daarom zwart.
Zie ook Gen. 12:3; Gen. 22:18.
πιστός (pistos), ‘gelovig’: ook ‘trouw, betrouwbaar’; Abraham wordt hier de gelovige genoemd.
De vloek van de wet en de Messias
κατάρα (katara), ‘vloek’; ἐπικατάρατος (epikataratos), ‘vervloekt’.
Aanhaling van Deut. 27:26.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet laat standhouden door ze te doen’.
De Griekse tekst heeft: ‘Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om het te doen’: met ‘ieder’, ‘alles’ en ‘het boek’. ὅσοι ἐξ ἔργων νόμου (hosoi ex ergon nomou), ‘allen die uit werken van de wet zijn’: wie op de wet vertrouwt.
Zie ook Deut. 27:26.
Aanhaling van Hab. 2:4.
Ons Hebreeuws heeft: ‘de rechtvaardige zal leven door zijn trouw’.
De Griekse tekst heeft: ‘de rechtvaardige zal uit geloof leven’, zonder ‘zijn’.
Het Hebreeuwse אֱמוּנָה (emunah) betekent ‘trouw, betrouwbaarheid’, het Griekse πίστις (pistis) ‘geloof’. ἐκ πίστεως kan bij ‘de rechtvaardige’ horen (‘de uit geloof rechtvaardige zal leven’) of bij ‘zal leven’; wij kiezen het tweede.
In Habakuk spreekt Yahweh deze woorden; hier haalt Paulus ze aan, daarom zwart. ἐν νόμῳ (en nomo), ‘in de wet’: in het gebied van de wet.
Hetzelfde Griekse ἐν νόμῳ staat in 5:4; wij vertalen het beide keren ‘in de wet’.
Zie ook Hab. 2:4; Gal. 5:4.
Aanhaling van Lev. 18:5.
Ons Hebreeuws heeft: ‘De mens die ze doet, zal erdoor leven’.
De Griekse tekst heeft: ‘Wie ze doet, zal erin leven’.
‘Ze’ zijn de voorschriften en rechtsregels van Yahweh.
‘De wet is niet uit geloof’: de wet vraagt om doen.
Zie ook Lev. 18:5.
ἐξαγοράζω (exagorazo), ‘vrijkopen’: met een prijs uit een macht bevrijden. ξύλον (xylon), ‘hout’: ook ‘boom’.
Aanhaling van Deut. 21:23.
Ons Hebreeuws heeft: ‘een gehangene is een vervloeking van Elohim’.
De Griekse tekst heeft: ‘Vervloekt is ieder die aan hout hangt’.
In Deut. 21 gaat het om iemand die gedood is en daarna aan een boom wordt gehangen; Paulus past het toe op de kruisiging van de Messias.
Zie ook Deut. 21:22–23.
De belofte en de wet
κατὰ ἄνθρωπον (kata anthropon), ‘naar menselijke maat’: zie 1:11. διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: in het gewone Grieks ook ‘testament, laatste wil’; hier gaat het om een rechtsgeldige regeling die niemand mag wijzigen. ἀθετέω (atheteo), ‘ongeldig maken’: zie 2:21. ἐπιδιατάσσομαι (epidiatassomai), ‘erbij voorschrijven’: er iets aan toevoegen.
Zie ook Gal. 1:11; Gal. 2:21.
σπέρμα (sperma), ‘zaad’: in het Hebreeuws זֶרַע (zera), ‘zaad, nageslacht’; het Hebreeuwse woord staat in het enkelvoud ook voor veel nakomelingen.
De belofte aan het nageslacht van Abraham staat in Gen. 12:7, 13:15 en 17:7 (ons Genesis schrijft daar ‘nageslacht’).
Paulus let hier op het enkelvoud van het woord en past het toe op de Messias.
Het Grieks heeft ‘hij zegt’ zonder naam; wij schrijven ‘er wordt gezegd’, omdat de tekst niet zegt of de Schrift of Elohim bedoeld is.
Wij houden ‘zaad’ vast, zodat het enkelvoud zichtbaar blijft. ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’.
Zie ook Gen. 12:7; Gen. 13:15; Gen. 17:7.
‘430 jaar’ (in het Grieks ‘400 en 30 jaar’): Paulus rekent van de belofte aan Abraham tot het geven van de wet.
Exod. 12:40 noemt in onze Hebreeuwse tekst 430 jaar voor het verblijf van de zonen van Israël in Egypte; Paulus noemt ze voor de tijd tussen de belofte en de wet.
Zie de voetnoot bij Exod. 12:40 voor de lezing waarin de 430 jaar bij Abraham beginnen.
Hoe men de 430 jaar rekent, zegt de tekst zelf niet. προκυρόω (prokyroo), ‘tevoren bekrachtigen’. ἀκυρόω (akyroo), ‘krachteloos maken’. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’: wij gebruiken dezelfde weergave in 5:4 en 5:11.
Zie ook Exod. 12:40.
κληρονομία (kleronomia), ‘erfenis’. χαρίζομαι (charizomai), ‘uit genade schenken’: verwant aan χάρις (charis), ‘genade’.
De erfenis is wat Elohim aan Abraham beloofd heeft.
Waartoe de wet?
De verzen 19–20 zijn in het Grieks moeilijk en worden verschillend gelezen; wij vertalen zo letterlijk als het Nederlands toelaat. παράβασις (parabasis), ‘overtreding’. προστίθημι (prostithemi), ‘toevoegen’. χάριν (charin), ‘vanwege’: de tekst zegt niet of dit ‘om overtredingen te laten zien’ of ‘om ze tegen te gaan’ bedoelt. διατάσσω (diatasso), ‘verordenen’. μεσίτης (mesites), ‘middelaar’: wie tussen twee partijen staat; de tekst noemt geen naam; men denkt vaak aan Mozes (vergelijk Deut. 5:5).
‘Door engelen’: engelen bij het geven van de wet; vergelijk Deut. 33:2, waar Yahweh van Sinaï komt met heilige tienduizenden, en Hand. 7:53. σπέρμα (sperma), ‘zaad’: zie vers 16.
Zie ook Deut. 5:5; Deut. 33:2; Hand. 7:53; Gal. 3:16.
Dit vers is zeer kort en moeilijk.
Letterlijk: ‘Een middelaar is niet van één, maar Elohim is één.’
Een mogelijke lezing: een middelaar staat tussen twee partijen, terwijl Elohim bij de belofte alleen handelde.
Het vers wordt ook anders gelezen; wij laten de beknopte, duistere vorm van de zin staan.
Vergelijk Deut. 6:4: ‘Yahweh is één’.
Zie ook Deut. 6:4.
συγκλείω (sygkleio), ‘opsluiten’: samen insluiten, zoals vissen in een net. ἡ γραφή (he grafe), ‘de Schrift’: zie vers 8. τὰ πάντα (ta panta), ‘alles’: alle dingen, alle mensen. πίστεως Ἰησοῦ Χριστοῦ (pisteos Iesou Christou): wij vertalen ‘het geloof in Yeshua de Messias’; het Grieks kan ook ‘het geloof van’ of ‘de trouw van Yeshua de Messias’ betekenen, zie 2:16.
Zie ook Gal. 2:16.
De opvoeder en de zonen van Elohim
φρουρέω (phroureo), ‘bewaken’: zoals soldaten een stad of gevangenen bewaken. συγκλείω (sygkleio), ‘opsluiten’: zie vers 22.
‘Het geloof’ komt hier en wordt onthuld: het geloof in de Messias, die gekomen is.
παιδαγωγός (paidagogos), ‘opvoeder’: in de Griekse en Romeinse wereld een slaaf die het kind van het huis naar school begeleidde en toezicht hield; hij was geen leraar. εἰς Χριστόν (eis Christon), ‘tot de Messias’: kan ‘tot aan de komst van de Messias’ of ‘naar de Messias toe’ betekenen.
Zie ook Gal. 3:25.
υἱοὶ θεοῦ (huioi theou), ‘zonen van Elohim’: in de gemeente zijn allen, mannen en vrouwen, zonen met erfrecht; vergelijk de verzen 28–29. ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ (en Christo Iesou), ‘in Yeshua de Messias’: kan bij ‘het geloof’ horen of bij ‘zonen zijn’.
βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. εἰς Χριστόν (eis Christon), ‘in de Messias’: ook ‘tot de Messias’. ἐνδύομαι (endyomai), ‘aantrekken’: zich met iets kleden; hier: de Messias aandoen.
οὐκ ἔνι (ouk eni), ‘er is niet’: er is geen plaats voor een scheiding. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; ἐλεύθερος (eleutheros), ‘vrije’. ἄρσεν καὶ θῆλυ (arsen kai thely), ‘mannelijk en vrouwelijk’: de woorden van Gen. 1:27 in de Griekse tekst; in dit derde paar staat ‘en’ in plaats van ‘noch’.
Zie ook Gen. 1:27; Matt. 19:4.