Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een nachtverblijf in de woestijn
1Wie geeft mij in de woestijn een nachtverblijf voor reizigers? Dan zou ik mijn volk verlaten en bij hen vandaan gaan, want zij zijn allemaal overspelers, een bijeenkomst van trouwelozen.
מִֽי
(mi)
wie
יִתְּנֵ֣נִי
(yiteneni)
zal geven mij
בַמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
מְלוֹן֙
(melon)
verblijf van
אֹֽרְחִ֔ים
(orechim)
reizigers
וְאֶֽעֶזְבָה֙
(veeezva)
en ik zal verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וְאֵלְכָ֖ה
(veelekha)
en ik zal gaan
מֵֽאִתָּ֑ם
(meitam)
van bij hen
כִּ֤י
(ki)
want
כֻלָּם֙
(kulam)
zij allen
מְנָ֣אֲפִ֔ים
(menaafim)
overspelers
עֲצֶ֖רֶת
(atseret)
bijeenkomst van
בֹּגְדִֽים
(bogedim)
trouwelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De telling van de verzen verschilt: Hebr. 9:1–25 is NL 9:2–26.
Het Nederlandse hoofdstuk 9 begint dus een vers eerder, in Hebr. 8:23.
מְלוֹן אֹרְחִים (melon orechim), ‘nachtverblijf voor reizigers’: een eenvoudige herberg voor karavanen. De profeet wil liever in de woestijn zijn dan bij zijn volk.
מְנָאֲפִים (menaafim), ‘overspelers’: ook in overdrachtelijke zin, ontrouw aan Yahweh (zoals Hos. 4:2 en 7:4).
Dit vers is een woord van de profeet en staat zwart.
2„Zij spannen hun tong als hun boog, tot leugen. Niet voor de trouw zijn zij machtig geworden in het land. Want van kwaad gaan zij naar kwaad en Mij kennen zij niet, godsspraak van Yahweh.
וַֽיַּדְרְכ֤וּ
(vayadrekhu)
en zij spannen
אֶת
(et)
(obj.)
לְשׁוֹנָם֙
(leshonam)
hun tong
קַשְׁתָּ֣ם
(qashtam)
hun boog
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
leugen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לֶאֱמוּנָ֖ה
(leemuna)
voor trouw
גָּבְר֣וּ
(gaveru)
zijn machtig geworden
בָאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
כִּי֩
(ki)
want
מֵרָעָ֨ה
(meraa)
van kwaad
אֶל
(el)
naar
רָעָ֧ה
(raa)
kwaad
יָצָ֛אוּ
(yatsau)
zij gaan uit
וְאֹתִ֥י
(veoti)
en Mij
לֹֽא
(lo)
niet
יָדָ֖עוּ
(yadau)
zij kennen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְשׁוֹנָם קַשְׁתָּם (leshonam qashtam), ‘hun tong als hun boog’: de tong is het wapen, de leugen de pijl (zie vers 7).
וְלֹא לֶאֱמוּנָה גָּבְרוּ (velo le’emunah gavru), ‘niet voor de trouw zijn zij machtig geworden’: אֱמוּנָה (emunah) is betrouwbaarheid; wij vertalen het met ‘trouw’ (zie Jer. 5:1). Zij gebruiken hun macht niet voor trouw, maar voor leugen.
וְאֹתִי לֹא יָדָעוּ (oti lo yada’u), ‘Mij kennen zij niet’: de ‘kennis van Elohim’ ontbreekt, zoals Hos. 4:1.
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. Met deze formule spreekt Yahweh zelf; daarom staan de verzen 2–5 rood.
3Ieder moet zich hoeden voor zijn naaste en op geen enkele broer vertrouwen. Want iedere broer bedriegt zonder ophouden, en iedere naaste gaat rond met roddel.
אִ֤ישׁ
(ish)
man
מֵרֵעֵ֨הוּ֙
(mereehu)
van zijn naaste
הִשָּׁמֵ֔רוּ
(hishameru)
hoedt u
וְעַל
(veal)
en op
כָּל
(kal)
iedere
אָ֖ח
(ach)
broer
אַל
(al)
niet
תִּבְטָ֑חוּ
(tivtachu)
vertrouwt
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
iedere
אָח֙
(ach)
broer
עָק֣וֹב
(aqov)
bedriegt
יַעְקֹ֔ב
(yaqov)
bedriegt hij
וְכָל
(vekhal)
en iedere
רֵ֖עַ
(rea)
naaste
רָכִ֥יל
(rakhil)
roddel
יַהֲלֹֽךְ
(yahalokh)
gaat rond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָקוֹב יַעְקֹב (aqov ya’aqov), ‘bedriegt zonder ophouden’: letterlijk ‘bedriegt, bedriegt’; het werkwoord עָקַב (aqav) is verwant met de naam Jakob (Ya’aqov).
Zoals Jakob zijn broer bij de hiel greep (Hos. 12:4), zo bedriegt iedere broer.
רָכִיל (rakhil), ‘roddel’: wie rondgaat met kwaadspreken; vergelijk Lev. 19:16.
9Over de bergen hef ik geween en weeklacht aan, en over de weiden van de woestijn een klaaglied. Want zij zijn verbrand, zodat niemand erdoor trekt. Men hoort het geluid van het vee niet meer. Van de vogels van de hemel tot het vee zijn ze gevlucht en weggegaan.
עַל
(al)
over
הֶ֨הָרִ֜ים
(heharim)
de bergen
אֶשָּׂ֧א
(esa)
ik hef aan
בְכִ֣י
(bekhi)
geween
וָנֶ֗הִי
(vanehi)
en weeklacht
וְעַל
(veal)
en over
נְא֤וֹת
(neot)
weiden van
מִדְבָּר֙
(midbar)
woestijn
קִינָ֔ה
(qina)
klaaglied
כִּ֤י
(ki)
want
נִצְּתוּ֙
(nitsetu)
zijn verbrand
מִבְּלִי
(mibeli)
zonder
אִ֣ישׁ
(ish)
man
עֹבֵ֔ר
(over)
die doortrekt
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמְע֖וּ
(shameu)
zij hebben gehoord
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
מִקְנֶ֑ה
(miqne)
vee
מֵע֤וֹף
(meof)
vanaf vogel van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וְעַד
(vead)
en tot
בְּהֵמָ֔ה
(behema)
dier
נָדְד֖וּ
(nadedu)
zijn gevlucht
הָלָֽכוּ
(halakhu)
zijn gegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie spreekt.
Wij kiezen de profeet en dus zwart.
Het werkwoord נִצְּתוּ (nitsetu), ‘zijn verbrand’, kan ook ‘zijn verwoest’ betekenen.
Het vee en de vogels vluchten: het land is leeg, zonder geluid.
11Wie is de wijze man die dit begrijpt? Tot wie heeft de mond van Yahweh gesproken, zodat hij het verkondigt? Waarom is het land verloren gegaan en als een woestijn verbrand, zodat niemand erdoor trekt?
מִֽי
(mi)
wie
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הֶֽחָכָם֙
(hechakham)
de wijze
וְיָבֵ֣ן
(veyaven)
en hij begrijpt
אֶת
(et)
(obj.)
זֹ֔את
(zot)
dit
וַאֲשֶׁ֨ר
(vaasher)
en die
דִּבֶּ֧ר
(diber)
heeft gesproken
פִּֽי
(pi)
mond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֖יו
(elav)
tot hem
וְיַגִּדָ֑הּ
(veyagidah)
en hij verkondigt het
עַל
(al)
over
מָה֙
(ma)
wat
אָבְדָ֣ה
(aveda)
is verloren gegaan
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
נִצְּתָ֥ה
(nitseta)
is verbrand
כַמִּדְבָּ֖ר
(kamidbar)
als een woestijn
מִבְּלִ֖י
(mibeli)
zonder
עֹבֵֽר
(over)
doortrekkende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vraag naar de wijze man laat zien dat iedereen de ramp moet kunnen uitleggen.
Het antwoord komt in vers 12–13: het volk heeft de wet van Yahweh verlaten.
12Yahweh zei: „Omdat zij Mijn wet verlaten hebben, die Ik hun voorgelegd heb, en niet naar Mijn stem hebben geluisterd en daarin niet hebben gewandeld,
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
om
עָזְבָם֙
(azevam)
hun verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
תּ֣וֹרָתִ֔י
(torati)
Mijn wet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמְע֥וּ
(shameu)
zij luisterden
בְקוֹלִ֖י
(beqoli)
naar Mijn stem
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥לְכוּ
(halekhu)
zij liepen
בָֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: תּוֹרָה (torah), ook ‘onderwijs’.
Het woord ‘Yahweh zei’ staat zwart (de verteller); wat Hij zegt staat rood.
15Ik verstrooi hen onder de volken die zij niet gekend hebben, zij niet en hun vaders niet. Ik zend het zwaard achter hen aan, totdat Ik hen heb uitgeroeid.”
וַהֲפִֽצוֹתִים֙
(vahafitsotim)
en Ik zal verstrooien hen
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
יָֽדְע֔וּ
(yadeu)
zij kenden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
וַֽאֲבוֹתָ֑ם
(vaavotam)
en hun vaders
וְשִׁלַּחְתִּ֤י
(veshilachti)
en Ik zal zenden
אַֽחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
achter hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
עַ֥ד
(ad)
tot
כַּלּוֹתִ֖י
(kaloti)
Ik heb uitgeroeid
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַהֲפִצוֹתִים (vahafitsotim), ‘Ik verstrooi hen’: de verbondsvloek van Lev. 26:33; zie ook Deut. 28:64.
כַּלּוֹתִי (kallotti), ‘Ik heb uitgeroeid’: het werkwoord כָּלָה (kalah) betekent ‘ten einde brengen’.
18Want een klaagstem wordt gehoord uit Sion: „Hoe zijn wij verwoest! Wij zijn zeer beschaamd, want wij hebben het land verlaten, want zij hebben onze woningen neergeworpen.”
כִּ֣י
(ki)
want
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
נְהִ֛י
(nehi)
klaagzang
נִשְׁמַ֥ע
(nishma)
wordt gehoord
מִצִּיּ֖וֹן
(mitsiyon)
uit Sion
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
שֻׁדָּ֑דְנוּ
(shudadenu)
zijn wij verwoest
בֹּ֤שְׁנֽוּ
(boshenu)
wij zijn beschaamd
מְאֹד֙
(meod)
zeer
כִּֽי
(ki)
want
עָזַ֣בְנוּ
(azavnu)
wij hebben verlaten
אָ֔רֶץ
(arets)
land
כִּ֥י
(ki)
want
הִשְׁלִ֖יכוּ
(hishlikhu)
zij hebben neergeworpen
מִשְׁכְּנוֹתֵֽינוּ
(mishkenoteinu)
onze woningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אֵיךְ (eikh), ‘hoe’: het woord waarmee een klaagzang begint, zoals Klaagl. 1:1.
שֻׁדָּדְנוּ (shuddadnu), ‘wij zijn verwoest’: van שָׁדַד (shadad), ‘plunderen, verwoesten’.
19Hoor dan, vrouwen, het woord van Yahweh, en laat jullie oor het woord van Zijn mond opnemen. Leer jullie dochters een weeklacht, en elke vrouw haar buurvrouw een klaaglied.
כִּֽי
(ki)
want
שְׁמַ֤עְנָה
(shemana)
hoort
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְתִקַּ֥ח
(vetiqach)
en laat opnemen
אָזְנְכֶ֖ם
(azenekhem)
jullie oor
דְּבַר
(devar)
woord van
פִּ֑יו
(piv)
Zijn mond
וְלַמֵּ֤דְנָה
(velamedena)
en leert
בְנֽוֹתֵיכֶם֙
(benoteikhem)
jullie dochters
נֶ֔הִי
(nehi)
weeklacht
וְאִשָּׁ֥ה
(veisha)
en vrouw
רְעוּתָ֖הּ
(reutah)
haar buurvrouw
קִינָֽה
(qina)
klaaglied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּיו (piv), ‘Zijn mond’: de vrouwen worden opgeroepen te luisteren naar het woord van Yahweh en dat door te geven in klaagliederen, zoals een les.
נֶהִי (nehi), ‘weeklacht’ en קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: twee woorden voor de klaagzang.
21„Spreek: ‘Zo luidt de godsspraak van Yahweh: Het lijk van de mensen zal vallen als mest op het open veld, als een korenschoof achter de maaier. Niemand zal ze verzamelen.’”
דַּבֵּ֗ר
(daber)
spreek
כֹּ֚ה
(ko)
zo
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָֽפְלָה֙
(venafela)
en zal vallen
נִבְלַ֣ת
(nivlat)
lijk van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
כְּדֹ֖מֶן
(kedomen)
als mest
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וּכְעָמִ֛יר
(ukheamir)
en als korenschoof
מֵאַחֲרֵ֥י
(meacharei)
achter
הַקֹּצֵ֖ר
(haqotser)
de maaier
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
מְאַסֵּֽף
(measef)
wie verzamelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּבֵּר (dabber), ‘spreek’: een bevel aan de profeet.
De woorden van de godsspraak staan binnen enkele aanhalingstekens.
כְּדֹמֶן (kedomen), ‘als mest’: zoals in Jer. 8:2. וּכְעָמִיר (ka’amir), ‘als een korenschoof’: wat de maaier laat liggen en niemand bijeenbindt.
22Zo zegt Yahweh: „De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid. De held moet zich niet beroemen op zijn kracht. De rijke moet zich niet beroemen op zijn rijkdom.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַל
(al)
niet
יִתְהַלֵּ֤ל
(yithalel)
beroem zich
חָכָם֙
(chakham)
wijze
בְּחָכְמָת֔וֹ
(bechakhemato)
op zijn wijsheid
וְאַל
(veal)
en niet
יִתְהַלֵּ֥ל
(yithalel)
beroem zich
הַגִּבּ֖וֹר
(hagibor)
de held
בִּגְבֽוּרָת֑וֹ
(bigvurato)
op zijn kracht
אַל
(al)
niet
יִתְהַלֵּ֥ל
(yithalel)
beroem zich
עָשִׁ֖יר
(ashir)
rijke
בְּעָשְׁרֽוֹ
(beashero)
op zijn rijkdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Drie dingen waar mensen trots op zijn: wijsheid, kracht en rijkdom.
23Maar wie zich wil beroemen, moet zich hierin beroemen: dat hij inzicht heeft en Mij kent: dat Ik Yahweh ben. Ik doe trouw, recht en gerechtigheid op aarde. Want daarin heb Ik behagen, godsspraak van Yahweh.
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בְּזֹ֞את
(bezot)
in dit
יִתְהַלֵּ֣ל
(yithalel)
beroemt zich
הַמִּתְהַלֵּ֗ל
(hamithalel)
de die zich beroemt
הַשְׂכֵּל֮
(haskel)
inzicht hebben
וְיָדֹ֣עַ
(veyadoa)
en kennen
אוֹתִי֒
(oti)
Mij
כִּ֚י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹ֥שֶׂה
(ose)
doe
חֶ֛סֶד
(chesed)
trouw
מִשְׁפָּ֥ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֖ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op aarde
כִּֽי
(ki)
want
בְאֵ֥לֶּה
(beele)
in deze
חָפַ֖צְתִּי
(chafatsti)
Ik heb behagen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staan de drie kernwoorden van Yahweh’s eigen handelen: חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en וּצְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’.
Zie ook Hos. 6:6 en Micha 6:8 (‘recht te doen, trouw lief te hebben’).
Wie zich mag beroemen, beroemt zich op het kennen van Yahweh, niet op eigen bezit.
הַשְׂכֵּל וְיָדֹעַ (haskel veyado’a), ‘inzicht hebben en Mij kennen’: twee werkwoorden die samen horen.
Zie ook 1 Kor. 1:31.
Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij splitsen ‘die trouw, recht en gerechtigheid doet’ af als ‘Ik doe trouw, recht en gerechtigheid’.
25Egypte, Juda, Edom, de zonen van Ammon, Moab en alle mensen die de rand van hun haar afknippen, die in de woestijn wonen. Want alle volken zijn onbesneden, en heel het huis van Israël is onbesneden van hart.”
עַל
(al)
over
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְעַל
(veal)
en over
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en over
אֱד֞וֹם
(edom)
Edom
וְעַל
(veal)
en over
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
עַמּוֹן֙
(amon)
Ammon
וְעַל
(veal)
en over
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְעַל֙
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
קְצוּצֵ֣י
(qetsutsei)
afgeknipten van
פֵאָ֔ה
(pea)
rand
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
de wonenden
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
עֲרֵלִ֔ים
(arelim)
onbesneden
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַרְלֵי
(arlei)
onbesneden van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Uitleg
קְצוּצֵי פֵאָה (qetsutsei pe’ah), ‘die de rand van hun haar afknippen’: een gebruik van enkele woestijnstammen, zie Jer. 25:23 en 49:32; Israël mocht de rand van het haar niet afknippen (Lev. 19:27).
Juda staat in de lijst naast de volken: ook Juda is onbesneden van hart.
עַרְלֵי לֵב (arlei lev), ‘onbesneden van hart’: zoals Lev. 26:41 en Deut. 10:16 (‘Besnijd de voorhuid van jullie hart’).
Hiermee eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 22 begon.