Openbaring 19
Halleluja, de bruiloft van het Lam, de ruiter op het witte paard en het einde van het beest en de valse profeet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Halleluja in de hemel
Ἁλληλουϊά (halleloeia), ‘halleluja’: Hebreeuws הַלְלוּ־יָהּ, ‘prijst Yah’ (Yah is een korte vorm van Yahweh); het staat in Openbaring alleen in dit hoofdstuk (de verzen 1, 3, 4 en 6).
Vergelijk Ps. 146:1; Ps. 106:1. σωτηρία (soteria), ‘redding’; ὄχλος (ochlos), ‘menigte’.
Het Grieks heeft bij ‘de redding en de heerlijkheid en de kracht’ geen werkwoord: ‘van onze Elohim’ is dus ‘zijn van onze Elohim’.
Zie ook Ps. 146:1; Ps. 106:1; Openb. 7:10; Openb. 12:10.
De SBLGNT markeert bij de woorden δόξα καὶ ἡ δύναμις (doxa kai he dynamis), ‘heerlijkheid en de kracht’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κρίσις (krisis), ‘oordeel’. φθείρω (ftheiro), ‘verderven, te gronde richten’. ἐκδικέω (ekdikeo), ‘wreken’: ‘het bloed van Zijn knechten uit haar hand wreken’ is een vaste uitdrukking uit het Oude Testament (2 Kon. 9:7; Deut. 32:43).
De ‘grote hoer’ is die van 17:1. δοῦλος (doulos), ‘knecht’.
Zie ook 2 Kon. 9:7; Deut. 32:43; Openb. 6:10; Openb. 16:7; Openb. 17:1; Openb. 18:20.
De SBLGNT markeert bij ἔφθειρεν (eftheiren), ‘verdierf’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
δεύτερον εἴρηκαν (deuteron eirekan), ‘voor de tweede keer hebben zij gezegd’: een voltooide tijd. καπνός (kapnos), ‘rook’.
‘Haar rook stijgt op tot in de eeuwen van de eeuwen’ klinkt als Jes. 34:10.
Zie ook Jes. 34:10; Openb. 14:11.
De SBLGNT markeert bij εἴρηκαν (eirekan), ‘hebben gezegd’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De 24 ouderen en de vier levende wezens zijn die van 4:4–10 en 5:8–14. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’. Ἀμήν (amen), ‘voorwaar, zo zij het’.
Dit is de derde keer ‘halleluja’ in dit hoofdstuk (na vers 1 en 3); de vierde keer volgt in vers 6.
Zie ook Openb. 4:4; Openb. 4:10; Openb. 5:14; Openb. 7:11.
De SBLGNT markeert bij de woorden τῷ θρόνῳ (to throno), ‘de troon’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Een stem uit de troon spreekt over ‘onze Elohim’; het is dus niet Elohim zelf die spreekt.
De woorden staan zwart. αἰνέω (aineo), ‘prijzen’. φοβέομαι (fobeomai), ‘vrezen’: ‘die Hem vrezen’ zijn de ontzagvollen; ‘de kleinen en de groten’ staat zo ook in Ps. 115:13.
Zie ook Ps. 115:13; Ps. 135:1.
De SBLGNT markeert hier de woorden τῷ θεῷ (to theo), ‘de Elohim’, en καί (kai), ‘en’, als variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Als een stem van vele wateren’ en ‘van sterke donderslagen’: vergelijk 1:15 en 14:2. ἐβασίλευσεν (ebasileusen), ‘is koning geworden’: de verleden tijd drukt hier het begin van het koningschap uit; zo ook in Ps. 47:9 en Jes. 52:7 (‘Je Elohim is koning geworden’). κύριος ὁ θεὸς ὁ παντοκράτωρ (kyrios ho theos ho pantokrator): ‘Yahweh Elohim, de Almachtige’, zoals in 15:3.
Vergelijk 11:15 en 11:17.
Zie ook Ps. 47:9; Ps. 93:1; Ps. 99:1; Jes. 52:7; Zach. 14:9; Openb. 11:15; Openb. 11:17; Openb. 15:3.
De SBLGNT markeert hier varianten bij λεγόντων (legonton), ‘zeggend’ en bij θεός (theos), ‘Elohim’.
Wij volgen de SBLGNT.
De bruiloft van het Lam
ἀγαλλιάω (agalliao), ‘juichen’. δώσομεν (dosomen), ‘wij zullen geven’, een toekomende tijd. γάμος (gamos), ‘bruiloft’. γυνή (gyne), ‘vrouw’: ook ‘bruid’; in 21:9 heet zij ‘de bruid, de vrouw van het Lam’.
‘Zichzelf gereedmaken’ (ἑτοιμάζω, hetoimazo).
Elohim als bruidegom van Zijn volk: Jes. 54:5; Jes. 62:5; Hos. 2:21.
Zie ook Jes. 54:5; Jes. 62:5; Hos. 2:21; Openb. 21:2; Openb. 21:9.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἀγαλλιῶμεν (agalliomen), ‘laten wij juichen’ en bij δώσομεν (dosomen), ‘wij zullen geven’.
Wij volgen de SBLGNT.
βύσσινον (byssinon), ‘fijn linnen’. περιβάλλω (periballo), ‘zich kleden’. δικαίωμα (dikaioma), ‘rechtsdaad’: een daad die aan het recht voldoet; hetzelfde woord staat in 15:4 voor de ‘rechtsdaden’ van Elohim.
Het fijne linnen ‘is’ de rechtsdaden: het beeld wordt uitgelegd.
Vergelijk Jes. 61:10 (‘een mantel van gerechtigheid’).
De woorden van de menigte, die in vers 6 begonnen, eindigen hier.
Zie ook Jes. 61:10; Openb. 3:4; Openb. 7:14; Openb. 15:4.
De SBLGNT markeert bij λαμπρὸν (lampron), ‘glanzend’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De engel weigert dat Johannes zich neerbuigt
Het Grieks noemt niet wie spreekt (‘hij zegt tegen mij’); in vers 10 noemt de spreker zichzelf een medeknecht.
Vergelijk de engel in 17:1 en 21:9. μακάριος (makarios), ‘gelukkig’; κεκλημένοι (keklemenoi), ‘uitgenodigden’; δεῖπνον (deipnon), ‘maal’.
Vergelijk de bruiloft in de gelijkenis van Matt. 22:1–14 en Luc. 14:15–24.
Zie ook Matt. 22:1–14; Luc. 14:15–24; Openb. 17:1; Openb. 21:9.
Johannes valt neer om zich voor de engel neer te buigen (προσκυνέω, proskyneo).
De engel weigert: ὅρα μή (hora me), letterlijk ‘zie toe: niet!’, dat is: ‘Doe het niet!’.
Hij noemt zichzelf een σύνδουλος (syndoulos), ‘medeknecht’, van Johannes en van zijn ‘broers’ (ἀδελφοί, adelfoi: het Griekse woord omvat ook de zusters) die het getuigenis van Yeshua hebben.
‘Buig je neer voor Elohim’: aanbidding is alleen voor Elohim.
Ook in 22:8–9 weigert de engel aanbidding. μαρτυρία Ἰησοῦ (martyria Iesou), ‘het getuigenis van Yeshua’: de tweede naamval kan ‘getuigenis over’ of ‘getuigenis door’ Yeshua zijn; zie 1:2 en 1:9.
‘De geest van de profetie’: wat de profeten drijft.
Zie ook Openb. 22:8–9; Hand. 10:25–26; Hand. 14:14–15; Openb. 1:2; Openb. 1:9.
De SBLGNT markeert bij μαρτυρία (martyria), ‘getuigenis’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De ruiter op het witte paard
‘De hemel geopend’: een nieuw gezicht (vergelijk 4:1; 11:19). ἵππος λευκός (hippos leukos), ‘wit paard’: zoals in 6:2, maar de ruiter is hier een andere. πιστός (pistos), ‘trouw’, en ἀληθινός (alethinos), ‘waar’: namen van Yeshua, zoals ‘de trouwe en ware Getuige’ (1:5; 3:14); in het Grieks staan ze hier zonder lidwoord, wij schrijven ‘de Trouwe en Ware’.
‘In gerechtigheid oordeelt Hij’ klinkt als Jes. 11:4 en Ps. 96:13.
De ruiter is Yeshua: zie vers 13 (‘Het Woord van Elohim’) en vers 16.
Zie ook Jes. 11:4; Ps. 96:13; Ps. 98:9; Openb. 1:5; Openb. 3:14; Openb. 6:2.
De SBLGNT markeert bij de woorden πιστὸς καλούμενος (pistos kaloumenos), ‘Trouwe genoemd’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Zijn ogen als een vlam van vuur’: zoals in 1:14 en 2:18; vergelijk Dan. 10:6. διάδημα (diadema), ‘diadeem’: een koningsband; de draak had er 7 (12:3), de ruiter heeft er ‘vele’.
‘Een naam die niemand kent behalve Hijzelf’: vergelijk de nieuwe naam in 2:17 en 3:12.
Zie ook Dan. 10:6; Openb. 1:14; Openb. 2:17; Openb. 3:12; Openb. 12:3.
De SBLGNT markeert hier varianten bij αὐτοῦ (autou), ‘Zijn’, en bij ἔχων (echon), ‘hebbend’.
Wij volgen de SBLGNT.
βάπτω (bapto), ‘onderdompelen, doopen’: het kleed is in bloed gedoopt; het Grieks zegt niet van wie het bloed is.
Vergelijk Jes. 63:1–3. ὁ Λόγος τοῦ Θεοῦ (ho Logos tou Theou), ‘Het Woord van Elohim’: zoals in Joh. 1:1 en Joh. 1:14; de SBLGNT schrijft hier hoofdletters. κέκληται (keklētai), ‘is genoemd’: een voltooide tijd.
Zie ook Jes. 63:1–3; Joh. 1:1; Joh. 1:14.
De SBLGNT markeert hier varianten bij βεβαμμένον (bebammenon), ‘gedoopt’, en bij κέκληται (kekletai), ‘is genoemd’.
Wij volgen de SBLGNT.
στράτευμα (strateuma), ‘leger’: het meervoud is ‘legers’, de heerscharen in de hemel. ἀκολουθέω (akoloutheo), ‘volgen’.
Hun ‘fijn linnen, wit en zuiver’ is het linnen van vers 8.
Zie ook Openb. 17:14; Openb. 19:8.
De SBLGNT markeert bij het lidwoord τά (ta), ‘de’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ῥομφαία (romfaia), ‘zwaard’, het lange zwaard; het scherpe zwaard uit de mond is ook in 1:16 en 2:12, 2:16; vergelijk Jes. 11:4 en Jes. 49:2. ποιμαίνω (poimaino), ‘weiden’: de herder die zijn kudde leidt; hetzelfde woord is in 2:27 en 12:5 ook met ‘weiden’ vertaald.
Ons Hebreeuws van Ps. 2:9 heeft ‘breken met een ijzeren staf’; hier staat het Griekse ‘weiden’. ληνός (lenos), ‘perskuip’: de wijnpers van Jes. 63:3 en Joël 4:13 (Hebr. telling; NL 3:13); zie ook 14:19–20.
‘De wijn van de woede van de toorn van Elohim’: zie 14:10 en 16:19.
Zie ook Ps. 2:9; Jes. 11:4; Jes. 49:2; Jes. 63:3; Joël 4:13; Openb. 1:16; Openb. 2:16; Openb. 2:27; Openb. 12:5; Openb. 14:19; Openb. 14:20.
De SBLGNT markeert bij ῥομφαία (romfaia), ‘zwaard’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
μηρός (meros), ‘dij’.
Het Grieks heeft ‘op het kleed en op zijn dij’; het kan zijn ‘op het kleed, namelijk op de dij’.
‘Koning van de koningen en Heer van de heren’: de titels van 17:14 in omgekeerde volgorde; vergelijk Deut. 10:17 en Dan. 2:47.
Zie ook Deut. 10:17; Dan. 2:47; Openb. 17:14.
Het grote maal van Elohim
μεσουράνημα (mesouranema), ‘het midden van de hemel’, waar de zon staat: zoals in 8:13 en 14:6. δεῖπνον τὸ μέγα τοῦ θεοῦ (deipnon to mega tou theou), ‘het grote maal van Elohim’: tegenover het ‘maal van de bruiloft’ in vers 9.
Vergelijk Ezech. 39:17–20, waar de vogels worden geroepen naar Elohims slachtoffer.
De woorden van de engel lopen door tot het einde van vers 18.
Zie ook Ezech. 39:17–20; Openb. 8:13; Openb. 14:6; Openb. 19:9.
De SBLGNT markeert bij ἕνα (hena), ‘een’, en bij ἔκραξεν (ekraxen), ‘riep’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’, letterlijk ‘leider van duizend’: een bevelhebber; zo heet in Hand. 21:31 de tribuun van de cohort in Jeruzalem. ἰσχυρός (ischyros), ‘sterk’: de sterken, de krijgers. ἐλεύθερος (eleutheros), ‘vrije’; δοῦλος (doulos), ‘knecht’.
Vergelijk Ezech. 39:18–20.
Zie ook Ezech. 39:18–20; Hand. 21:31.
De SBLGNT markeert hier varianten bij αὐτῶν (auton), ‘hen’, en bij καί (kai), ‘en’.
Wij volgen de SBLGNT.
Het beest en de valse profeet worden geworpen
Het beest en de koningen van de aarde zijn die van 13:1 en 16:14, 16:16; zij zijn verzameld om oorlog te voeren zoals Ps. 2:2 zegt (‘de koningen van de aarde stellen zich op … tegen Yahweh en tegen Zijn gezalfde’).
Het woord ‘oorlog’ (πόλεμος, polemos) staat ook in 16:14, 17:14 en 20:8.
Zie ook Ps. 2:2; Openb. 13:1; Openb. 16:14; Openb. 16:16; Openb. 17:14; Openb. 20:8.
De SBLGNT markeert bij het lidwoord τόν (ton) vóór ‘oorlog’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
πιάζω (piazo), ‘grijpen, vangen’.
‘De valse profeet’ is het beest uit de aarde van 13:11–17 (zie ook 16:13). λίμνη τοῦ πυρός (limne tou pyros), ‘meer van vuur’: hier voor het eerst; zie ook 20:10, 20:14–15 en 21:8. θεῖον (theion), ‘zwavel’. ζῶντες ἐβλήθησαν (zontes eblethesan), ‘levend werden zij geworpen’.
Vergelijk Dan. 7:11, waar het dier wordt gedood en aan het vuur wordt overgegeven.
Zie ook Dan. 7:11; Openb. 13:11; Openb. 13:14; Openb. 16:13; Openb. 20:10; Openb. 21:8.
De SBLGNT markeert hier varianten bij μετ᾽ (met), ‘met’, en bij ὁ (ho), ‘de’, en bij de woorden τῆς καιομένης (tes kaiomenes), ‘dat brandt’, en bij het lidwoord τῆς (tes).
Wij volgen de SBLGNT.
‘Het zwaard dat uit Zijn mond kwam’: zie vers 15. ὄρνεον (orneon), ‘vogel’. χορτάζω (chortazo), ‘verzadigen’.
Vergelijk Ezech. 39:20.
Zie ook Ezech. 39:20; Openb. 19:15.