Elohim Bijbel

Genesis 12

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De roeping van Abram

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De roeping van Abram

1Yahweh zei tegen Abram: „Ga weg uit je land, uit je familie en uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je zal tonen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
לֶךְ
(lekh)
ga
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
מֵאַרְצְךָ֥
(meartsekha)
uit jouw land
וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ֖
(umimoladtekha)
en uit je familie
וּמִבֵּ֣ית
(umibeit)
en uit het huis van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אַרְאֶֽךָּ
(areka)
Ik zal je tonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶךְ לְךָ (lech lecha) is letterlijk ‘ga voor jezelf’.

Dezelfde woorden staan in 22:2.

Handelingen 7:2–3 zegt dat de roeping al in Ur begon, voordat Abram in Charan woonde.

Aanvullend

Jubileeën 12:19–24 vertelt dat Abram in de nacht bad en dat Yahweh daarna zelf tot hem sprak: Hij zou hem zegenen en zijn naam groot maken.

Jasher 13:3 zegt dat Abram eerst drie jaar in Charan bleef voordat Yahweh hem riep; Jasher 13:23 geeft de roeping in woorden die op Genesis 12:1–3 lijken.

2Ik zal je tot een groot volk maken. Ik zal je zegenen en je naam groot maken. Wees een zegen.
וְאֶֽעֶשְׂךָ֙
(veeeskha)
en Ik zal je maken
לְג֣וֹי
(legoy)
tot volk
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
וַאֲבָ֣רֶכְךָ֔
(vaavarekhkha)
en Ik zal je zegenen
וַאֲגַדְּלָ֖ה
(vaagadela)
en Ik zal groot maken
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
je naam
וֶהְיֵ֖ה
(vehye)
en wees
בְּרָכָֽה
(berakha)
zegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וֶהְיֵה בְּרָכָה (vehyeh bracha), ‘wees een zegen’, is een gebod.

Het kan ook als gevolg gelezen worden: ‘zodat je een zegen zult zijn’.

3Ik zal hen zegenen die jou zegenen, en wie jou gering acht, zal Ik vervloeken. In jou zullen alle families van de grond gezegend worden.”
וַאֲבָֽרֲכָה֙
(vaavarakha)
en Ik zal zegenen
מְבָ֣רְכֶ֔יךָ
(mevarekheikha)
zij die jou zegenen
וּמְקַלֶּלְךָ֖
(umeqalelkha)
en wie jou gering acht
אָאֹ֑ר
(aor)
Ik zal vervloeken
וְנִבְרְכ֣וּ
(venivrekhu)
en zullen gezegend worden
בְךָ֔
(bekha)
in jou
כֹּ֖ל
(kol)
alle
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְקַלֶּלְךָ (meqallelcha), ‘wie jou gering acht’, en אָאֹר (a’or), ‘Ik zal vervloeken’, zijn twee verschillende woorden.

וְנִבְרְכוּ (venivrechu) kan ‘zullen gezegend worden’ betekenen, of wederkerend ‘zullen zich zegenen’ (zo ook 22:18).

Naar Kanaän

4Abram ging, zoals Yahweh tegen hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was 75 jaar oud toen hij uit Charan vertrok.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֤ר
(diber)
Hij had gesproken
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
ל֑וֹט
(lot)
Lot
וְאַבְרָ֗ם
(veavram)
en Abram
בֶּן
(ben)
zoon van
חָמֵ֤שׁ
(chamesh)
vijf
שָׁנִים֙
(shanim)
jaar
וְשִׁבְעִ֣ים
(veshivim)
en zeventig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בְּצֵאת֖וֹ
(betseto)
bij zijn uittocht
מֵחָרָֽן
(mecharan)
uit Charan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Charan: Charan (Harran) lag in het zuiden van het huidige Turkije, bij de grens met Syrië, in het noorden van Mesopotamië.

5Abram nam zijn vrouw Sarai en Lot, de zoon van zijn broer. Hij nam ook alle bezittingen die ze verzameld hadden en de mensen die ze in Charan gewonnen hadden. Ze trokken weg om naar het land Kanaän te gaan. Ze kwamen in het land Kanaän.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אַבְרָם֩
(avram)
Abram
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרַ֨י
(saray)
Sarai
אִשְׁתּ֜וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
ל֣וֹט
(lot)
Lot
בֶּן
(ben)
zoon van
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
רְכוּשָׁם֙
(rekhusham)
hun bezit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
רָכָ֔שׁוּ
(rakhashu)
ze hadden verzameld
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַנֶּ֖פֶשׁ
(hanefesh)
de levens
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשׂ֣וּ
(asu)
ze hadden gemaakt
בְחָרָ֑ן
(becharan)
in Charan
וַיֵּצְא֗וּ
(vayetseu)
en ze gingen uit
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19).

Uitleg

הַנֶּפֶשׁ אֲשֶׁר עָשׂוּ (hanefesh asher asu) is letterlijk ‘de levens die ze gemaakt hadden’: de mensen die ze in Charan verworven hadden, gewoonlijk gelezen als slaven en slavinnen.

Het woord nefesh, ‘leven’, is niet het woord adam.

6Abram trok door het land tot de plaats Sichem, tot de eik van More. De Kanaänieten woonden toen in het land.
וַיַּעֲבֹ֤ר
(vayaavor)
en trok door
אַבְרָם֙
(avram)
Abram
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
door het land
עַ֚ד
(ad)
tot
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
שְׁכֶ֔ם
(shekhem)
Sichem
עַ֖ד
(ad)
tot
אֵל֣וֹן
(elon)
eik van
מוֹרֶ֑ה
(more)
More
וְהַֽכְּנַעֲנִ֖י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
אָ֥ז
(az)
toen
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem ligt bij het huidige Nabloes op de Westelijke Jordaanoever (Tell Balata).

Uitleg

אֵלוֹן (elon) is een grote boom: eik of terebint.

מוֹרֶה (More) betekent ‘leraar’.

7Yahweh verscheen aan Abram en zei: „Aan je nageslacht zal Ik dit land geven.” Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh, die aan hem verschenen was.
וַיֵּרָ֤א
(vayera)
en verscheen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
לְזַ֨רְעֲךָ֔
(lezarakha)
aan je nageslacht
אֶתֵּ֖ן
(eten)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en bouwde
שָׁם֙
(sham)
daar
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
altaar
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
הַנִּרְאֶ֥ה
(hanire)
die verscheen
אֵלָֽיו
(elav)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע (zera), ‘zaad’, ‘nageslacht’, is een enkelvoud met collectieve betekenis.

Dit is de eerste belofte van het land.

8Vandaar trok hij naar het bergland ten oosten van Betel. Hij sloeg zijn tent op, met Betel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh en riep de naam van Yahweh aan.
וַיַּעְתֵּ֨ק
(vayateq)
en trok verder
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
הָהָ֗רָה
(hahara)
naar het gebergte
מִקֶּ֛דֶם
(miqedem)
ten oosten van
לְבֵֽית
(leveit)
Bet
אֵ֖ל
(el)
El
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en sloeg op
אָהֳלֹ֑ה
(aholo)
zijn tent
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֤ל
(el)
El
מִיָּם֙
(miyam)
in het westen
וְהָעַ֣י
(vehaay)
en Ai
מִקֶּ֔דֶם
(miqedem)
in het oosten
וַיִּֽבֶן
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֤ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en riep
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
bij de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel ligt bij het huidige Beitin, ten noorden van Jeruzalem.

De ligging van Ai is onzeker (misschien et-Tell).

Uitleg

בֵּית אֵל (Bet-El; in de tekst: Betel), ‘huis van El’, wordt pas in 28:19 zo genoemd; de verteller gebruikt hier al de latere naam.

וַיִּקְרָא בְּשֵׁם יְהוָה (vayiqra beshem Yahweh), ‘riep de naam van Yahweh aan’: hij riep Hem aan in aanbidding.

9Abram brak op en trok steeds verder, naar de Negev.
וַיִּסַּ֣ע
(vayisa)
en brak op
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
הָל֥וֹךְ
(halokh)
gaande
וְנָס֖וֹעַ
(venasoa)
en trekkend
הַנֶּֽגְבָּה
(hanegba)
naar de Negev
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Negev (נֶגֶב) is het dorre zuiden van Kanaän, rond het huidige Beër-Sjeba.

Abram in Egypte

10Er kwam hongersnood in het land. Abram ging naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, want de hongersnood in het land was zwaar.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en was
רָעָ֖ב
(raav)
hongersnood
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en daalde af
אַבְרָ֤ם
(avram)
Abram
מִצְרַ֨יְמָה֙
(mitsrayma)
naar Egypte
לָג֣וּר
(lagur)
om te verblijven
שָׁ֔ם
(sham)
daar
כִּֽי
(ki)
want
כָבֵ֥ד
(kaved)
zwaar was
הָרָעָ֖ב
(haraav)
de hongersnood
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

11Toen hij dicht bij Egypte kwam, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: „Zie toch, ik weet dat je een mooie vrouw bent.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
toen
הִקְרִ֖יב
(hiqriv)
hij dichtbij kwam
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
שָׂרַ֣י
(saray)
Sarai
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֣א
(na)
toch
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּ֛י
(ki)
dat
אִשָּׁ֥ה
(isha)
vrouw
יְפַת
(yefat)
mooi van
מַרְאֶ֖ה
(mare)
uiterlijk
אָֽתְּ
(at)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

12Als de Egyptenaren je zien, zullen ze zeggen: ‘Dit is zijn vrouw.’ Dan zullen ze mij doden en jou laten leven.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִרְא֤וּ
(yiru)
ze zien
אֹתָךְ֙
(otakh)
jou
הַמִּצְרִ֔ים
(hamitsrim)
de Egyptenaren
וְאָמְר֖וּ
(veameru)
en ze zullen zeggen
אִשְׁתּ֣וֹ
(ishto)
zijn vrouw
זֹ֑את
(zot)
deze
וְהָרְג֥וּ
(veharegu)
en ze zullen doden
אֹתִ֖י
(oti)
mij
וְאֹתָ֥ךְ
(veotakh)
en jou
יְחַיּֽוּ
(yechayu)
ze laten leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zeg toch dat je mijn zus bent. Dan gaat het mij goed omwille van jou, en mijn leven blijft gespaard door jou.”
אִמְרִי
(imri)
zeg
נָ֖א
(na)
toch
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
אָ֑תְּ
(at)
jij
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
יִֽיטַב
(yitav)
het goed gaat
לִ֣י
(li)
met mij
בַעֲבוּרֵ֔ךְ
(baavurekh)
omwille van jou
וְחָיְתָ֥ה
(vechayeta)
en zal leven
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
בִּגְלָלֵֽךְ
(biglalekh)
door jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲחֹתִי (achoti), ‘mijn zus’.

In 20:12 zegt Abraham dat Sarai zijn halfzus is.

14Toen Abram in Egypte kwam, zagen de Egyptenaren dat de vrouw zeer mooi was.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כְּב֥וֹא
(kevo)
bij het komen van
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
מִצְרָ֑יְמָה
(mitsrayema)
naar Egypte
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en zagen
הַמִּצְרִים֙
(hamitsrim)
de Egyptenaren
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
כִּֽי
(ki)
dat
יָפָ֥ה
(yafa)
mooi
הִ֖וא
(hi)
zij
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

15De hoge ambtenaren van de farao zagen haar en roemden haar bij de farao. De vrouw werd weggehaald naar het huis van de farao.
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en zagen
אֹתָהּ֙
(otah)
haar
שָׂרֵ֣י
(sarei)
vorsten van
פַרְעֹ֔ה
(paro)
farao
וַיְהַֽלְל֥וּ
(vayhallu)
en prezen
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
אֶל
(el)
bij
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
farao
וַתֻּקַּ֥ח
(vatuqach)
en werd genomen
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹֽה
(paro)
farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Farao’ komt van een Egyptische titel die ‘groot huis’ betekent.

16Om haar behandelde hij Abram goed. Abram kreeg schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen.
וּלְאַבְרָ֥ם
(uleavram)
en voor Abram
הֵיטִ֖יב
(heitiv)
deed goed
בַּעֲבוּרָ֑הּ
(baavurah)
omwille van haar
וַֽיְהִי
(vayhi)
en werd
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
צֹאן
(tson)
kleinvee
וּבָקָר֙
(uvaqar)
en rundvee
וַחֲמֹרִ֔ים
(vachamorim)
en ezels
וַעֲבָדִים֙
(vaavadim)
en slaven
וּשְׁפָחֹ֔ת
(ushefachot)
en slavinnen
וַאֲתֹנֹ֖ת
(vaatonot)
en ezelinnen
וּגְמַלִּֽים
(ugemalim)
en kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Yahweh trof de farao en zijn huis met zware plagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram.
וַיְנַגַּ֨ע
(vaynaga)
en trof
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
פַּרְעֹ֛ה
(paro)
farao
נְגָעִ֥ים
(negaim)
plagen
גְּדֹלִ֖ים
(gedolim)
grote
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
עַל
(al)
vanwege
דְּבַ֥ר
(devar)
zaak van
שָׂרַ֖י
(saray)
Sarai
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אַבְרָֽם
(avram)
Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְגָעִים גְּדֹלִים (nega’im gedolim), ‘zware plagen’.

De tekst zegt niet om welke ziekte of ramp het ging.

Een vergelijkbaar verhaal staat in 20:1–18 en 26:6–11.

Aanvullend

Jasher 15:20 zegt dat een engel van Yahweh Sarai verscheen en haar zei niet bang te zijn; Genesis zegt alleen dat Yahweh de farao met plagen sloeg.

18De farao riep Abram en zei: „Wat heb je mij aangedaan! Waarom heb je me niet verteld dat ze je vrouw is?
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
פַרְעֹה֙
(paro)
farao
לְאַבְרָ֔ם
(leavram)
Abram
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מַה
(ma)
wat
זֹּ֖את
(zot)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
heb je gedaan
לִּ֑י
(li)
aan mij
לָ֚מָּה
(lama)
waarom
לֹא
(lo)
niet
הִגַּ֣דְתָּ
(higadta)
heb je verteld
לִּ֔י
(li)
aan mij
כִּ֥י
(ki)
dat
אִשְׁתְּךָ֖
(ishtekha)
je vrouw
הִֽוא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Waarom zei je: ‘Ze is mijn zus’, zodat ik haar tot vrouw nam? Nu, hier is je vrouw. Neem haar en ga!”
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
אָמַ֨רְתָּ֙
(amarta)
zei je
אֲחֹ֣תִי
(achoti)
mijn zus
הִ֔וא
(hi)
zij
וָאֶקַּ֥ח
(vaeqach)
en ik nam
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
לִ֖י
(li)
voor mij
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
אִשְׁתְּךָ֖
(ishtekha)
je vrouw
קַ֥ח
(qach)
neem
וָלֵֽךְ
(valekh)
en ga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De farao gaf mannen bevel over hem, en die lieten hem gaan, met zijn vrouw en alles wat hij had.
וַיְצַ֥ו
(vaytsav)
en gaf bevel
עָלָ֛יו
(alav)
over hem
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
farao
אֲנָשִׁ֑ים
(anashim)
mannen
וַֽיְשַׁלְּח֥וּ
(vayshalechu)
en ze lieten gaan
אֹת֛וֹ
(oto)
(lijdend voorwerp) hem
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)