Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De roeping van Abram
1Yahweh zei tegen Abram: „Ga weg uit je land, uit je familie en uit het huis van je vader, naar het land dat Ik je zal tonen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
לֶךְ
(lekh)
ga
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
מֵאַרְצְךָ֥
(meartsekha)
uit jouw land
וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ֖
(umimoladtekha)
en uit je familie
וּמִבֵּ֣ית
(umibeit)
en uit het huis van
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אַרְאֶֽךָּ
(areka)
Ik zal je tonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֶךְ לְךָ (lech lecha) is letterlijk ‘ga voor jezelf’.
Dezelfde woorden staan in 22:2.
Handelingen 7:2–3 zegt dat de roeping al in Ur begon, voordat Abram in Charan woonde.
Aanvullend
Jubileeën 12:19–24 vertelt dat Abram in de nacht bad en dat Yahweh daarna zelf tot hem sprak: Hij zou hem zegenen en zijn naam groot maken.
Jasher 13:3 zegt dat Abram eerst drie jaar in Charan bleef voordat Yahweh hem riep; Jasher 13:23 geeft de roeping in woorden die op Genesis 12:1–3 lijken.
5Abram nam zijn vrouw Sarai en Lot, de zoon van zijn broer. Hij nam ook alle bezittingen die ze verzameld hadden en de mensen die ze in Charan gewonnen hadden. Ze trokken weg om naar het land Kanaän te gaan. Ze kwamen in het land Kanaän.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
אַבְרָם֩
(avram)
Abram
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרַ֨י
(saray)
Sarai
אִשְׁתּ֜וֹ
(ishto)
zijn vrouw
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
ל֣וֹט
(lot)
Lot
בֶּן
(ben)
zoon van
אָחִ֗יו
(achiv)
zijn broer
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
רְכוּשָׁם֙
(rekhusham)
hun bezit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
רָכָ֔שׁוּ
(rakhashu)
ze hadden verzameld
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַנֶּ֖פֶשׁ
(hanefesh)
de levens
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשׂ֣וּ
(asu)
ze hadden gemaakt
בְחָרָ֑ן
(becharan)
in Charan
וַיֵּצְא֗וּ
(vayetseu)
en ze gingen uit
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
אַ֣רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het land Kanaän is hier het gebied van Sidon langs de kust tot Gaza en Gerar, en vandaar naar de Dode Zee en de Jordaan (zie Gen. 10:19).
Uitleg
הַנֶּפֶשׁ אֲשֶׁר עָשׂוּ (hanefesh asher asu) is letterlijk ‘de levens die ze gemaakt hadden’: de mensen die ze in Charan verworven hadden, gewoonlijk gelezen als slaven en slavinnen.
Het woord nefesh, ‘leven’, is niet het woord adam.
8Vandaar trok hij naar het bergland ten oosten van Betel. Hij sloeg zijn tent op, met Betel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh en riep de naam van Yahweh aan.
וַיַּעְתֵּ֨ק
(vayateq)
en trok verder
מִשָּׁ֜ם
(misham)
vandaar
הָהָ֗רָה
(hahara)
naar het gebergte
מִקֶּ֛דֶם
(miqedem)
ten oosten van
לְבֵֽית
(leveit)
Bet
אֵ֖ל
(el)
El
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en sloeg op
אָהֳלֹ֑ה
(aholo)
zijn tent
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֤ל
(el)
El
מִיָּם֙
(miyam)
in het westen
וְהָעַ֣י
(vehaay)
en Ai
מִקֶּ֔דֶם
(miqedem)
in het oosten
וַיִּֽבֶן
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֤ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en riep
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
bij de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betel ligt bij het huidige Beitin, ten noorden van Jeruzalem.
De ligging van Ai is onzeker (misschien et-Tell).
Uitleg
בֵּית אֵל (Bet-El; in de tekst: Betel), ‘huis van El’, wordt pas in 28:19 zo genoemd; de verteller gebruikt hier al de latere naam.
וַיִּקְרָא בְּשֵׁם יְהוָה (vayiqra beshem Yahweh), ‘riep de naam van Yahweh aan’: hij riep Hem aan in aanbidding.