Elohim Bijbel

Job 38

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Yahweh antwoordt uit de storm: de schepping

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh antwoordt Job uit de storm

1Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei:
וַיַּֽעַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֭יּוֹב
(iyov)
Job
מִ֥ן
(min)
uit
הַסְּעָרָ֗ה
(haseara)
de storm
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het grote keerpunt van het boek: na al het geklaag en alle discussie antwoordt Yahweh zelf, ‘uit de storm’.

Hij gebruikt de Naam Yahweh (die in de dialogen niet voorkwam, behalve in 12:9), dat is: de Elohim van het verbond, Die zich bekendmaakt.

Hij beantwoordt Jobs vraag niet over de reden van zijn lijden, maar stelt hem Zelf vragen over de schepping.

2„Wie is dit die de raad verduistert met woorden zonder kennis?
מִ֤י
(mi)
wie
זֶ֨ה
(ze)
is dit
מַחְשִׁ֖יךְ
(machshikh)
die verduistert
עֵצָ֥ה
(etsa)
raad
בְמִלִּ֗ין
(bemilin)
met woorden
בְּֽלִי
(beli)
zonder
דָֽעַת
(daat)
kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘raad’ (etsah) is het plan van Elohim.

Wie spreekt dus zonder kennis?

Het gaat om Job zelf (vers 3: ‘je lendenen’).

Vergelijk 42:3, waar Job deze woorden herhaalt en toegeeft.

3Omgord toch je lendenen als een man; Ik zal je vragen, en maak het Mij bekend.
אֱזָר
(ezar)
omgord
נָ֣א
(na)
toch
כְגֶ֣בֶר
(kegever)
als een man
חֲלָצֶ֑יךָ
(chalatseikha)
je lendenen
וְ֝אֶשְׁאָלְךָ֗
(veeshalekha)
ik zal je vragen
וְהוֹדִיעֵֽנִי
(vehodieni)
en maak Mij bekend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Waar was je toen Ik de aarde grondvestte?

4Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Zeg het, als je inzicht hebt.
אֵיפֹ֣ה
(eifo)
waar
הָ֭יִיתָ
(hayita)
was je
בְּיָסְדִי
(beyasedi)
bij de fundamenten van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
הַ֝גֵּ֗ד
(haged)
zeg het
אִם
(im)
indien
יָדַ֥עְתָּ
(yadata)
je kent
בִינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh beschrijft de aarde als een bouwwerk met fundamenten, maten, meetsnoer, voetstukken en hoeksteen.

Zie Ps. 104:5; Spr. 8:29 en Jes. 48:13.

Het is een dichterlijk beeld, geen beschrijving van de natuurkunde.

5Wie heeft haar maten gesteld, als je het weet? Of wie heeft het meetsnoer over haar gespannen?
מִי
(mi)
wie
שָׂ֣ם
(sam)
stelde
מְ֭מַדֶּיהָ
(memadeiha)
haar maten
כִּ֣י
(ki)
immers
תֵדָ֑ע
(teda)
je weet
א֤וֹ
(o)
of
מִֽי
(mi)
wie
נָטָ֖ה
(nata)
spande
עָלֶ֣יהָ
(aleiha)
over haar
קָּֽו
(qav)
het meetsnoer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Waarop zijn haar voetstukken verzonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
עַל
(al)
op
מָ֭ה
(ma)
wat
אֲדָנֶ֣יהָ
(adaneiha)
haar voetstukken
הָטְבָּ֑עוּ
(hatbau)
zijn verzonken
א֥וֹ
(o)
of
מִֽי
(mi)
wie
יָ֝רָ֗ה
(yara)
wierp
אֶ֣בֶן
(even)
de steen van
פִּנָּתָֽהּ
(pinatah)
haar hoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een hoeksteen werd bij de grondlegging van een gebouw gelegd (Jes. 28:16; Ps. 118:22).

De schepping gebeurde onder het gejuich van de hemelse wezens (vers 7).

7toen de morgensterren tezamen jubelden en alle zonen van Elohim juichten?
בְּרָן
(beran)
toen jubelden
יַ֭חַד
(yachad)
tezamen
כּ֣וֹכְבֵי
(kokhevei)
de sterren van
בֹ֑קֶר
(boqer)
de morgen
וַ֝יָּרִ֗יעוּ
(vayariu)
en juichten
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De morgensterren’ en ‘alle zonen van Elohim’ vormen een parallel: de sterren zijn hier de hemelse wezens, de engelen (vergelijk Job 1:6; 2:1).

Zie ook Ps. 148:2–3.

De zee wordt begrensd

8Wie sloot de zee af met deuren toen zij losbrak, uit de schoot voortkwam,
וַיָּ֣סֶךְ
(vayasekh)
en sloot af
בִּדְלָתַ֣יִם
(bidlatayim)
met deuren
יָ֑ם
(yam)
de zee
בְּ֝גִיח֗וֹ
(begicho)
toen zij losbrak
מֵרֶ֥חֶם
(merechem)
uit de schoot
יֵצֵֽא
(yetse)
kwam zij voort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zee wordt voorgesteld als een kind dat uit de schoot komt, in wolken en nevel gewikkeld, en als een woeste macht die Yahweh met grenzen omringt (Ps. 104:6–9; Spr. 8:29; Jer. 5:22).

9toen Ik de wolk tot haar kleed maakte en nevel tot haar windsel,
בְּשׂוּמִ֣י
(besumi)
toen Ik maakte
עָנָ֣ן
(anan)
wolk
לְבֻשׁ֑וֹ
(levusho)
haar kleed
וַ֝עֲרָפֶ֗ל
(vaarafel)
en nevel
חֲתֻלָּתֽוֹ
(chatulato)
haar windsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 1:2
10en Ik Mijn grens over haar brak en grendel en deuren plaatste,
וָאֶשְׁבֹּ֣ר
(vaeshbor)
en Ik brak
עָלָ֣יו
(alav)
over haar
חֻקִּ֑י
(chuqi)
Mijn grens
וָֽ֝אָשִׂ֗ים
(vaasim)
en Ik zette
בְּרִ֣יחַ
(beriach)
grendel
וּדְלָתָֽיִם
(udelatayim)
en deuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11en zei: ‘Tot hier mag je komen en niet verder, en hier wordt de hoogmoed van je golven gestuit’?
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en Ik zei
עַד
(ad)
tot
פֹּ֣ה
(po)
hier
תָ֭בוֹא
(tavo)
zul je komen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֹסִ֑יף
(tosif)
verder
וּפֹ֥א
(ufo)
en hier
יָ֝שִׁ֗ית
(yashit)
wordt gezet
בִּגְא֥וֹן
(bigon)
aan de hoogmoed van
גַּלֶּֽיךָ
(galeikha)
je golven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De morgen en de onderwereld

12Heb je ooit in je dagen de morgen geboden, de dageraad zijn plaats doen kennen,
הְֽ֭מִיָּמֶיךָ
(hemiyameikha)
heb je in je dagen
צִוִּ֣יתָ
(tsivita)
geboden
בֹּ֑קֶר
(boqer)
de morgen
יִדַּ֖עְתָּה
(yidata)
laten kennen
הַשַּׁ֣חַר
(hashachar)
de dageraad
מְקֹמֽוֹ
(meqomo)
zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 12–15 beschrijven de dageraad als een kracht die de aarde afschudt zodat de nachtelijke boosdoeners moeten vluchten (Job 24:13–17).

De aarde krijgt kleur, zoals zegelklei door een zegel vorm krijgt.

13om de uiteinden van de aarde te grijpen en de goddelozen eruit te schudden?
לֶ֭אֱחֹז
(leechoz)
om te grijpen
בְּכַנְפ֣וֹת
(bekhanfot)
de uiteinden van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיִנָּעֲר֖וּ
(veyinaaru)
en afgeschud worden
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
uit haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij wordt veranderd als zegelklei, en alles staat daar als een kleed.
תִּ֭תְהַפֵּךְ
(tithapekh)
zij wordt veranderd
כְּחֹ֣מֶר
(kechomer)
als klei
חוֹתָ֑ם
(chotam)
van een zegel
וְ֝יִֽתְיַצְּב֗וּ
(veyityatsevu)
en zij staan
כְּמ֣וֹ
(kemo)
als
לְבֽוּשׁ
(levush)
een kleed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het vers kan ook zo worden gelezen: ‘Zij (de aarde) wordt veranderd als klei onder het zegel, en alles tekent zich af als een kleed.’

Vergelijk Job 38:12–13.

15De goddelozen wordt hun licht onthouden, en de verheven arm wordt gebroken.
וְיִמָּנַ֣ע
(veyimana)
en onthouden wordt
מֵרְשָׁעִ֣ים
(mereshaim)
aan goddelozen
אוֹרָ֑ם
(oram)
hun licht
וּזְר֥וֹעַ
(uzeroa)
en de arm
רָ֝מָ֗ה
(rama)
verheven
תִּשָּׁבֵֽר
(tishaver)
wordt gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ben je gekomen tot de bronnen van de zee, of heb je in het diepste van de oerdiepte gewandeld?
הֲ֭בָאתָ
(havata)
ben je gekomen
עַד
(ad)
tot
נִבְכֵי
(nivkhei)
de bronnen van
יָ֑ם
(yam)
de zee
וּבְחֵ֥קֶר
(uvecheqer)
en in het diepste van
תְּ֝ה֗וֹם
(tehom)
de oerdiepte
הִתְהַלָּֽכְתָּ
(hithalakhta)
heb je gewandeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De bronnen van de zee’ en ‘het diepste van de oerdiepte’ (tehom) zijn de onderaardse wateren; vergelijk Gen. 1:2 en 7:11.

17Zijn de poorten van de dood voor je onthuld, of heb je de poorten van de diepe schaduw gezien?
הֲנִגְל֣וּ
(haniglu)
zijn onthuld
לְ֭ךָ
(lekha)
aan je
שַׁעֲרֵי
(shaarei)
de poorten van
מָ֑וֶת
(mavet)
dood
וְשַׁעֲרֵ֖י
(veshaarei)
en de poorten van
צַלְמָ֣וֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
תִּרְאֶֽה
(tire)
heb je gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De poorten van de dood’: de ingang van het dodenrijk (Sjeol), vergelijk Job 10:21–22 en Ps. 9:14; 107:18.

‘Diepe schaduw’ is tsalmawet (zie Job 3:5).

18Heb je de breedte van de aarde overzien? Zeg het, als je dit alles weet.
הִ֭תְבֹּנַנְתָּ
(hitbonanta)
heb je overzien
עַד
(ad)
tot
רַחֲבֵי
(rachavei)
de breedte van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
הַ֝גֵּ֗ד
(haged)
zeg het
אִם
(im)
indien
יָדַ֥עְתָּ
(yadata)
je weet
כֻלָּֽהּ
(kulah)
het geheel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Licht en duisternis, sneeuw en hagel

19Waar is de weg naar de woonplaats van het licht, en de duisternis, waar is haar plaats,
אֵי
(ei)
waar
זֶ֣ה
(ze)
is dit
הַ֭דֶּרֶךְ
(haderekh)
de weg
יִשְׁכָּן
(yishkan)
woont
א֑וֹר
(or)
licht
וְ֝חֹ֗שֶׁךְ
(vechoshekh)
en duisternis
אֵי
(ei)
waar
זֶ֥ה
(ze)
is dit
מְקֹמֽוֹ
(meqomo)
haar plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20dat je het naar zijn grens kunt brengen en de paden naar zijn huis kent?
כִּ֣י
(ki)
dat
תִ֭קָּחֶנּוּ
(tiqachenu)
je het neemt
אֶל
(el)
naar
גְּבוּל֑וֹ
(gevulo)
zijn grens
וְכִֽי
(vekhi)
en dat
תָ֝בִ֗ין
(tavin)
je begrijpt
נְתִיב֥וֹת
(netivot)
paden naar
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Je weet het, want toen werd je geboren, en het aantal van je dagen is groot!
יָ֭דַעְתָּ
(yadata)
je weet het
כִּי
(ki)
want
אָ֣ז
(az)
toen
תִּוָּלֵ֑ד
(tivaled)
werd je geboren
וּמִסְפַּ֖ר
(umispar)
en het aantal van
יָמֶ֣יךָ
(yameikha)
je dagen
רַבִּֽים
(rabim)
is groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Ben je gekomen tot de voorraadkamers van de sneeuw, of heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,
הֲ֭בָאתָ
(havata)
ben je gekomen
אֶל
(el)
tot
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
de voorraadkamers van
שָׁ֑לֶג
(shaleg)
sneeuw
וְאֹצְר֖וֹת
(veotserot)
en de voorraadkamers van
בָּרָ֣ד
(barad)
hagel
תִּרְאֶֽה
(tire)
heb je gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De voorraadkamers van sneeuw en hagel zijn de wapenkamers van Elohim: in Jozua 10:11 doodden hagelstenen de vijanden van Israël, in Ex. 9:23–25 was hagel een plaag.

23die Ik bewaard heb voor de tijd van nood, voor de dag van strijd en oorlog?
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָשַׂ֥כְתִּי
(chasakhti)
Ik bewaard heb
לְעֶת
(leet)
voor de tijd van
צָ֑ר
(tsar)
nood
לְי֥וֹם
(leyom)
voor de dag van
קְ֝רָ֗ב
(qerav)
strijd
וּמִלְחָמָֽה
(umilchama)
en oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Waar is de weg waar het licht zich verdeelt, en de oostenwind zich over de aarde verspreidt?
אֵי
(ei)
waar
זֶ֣ה
(ze)
is dit
הַ֭דֶּרֶךְ
(haderekh)
de weg
יֵחָ֣לֶק
(yechaleq)
wordt verdeeld
א֑וֹר
(or)
licht
יָפֵ֖ץ
(yafets)
verspreidt zich
קָדִ֣ים
(qadim)
de oostenwind
עֲלֵי
(alei)
over
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De oostenwind (qadim) is de hete woestijnwind uit het oosten (Job 15:2; Ex. 10:13).

Het licht en de wind verspreiden zich op bevel van Elohim.

Regen, ijs en de sterren

25Wie spleet een kanaal voor de vloed, en een weg voor de bliksem van de donderslagen,
מִֽי
(mi)
wie
פִלַּ֣ג
(pilag)
spleet open
לַשֶּׁ֣טֶף
(lashetef)
voor de vloed
תְּעָלָ֑ה
(teala)
een kanaal
וְ֝דֶ֗רֶךְ
(vederekh)
en een weg
לַחֲזִ֥יז
(lachaziz)
voor de bliksem van
קֹלֽוֹת
(qolot)
donderslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26om te laten regenen op een land zonder mens, een woestijn waarin geen mens is,
לְ֭הַמְטִיר
(lehamtir)
om te laten regenen
עַל
(al)
over
אֶ֣רֶץ
(erets)
land
לֹא
(lo)
zonder
אִ֑ישׁ
(ish)
mens
מִ֝דְבָּ֗ר
(midbar)
woestijn
לֹא
(lo)
zonder
אָדָ֥ם
(adam)
mens
בּֽוֹ
(bo)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27om de woestenij en verwoesting te verzadigen en het gras te laten ontspruiten?
לְהַשְׂבִּ֣יעַ
(lehasbia)
om te verzadigen
שֹׁ֭אָה
(shoa)
woestenij
וּמְשֹׁאָ֑ה
(umeshoa)
en verwoesting
וּ֝לְהַצְמִ֗יחַ
(ulehatsmiach)
en om te doen groeien
מֹ֣צָא
(motsa)
het uitspruitsel van
דֶֽשֶׁא
(deshe)
gras
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Heeft de regen een vader, of wie heeft de druppels van de dauw verwekt?
הֲיֵשׁ
(hayesh)
is er
לַמָּטָ֥ר
(lamatar)
voor de regen
אָ֑ב
(av)
een vader
א֥וֹ
(o)
of
מִי
(mi)
wie
ה֝וֹלִ֗יד
(holid)
verwekte
אֶגְלֵי
(eglei)
druppels van
טָֽל
(tal)
dauw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De regen en dauw hebben, anders dan kinderen, geen menselijke vader.

Zij zijn het werk van Elohim zelf.

Vergelijk Jer. 14:22 en Hos. 6:3.

29Uit wiens schoot kwam het ijs voort, en de rijp van de hemel, wie baarde haar?
מִבֶּ֣טֶן
(mibeten)
uit de buik van
מִ֭י
(mi)
wie
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam
הַקָּ֑רַח
(haqarach)
het ijs
וּכְפֹ֥ר
(ukhefor)
en de rijp van
שָׁ֝מַיִם
(shamayim)
de hemel
מִ֣י
(mi)
wie
יְלָדֽוֹ
(yelado)
baarde haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Het water verbergt zich als steen, en het oppervlak van de oerdiepte wordt vastgeklonken.
כָּ֭אֶבֶן
(kaeven)
als steen
מַ֣יִם
(mayim)
water
יִתְחַבָּ֑אוּ
(yitchabau)
verbergen zich
וּפְנֵ֥י
(ufenei)
en het oppervlak van
תְ֝ה֗וֹם
(tehom)
de oerdiepte
יִתְלַכָּֽדוּ
(yitlakadu)
wordt vastgeklonken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJob 37:10
31Kun je de banden van de Plejaden binden, of de ketenen van Orion losmaken?
הַֽ֭תְקַשֵּׁר
(hatqasher)
kun je binden
מַעֲדַנּ֣וֹת
(maadanot)
de banden van
כִּימָ֑ה
(kima)
de Plejaden
אֽוֹ
(o)
of
מֹשְׁכ֖וֹת
(moshekhot)
de ketenen van
כְּסִ֣יל
(kesil)
Orion
תְּפַתֵּֽחַ
(tefateach)
losmaken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

כִּימָה (kimah) en כְּסִיל (kesil) zijn sterrenbeelden; de oudste vertalingen zien in kimah de Plejaden en in kesil Orion.

Zie ook Job 9:9 en Amos 5:8.

Wij volgen die gangbare weergave.

32Kun je de Mazzarot op hun tijd laten uitgaan, en de Beer met haar jongen leiden?
הֲתֹצִ֣יא
(hatotsi)
kun je laten uitgaan
מַזָּר֣וֹת
(mazarot)
de Mazzarot
בְּעִתּ֑וֹ
(beito)
op zijn tijd
וְ֝עַ֗יִשׁ
(veayish)
en de Beer
עַל
(al)
met
בָּנֶ֥יהָ
(baneiha)
haar jongen
תַנְחֵֽם
(tanchem)
leiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מַזָּרוֹת (mazzarot) is een zeldzaam woord, misschien de ‘dierenriem’ of een ster of sterrenbeeld; עַיִשׁ (ajisj) is het sterrenbeeld dat gewoonlijk met de Beer wordt vereenzelvigd.

Zie ook Job 9:9.

De ‘kinderen’ zijn waarschijnlijk de drie sterren in de staart.

Wij volgen de oude weergaven.

33Ken je de wetten van de hemel, of stel je het gezag ervan op aarde?
הֲ֭יָדַעְתָּ
(hayadata)
ken je
חֻקּ֣וֹת
(chuqot)
de wetten van
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
de hemel
אִם
(im)
of
תָּשִׂ֖ים
(tasim)
stel je
מִשְׁטָר֣וֹ
(mishtaro)
zijn gezag
בָאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wolken, bliksem en het wild

34Kun je je stem verheffen tot de wolk, zodat een overvloed van water je bedekt?
הֲתָרִ֣ים
(hatarim)
kun je verheffen
לָעָ֣ב
(laav)
tot de wolk
קוֹלֶ֑ךָ
(qolekha)
je stem
וְֽשִׁפְעַת
(veshifat)
en een overvloed van
מַ֥יִם
(mayim)
water
תְּכַסֶּֽךָּ
(tekhaseka)
bedekt je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Kun je bliksems zenden, zodat zij gaan en tot je zeggen: ‘Hier zijn wij’?
הַֽתְשַׁלַּ֣ח
(hatshalach)
kun je zenden
בְּרָקִ֣ים
(beraqim)
bliksems
וְיֵלֵ֑כוּ
(veyelekhu)
zodat zij gaan
וְיֹאמְר֖וּ
(veyomru)
en zeggen
לְךָ֣
(lekha)
tot je
הִנֵּֽנוּ
(hinenu)
hier zijn wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Wie heeft wijsheid in het verborgene gezet, of wie gaf de haan inzicht?
מִי
(mi)
wie
שָׁ֭ת
(shat)
zette
בַּטֻּח֣וֹת
(batuchot)
in het verborgene
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
א֤וֹ
(o)
of
מִֽי
(mi)
wie
נָתַ֖ן
(natan)
gaf
לַשֶּׂ֣כְוִי
(lasekhvi)
aan de haan
בִינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

טֻחוֹת (tuchot) en שֶׂכְוִי (sechwi) zijn zeldzame woorden.

טֻחוֹת betekent ‘het verborgene’ (letterlijk ‘het binnenste’, vergelijk Ps. 51:8); שֶׂכְוִי is in het latere Hebreeuws ‘haan’, een dier dat de dageraad aankondigt.

Anderen vertalen: ‘Wie legde wijsheid in de nieren (het hart) en gaf de geest (het verstand) inzicht?’

Wij volgen de eerste weergave.

37Wie kan met wijsheid de wolken tellen, en wie doet de kruiken van de hemel neigen,
מִֽי
(mi)
wie
יְסַפֵּ֣ר
(yesaper)
telt
שְׁחָקִ֣ים
(shechaqim)
wolken
בְּחָכְמָ֑ה
(bechakhema)
met wijsheid
וְנִבְלֵ֥י
(venivlei)
en de kruiken van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
de hemel
מִ֣י
(mi)
wie
יַשְׁכִּֽיב
(yashkiv)
doet neigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38wanneer het stof tot een massa vloeit en de kluiten aan elkaar kleven?
בְּצֶ֣קֶת
(betseqet)
wanneer vloeit
עָ֭פָר
(afar)
stof
לַמּוּצָ֑ק
(lamutsaq)
tot een massa
וּרְגָבִ֥ים
(uregavim)
en kluiten
יְדֻבָּֽקוּ
(yedubaqu)
kleven samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De leeuwin en de raaf

39Jaag je voor de leeuwin de prooi, of stil je de honger van de jonge leeuwen,
הֲתָצ֣וּד
(hatatsud)
jaag je
לְלָבִ֣יא
(lelavi)
voor de leeuwin
טָ֑רֶף
(taref)
prooi
וְחַיַּ֖ת
(vechayat)
en de honger van
כְּפִירִ֣ים
(kefirim)
jonge leeuwen
תְּמַלֵּֽא
(temale)
stil je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf vers 39 gaat Yahweh van de kosmos over op de dieren in het wild: eerst de leeuwin en de raaf, in hoofdstuk 39 steenbokken, wilde ezels, struisvogels, paarden en roofvogels.

Zij leven voor Hem, niet voor de mens.

40wanneer zij zich bukken in hun holen, in het kreupelhout op de loer zitten?
כִּי
(ki)
wanneer
יָשֹׁ֥חוּ
(yashochu)
zij bukken
בַמְּעוֹנ֑וֹת
(bameonot)
in holen
יֵשְׁב֖וּ
(yeshevu)
zij zitten
בַסֻּכָּ֣ה
(basuka)
in het kreupelhout
לְמוֹ
(lemo)
op
אָֽרֶב
(arev)
de loer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Wie bereidt voor de raaf zijn voedsel, wanneer zijn jongen tot El schreeuwen, zwervend zonder voedsel?”
מִ֤י
(mi)
wie
יָכִ֥ין
(yakhin)
bereidt
לָעֹרֵ֗ב
(laorev)
voor de raaf
צֵ֫יד֥וֹ
(tseido)
zijn voedsel
כִּֽי
(ki)
wanneer
יְ֭לָדָיו
(yeladav)
zijn jongen
אֶל
(el)
tot
אֵ֣ל
(el)
El
יְשַׁוֵּ֑עוּ
(yeshaveu)
schreeuwen
יִ֝תְע֗וּ
(yitu)
zwerven
לִבְלִי
(livli)
zonder
אֹֽכֶל
(okhel)
voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De raaf is een beeld van de zorg van Elohim (Ps. 147:9; Luc. 12:24).