Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh antwoordt Job uit de storm
1Yahweh antwoordde Job uit de storm en zei:
וַיַּֽעַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֭יּוֹב
(iyov)
Job
מִ֥ן
(min)
uit
הַסְּעָרָ֗ה
(haseara)
de storm
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het grote keerpunt van het boek: na al het geklaag en alle discussie antwoordt Yahweh zelf, ‘uit de storm’.
Hij gebruikt de Naam Yahweh (die in de dialogen niet voorkwam, behalve in 12:9), dat is: de Elohim van het verbond, Die zich bekendmaakt.
Hij beantwoordt Jobs vraag niet over de reden van zijn lijden, maar stelt hem Zelf vragen over de schepping.
8Wie sloot de zee af met deuren toen zij losbrak, uit de schoot voortkwam,
וַיָּ֣סֶךְ
(vayasekh)
en sloot af
בִּדְלָתַ֣יִם
(bidlatayim)
met deuren
יָ֑ם
(yam)
de zee
בְּ֝גִיח֗וֹ
(begicho)
toen zij losbrak
מֵרֶ֥חֶם
(merechem)
uit de schoot
יֵצֵֽא
(yetse)
kwam zij voort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zee wordt voorgesteld als een kind dat uit de schoot komt, in wolken en nevel gewikkeld, en als een woeste macht die Yahweh met grenzen omringt (Ps. 104:6–9; Spr. 8:29; Jer. 5:22).
22Ben je gekomen tot de voorraadkamers van de sneeuw, of heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,
הֲ֭בָאתָ
(havata)
ben je gekomen
אֶל
(el)
tot
אֹצְר֣וֹת
(otserot)
de voorraadkamers van
שָׁ֑לֶג
(shaleg)
sneeuw
וְאֹצְר֖וֹת
(veotserot)
en de voorraadkamers van
בָּרָ֣ד
(barad)
hagel
תִּרְאֶֽה
(tire)
heb je gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De voorraadkamers van sneeuw en hagel zijn de wapenkamers van Elohim: in Jozua 10:11 doodden hagelstenen de vijanden van Israël, in Ex. 9:23–25 was hagel een plaag.
32Kun je de Mazzarot op hun tijd laten uitgaan, en de Beer met haar jongen leiden?
הֲתֹצִ֣יא
(hatotsi)
kun je laten uitgaan
מַזָּר֣וֹת
(mazarot)
de Mazzarot
בְּעִתּ֑וֹ
(beito)
op zijn tijd
וְ֝עַ֗יִשׁ
(veayish)
en de Beer
עַל
(al)
met
בָּנֶ֥יהָ
(baneiha)
haar jongen
תַנְחֵֽם
(tanchem)
leiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
מַזָּרוֹת (mazzarot) is een zeldzaam woord, misschien de ‘dierenriem’ of een ster of sterrenbeeld; עַיִשׁ (ajisj) is het sterrenbeeld dat gewoonlijk met de Beer wordt vereenzelvigd.
Zie ook Job 9:9.
De ‘kinderen’ zijn waarschijnlijk de drie sterren in de staart.
36Wie heeft wijsheid in het verborgene gezet, of wie gaf de haan inzicht?
מִי
(mi)
wie
שָׁ֭ת
(shat)
zette
בַּטֻּח֣וֹת
(batuchot)
in het verborgene
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
א֤וֹ
(o)
of
מִֽי
(mi)
wie
נָתַ֖ן
(natan)
gaf
לַשֶּׂ֣כְוִי
(lasekhvi)
aan de haan
בִינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
טֻחוֹת (tuchot) en שֶׂכְוִי (sechwi) zijn zeldzame woorden.
טֻחוֹת betekent ‘het verborgene’ (letterlijk ‘het binnenste’, vergelijk Ps. 51:8); שֶׂכְוִי is in het latere Hebreeuws ‘haan’, een dier dat de dageraad aankondigt.
Anderen vertalen: ‘Wie legde wijsheid in de nieren (het hart) en gaf de geest (het verstand) inzicht?’
38wanneer het stof tot een massa vloeit en de kluiten aan elkaar kleven?
בְּצֶ֣קֶת
(betseqet)
wanneer vloeit
עָ֭פָר
(afar)
stof
לַמּוּצָ֑ק
(lamutsaq)
tot een massa
וּרְגָבִ֥ים
(uregavim)
en kluiten
יְדֻבָּֽקוּ
(yedubaqu)
kleven samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De leeuwin en de raaf
39Jaag je voor de leeuwin de prooi, of stil je de honger van de jonge leeuwen,
הֲתָצ֣וּד
(hatatsud)
jaag je
לְלָבִ֣יא
(lelavi)
voor de leeuwin
טָ֑רֶף
(taref)
prooi
וְחַיַּ֖ת
(vechayat)
en de honger van
כְּפִירִ֣ים
(kefirim)
jonge leeuwen
תְּמַלֵּֽא
(temale)
stil je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf vers 39 gaat Yahweh van de kosmos over op de dieren in het wild: eerst de leeuwin en de raaf, in hoofdstuk 39 steenbokken, wilde ezels, struisvogels, paarden en roofvogels.