Elohim Bijbel

Daniël 3

123456789101112

Het gouden beeld en de vuuroven

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het gouden beeld

1Koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud. Zijn hoogte was zestig el en zijn breedte zes el. Hij richtte het op in het dal Dura, in de provincie Babel.
נְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
עֲבַד֙
(avad)
maakte
צְלֵ֣ם
(tselem)
een beeld
דִּֽי
(di)
van
דְהַ֔ב
(dehav)
goud
רוּמֵהּ֙
(rumeh)
zijn hoogte
אַמִּ֣ין
(amin)
el
שִׁתִּ֔ין
(shitin)
zestig
פְּתָיֵ֖הּ
(petayeh)
zijn breedte
אַמִּ֣ין
(amin)
el
שִׁ֑ת
(shit)
zes
אֲקִימֵהּ֙
(aqimeh)
hij richtte het op
בְּבִקְעַ֣ת
(beviqat)
in het dal van
דּוּרָ֔א
(dura)
Dura
בִּמְדִינַ֖ת
(bimdinat)
in de provincie van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dal Dura (ligging onzeker): Het dal Dura lag in de provincie Babel, waar Nebukadnezar het gouden beeld oprichtte.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

אַמָּה (amah), ‘el’: een el is ongeveer 45 tot 52 centimeter.

Zestig el is dus ongeveer 27 tot 31 meter en zes el ongeveer 2,7 tot 3,1 meter.

De omrekening is bij benadering.

דּוּרָא (Dura), ‘Dura’: de ligging van dit dal is onzeker; het ligt in Babylonië.

Het beeld is van goud. Of het geheel van massief goud was, zegt de tekst niet.

2Koning Nebukadnezar stuurde bericht om de satrapen, de prefecten, de landvoogden, de raadsheren, de schatmeesters, de rechters, de juristen en alle bestuurders van de provincies te verzamelen. Zij moesten komen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.
וּנְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(unevukhadnetsar)
en Nebukadnezar
מַלְכָּ֡א
(malka)
de koning
שְׁלַ֡ח
(shelach)
stuurde
לְמִכְנַ֣שׁ
(lemikhnash)
om te verzamelen
לַֽאֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֡א
(laachashdarpenaya)
de satrapen
סִגְנַיָּ֣א
(signaya)
de prefecten
וּֽפַחֲוָתָ֡א
(ufachavata)
en de landvoogden
אֲדַרְגָּזְרַיָּא֩
(adargazeraya)
de raadsheren
גְדָ֨בְרַיָּ֤א
(gedaveraya)
de schatmeesters
דְּתָבְרַיָּא֙
(detaveraya)
de rechters
תִּפְתָּיֵ֔א
(tiftaye)
de juristen
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
שִׁלְטֹנֵ֣י
(shiltonei)
bestuurders van
מְדִֽינָתָ֑א
(medinata)
de provincies
לְמֵתֵא֙
(lemete)
om te komen
לַחֲנֻכַּ֣ת
(lachanukat)
tot de inwijding van
צַלְמָ֔א
(tsalma)
het beeld
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ים
(haqeim)
had opgericht
נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zeven titels zijn waarschijnlijk Perzische en Akkadische leenwoorden.

De betekenis is bij benadering: אֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּא (achashdarpenayya), ‘satrapen’ (hoge gouverneurs); סִגְנַיָּא (signayya), ‘prefecten’; פַּחֲוָתָא (pachavata), ‘landvoogden’; אֲדַרְגָּזְרַיָּא (adargazeraya), ‘raadsheren’; גְדָבְרַיָּא (gedavraya), ‘schatmeesters’; דְּתָבְרַיָּא (detavraya), ‘rechters’; תִּפְתָּיֵא (tiftaye), ‘juristen’.

Daarna volgen alle שִׁלְטוֹנֵי (shiltonei), ‘bestuurders’ (letterlijk: machthebbers), van de provincies.

In 6:3 staat een ander Aramees woord dat wij ook met ‘bestuurders’ vertalen: סָרְכִין (sarekin).

Wij gebruiken steeds dezelfde Nederlandse titels (3:2, 3:3, 3:24, 3:27 en 6:2–8; NL 6:1–7).

חֲנֻכַּת (chanukkat), ‘inwijding’: het woord is verwant aan het Hebreeuwse woord voor de inwijding van het altaar (Num. 7:10).

3Toen verzamelden de satrapen, de prefecten, de landvoogden, de raadsheren, de schatmeesters, de rechters, de juristen en alle bestuurders van de provincies zich voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht. Zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar had opgericht.
בֵּאדַ֡יִן
(bedayin)
toen
מִֽתְכַּנְּשִׁ֡ין
(mitkaneshin)
verzamelden zich
אֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֡א
(achashdarpenaya)
de satrapen
סִגְנַיָּ֣א
(signaya)
de prefecten
וּֽפַחֲוָתָ֡א
(ufachavata)
en de landvoogden
אֲדַרְגָּזְרַיָּ֣א
(adargazeraya)
de raadsheren
גְדָבְרַיָּא֩
(gedaveraya)
de schatmeesters
דְּתָ֨בְרַיָּ֜א
(detaveraya)
de rechters
תִּפְתָּיֵ֗א
(tiftaye)
de juristen
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
שִׁלְטֹנֵ֣י
(shiltonei)
bestuurders van
מְדִֽינָתָ֔א
(medinata)
de provincies
לַחֲנֻכַּ֣ת
(lachanukat)
voor de inwijding van
צַלְמָ֔א
(tsalma)
het beeld
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ים
(haqeim)
had opgericht
נְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּ֑א
(malka)
de koning
וְקָֽיְמִין֙
(veqayemin)
en zij stonden
לָקֳבֵ֣ל
(laqovel)
tegenover
צַלְמָ֔א
(tsalma)
het beeld
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ים
(haqeim)
had opgericht
נְבוּכַדְנֶצַּֽר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4De heraut riep luid: „Aan jullie wordt gezegd, volken, naties en talen:
וְכָרוֹזָ֖א
(vekharoza)
en de heraut
קָרֵ֣א
(qare)
riep
בְחָ֑יִל
(bechayil)
luid
לְכ֤וֹן
(lekhon)
aan jullie
אָֽמְרִין֙
(amerin)
wordt gezegd
עַֽמְמַיָּ֔א
(ammaya)
volken
אֻמַּיָּ֖א
(umaya)
naties
וְלִשָּׁנַיָּֽא
(velishanaya)
en talen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Op het moment dat jullie het geluid horen van de hoorn, de fluit, de lier, de driehoek, de harp, de doedelzak en allerlei soorten muziek, moeten jullie neervallen en je neerbuigen voor het gouden beeld dat koning Nebukadnezar heeft opgericht.
בְּעִדָּנָ֡א
(beidana)
op het moment
דִּֽי
(di)
dat
תִשְׁמְע֡וּן
(tishmeun)
jullie horen
קָ֣ל
(qal)
het geluid van
קַרְנָ֣א
(qarna)
de hoorn
מַ֠שְׁרוֹקִיתָא
(mashroqita)
de fluit
קַתְר֨וֹס
(qatros)
de lier
סַבְּכָ֤א
(sabekha)
de driehoek
פְּסַנְתֵּרִין֙
(pesanterin)
de harp
סוּמְפֹּ֣נְיָ֔ה
(sumponeya)
de doedelzak
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en allerlei
זְנֵ֣י
(zenei)
soorten van
זְמָרָ֑א
(zemara)
muziek
תִּפְּל֤וּן
(tipelun)
jullie zullen neervallen
וְתִסְגְּדוּן֙
(vetisgedun)
en jullie zullen je neerbuigen
לְצֶ֣לֶם
(letselem)
voor het beeld van
דַּהֲבָ֔א
(dahava)
goud
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ים
(haqeim)
heeft opgericht
נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De muziekinstrumenten hebben Aramese namen, sommige uit het Grieks: קַרְנָא (qarna), ‘hoorn’; מַשְׁרוֹקִיתָא (mashroqita), ‘fluit’; קַתְרוֹס (qatros), ‘lier’, uit het Grieks; סַבְּכָא (sabbeka), ‘driehoek’, een snaarinstrument; פְּסַנְתֵּרִין (pesanterin), ‘harp’, uit het Grieks; סוּמְפֹּנְיָה (sumponyah), ‘doedelzak’, uit het Grieks.

De betekenis van de laatste twee is onzeker.

6Wie niet neervalt en zich niet neerbuigt, wordt op datzelfde moment midden in een brandende vuuroven geworpen.”
וּמַן
(uman)
en wie
דִּי
(di)
dat
לָ֥א
(la)
niet
יִפֵּ֖ל
(yipel)
neervalt
וְיִסְגֻּ֑ד
(veyisgud)
en zich neerbuigt
בַּהּ
(bah)
op dat
שַׁעֲתָ֣א
(shaata)
moment
יִתְרְמֵ֔א
(yitreme)
zal geworpen worden
לְגֽוֹא
(lego)
in het midden van
אַתּ֥וּן
(atun)
een oven van
נוּרָ֖א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּֽא
(yaqidta)
brandend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַתּוּן (attun), ‘vuuroven’: een oven waarin brandstof brandt.

Het is een groot werk, waar een mens in kan staan.

שַׁעְתָּא (sha’ta), ‘moment’: letterlijk ‘uur, ogenblik’. Straf volgt direct.

7Op dat moment hoorden alle volken het geluid van de hoorn, de fluit, de lier, de driehoek, de harp en allerlei soorten muziek. Daarom vielen alle volken, naties en talen neer. Zij bogen zich neer voor het gouden beeld dat koning Nebukadnezar had opgericht.
כָּל
(kal)
al
קֳבֵ֣ל
(qovel)
tegenover
דְּנָ֡ה
(dena)
dit
בֵּהּ
(beh)
op dat
זִמְנָ֡א
(zimna)
moment
כְּדִ֣י
(kedi)
toen
שָֽׁמְעִ֣ין
(shamein)
hoorden
כָּֽל
(kal)
alle
עַמְמַיָּ֡א
(ammaya)
volken
קָ֣ל
(qal)
het geluid van
קַרְנָא֩
(qarna)
de hoorn
מַשְׁר֨וֹקִיתָ֜א
(mashroqita)
de fluit
קַתְר֤וֹס
(qatros)
de lier
שַׂבְּכָא֙
(sabekha)
de driehoek
פְּסַנְטֵרִ֔ין
(pesanterin)
de harp
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en allerlei
זְנֵ֣י
(zenei)
soorten van
זְמָרָ֑א
(zemara)
muziek
נָֽפְלִ֨ין
(nafelin)
vielen neer
כָּֽל
(kal)
alle
עַֽמְמַיָּ֜א
(ammaya)
volken
אֻמַיָּ֣א
(umaya)
naties
וְלִשָּׁנַיָּ֗א
(velishanaya)
en talen
סָֽגְדִין֙
(sagedin)
bogen zich neer
לְצֶ֣לֶם
(letselem)
voor het beeld van
דַּהֲבָ֔א
(dahava)
goud
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ים
(haqeim)
had opgericht
נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Chaldeeën beschuldigen de drie Joden

8Daarom kwamen op dat moment Chaldeese mannen naar voren en beschuldigden de Joden.
כָּל
(kal)
al
קֳבֵ֤ל
(qovel)
tegenover
דְּנָה֙
(dena)
dit
בֵּהּ
(beh)
op dat
זִמְנָ֔א
(zimna)
moment
קְרִ֖בוּ
(qerivu)
kwamen naar voren
גֻּבְרִ֣ין
(guvrin)
mannen
כַּשְׂדָּאִ֑ין
(kasdain)
Chaldeese
וַאֲכַ֥לוּ
(vaakhalu)
en aten
קַרְצֵיה֖וֹן
(qartseihon)
hun stukken
דִּ֥י
(di)
van
יְהוּדָיֵֽא
(yehudaye)
de Joden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Aramees noemt de Joden hier יְהוּדָיֵא (Yehudaye), ‘de Joden’.

Zij worden beschuldigd door de Chaldeeën, die hier hofmannen zijn.

אֲכַלוּ קַרְצֵיהוֹן (achalu qartsehon), ‘zij beschuldigden’: letterlijk ‘zij aten hun stukken’. Het is een uitdrukking voor lasteren of aanklagen.

9Zij antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: „Koning, leef voor eeuwig!
עֲנוֹ֙
(ano)
zij antwoordden
וְאָ֣מְרִ֔ין
(veamerin)
en zeiden
לִנְבוּכַדְנֶצַּ֖ר
(linvukhadnetsar)
aan Nebukadnezar
מַלְכָּ֑א
(malka)
de koning
מַלְכָּ֖א
(malka)
koning
לְעָלְמִ֥ין
(lealemin)
voor eeuwig
חֱיִֽי
(cheyi)
leef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10U, koning, hebt een bevel uitgevaardigd. Ieder mens die het geluid hoort van de hoorn, de fluit, de lier, de driehoek, de harp, de doedelzak en allerlei soorten muziek, moet neervallen en zich neerbuigen voor het gouden beeld.
אַ֣נְתְּ
(ant)
u
מַלְכָּא֮
(malka)
koning
שָׂ֣מְתָּ
(samta)
hebt gesteld
טְּעֵם֒
(teem)
een bevel
דִּ֣י
(di)
dat
כָל
(kal)
elk
אֱנָ֡שׁ
(enash)
mens
דִּֽי
(di)
die
יִשְׁמַ֡ע
(yishma)
hoort
קָ֣ל
(qal)
het geluid van
קַרְנָ֣א
(qarna)
de hoorn
מַ֠שְׁרֹקִיתָא
(mashroqita)
de fluit
קַתְר֨וֹס
(qatros)
de lier
שַׂבְּכָ֤א
(sabekha)
de driehoek
פְסַנְתֵּרִין֙
(pesanterin)
de harp
וְסוּפֹּ֣נְיָ֔ה
(vesuponeya)
en de doedelzak
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en allerlei
זְנֵ֣י
(zenei)
soorten van
זְמָרָ֑א
(zemara)
muziek
יִפֵּ֥ל
(yipel)
zal neervallen
וְיִסְגֻּ֖ד
(veyisgud)
en zich neerbuigen
לְצֶ֥לֶם
(letselem)
voor het beeld van
דַּהֲבָֽא
(dahava)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Wie niet neervalt en zich niet neerbuigt, moet midden in een brandende vuuroven worden geworpen.
וּמַן
(uman)
en wie
דִּי
(di)
dat
לָ֥א
(la)
niet
יִפֵּ֖ל
(yipel)
neervalt
וְיִסְגֻּ֑ד
(veyisgud)
en zich neerbuigt
יִתְרְמֵ֕א
(yitreme)
zal geworpen worden
לְגֽוֹא
(lego)
in het midden van
אַתּ֥וּן
(atun)
een oven van
נוּרָ֖א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּֽא
(yaqidta)
brandend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Er zijn Joodse mannen die u hebt aangesteld over het bestuur van de provincie Babel: Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego. Deze mannen letten niet op u, koning. Uw god dienen zij niet. Voor het gouden beeld dat u hebt opgericht buigen zij zich niet neer.”
אִיתַ֞י
(itay)
er zijn
גֻּבְרִ֣ין
(guvrin)
mannen
יְהוּדָאיִ֗ן
(yehudayin)
Joodse
דִּֽי
(di)
die
מַנִּ֤יתָ
(manita)
u hebt aangesteld
יָתְהוֹן֙
(yatehon)
hen
עַל
(al)
over
עֲבִידַת֙
(avidat)
het bestuur van
מְדִינַ֣ת
(medinat)
de provincie van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
שַׁדְרַ֥ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
de mannen
אִלֵּ֗ךְ
(ilekh)
deze
לָא
(la)
niet
שָׂ֨מֽוּ
(samu)
hebben gesteld
עֲלָ֤ךְ
(alakh)
op u
מַלְכָּא֙
(malka)
koning
טְעֵ֔ם
(teem)
acht
לֵֽאלָהָךְ֙
(lelahakh)
uw god
לָ֣א
(la)
niet
פָלְחִ֔ין
(palechin)
dienen zij
וּלְצֶ֧לֶם
(uletselem)
en het beeld van
דַּהֲבָ֛א
(dahava)
goud
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ימְתָּ
(haqeimta)
u hebt opgericht
לָ֥א
(la)
niet
סָגְדִֽין
(sagedin)
buigen zij zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De aanklagers noemen de drie mannen ‘Joodse mannen’ en herinneren de koning eraan dat hij hen heeft aangesteld (2:49).

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לאלהיך (lelahayikh), ‘uw goden’; de voorgelezen tekst (qere) heeft לֵאלָהָךְ (lelahakh), ‘uw god’.

Wij volgen het qere.

Zo ook in vers 18.

Voor de koning

13Toen gaf Nebukadnezar in woede en toorn bevel Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego te laten halen. Toen werden deze mannen voor de koning gebracht.
בֵּאדַ֤יִן
(bedayin)
toen
נְבוּכַדְנֶצַּר֙
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
בִּרְגַ֣ז
(birgaz)
in woede
וַחֲמָ֔ה
(vachama)
en toorn
אֲמַר֙
(amar)
zei
לְהַיְתָיָ֔ה
(lehaytaya)
om te brengen
לְשַׁדְרַ֥ךְ
(leshadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
בֵּאדַ֨יִן֙
(bedayin)
toen
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
de mannen
אִלֵּ֔ךְ
(ilekh)
deze
הֵיתָ֖יוּ
(heitayu)
werden gebracht
קֳדָ֥ם
(qodam)
voor
מַלְכָּֽא
(malka)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Nebukadnezar antwoordde en zei tegen hen: „Is het met opzet, Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego, dat jullie mijn god niet dienen en je niet neerbuigen voor het gouden beeld dat ik heb opgericht?
עָנֵ֤ה
(ane)
antwoordde
נְבֻֽכַדְנֶצַּר֙
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
וְאָמַ֣ר
(veamar)
en zei
לְה֔וֹן
(lehon)
tegen hen
הַצְדָּ֕א
(hatsda)
is het met opzet
שַׁדְרַ֥ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
לֵֽאלָהַ֗י
(lelahay)
mijn god
לָ֤א
(la)
niet
אִֽיתֵיכוֹן֙
(iteikhon)
zijn jullie
פָּֽלְחִ֔ין
(palechin)
dienend
וּלְצֶ֧לֶם
(uletselem)
en het beeld van
דַּהֲבָ֛א
(dahava)
goud
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ימֶת
(haqeimet)
ik heb opgericht
לָ֥א
(la)
niet
סָֽגְדִֽין
(sagedin)
buigen jullie je neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַצְדָּא (hatsda), ‘met opzet’: een zeldzaam woord.

Er is ook de vertaling ‘is het waar dat’.

De betekenis is onzeker.

לֵאלָהַי (lelahay), ‘mijn god’: Nebukadnezar noemt de god van zijn rijk niet bij naam.

15Nu, als jullie bereid zijn om neer te vallen en je neer te buigen voor het beeld dat ik heb gemaakt, op het moment dat jullie het geluid horen van de hoorn, de fluit, de lier, de driehoek, de harp, de doedelzak en allerlei soorten muziek, dan is het goed. Maar als jullie je niet neerbuigen, worden jullie op datzelfde moment midden in een brandende vuuroven geworpen. En wie is de god die jullie uit mijn handen zal redden?”
כְּעַ֞ן
(kean)
nu
הֵ֧ן
(hen)
als
אִֽיתֵיכ֣וֹן
(iteikhon)
zijn jullie
עֲתִידִ֗ין
(atidin)
bereid
דִּ֣י
(di)
dat
בְעִדָּנָ֡א
(beidana)
op het moment
דִּֽי
(di)
dat
תִשְׁמְע֡וּן
(tishmeun)
jullie horen
קָ֣ל
(qal)
het geluid van
קַרְנָ֣א
(qarna)
de hoorn
מַשְׁרוֹקִיתָ֣א
(mashroqita)
de fluit
קַתְר֣וֹס
(qatros)
de lier
שַׂבְּכָ֡א
(sabekha)
de driehoek
פְּסַנְתֵּרִין֩
(pesanterin)
de harp
וְסוּמְפֹּ֨נְיָ֜ה
(vesumponeya)
en de doedelzak
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en allerlei
זְנֵ֣י
(zenei)
soorten van
זְמָרָ֗א
(zemara)
muziek
תִּפְּל֣וּן
(tipelun)
jullie zullen neervallen
וְתִסְגְּדוּן֮
(vetisgedun)
en je neerbuigen
לְצַלְמָ֣א
(letsalma)
voor het beeld
דִֽי
(di)
dat
עַבְדֵת֒
(avdet)
ik heb gemaakt
וְהֵן֙
(vehen)
en als
לָ֣א
(la)
niet
תִסְגְּד֔וּן
(tisgedun)
jullie je neerbuigen
בַּהּ
(bah)
op
שַׁעֲתָ֣ה
(shaata)
hetzelfde moment
תִתְרְמ֔וֹן
(titremon)
zullen jullie geworpen worden
לְגֽוֹא
(lego)
in het midden van
אַתּ֥וּן
(atun)
een oven van
נוּרָ֖א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּ֑א
(yaqidta)
brandend
וּמַן
(uman)
en wie
ה֣וּא
(hu)
is
אֱלָ֔הּ
(elah)
de god
דֵּ֥י
(dei)
die
יְשֵֽׁיזְבִנְכ֖וֹן
(yesheizevinkhon)
zal redden jullie
מִן
(min)
uit
יְדָֽי
(yeday)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin heeft in het Aramees geen tweede helft: ‘Nu, als jullie bereid zijn … ’.

Wij vullen ‘dan is het goed’ aan.

De tekst laat het open.

מַן־הוּא אֱלָהּ (man hu elah), ‘wie is de god’: een vraag die in vers 29 wordt beantwoord.

16Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego antwoordden en zeiden tegen koning Nebukadnezar: „Wij hoeven u over deze zaak geen antwoord te geven.
עֲנ֗וֹ
(ano)
antwoordden
שַׁדְרַ֤ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁךְ֙
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֔וֹ
(nego)
Nego
וְאָמְרִ֖ין
(veamerin)
en zeiden
לְמַלְכָּ֑א
(lemalka)
aan de koning
נְבֽוּכַדְנֶצַּ֔ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
לָֽא
(la)
niet
חַשְׁחִ֨ין
(chashchin)
hebben nodig
אֲנַ֧חְנָה
(anachna)
wij
עַל
(al)
over
דְּנָ֛ה
(dena)
dit
פִּתְגָ֖ם
(pitgam)
woord
לַהֲתָבוּתָֽךְ
(lahatavutakh)
om u te antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַשְׁחִין (chashchin), ‘hebben nodig’: de drie mannen vinden dat zij de koning geen verdediging hoeven te geven.

Zij antwoorden niet op de vraag in vers 14.

17Als het zo is, dan is onze Elohim, die wij dienen, in staat ons te redden uit de brandende vuuroven. Ook uit uw hand, koning, zal Hij ons redden.
הֵ֣ן
(hen)
als
אִיתַ֗י
(itay)
het zo is
אֱלָהַ֨נָא֙
(elahana)
onze Elohim
דִּֽי
(di)
die
אֲנַ֣חְנָא
(anachna)
wij
פָֽלְחִ֔ין
(palechin)
dienen
יָכִ֖ל
(yakhil)
is in staat
לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא
(lesheizavutana)
om ons te redden
מִן
(min)
uit
אַתּ֨וּן
(atun)
een oven van
נוּרָ֧א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּ֛א
(yaqidta)
brandend
וּמִן
(umin)
en uit
יְדָ֥ךְ
(yedakh)
uw hand
מַלְכָּ֖א
(malka)
koning
יְשֵׁיזִֽב
(yesheiziv)
zal Hij redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵן (hen), ‘als’ of ‘zie’: het woord kan beide betekenen.

Wij vertalen ‘als het zo is’.

De drie mannen zeggen dat Elohim hen kan redden.

In vers 18 zeggen zij dat zij Hem ook dienen als Hij hen niet redt.

18En als niet: dan moet u weten, koning, dat wij uw god niet dienen. Wij zullen ons niet neerbuigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.”
וְהֵ֣ן
(vehen)
en als
לָ֔א
(la)
niet
יְדִ֥יעַ
(yedia)
bekend
לֶהֱוֵא
(leheve)
moge zijn
לָ֖ךְ
(lakh)
aan u
מַלְכָּ֑א
(malka)
koning
דִּ֤י
(di)
dat
לֵֽאלָהָךְ֙
(lelahakh)
uw god
לָא
(la)
niet
אִיתַ֣נָא
(itana)
zijn wij
פָֽלְחִ֔ין
(palechin)
dienend
וּלְצֶ֧לֶם
(uletselem)
en het beeld van
דַּהֲבָ֛א
(dahava)
goud
דִּ֥י
(di)
dat
הֲקֵ֖ימְתָּ
(haqeimta)
u hebt opgericht
לָ֥א
(la)
niet
נִסְגֻּֽד
(nisgud)
zullen wij ons neerbuigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהֵן לָא (vehen la), ‘en als niet’: ook als Elohim hen niet redt, zullen zij de god van de koning niet dienen.

Zij zijn niet afhankelijk van de uitkomst.

De vuuroven

19Toen werd Nebukadnezar vol woede. De uitdrukking van zijn gezicht veranderde tegenover Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego. Hij antwoordde en zei dat men de oven zevenmaal heter moest maken dan men gewoonlijk deed.
בֵּאדַ֨יִן
(bedayin)
toen
נְבוּכַדְנֶצַּ֜ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
הִתְמְלִ֣י
(hitmeli)
werd vervuld
חֱמָ֗א
(chema)
van woede
וּצְלֵ֤ם
(utselem)
en de uitdrukking van
אַנְפּ֨וֹהִי֙
(anpohi)
zijn gezicht
אֶשְׁתַּנִּ֔י
(eshtani)
veranderde
עַל
(al)
tegen
שַׁדְרַ֥ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
עָנֵ֤ה
(ane)
hij antwoordde
וְאָמַר֙
(veamar)
en zei
לְמֵזֵ֣א
(lemeze)
om te verhitten
לְאַתּוּנָ֔א
(leatuna)
de oven
חַ֨ד
(chad)
één
שִׁבְעָ֔ה
(shiva)
zeven
עַ֛ל
(al)
meer dan
דִּ֥י
(di)
wat
חֲזֵ֖ה
(chaze)
gezien werd
לְמֵזְיֵֽהּ
(lemezeyeh)
om hem te verhitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַד שִׁבְעָה (chad shiv’ah), ‘zevenmaal’: letterlijk ‘één zeven’.

Zo hard mogelijk gestookt.

20Hij gaf enkele van de sterkste mannen van zijn leger bevel Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego te binden en in de brandende vuuroven te werpen.
וּלְגֻבְרִ֤ין
(uleguvrin)
en aan mannen
גִּבָּֽרֵי
(gibarei)
mannen van
חַ֨יִל֙
(chayil)
kracht
דִּ֣י
(di)
die
בְחַיְלֵ֔הּ
(bechayleh)
in zijn leger
אֲמַר֙
(amar)
zei hij
לְכַפָּתָ֔ה
(lekhapata)
om te binden
לְשַׁדְרַ֥ךְ
(leshadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
לְמִרְמֵ֕א
(lemirme)
om te werpen
לְאַתּ֥וּן
(leatun)
in de oven van
נוּרָ֖א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּֽא
(yaqidta)
brandend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Toen werden deze mannen gebonden in hun mantels, hun hoofddoeken, hun mutsen en hun andere kleren. Zij werden midden in de brandende vuuroven geworpen.
בֵּאדַ֜יִן
(bedayin)
toen
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
de mannen
אִלֵּ֗ךְ
(ilekh)
deze
כְּפִ֨תוּ֙
(kefitu)
werden gebonden
בְּסַרְבָּלֵיהוֹן֙
(besarbaleihon)
in hun mantels
פַּטְּשֵׁיה֔וֹן
(patesheihon)
hun hoofddoeken
וְכַרְבְּלָתְה֖וֹן
(vekharbelatehon)
en hun mutsen
וּלְבֻשֵׁיה֑וֹן
(ulevusheihon)
en hun kleren
וּרְמִ֕יו
(uremiv)
en werden geworpen
לְגֽוֹא
(lego)
in het midden van
אַתּ֥וּן
(atun)
de oven van
נוּרָ֖א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּֽא
(yaqidta)
brandend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de kleding zijn zeldzaam: סַרְבָּלִין (sarbalin), ‘mantels’; פַּטְּשִׁין (pattishin), ‘hoofddoeken’; כַּרְבְּלָתָא (karbelata), ‘mutsen’.

De betekenis is onzeker.

Het gaat erom dat zij met hun kleren werden geworpen.

22Het bevel van de koning was streng en de oven was buitengewoon heet. Daarom doodde de vlam van het vuur de mannen die Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego omhoog hadden gebracht.
כָּל
(kal)
al
קֳבֵ֣ל
(qovel)
tegenover
דְּנָ֗ה
(dena)
dit
מִן
(min)
omdat
דִּ֞י
(di)
dat
מִלַּ֤ת
(milat)
het woord van
מַלְכָּא֙
(malka)
de koning
מַחְצְפָ֔ה
(machtsefa)
streng was
וְאַתּוּנָ֖א
(veatuna)
en de oven
אֵזֵ֣ה
(eze)
verhit
יַתִּ֑ירָא
(yatira)
buitengewoon
גֻּבְרַיָּ֣א
(guvraya)
de mannen
אִלֵּ֗ךְ
(ilekh)
deze
דִּ֤י
(di)
die
הַסִּ֨קוּ֙
(hasiqu)
omhoog brachten
לְשַׁדְרַ֤ךְ
(leshadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁךְ֙
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֔וֹ
(nego)
Nego
קַטִּ֣ל
(qatil)
doodde
הִמּ֔וֹן
(himon)
hen
שְׁבִיבָ֖א
(sheviva)
de vlam van
דִּ֥י
(di)
het
נוּרָֽא
(nura)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De mannen die hen omhoog brachten, worden zelf gedood.

Zo laat de tekst zien hoe heet de oven was.

23Deze drie mannen, Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego, vielen gebonden midden in de brandende vuuroven.
וְגֻבְרַיָּ֤א
(veguvraya)
en de mannen
אִלֵּךְ֙
(ilekh)
deze
תְּלָ֣תֵּה֔וֹן
(telatehon)
alle drie
שַׁדְרַ֥ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֖ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֑וֹ
(nego)
Nego
נְפַ֛לוּ
(nefalu)
vielen
לְגֽוֹא
(lego)
in het midden van
אַתּוּן
(atun)
de oven van
נוּרָ֥א
(nura)
vuur
יָֽקִדְתָּ֖א
(yaqidta)
brandend
מְכַפְּתִֽין
(mekhapetin)
gebonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Vier mannen in het vuur

24Toen schrok koning Nebukadnezar en stond haastig op. Hij antwoordde en zei tegen zijn raadsheren: „Hebben wij niet drie gebonden mannen midden in het vuur geworpen?” Zij antwoordden en zeiden tegen de koning: „Zeker, koning.”
אֱדַ֨יִן֙
(edayin)
toen
נְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּ֔א
(malka)
de koning
תְּוַ֖הּ
(tevah)
schrok
וְקָ֣ם
(veqam)
en stond op
בְּהִתְבְּהָלָ֑ה
(behitbehala)
haastig
עָנֵ֨ה
(ane)
hij antwoordde
וְאָמַ֜ר
(veamar)
en zei
לְהַדָּֽבְר֗וֹהִי
(lehadaverohi)
aan zijn raadsheren
הֲלָא֩
(hala)
niet
גֻבְרִ֨ין
(guvrin)
mannen
תְּלָתָ֜א
(telata)
drie
רְמֵ֤ינָא
(remeina)
hebben wij geworpen
לְגוֹא
(lego)
in het midden van
נוּרָא֙
(nura)
het vuur
מְכַפְּתִ֔ין
(mekhapetin)
gebonden
עָנַ֤יִן
(anayin)
zij antwoordden
וְאָמְרִין֙
(veamerin)
en zeiden
לְמַלְכָּ֔א
(lemalka)
aan de koning
יַצִּיבָ֖א
(yatsiva)
zeker
מַלְכָּֽא
(malka)
koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַדָּבְרוֹהִי (haddavrohi), ‘zijn raadsheren’: een ander Aramees woord dan אֲדַרְגָּזְרַיָּא in vers 2, maar met dezelfde Nederlandse titel.

Zo ook in vers 27 en in 6:8.

De betekenis is bij benadering.

25Hij antwoordde en zei: „Zie, ik zie vier mannen, niet meer gebonden, midden in het vuur rondlopen. Zij hebben geen letsel. Het uiterlijk van de vierde is als dat van een zoon van de goden.”
עָנֵ֣ה
(ane)
hij antwoordde
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zei
הָֽא
(ha)
zie
אֲנָ֨ה
(ana)
ik
חָזֵ֜ה
(chaze)
zie
גֻּבְרִ֣ין
(guvrin)
mannen
אַרְבְּעָ֗ה
(arbea)
vier
שְׁרַ֨יִן֙
(sherayin)
losgemaakt
מַהְלְכִ֣ין
(mahlekhin)
wandelend
בְּגֽוֹא
(bego)
in het midden van
נוּרָ֔א
(nura)
het vuur
וַחֲבָ֖ל
(vachaval)
en letsel
לָא
(la)
niet
אִיתַ֣י
(itay)
is er
בְּה֑וֹן
(behon)
in hen
וְרֵוֵהּ֙
(vereveh)
en het uiterlijk van
דִּ֣י
(di)
de
רְֽבִיעָאָ֔ה
(reviaa)
vierde
דָּמֵ֖ה
(dame)
is gelijk aan
לְבַר
(levar)
een zoon van
אֱלָהִֽין
(elahin)
goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּר־אֱלָהִין (bar elahin), ‘een zoon van de goden’: de koning spreekt als iemand die in meerdere goden gelooft.

Het Aramese woord אֱלָהִין (elahin) is een meervoud en kan ook ‘Elohim’ betekenen.

Wij vertalen ‘goden’, omdat Nebukadnezar zo spreekt.

In vers 28 noemt hij deze gestalte een ‘engel’ (mal’ach) van de Elohim van de drie mannen.

26Toen kwam Nebukadnezar dichtbij de opening van de brandende vuuroven. Hij antwoordde en zei: „Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego, knechten van Elohim, de Hoogste, kom naar buiten en kom hier!” Toen kwamen Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego uit het midden van het vuur.
בֵּאדַ֜יִן
(bedayin)
toen
קְרֵ֣ב
(qerev)
kwam dichterbij
נְבוּכַדְנֶצַּ֗ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
לִתְרַע֮
(litra)
tot de opening van
אַתּ֣וּן
(atun)
de oven van
נוּרָ֣א
(nura)
vuur
יָקִֽדְתָּא֒
(yaqidta)
brandend
עָנֵ֣ה
(ane)
hij antwoordde
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zei
שַׁדְרַ֨ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֧ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵד
(vaaved)
en Abed
נְג֛וֹ
(nego)
Nego
עַבְד֛וֹהִי
(avdohi)
knechten van
דִּֽי
(di)
de
אֱלָהָ֥א
(elaha)
Elohim
עִלָּאָ֖ה
(ilaa)
Hoogste
פֻּ֣קוּ
(puqu)
kom naar buiten
וֶאֱת֑וֹ
(veeto)
en kom
בֵּאדַ֣יִן
(bedayin)
toen
נָֽפְקִ֗ין
(nafeqin)
kwamen naar buiten
שַׁדְרַ֥ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֛ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֥ד
(vaaved)
en Abed
נְג֖וֹ
(nego)
Nego
מִן
(min)
uit
גּ֥וֹא
(go)
het midden van
נוּרָֽא
(nura)
het vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִלָּאָה (illa’ah), ‘de Hoogste’: een naam voor Elohim.

Zo ook in vers 32, in 4:14 (NL 4:17) en in 7:25.

עַבְדוֹהִי (avdohi), ‘zijn knechten’: wij vertalen het Aramese ‘eved’ van Elohim steeds met ‘knecht’, zoals in vers 28 en 6:21.

27De satrapen, de prefecten, de landvoogden en de raadsheren van de koning verzamelden zich en zagen deze mannen aan. Het vuur had geen macht gehad over hun lichaam. Het haar van hun hoofd was niet verschroeid en hun mantels waren niet veranderd. Zelfs de geur van vuur was niet over hen heen gekomen.
וּ֠מִֽתְכַּנְּשִׁין
(umitkaneshin)
en verzamelden zich
אֲחַשְׁדַּרְפְּנַיָּ֞א
(achashdarpenaya)
de satrapen
סִגְנַיָּ֣א
(signaya)
de prefecten
וּפַחֲוָתָא֮
(ufachavata)
en de landvoogden
וְהַדָּבְרֵ֣י
(vehadaverei)
en de raadsheren van
מַלְכָּא֒
(malka)
de koning
חָזַ֣יִן
(chazayin)
zagen
לְגֻבְרַיָּ֣א
(leguvraya)
naar de mannen
אִלֵּ֡ךְ
(ilekh)
deze
דִּי֩
(di)
dat
לָֽא
(la)
niet
שְׁלֵ֨ט
(shelet)
had macht
נוּרָ֜א
(nura)
het vuur
בְּגֶשְׁמְה֗וֹן
(begeshmehon)
over hun lichaam
וּשְׂעַ֤ר
(usear)
en haar van
רֵֽאשְׁהוֹן֙
(reshhon)
hun hoofd
לָ֣א
(la)
niet
הִתְחָרַ֔ךְ
(hitcharakh)
was verschroeid
וְסָרְבָּלֵיה֖וֹן
(vesarbaleihon)
en hun mantels
לָ֣א
(la)
niet
שְׁנ֑וֹ
(sheno)
waren veranderd
וְרֵ֣יחַ
(vereiach)
en de geur van
נ֔וּר
(nur)
vuur
לָ֥א
(la)
niet
עֲדָ֖ת
(adat)
was gekomen
בְּהֽוֹן
(behon)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vuur had geen macht over hun lichaam: zij zijn niet verbrand.

Zelfs hun kleren en haar zijn ongeschonden, en er hangt geen brandlucht aan hen.

De koning prijst de Elohim van de drie

28Nebukadnezar antwoordde en zei: „Gezegend zij de Elohim van Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego, die Zijn engel heeft gestuurd en Zijn knechten heeft gered, die op Hem vertrouwd hebben. Zij hebben het woord van de koning veranderd en hun lichaam overgegeven, om geen enkele andere god te dienen of te vereren dan hun Elohim.
עָנֵ֨ה
(ane)
antwoordde
נְבֽוּכַדְנֶצַּ֜ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
וְאָמַ֗ר
(veamar)
en zei
בְּרִ֤יךְ
(berikh)
gezegend
אֱלָהֲהוֹן֙
(elahahon)
hun Elohim
דִּֽי
(di)
van
שַׁדְרַ֤ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁךְ֙
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֔וֹ
(nego)
Nego
דִּֽי
(di)
die
שְׁלַ֤ח
(shelach)
stuurde
מַלְאֲכֵהּ֙
(malakheh)
Zijn engel
וְשֵׁיזִ֣ב
(vesheiziv)
en redde
לְעַבְד֔וֹהִי
(leavdohi)
Zijn knechten
דִּ֥י
(di)
die
הִתְרְחִ֖צוּ
(hitrechitsu)
vertrouwden
עֲל֑וֹהִי
(alohi)
op Hem
וּמִלַּ֤ת
(umilat)
en het woord van
מַלְכָּא֙
(malka)
de koning
שַׁנִּ֔יו
(shaniv)
veranderden
וִיהַ֣בוּ
(vihavu)
en gaven
גֶשְׁמְה֗וֹן
(geshmehon)
hun lichaam
דִּ֠י
(di)
opdat
לָֽא
(la)
niet
יִפְלְח֤וּן
(yiflechun)
zij zouden dienen
וְלָֽא
(vela)
en niet
יִסְגְּדוּן֙
(yisgedun)
zij zouden zich neerbuigen
לְכָל
(lekhal)
voor elke
אֱלָ֔הּ
(elah)
god
לָהֵ֖ן
(lahen)
behalve
לֵאלָֽהֲהֽוֹן
(lelahahon)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאֲכֵהּ (mal’akheh), ‘Zijn engel’: dat is: een bode van Elohim.

Vergelijk de man in vers 25.

יְהַבוּ גֶשְׁמְהוֹן (yehavu geshmehon), ‘zij gaven hun lichaam’: zij waren bereid te sterven.

בְּרִיךְ (berikh), ‘gezegend’: de koning prijst de Elohim van de drie mannen. Zie ook vers 29.

29Van mij is een bevel uitgevaardigd. Ieder volk, iedere natie en taal die iets verkeerds zegt over de Elohim van Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego, wordt in stukken gehouwen. Zijn huis wordt een mesthoop. Want er is geen andere god die zo kan bevrijden.”
וּמִנִּי֮
(umini)
en van mij
שִׂ֣ים
(sim)
is gesteld
טְעֵם֒
(teem)
een bevel
דִּי֩
(di)
dat
כָל
(kal)
elk
עַ֨ם
(am)
volk
אֻמָּ֜ה
(uma)
natie
וְלִשָּׁ֗ן
(velishan)
en taal
דִּֽי
(di)
die
יֵאמַ֤ר
(yemar)
zal zeggen
שָׁלוּ֙
(shalu)
iets verkeerds
עַ֣ל
(al)
over
אֱלָהֲה֗וֹן
(elahahon)
hun Elohim
דִּֽי
(di)
van
שַׁדְרַ֤ךְ
(shadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁךְ֙
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֣ד
(vaaved)
en Abed
נְג֔וֹא
(nego)
Nego
הַדָּמִ֣ין
(hadamin)
in stukken
יִתְעֲבֵ֔ד
(yitaved)
zal worden gemaakt
וּבַיְתֵ֖הּ
(uvayteh)
en zijn huis
נְוָלִ֣י
(nevali)
tot een mesthoop
יִשְׁתַּוֵּ֑ה
(yishtave)
zal worden gemaakt
כָּל
(kal)
al
קֳבֵ֗ל
(qovel)
tegenover
דִּ֣י
(di)
dat
לָ֤א
(la)
niet
אִיתַי֙
(itay)
is er
אֱלָ֣ה
(ela)
god
אָחֳרָ֔ן
(achoran)
andere
דִּֽי
(di)
die
יִכֻּ֥ל
(yikul)
kan
לְהַצָּלָ֖ה
(lehatsala)
bevrijden
כִּדְנָֽה
(kidna)
zoals dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוּ (shalu), ‘iets verkeerds’: een zeldzaam woord, afgeleid van ‘missen, nalatigheid’.

De betekenis is bij benadering.

הַדָּמִין יִתְעֲבֵד וּבַיְתֵהּ נְוָלִי (hadamin yit’aved uveyteh nevali), ‘in stukken gehouwen en zijn huis een mesthoop’: dezelfde woorden als in 2:5.

לְהַצָּלָה (lehatsalah), ‘bevrijden’: het Aramese werkwoord voor ‘bevrijden’ is verwant aan Hebreeuws נצל (natsal). Vergelijk vers 15 (‘redden’, shezib).

30Toen liet de koning Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego voorspoed hebben in de provincie Babel.
בֵּאדַ֣יִן
(bedayin)
toen
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
הַצְלַ֛ח
(hatslach)
liet voorspoed hebben
לְשַׁדְרַ֥ךְ
(leshadrakh)
Sjadrak
מֵישַׁ֛ךְ
(meishakh)
Mesjak
וַעֲבֵ֥ד
(vaaved)
en Abed
נְג֖וֹ
(nego)
Nego
בִּמְדִינַ֥ת
(bimdinat)
in de provincie van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Brief van de koning aan alle volken

31„Koning Nebukadnezar aan alle volken, naties en talen die op heel de aarde wonen: Moge jullie vrede groot zijn!
נְבוּכַדְנֶצַּ֣ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מַלְכָּ֗א
(malka)
de koning
לְֽכָל
(lekhal)
aan alle
עַֽמְמַיָּ֞א
(ammaya)
volken
אֻמַיָּ֧א
(umaya)
naties
וְלִשָּׁנַיָּ֛א
(velishanaya)
en talen
דִּֽי
(di)
die
דָיְרִ֥ין
(dayerin)
wonen
בְּכָל
(bekhal)
op heel
אַרְעָ֖א
(ara)
de aarde
שְׁלָמְכ֥וֹן
(shelamekhon)
jullie vrede
יִשְׂגֵּֽא
(yisge)
moge groot zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hebreeuws 3:31–33 is Nederlands 4:1–3.

Hier begint een brief van de koning.

De brief loopt door tot en met Hebreeuws 4:34 (Nederlands 4:37) en staat daarom tussen aanhalingstekens („ ”).

שְׁלָמְכוֹן יִשְׂגֵּא (shelamekhon yisge), ‘moge jullie vrede groot zijn’: een gebruikelijke groet in een brief. Wij vertalen shelam met ‘vrede’, zoals Hebreeuws shalom. Dezelfde groet staat in 6:26 (NL 6:25).

32De tekenen en wonderen die Elohim, de Hoogste, voor mij heeft gedaan, heb ik goed gevonden bekend te maken.
אָֽתַיָּא֙
(ataya)
de tekenen
וְתִמְהַיָּ֔א
(vetimhaya)
en wonderen
דִּ֚י
(di)
die
עֲבַ֣ד
(avad)
heeft gedaan
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
אֱלָהָ֖א
(elaha)
Elohim
עִלָּאָ֑ה
(ilaa)
de Hoogste
שְׁפַ֥ר
(shefar)
het was goed
קָֽדָמַ֖י
(qadamay)
voor mij
לְהַחֲוָיָֽה
(lehachavaya)
om bekend te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָתַיָּא וְתִמְהַיָּא (atayya vetimhayya), ‘tekenen en wonderen’: zoals in Deut. 4:34 (Hebreeuws אֹתֹת וּמוֹפְתִים).

33Hoe groot zijn Zijn tekenen en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn koningschap is een koningschap voor eeuwig en Zijn heerschappij gaat van generatie op generatie.
אָת֨וֹהִי֙
(atohi)
zijn tekenen
כְּמָ֣ה
(kema)
hoe
רַבְרְבִ֔ין
(ravrevin)
groot
וְתִמְה֖וֹהִי
(vetimhohi)
en zijn wonderen
כְּמָ֣ה
(kema)
hoe
תַקִּיפִ֑ין
(taqifin)
machtig
מַלְכוּתֵהּ֙
(malkhuteh)
zijn koningschap
מַלְכ֣וּת
(malkhut)
een koningschap van
עָלַ֔ם
(alam)
eeuwigheid
וְשָׁלְטָנֵ֖הּ
(veshaletaneh)
en zijn heerschappij
עִם
(im)
met
דָּ֥ר
(dar)
generatie
וְדָֽר
(vedar)
en generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְכוּתֵהּ מַלְכוּת עָלַם (malkuteh malkut alam), ‘Zijn koningschap is een koningschap voor eeuwig’: vergelijk 2:44, 4:31 (NL 4:34) en Ps. 145:13.