Elohim Bijbel

Ezra 8

12345678910

De families die met Ezra optrokken, en de reis naar Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De families die met Ezra optrokken

1Dit zijn de hoofden van hun vaderhuizen, met hun geslachtsregister. Zij trokken met mij op uit Babel, in de tijd dat koning Artachsasta regeerde.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit zijn
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
de hoofden van
אֲבֹתֵיהֶ֖ם
(avoteihem)
hun vaderhuizen
וְהִתְיַחְשָׂ֑ם
(vehityachsam)
en hun geslachtsregister
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die optrokken
עִמִּ֗י
(imi)
met mij
בְּמַלְכ֛וּת
(bemalkhut)
in de regering van
אַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא
(artachshaste)
Artachsasta
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִבָּבֶֽל
(mibavel)
uit Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

רָאשֵׁי אֲבֹתֵיהֶם (rashei avotehem), ‘hoofden van hun vaderhuizen’: de leiders van de families.

De lijst telt alleen de mannen (הַזְּכָרִים, hazzekharim).

Artachsasta is de Perzische koning onder wie Ezra optrok. Zie ook Ezra 7:1.

2Van de zonen van Pinechas: Gersjom. Van de zonen van Itamar: Daniël. Van de zonen van David: Chattusj.
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
פִֽינְחָס֙
(pinechas)
Pinechas
גֵּֽרְשֹׁ֔ם
(gereshom)
Gersjom
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
אִיתָמָ֖ר
(itamar)
Itamar
דָּנִיֵּ֑אל
(daniyel)
Daniël
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
דָוִ֖יד
(david)
David
חַטּֽוּשׁ
(chatush)
Chattusj
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Van de zonen van Sjekanja. Van de zonen van Parosj: Zacharia. Met hem werden 150 mannen in het geslachtsregister ingeschreven.
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
שְׁכַנְיָ֔ה
(shekhanya)
Sjekanja
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
פַרְעֹ֖שׁ
(parosh)
Parosj
זְכַרְיָ֑ה
(zekharya)
Zacharia
וְעִמּ֛וֹ
(veimo)
en met hem
הִתְיַחֵ֥שׂ
(hityaches)
werden ingeschreven
לִזְכָרִ֖ים
(lizkharim)
naar de mannen
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וַחֲמִשִּֽׁים
(vachamishim)
en vijftig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Hebreeuwse tekst heeft hier ‘van de zonen van Sjekanja’ zonder verdere naam, en daarna ‘van de zonen van Parosj: Zacharia’.

Wij vertalen letterlijk.

Vergelijk 1 Kron. 3:21–22, waar Chattusj een nakomeling van Sjekanja is.

4Van de zonen van Pachat-Moab: Eljoënai, de zoon van Zerachja. Met hem waren 200 mannen.
מִבְּנֵי֙
(mibenei)
van de zonen van
פַּחַ֣ת
(pachat)
Pachat
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
אֶלְיְהֽוֹעֵינַ֖י
(elyehoeinay)
Eljoënai
בֶּן
(ben)
zoon van
זְרַֽחְיָ֑ה
(zerachya)
Zerachja
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Van de zonen van Sjekanja: de zoon van Jachaziël. Met hem waren 300 mannen.
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
שְׁכַנְיָ֖ה
(shekhanya)
Sjekanja
בֶּן
(ben)
zoon van
יַחֲזִיאֵ֑ל
(yachaziel)
Jachaziël
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook hier heeft de Hebreeuwse tekst een familienaam (Sjekanja) en daarna ‘de zoon van Jachaziël’.

Wij vertalen letterlijk.

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Dit geldt ook voor vers 10: ‘van de zonen van Sjelomit, de zoon van Josifja’.

Zie ookEzra 8:10
6Van de zonen van Adin: Ebed, de zoon van Jonatan. Met hem waren 50 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
עָדִ֔ין
(adin)
Adin
עֶ֖בֶד
(eved)
Ebed
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹנָתָ֑ן
(yonatan)
Jonatan
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Van de zonen van Elam: Jesaja, de zoon van Atalja. Met hem waren 70 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
עֵילָ֔ם
(eilam)
Elam
יְשַֽׁעְיָ֖ה
(yeshaya)
Jesaja
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲתַלְיָ֑ה
(atalya)
Atalja
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Van de zonen van Sefatja: Zebadja, de zoon van Michaël. Met hem waren 80 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
שְׁפַטְיָ֔ה
(shefatya)
Sefatja
זְבַדְיָ֖ה
(zevadya)
Zebadja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִֽיכָאֵ֑ל
(mikhael)
Michaël
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
שְׁמֹנִ֥ים
(shemonim)
tachtig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Van de zonen van Joab: Obadja, de zoon van Jechiël. Met hem waren 218 mannen.
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
עֹבַדְיָ֖ה
(ovadya)
Obadja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְחִיאֵ֑ל
(yechiel)
Jechiël
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
מָאתַ֛יִם
(matayim)
tweehonderd
וּשְׁמֹנָ֥ה
(ushemona)
en acht
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Van de zonen van Sjelomit: de zoon van Josifja. Met hem waren 160 mannen.
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en van de zonen van
שְׁלוֹמִ֖ית
(shelomit)
Sjelomit
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹסִפְיָ֑ה
(yosifya)
Josifja
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְשִׁשִּׁ֖ים
(veshishim)
en zestig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Van de zonen van Bebai: Zacharia, de zoon van Bebai. Met hem waren 28 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
בֵבַ֔י
(bevay)
Bebai
זְכַרְיָ֖ה
(zekharya)
Zacharia
בֶּן
(ben)
zoon van
בֵּבָ֑י
(bevay)
Bebai
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וּשְׁמֹנָ֖ה
(ushemona)
en acht
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Van de zonen van Azgad: Johanan, de zoon van Hakkatan. Met hem waren 110 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
עַזְגָּ֔ד
(azgad)
Azgad
יוֹחָנָ֖ן
(yochanan)
Johanan
בֶּן
(ben)
zoon van
הַקָּטָ֑ן
(haqatan)
Hakkatan
וְעִמּ֕וֹ
(veimo)
en met hem
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וַעֲשָׂרָ֖ה
(vaasara)
en tien
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקָּטָן (haqqatan), ‘de kleine’ of ‘de jongste’: het is een naam of een bijnaam.

Wij schrijven het als naam.

13Van de zonen van Adonikam, de laatsten. Dit zijn hun namen: Elifelet, Jeïël en Sjemaja. Met hen waren 60 mannen.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
אֲדֹנִיקָם֮
(adoniqam)
Adonikam
אַחֲרֹנִים֒
(acharonim)
de laatsten
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמוֹתָ֔ם
(shemotam)
hun namen
אֱלִיפֶ֖לֶט
(elifelet)
Elifelet
יְעִיאֵ֣ל
(yeiel)
Jeïël
וּֽשְׁמַעְיָ֑ה
(ushemaya)
en Sjemaja
וְעִמָּהֶ֖ם
(veimahem)
en met hen
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחֲרֹנִים (acharonim), ‘laatsten’: waarschijnlijk de leden van deze familie die later optrokken.

De tekst zegt het niet.

14Van de zonen van Bigvai: Utai en Zakkur. Met hen waren 70 mannen.
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en van de zonen van
בִגְוַ֖י
(bigvay)
Bigvai
עוּתַ֣י
(utay)
Utai
וְזַכּ֑וּר
(vezakur)
en Zakkur
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
הַזְּכָרִֽים
(hazekharim)
de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters וזבוד (Zabbud).

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְזַכּוּר (Zakkur).

Wij volgen het qere.

Er ontbreken Levieten

15Ik verzamelde hen bij de rivier die naar Ahava stroomt. Daar sloegen wij drie dagen kamp. Ik lette op het volk en op de priesters. Maar van de zonen van Levi vond ik daar niemand.
וָֽאֶקְבְּצֵ֗ם
(vaeqbetsem)
en ik verzamelde hen
אֶל
(el)
bij
הַנָּהָר֙
(hanahar)
de rivier
הַבָּ֣א
(haba)
die komt
אֶֽל
(el)
naar
אַהֲוָ֔א
(ahava)
Ahava
וַנַּחֲנֶ֥ה
(vanachane)
en wij sloegen kamp
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
שְׁלֹשָׁ֑ה
(shelosha)
drie
וָאָבִ֤ינָה
(vaavina)
en ik lette op
בָעָם֙
(baam)
het volk
וּבַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(uvakohanim)
en de priesters
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en van de zonen van
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
לֹא
(lo)
niet
מָצָ֥אתִי
(matsati)
vond ik
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht.

De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel.

Uitleg

De rivier ‘die naar Ahava stroomt’ is waarschijnlijk een kanaal of waterloop in Babylonië.

De ligging is onzeker.

Ezra vindt onder het volk geen Levieten. Daarom stuurt hij bericht in de verzen 16–17.

16Toen zond ik bericht aan Eliëzer, Ariël, Sjemaja, Elnatan, Jarib, Elnatan, Natan, Zacharia en Mesjullam, de hoofden. Ook zond ik bericht aan Jojarib en Elnatan, de verstandige mannen.
וָאֶשְׁלְחָ֡ה
(vaeshlecha)
en ik zond bericht
לֶאֱלִיעֶ֡זֶר
(leeliezer)
aan Eliëzer
לַאֲרִיאֵ֡ל
(laariel)
aan Ariël
לִֽ֠שְׁמַעְיָה
(lishmaya)
aan Sjemaja
וּלְאֶלְנָתָ֨ן
(uleelnatan)
en aan Elnatan
וּלְיָרִ֜יב
(uleyariv)
en aan Jarib
וּלְאֶלְנָתָ֧ן
(uleelnatan)
en aan Elnatan
וּלְנָתָ֛ן
(ulenatan)
en aan Natan
וְלִזְכַרְיָ֥ה
(velizkharya)
en aan Zacharia
וְלִמְשֻׁלָּ֖ם
(velimshulam)
en aan Mesjullam
רָאשִׁ֑ים
(rashim)
hoofden
וּלְיוֹיָרִ֥יב
(uleyoyariv)
en aan Jojarib
וּלְאֶלְנָתָ֖ן
(uleelnatan)
en aan Elnatan
מְבִינִֽים
(mevinim)
verstandige mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er zijn negen mannen die ‘hoofden’ heten (Elnatan komt twee keer voor in de eerste rij).

Daarna volgen twee ‘verstandige mannen’ (מְבִינִים, mevinim): Jojarib en Elnatan.

Samen zijn het elf namen.

17Ik gaf hun een opdracht voor Iddo, het hoofd in de plaats Kasifja. Ik legde hun woorden in de mond om te spreken tot Iddo en zijn broers, de tempeldienaren, in de plaats Kasifja. Zij moesten dienstdoenden voor het huis van onze Elohim naar ons toe brengen.
וָאֲצַוֶּ֤ה
(vaatsave)
en ik gaf bevel
אוֹתָם֙
(otam)
hun
עַל
(al)
voor
אִדּ֣וֹ
(ido)
Iddo
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
het hoofd
בְּכָסִפְיָ֖א
(bekhasifya)
in Kasifja
הַמָּק֑וֹם
(hamaqom)
de plaats
וָאָשִׂימָה֩
(vaasima)
en ik legde
בְּפִיהֶ֨ם
(befihem)
in hun mond
דְּבָרִ֜ים
(devarim)
woorden
לְ֠דַבֵּר
(ledaber)
om te spreken
אֶל
(el)
tot
אִדּ֨וֹ
(ido)
Iddo
אָחִ֤יו
(achiv)
zijn broer
הַנְּתִינִים֙
(hanetinim)
de tempeldienaren
בְּכָסִפְיָ֣א
(bekhasifya)
in Kasifja
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
לְהָֽבִיא
(lehavi)
om te brengen
לָ֥נוּ
(lanu)
ons
מְשָׁרְתִ֖ים
(mesharetim)
dienstdoenden
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתִינִים (netinim), ‘tempeldienaren’: letterlijk ‘gegevenen’, mensen die aan het heiligdom waren gegeven voor de dienst.

Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2.

כָּסִפְיָא (Kasifja) is de naam van een plaats in Babylonië. De ligging is onbekend.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de letters ואוצאה (‘en ik bracht hen uit’).

De voorgelezen tekst (qere) heeft וָאֲצַוֶּה (va’atsavveh), ‘en ik gaf bevel’.

Wij volgen het qere.

18De goede hand van onze Elohim was over ons. Daarom brachten zij ons een man met inzicht, van de zonen van Machli, de zoon van Levi, de zoon van Israël. Ook brachten zij Sjerebja met zijn zonen en zijn broers, 18 man.
וַיָּבִ֨יאּוּ
(vayaviu)
en zij brachten
לָ֜נוּ
(lanu)
ons
כְּיַד
(keyad)
volgens de hand van
אֱלֹהֵ֨ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַטּוֹבָ֤ה
(hatova)
de goede
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
שֶׂ֔כֶל
(sekhel)
inzicht
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
מַחְלִ֔י
(machli)
Machli
בֶּן
(ben)
zoon van
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְשֵׁרֵֽבְיָ֛ה
(veshereveya)
en Sjerebja
וּבָנָ֥יו
(uvanav)
en zijn zonen
וְאֶחָ֖יו
(veechav)
en zijn broers
שְׁמֹנָ֥ה
(shemona)
acht
עָשָֽׂר
(asar)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ שֶׂכֶל (ish sekhel), ‘een man met inzicht’: een man die wijs en bekwaam is.

Israël is hier Jakob: Machli was een zoon van Merari, de zoon van Levi, de zoon van Jakob. Zie Gen. 46:11 en 1 Kron. 6:1 en 6:4.

19Ook brachten zij Chasjabja, en met hem Jesaja, van de zonen van Merari, met zijn broers en hun zonen: 20 man.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
וְאִתּ֥וֹ
(veito)
en met hem
יְשַֽׁעְיָ֖ה
(yeshaya)
Jesaja
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
מְרָרִ֑י
(merari)
Merari
אֶחָ֥יו
(echav)
zijn broers
וּבְנֵיהֶ֖ם
(uveneihem)
en hun zonen
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Ook kwamen er tempeldienaren, die David en de oversten hadden gegeven voor de dienst van de Levieten: 220 tempeldienaren. Zij werden allen bij name genoemd.
וּמִן
(umin)
en van
הַנְּתִינִ֗ים
(hanetinim)
de tempeldienaren
שֶׁנָּתַ֨ן
(shenatan)
die gaf
דָּוִ֤יד
(david)
David
וְהַשָּׂרִים֙
(vehasarim)
en de oversten
לַעֲבֹדַ֣ת
(laavodat)
voor de dienst van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
נְתִינִ֖ים
(netinim)
tempeldienaren
מָאתַ֣יִם
(matayim)
tweehonderd
וְעֶשְׂרִ֑ים
(veesrim)
en twintig
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
allen
נִקְּב֥וּ
(niqevu)
zijn aangewezen
בְשֵׁמֽוֹת
(beshemot)
bij namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie bij vers 17 voor de tempeldienaren.

David en de oversten hadden hen gegeven om de Levieten bij de dienst te helpen.

Vasten bij de rivier Ahava

21Daar, bij de rivier Ahava, riep ik een vasten uit. Wij wilden ons verootmoedigen voor het aangezicht van onze Elohim. Wij wilden bij Hem een rechte weg zoeken voor ons, voor onze kleine kinderen en voor al ons bezit.
וָאֶקְרָ֨א
(vaeqra)
en ik riep uit
שָׁ֥ם
(sham)
daar
צוֹם֙
(tsom)
een vasten
עַל
(al)
bij
הַנָּהָ֣ר
(hanahar)
de rivier
אַהֲוָ֔א
(ahava)
Ahava
לְהִתְעַנּ֖וֹת
(lehitanot)
om ons te verootmoedigen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְבַקֵּ֤שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
van Hem
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
een weg
יְשָׁרָ֔ה
(yeshara)
rechte
לָ֥נוּ
(lanu)
voor ons
וּלְטַפֵּ֖נוּ
(uletapenu)
en voor onze kleine kinderen
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor al
רְכוּשֵֽׁנוּ
(rekhushenu)
ons bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht.

De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel.

Uitleg

צוֹם (tsom), ‘vasten’: een tijd zonder eten, om je voor Elohim te verootmoedigen.

דֶּרֶךְ יְשָׁרָה (derekh yesharah), ‘een rechte weg’: een weg zonder gevaar. Het gaat om een veilige reis.

טַף (taf), ‘kleine kinderen’: de jongste kinderen van het gezin.

22Want ik schaamde mij om de koning te vragen om een leger en ruiters, die ons onderweg tegen de vijand zouden helpen. Wij hadden tegen de koning gezegd: „De hand van onze Elohim is ten goede over allen die Hem zoeken. Maar Zijn kracht en Zijn toorn komen over allen die Hem verlaten.”
כִּ֣י
(ki)
want
בֹ֗שְׁתִּי
(boshti)
ik schaamde mij
לִשְׁא֤וֹל
(lishol)
om te vragen
מִן
(min)
van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חַ֣יִל
(chayil)
een leger
וּפָרָשִׁ֔ים
(ufarashim)
en ruiters
לְעָזְרֵ֥נוּ
(leazerenu)
om ons te helpen
מֵאוֹיֵ֖ב
(meoyev)
tegen de vijand
בַּדָּ֑רֶךְ
(badarekh)
onderweg
כִּֽי
(ki)
want
אָמַ֨רְנוּ
(amarnu)
wij hadden gezegd
לַמֶּ֜לֶךְ
(lamelekh)
tegen de koning
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
יַד
(yad)
de hand van
אֱלֹהֵ֤ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עַל
(al)
is over
כָּל
(kal)
allen
מְבַקְשָׁיו֙
(mevaqshav)
die Hem zoeken
לְטוֹבָ֔ה
(letova)
ten goede
וְעֻזּ֣וֹ
(veuzo)
en Zijn kracht
וְאַפּ֔וֹ
(veapo)
en Zijn toorn
עַ֖ל
(al)
is over
כָּל
(kal)
allen
עֹזְבָֽיו
(ozevav)
die Hem verlaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ezra noemt zelf de reden: zij hadden tegen de koning gezegd dat de hand van Elohim ten goede is over wie Hem zoeken.

Dit verslag zegt niet meer.

23Wij vastten en vroegen onze Elohim hierom. En Hij liet Zich door ons verbidden.
וַנָּצ֛וּמָה
(vanatsuma)
en wij vastten
וַנְּבַקְשָׁ֥ה
(vanevaqsha)
en wij vroegen
מֵאֱלֹהֵ֖ינוּ
(meeloheinu)
van onze Elohim
עַל
(al)
over
זֹ֑את
(zot)
dit
וַיֵּעָתֵ֖ר
(vayeater)
en Hij liet Zich verbidden
לָֽנוּ
(lanu)
door ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De gaven voor het huis van Elohim

24Ik zonderde twaalf van de oversten van de priesters af: Sjerebja, Chasjabja en tien van hun broers met hen.
וָאַבְדִּ֛ילָה
(vaavdila)
en ik zonderde af
מִשָּׂרֵ֥י
(misarei)
van de oversten van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
שְׁנֵ֣ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֑ר
(asar)
tien
לְשֵׁרֵֽבְיָ֣ה
(leshereveya)
voor Sjerebja
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
וְעִמָּהֶ֥ם
(veimahem)
en met hen
מֵאֲחֵיהֶ֖ם
(meacheihem)
van hun broers
עֲשָׂרָֽה
(asara)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ik woog voor hen het zilver, het goud en de voorwerpen af. Dat was de heffing voor het huis van onze Elohim. De koning, zijn raadgevers, zijn oversten en heel Israël, voor zover aanwezig, hadden die geheven.
וָאֶשְׁקֳלָ֣ה
(vaeshqola)
en ik woog
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֥סֶף
(hakesef)
het zilver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזָּהָ֖ב
(hazahav)
het goud
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֵּלִ֑ים
(hakelim)
de voorwerpen
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַהֵרִ֨ימוּ֙
(haherimu)
die hadden geheven
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְיֹעֲצָ֣יו
(veyoatsav)
en zijn raadgevers
וְשָׂרָ֔יו
(vesarav)
en zijn oversten
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הַנִּמְצָאִֽים
(hanimtsaim)
de aanwezigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: een gave die wordt opgeheven en afgezonderd voor Elohim.

26Ik woog hun 650 talenten zilver af. Ook woog ik zilveren voorwerpen af ter waarde van 100 talenten, en 100 talenten goud.
וָאֶשְׁקֲלָ֨ה
(vaeshqala)
en ik woog
עַל
(al)
in
יָדָ֜ם
(yadam)
hun hand
כֶּ֗סֶף
(kesef)
zilver
כִּכָּרִים֙
(kikarim)
talenten
שֵֽׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
וַחֲמִשִּׁ֔ים
(vachamishim)
en vijftig
וּכְלֵי
(ukhelei)
en voorwerpen van
כֶ֥סֶף
(kesef)
zilver
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
לְכִכָּרִ֑ים
(lekhikarim)
in talenten
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
כִכָּֽר
(kikar)
talent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּכָּר (kikkar), ‘talent’: een talent is ongeveer 34 kilogram. 650 talenten zilver zijn ongeveer 22 ton. 100 talenten zijn ongeveer 3,4 ton.

De omrekeningen zijn bij benadering.

לְכִכָּרִים (lekikkarim), ‘in talenten’: de waarde van de zilveren voorwerpen is 100 talenten.

27Ook woog ik twintig gouden schalen af, voor 1.000 darieken. En twee voorwerpen van goed, glanzend koper, kostbaar als goud.
וּכְפֹרֵ֤י
(ukheforei)
en schalen van
זָהָב֙
(zahav)
goud
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
לַאֲדַרְכֹנִ֖ים
(laadarkhonim)
voor darieken
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וּכְלֵ֨י
(ukhelei)
en voorwerpen van
נְחֹ֜שֶׁת
(nechoshet)
koper
מֻצְהָ֤ב
(mutshav)
glanzend
טוֹבָה֙
(tova)
goed
שְׁנַ֔יִם
(shenayim)
twee
חֲמוּדֹ֖ת
(chamudot)
kostbaar
כַּזָּהָֽב
(kazahav)
als goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדַרְכֹּנִים (adarkonim), ‘darieken’: een Perzische gouden munt.

Een dariek is ongeveer 8,4 gram.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor 1.000 darieken’; of dat de waarde of het gewicht is, zegt de tekst niet.

De omrekening is bij benadering.

מֻצְהָב (mutsahav), ‘glanzend’: het woord komt alleen hier voor.

Zie ookKlaagl 4:2
28Ik zei tegen hen: „Jullie zijn heilig voor Yahweh en de voorwerpen zijn heilig. Het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave aan Yahweh, de Elohim van jullie vaders.
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en ik zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
קֹ֨דֶשׁ֙
(qodesh)
heilig
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהַכֵּלִ֖ים
(vehakelim)
en de voorwerpen
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heilig
וְהַכֶּ֤סֶף
(vehakesef)
en het zilver
וְהַזָּהָב֙
(vehazahav)
en het goud
נְדָבָ֔ה
(nedava)
vrijwillige gave
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ (qodesh), ‘heilig’: afgezonderd voor Yahweh.

Mensen en voorwerpen zijn heilig doordat zij voor Hem zijn afgezonderd.

29Wees waakzaam en bewaak het, tot jullie het afwegen in Jeruzalem, in de kamers van het huis van Yahweh. Doe dat voor de oversten van de priesters, de Levieten en de oversten van de families van Israël.”
שִׁקְד֣וּ
(shiqdu)
wees waakzaam
וְשִׁמְר֗וּ
(veshimru)
en bewaak
עַֽד
(ad)
tot
תִּשְׁקְל֡וּ
(tishqelu)
jullie weegt
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
שָׂרֵ֨י
(sarei)
de oversten van
הַכֹּהֲנִ֧ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֛ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְשָׂרֵֽי
(vesarei)
en de oversten van
הָאָב֥וֹת
(haavot)
de families
לְיִשְׂרָאֵ֖ל
(leyisrael)
van Israël
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הַלִּשְׁכ֖וֹת
(halishkhot)
de kamers van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לִשְׁכוֹת (lishkot), ‘kamers’: bijgebouwen bij het huis van Yahweh, waar voorraden en kostbare voorwerpen werden bewaard.

30De priesters en de Levieten namen het gewogen zilver, het goud en de voorwerpen in ontvangst. Zij moesten het naar Jeruzalem brengen, naar het huis van onze Elohim.
וְקִבְּלוּ֙
(veqibelu)
en ontvingen
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מִשְׁקַ֛ל
(mishqal)
het gewicht van
הַכֶּ֥סֶף
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָ֖ב
(vehazahav)
en het goud
וְהַכֵּלִ֑ים
(vehakelim)
en de voorwerpen
לְהָבִ֥יא
(lehavi)
om te brengen
לִירוּשָׁלִַ֖ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

De reis naar Jeruzalem

31Wij braken op van de rivier Ahava op de twaalfde van de eerste maand, om naar Jeruzalem te gaan. De hand van onze Elohim was over ons. Hij bevrijdde ons uit de greep van de vijand en van wie ons onderweg opwachtte.
וַֽנִּסְעָ֞ה
(vanisa)
en wij braken op
מִנְּהַ֣ר
(minehar)
van de rivier
אַֽהֲוָ֗א
(ahava)
Ahava
בִּשְׁנֵ֤ים
(bishneim)
op twee
עָשָׂר֙
(asar)
tien
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וְיַד
(veyad)
en de hand van
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
וַיַּ֨צִּילֵ֔נוּ
(vayatsilenu)
en Hij bevrijdde ons
מִכַּ֥ף
(mikaf)
uit de greep van
אוֹיֵ֛ב
(oyev)
vijand
וְאוֹרֵ֖ב
(veorev)
en hinderlaag
עַל
(al)
op
הַדָּֽרֶךְ
(hadarekh)
de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ahava (rivier of kanaal; ligging onzeker): Ahava is een rivier of kanaal in Babylonië, waar Ezra de ballingen verzamelde voor de terugtocht.

De precieze plaats is niet bekend; hier staat een gok bij Babel.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De twaalfde van de eerste maand is de dag waarop zij van de rivier Ahava vertrokken.

Zij waren daarvoor al bij de rivier gebleven (vers 15).

Zie ook Ezra 7:9.

הִצִּיל (hitsil), ‘bevrijden’: Elohim bevrijdde hen van overvallers onderweg.

32Wij kwamen in Jeruzalem aan en bleven daar drie dagen.
וַנָּב֖וֹא
(vanavo)
en wij kwamen
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַנֵּ֥שֶׁב
(vaneshev)
en wij bleven
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
שְׁלֹשָֽׁה
(shelosha)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Het afwegen en de offers

33Op de vierde dag werden het zilver, het goud en de voorwerpen gewogen, in het huis van onze Elohim. Dat gebeurde onder leiding van Meremot, de zoon van Uria, de priester. Eleazar, de zoon van Pinechas, was bij hem. Bij hen waren Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnoei, de Levieten.
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הָרְבִיעִ֡י
(harevii)
de vierde
נִשְׁקַ֣ל
(nishqal)
werd gewogen
הַכֶּסֶף֩
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָ֨ב
(vehazahav)
en het goud
וְהַכֵּלִ֜ים
(vehakelim)
en de voorwerpen
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עַ֠ל
(al)
onder
יַד
(yad)
de hand van
מְרֵמ֤וֹת
(meremot)
Meremot
בֶּן
(ben)
zoon van
אֽוּרִיָּה֙
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְעִמּ֖וֹ
(veimo)
en met hem
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
פִּֽינְחָ֑ס
(pinechas)
Pinechas
וְעִמָּהֶ֞ם
(veimahem)
en met hen
יוֹזָבָ֧ד
(yozavad)
Jozabad
בֶּן
(ben)
zoon van
יֵשׁ֛וּעַ
(yeshua)
Jesua
וְנֽוֹעַדְיָ֥ה
(venoadya)
en Noadja
בֶן
(ben)
zoon van
בִּנּ֖וּי
(binuy)
Binnoei
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vierde dag is de vierde dag na hun aankomst (vers 32).

34Alles werd geteld en gewogen. Al het gewicht werd in die tijd opgeschreven.
בְּמִסְפָּ֥ר
(bemispar)
in aantal
בְּמִשְׁקָ֖ל
(bemishqal)
in gewicht
לַכֹּ֑ל
(lakol)
voor alles
וַיִּכָּתֵ֥ב
(vayikatev)
en werd opgeschreven
כָּֽל
(kal)
al
הַמִּשְׁקָ֖ל
(hamishqal)
het gewicht
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִֽיא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35De zonen van de ballingschap, zij die uit de gevangenschap waren gekomen, brachten brandoffers aan de Elohim van Israël. Zij brachten 12 stieren voor heel Israël, 96 rammen, 77 lammeren en 12 bokken als zondoffer. Dit alles was een brandoffer voor Yahweh.
הַ֠בָּאִים
(habaim)
zij die kwamen
מֵֽהַשְּׁבִ֨י
(mehashevi)
uit de gevangenschap
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
הַגּוֹלָ֜ה
(hagola)
de ballingschap
הִקְרִ֥יבוּ
(hiqrivu)
brachten
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers
לֵאלֹהֵ֣י
(lelohei)
aan de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
פָּרִ֨ים
(parim)
stieren
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֤ר
(asar)
tien
עַל
(al)
voor
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֵילִ֣ים
(eilim)
rammen
תִּשְׁעִ֣ים
(tishim)
negentig
וְשִׁשָּׁ֗ה
(veshisha)
en zes
כְּבָשִׂים֙
(kevasim)
lammeren
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
וְשִׁבְעָ֔ה
(veshiva)
en zeven
צְפִירֵ֥י
(tsefirei)
bokken van
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
שְׁנֵ֣ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֑ר
(asar)
tien
הַכֹּ֖ל
(hakol)
alles
עוֹלָ֥ה
(ola)
brandoffer
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getallen horen bij Israël als geheel: 12 stieren voor de twaalf stammen.

Samen zijn het 12 stieren, 96 rammen, 77 lammeren en 12 bokken: 197 dieren.

De bokken zijn voor het zondoffer, de andere dieren voor het brandoffer; vers 35 noemt alles samen een brandoffer.

36Zij gaven de bevelen van de koning aan de satrapen van de koning en aan de landvoogden van het gebied over de rivier. Dezen steunden het volk en het huis van Elohim.
וַֽיִּתְּנ֣וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
דָּתֵ֣י
(datei)
de bevelen van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַאֲחַשְׁדַּרְפְּנֵי֙
(laachashdarpenei)
aan de satrapen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּפַחֲו֖וֹת
(ufachavot)
en de landvoogden van
עֵ֣בֶר
(ever)
gebied over
הַנָּהָ֑ר
(hanahar)
de rivier
וְנִשְּׂא֥וּ
(veniseu)
en zij steunden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּֽית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּתֵי הַמֶּלֶךְ (datei hamelekh), ‘bevelen van de koning’: wetten of bevelen met koninklijk gezag.

אֲחַשְׁדַּרְפְּנִים (achashdarpenim), ‘satrapen’: Perzische hoge bestuurders over een groot gebied.

פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’: bestuurders van kleinere gebieden.

עֵבֶר הַנָּהָר (ever hannahar), ‘het gebied over de rivier’: het gebied ten westen van de Eufraat.

נִשְּׂאוּ (nissu), ‘steunden’: letterlijk ‘zij droegen’.