Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het vuur uit de hemel
1Toen Salomo klaar was met bidden, kwam het vuur neer uit de hemel. Het verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van Yahweh vulde het huis.
וּכְכַלּ֤וֹת
(ukhekhalot)
en toen klaar was
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
לְהִתְפַּלֵּ֔ל
(lehitpalel)
met bidden
וְהָאֵ֗שׁ
(vehaesh)
en het vuur
יָֽרְדָה֙
(yareda)
kwam neer
מֵֽהַשָּׁמַ֔יִם
(mehashamayim)
uit de hemel
וַתֹּ֥אכַל
(vatokhal)
en verteerde
הָעֹלָ֖ה
(haola)
het brandoffer
וְהַזְּבָחִ֑ים
(vehazevachim)
en de slachtoffers
וּכְב֥וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מָלֵ֥א
(male)
vulde
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verzen 1–3 staan niet in 1 Kon. 8.
De verzen 4–10 lopen parallel met 1 Kon. 8:62–66 en de verzen 11–22 met 1 Kon. 9:1–9.
אֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם (esh min hashamayim), ‘vuur uit de hemel’: Yahweh antwoordt met vuur, zoals in Lev. 9:24, 1 Kron. 21:26 en 1 Kon. 18:38. וַתֹּאכַל (vatokhal), ‘en verteerde’: letterlijk ‘en at’.
3Alle zonen van Israël zagen het vuur neerkomen en de heerlijkheid van Yahweh boven het huis. Zij knielden met hun gezicht naar de grond op het plaveisel en bogen zich neer. Zij dankten Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.’
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en heel
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
רֹאִים֙
(roim)
zagen
בְּרֶ֣דֶת
(beredet)
het neerkomen van
הָאֵ֔שׁ
(haesh)
het vuur
וּכְב֥וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיִּכְרְעוּ֩
(vayikhreu)
en zij knielden
אַפַּ֨יִם
(apayim)
met het gezicht
אַ֤רְצָה
(artsa)
naar de grond
עַל
(al)
op
הָרִֽצְפָה֙
(haritsfa)
het plaveisel
וַיִּֽשְׁתַּֽחֲו֔וּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
וְהוֹד֤וֹת
(vehodot)
en dankten
לַיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּ֣י
(ki)
dat
ט֔וֹב
(tov)
goed
כִּ֥י
(ki)
want
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִצְפָה (ritspah), ‘plaveisel’: een vloer van stenen.
Het refrein ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’ is hetzelfde als in 5:13 en in Ps. 136:1.
6De priesters stonden bij hun wachtdiensten. De Levieten stonden met de instrumenten voor het lied van Yahweh. Koning David had ze gemaakt om Yahweh te danken, want Zijn trouw is voor eeuwig, wanneer David Hem prees door hun handen. De priesters bliezen tegenover hen op trompetten. Heel Israël stond.
וְהַכֹּהֲנִ֞ים
(vehakohanim)
en de priesters
עַל
(al)
bij
מִשְׁמְרוֹתָ֣ם
(mishmerotam)
hun wachtdiensten
עֹמְדִ֗ים
(omedim)
staande
וְהַלְוִיִּ֞ם
(vehalviyim)
en de Levieten
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met de instrumenten van
שִׁ֤יר
(shir)
het lied van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָשָׂ֜ה
(asa)
maakte
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהֹד֤וֹת
(lehodot)
om te danken
לַיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּ֔וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
בְּהַלֵּ֥ל
(behalel)
bij het prijzen van
דָּוִ֖יד
(david)
David
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
door hun hand
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
מַחְצְרִ֣ים
(machtserim)
die op trompetten bliezen
נֶגְדָּ֔ם
(negdam)
tegenover hen
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עֹמְדִֽים
(omedim)
staande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמְרוֹת (mishmerot), ‘wachtdiensten’: de diensten waarin de priesters om beurten de wacht hielden.
בְּהַלֵּל דָּוִיד בְּיָדָם (behallel David beyadam), ‘terwijl David Hem prees door hun handen’: letterlijk ‘bij het prijzen van David in hun hand’. Het gaat om de lofzang die David voor de Levieten had ingesteld, met instrumenten die hij had laten maken (1 Kron. 16:4–7; 23:5; 25:1).
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is מחצצרים; de gelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’.
7Salomo heiligde het midden van de voorhof die vóór het huis van Yahweh lag. Want daar bracht hij de brandoffers en het vet van de vredeoffers. Het koperen altaar dat Salomo had gemaakt, kon het brandoffer, het graanoffer en het vet niet bevatten.
וַיְקַדֵּ֣שׁ
(vayqadesh)
en heiligde
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
תּ֤וֹךְ
(tokh)
het midden van
הֶֽחָצֵר֙
(hechatser)
de voorhof
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
עָ֤שָׂה
(asa)
bracht hij
שָׁם֙
(sham)
daar
הָֽעֹל֔וֹת
(haolot)
de brandoffers
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבֵ֣י
(chelvei)
het vet van
הַשְּׁלָמִ֑ים
(hashelamim)
de vredeoffers
כִּֽי
(ki)
want
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
het altaar van
הַנְּחֹ֨שֶׁת֙
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
לֹ֣א
(lo)
niet
יָכ֗וֹל
(yakhol)
kon
לְהָכִ֛יל
(lehakhil)
bevatten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָ֥ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֖ה
(hamincha)
het graanoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֲלָבִֽים
(hachalavim)
het vet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het koperen altaar is het brandofferaltaar dat Salomo had gemaakt (2 Kron. 4:1; vergelijk Exod. 27:1–8).
Het was te klein voor al die offers.
Daarom heiligde Salomo ook het midden van de voorhof.
8In die tijd hield Salomo het feest, zeven dagen, en heel Israël met hem. Het was een zeer grote vergadering, van de ingang van Chamat tot de beek van Egypte.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hield
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֠חָג
(hechag)
het feest
בָּעֵ֨ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֜יא
(hahi)
die
שִׁבְעַ֤ת
(shivat)
zeven
יָמִים֙
(yamim)
dagen
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
קָהָ֖ל
(qahal)
een vergadering
גָּד֣וֹל
(gadol)
grote
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
מִלְּב֥וֹא
(milevo)
van de ingang van
חֲמָ֖ת
(chamat)
Chamat
עַד
(ad)
tot
נַ֥חַל
(nachal)
de beek van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama in Syrië.
‘De ingang van Chamat’ is de noordgrens van het land (Num. 34:8).
De ‘beek van Egypte’ (נַחַל מִצְרַיִם) is waarschijnlijk de Wadi el-Arish in het noorden van de Sinaï (Egypte); de ligging is niet zeker.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï.
Dit is de zuidwestgrens van het land.
Uitleg
1 Kon. 8:65 zegt: ‘zeven dagen en nog zeven dagen, 14 dagen’.
Hier staat ‘zeven dagen’ voor het feest, en vers 9 noemt de inwijding van het altaar apart.
10Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde hij het volk naar hun tenten. Ze waren blij en hadden een goed hart om het goede dat Yahweh aan David, aan Salomo en aan Zijn volk Israël had gedaan.
וּבְי֨וֹם
(uveyom)
en op de dag
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וּשְׁלֹשָׁה֙
(ushelosha)
en drie
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
שִׁלַּ֥ח
(shilach)
stuurde hij weg
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לְאָהֳלֵיהֶ֑ם
(leaholeihem)
naar hun tenten
שְׂמֵחִים֙
(semechim)
blij
וְט֣וֹבֵי
(vetovei)
en goed van
לֵ֔ב
(lev)
hart
עַל
(al)
over
הַטּוֹבָ֗ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשָׂ֤ה
(asa)
deed
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֣יד
(ledavid)
aan David
וְלִשְׁלֹמֹ֔ה
(velishlomo)
en aan Salomo
וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל
(uleyisrael)
en aan Israël
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Rekenen wij door vanaf het feest van de hutten (Lev. 23:34, 36), dan is de achtste dag van vers 9 de 22e dag van de zevende maand.
Salomo stuurde het volk dan de dag daarna weg. 1 Kon. 8:66 zegt dat hij het volk ‘op de achtste dag’ wegstuurde.
11Zo voltooide Salomo het huis van Yahweh en het huis van de koning. Alles wat Salomo in zijn hart had om te maken in het huis van Yahweh en in zijn eigen huis, daarin slaagde hij.
וַיְכַ֧ל
(vaykhal)
en voltooide
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
הַבָּ֜א
(haba)
wat kwam
עַל
(al)
in
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
לַעֲשׂ֧וֹת
(laasot)
om te maken
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְבֵית֖וֹ
(uveveito)
en in zijn huis
הִצְלִֽיחַ
(hitsliach)
liet hij slagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Yahweh verscheen in de nacht aan Salomo en zei tegen hem: „Ik heb je gebed gehoord. Ik heb deze plaats voor Mij gekozen als huis voor slachtoffers.
וַיֵּרָ֧א
(vayera)
en verscheen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
aan
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
בַּלָּ֑יְלָה
(balayela)
in de nacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתֶ֔ךָ
(tefilatekha)
je gebed
וּבָחַ֜רְתִּי
(uvacharti)
en Ik heb gekozen
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
de plaats
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
לִ֖י
(li)
voor Mij
לְבֵ֥ית
(leveit)
als huis van
זָֽבַח
(zavach)
slachtoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Yahweh verscheen eerder aan Salomo in Gibeon (2 Kron. 1:7–12; 1 Kon. 3:5).
Vanaf hier loopt de tekst parallel met 1 Kon. 9:2–9, maar de verzen 13–15 staan daar niet.
בֵּית זָבַח (bet zavach), ‘huis voor slachtoffers’: letterlijk ‘huis van slachting’; de plaats waar slachtoffers worden gebracht.
Yahweh spreekt hier zelf; daarom staan de verzen 12–22 in rood. Aanhalingen binnen Zijn toespraak (verzen 18, 21 en 22) staan tussen enkele aanhalingstekens.
13Wanneer Ik de hemel sluit, zodat er geen regen valt, wanneer Ik de veldsprinkhaan opdracht geef het land op te eten, of wanneer Ik pest onder Mijn volk stuur,
הֵ֣ן
(hen)
zie
אֶֽעֱצֹ֤ר
(eetsor)
Ik sluit
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
מָטָ֔ר
(matar)
regen
וְהֵן
(vehen)
en zie
אֲצַוֶּ֥ה
(atsave)
Ik gebied
עַל
(al)
aan
חָגָ֖ב
(chagav)
de veldsprinkhaan
לֶאֱכ֣וֹל
(leekhol)
om te eten
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְאִם
(veim)
en als
אֲשַׁלַּ֥ח
(ashalach)
Ik stuur
דֶּ֖בֶר
(dever)
pest
בְּעַמִּֽי
(beami)
onder Mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָגָב (chagav), ‘veldsprinkhaan’: een ander woord dan אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’ in 6:28 (vergelijk Lev. 11:22).
Voor de gesloten hemel, vergelijk Deut. 11:17 en 28:23–24.
14en Mijn volk, waarover Mijn naam is uitgeroepen, zich verootmoedigt, bidt, Mijn aangezicht zoekt en zich afkeert van zijn slechte wegen. Dan zal Ik vanuit de hemel luisteren, hun zonde vergeven en hun land genezen.
וְיִכָּנְע֨וּ
(veyikaneu)
en zich verootmoedigen
עַמִּ֜י
(ami)
Mijn volk
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarover
נִֽקְרָא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֣י
(shemi)
Mijn naam
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
וְיִֽתְפַּֽלְלוּ֙
(veyitpallu)
en bidden
וִֽיבַקְשׁ֣וּ
(vivaqshu)
en zoeken
פָנַ֔י
(panay)
Mijn aangezicht
וְיָשֻׁ֖בוּ
(veyashuvu)
en zich afkeren
מִדַּרְכֵיהֶ֣ם
(midarkheihem)
van hun wegen
הָרָעִ֑ים
(haraim)
de slechte
וַאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֶשְׁמַ֣ע
(eshma)
zal luisteren
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶסְלַח֙
(veeslach)
en vergeven
לְחַטָּאתָ֔ם
(lechatatam)
hun zonde
וְאֶרְפָּ֖א
(veerpa)
en genezen
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָֽם
(artsam)
hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּנַע (kana), ‘zich verootmoedigen’: zich klein maken, zich buigen.
‘Mijn naam is over hen uitgeroepen’: zoals in 6:33.
17En jij, als je voor Mijn aangezicht gaat zoals je vader David is gegaan, en alles doet wat Ik je geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels bewaart,
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
אִם
(im)
als
תֵּלֵ֣ךְ
(telekh)
je gaat
לְפָנַ֗י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
הָלַךְ֙
(halakh)
is gegaan
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
וְלַעֲשׂ֕וֹת
(velaasot)
en om te doen
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוִּיתִ֑יךָ
(tsivitikha)
Ik je geboden heb
וְחֻקַּ֥י
(vechuqay)
en Mijn voorschriften
וּמִשְׁפָּטַ֖י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
תִּשְׁמֽוֹר
(tishmor)
bewaart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18dan zal Ik de troon van je koningschap laten bestaan. Zo heb Ik met je vader David een verbond gesloten, toen Ik zei: ‘Er zal voor jou niemand worden afgesneden die heerst in Israël.’
וַהֲקִ֣ימוֹתִ֔י
(vahaqimoti)
en dan zal Ik laten bestaan
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
מַלְכוּתֶ֑ךָ
(malkhutekha)
je koningschap
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
כָּרַ֗תִּי
(karati)
Ik heb gesloten
לְדָוִ֤יד
(ledavid)
met David
אָבִ֨יךָ֙
(avikha)
je vader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֤ת
(yikaret)
zal afgesneden worden
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מוֹשֵׁ֖ל
(moshel)
heersend
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּרַתִּי (karati), ‘Ik heb gesloten’: letterlijk ‘Ik heb gesneden’.
Het woord ‘verbond’ staat niet in de tekst.
Wij vullen het aan, omdat ‘een verbond snijden’ de gewone uitdrukking is (Gen. 15:18). 1 Kon. 9:5 heeft hier דִּבַּרְתִּי (dibbarti), ‘Ik heb gesproken’.
19Maar als jullie je afkeren en Mijn voorschriften en Mijn geboden verlaten, die Ik jullie voorgehouden heb, en andere goden gaan dienen en je voor hen neerbuigen,
וְאִם
(veim)
en als
תְּשׁוּב֣וּן
(teshuvun)
jullie je afkeren
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
וַעֲזַבְתֶּם֙
(vaazavtem)
en verlaten
חֻקּוֹתַ֣י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
וּמִצְוֺתַ֔י
(umitsvotay)
en Mijn geboden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb voorgehouden
לִפְנֵיכֶ֑ם
(lifneikhem)
voor jullie aangezicht
וַהֲלַכְתֶּ֗ם
(vahalakhtem)
en gaan
וַעֲבַדְתֶּם֙
(vaavadtem)
en dienen
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶ֖ם
(vehishtachavitem)
en je neerbuigen
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier staat het Hebreeuws in het meervoud (‘jullie’): Yahweh spreekt nu niet meer tot Salomo alleen, maar ook tot zijn zonen en het volk.
20dan zal Ik hen uitrukken uit Mijn grond die Ik hun gegeven heb. Het huis dat Ik voor Mijn naam geheiligd heb, werp Ik weg van Mijn aangezicht. Ik maak het tot een spreekwoord en een voorwerp van spot onder alle volken.
וּנְתַשְׁתִּ֗ים
(unetashtim)
en dan zal Ik hen uitrukken
מֵעַ֤ל
(meal)
van
אַדְמָתִי֙
(admati)
Mijn grond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִקְדַּ֣שְׁתִּי
(hiqdashti)
Ik heb geheiligd
לִשְׁמִ֔י
(lishmi)
voor Mijn naam
אַשְׁלִ֖יךְ
(ashlikh)
werp Ik weg
מֵעַ֣ל
(meal)
van
פָּנָ֑י
(panay)
Mijn aangezicht
וְאֶתְּנֶ֛נּוּ
(veetenenu)
en Ik maak het
לְמָשָׁ֥ל
(lemashal)
tot een spreekwoord
וְלִשְׁנִינָ֖ה
(velishnina)
en een voorwerp van spot
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָתַשׁ (natash), ‘uitrukken’: zoals een plant uit de grond wordt gerukt; vergelijk Deut. 29:27.
In 1 Kon. 9:7 staat hier een ander werkwoord, ‘afsnijden’.
22Dan zal men zeggen: ‘Omdat zij Yahweh, de Elohim van hun vaders, hebben verlaten, die hen uit het land Egypte heeft geleid. Zij hielden vast aan andere goden, bogen zich voor hen neer en dienden hen. Daarom heeft Hij al dit onheil over hen gebracht.’”
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en men zal zeggen
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָֽזְב֜וּ
(azevu)
zij hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתֵיהֶ֗ם
(avoteihem)
hun vaders
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הוֹצִיאָם֮
(hotsiam)
hen uitleidde
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
וַֽיַּחֲזִ֨יקוּ֙
(vayachaziqu)
en zij hielden vast
בֵּאלֹהִ֣ים
(bElohim)
aan goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּשְׁתַּחֲו֥וּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וַיַּֽעַבְד֑וּם
(vayaavdum)
en dienden hen
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
הֵבִ֣יא
(hevi)
heeft Hij gebracht
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Het onderwerp van ‘heeft gebracht’ is Yahweh. 1 Kon. 9:9 noemt Hem hier bij naam.