Efeziërs 5
Navolgers van Elohim, kinderen van het licht, vervuld met de Geest, mannen en vrouwen en het geheimenis van de Messias en de gemeente
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wandelen in liefde
μιμητής (mimetes), ‘navolger’: iemand die een voorbeeld volgt. ἀγαπητά (agapeta), ‘geliefd’.
In de verzen 1–2 loopt de gedachte van 4:32 (‘zoals ook Elohim … vergeven heeft’) door.
Zie ook Ef. 4:32.
περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zie 4:1. προσφορά (prosfora), ‘gave’; θυσία (thysia), ‘slachtoffer’. ὀσμὴ εὐωδίας (osme euodias), ‘aangename geur’: de uitdrukking uit de offerwet, bijvoorbeeld Lev. 1:9.
De SBLGNT markeert twee varianten, bij ἡμᾶς en ἡμῶν.
Zie ook Lev. 1:9.
Niet met ontucht en hebzucht
πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele immoraliteit in het algemeen. ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’; πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’: altijd meer willen hebben.
‘Zelfs niet genoemd’: er zelfs niet over spreken alsof het gewoon is. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: zie 1:1.
De SBLGNT markeert bij ‘ἀκαθαρσία πᾶσα’ een variant.
Zie ook Ef. 1:1; Ef. 4:19.
αἰσχρότης (aischrotes), ‘schandelijkheid’; μωρολογία (morologia), ‘dwaze praat’; εὐτραπελία (eutrapelia), ‘scherts’: het woord kon ook ‘gevat gepraat’ betekenen.
De SBLGNT markeert hier een variant.
ἴστε γινώσκοντες (iste ginoskontes): twee vormen van ‘weten’ naast elkaar, ‘jullie weten, kennend’; het Griekse ἴστε kan ook een gebod zijn (‘weet dit’).
De SBLGNT markeert bij ἴστε en bij ὅ een variant. εἰδωλολάτρης (eidololatres), ‘afgodendienaar’.
In het Grieks staat één lidwoord voor ‘Messias en Elohim’: ‘het koninkrijk van de Messias en van Elohim’.
Vergelijk Gal. 5:19–21.
Zie ook Gal. 5:19.
ἀπατάω (apatao), ‘misleiden’. ὀργή (orge), ‘toorn’. υἱοὶ τῆς ἀπειθείας (huioi tes apeitheias), ‘zonen van de ongehoorzaamheid’: zie 2:2.
Zie ook Ef. 2:2.
συμμέτοχος (symmetochos), ‘deelgenoot’: wie met anderen aan iets meedoet.
Vergelijk 3:6, waar hetzelfde woord ‘medegenoten van de belofte’ geeft.
Zie ook Ef. 3:6.
Kinderen van het licht
σκότος (skotos), ‘duisternis’; φῶς (fos), ‘licht’. τέκνα φωτός (tekna fotos), ‘kinderen van het licht’: mensen die tot het licht horen.
καρπός (karpos), ‘vrucht’: zie Gal. 5:22–23. ἀγαθωσύνη (agathosyne), ‘goedheid’.
De SBLGNT markeert bij φωτός een variant.
Zie ook Gal. 5:22.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘toetsen’: onderzoeken en goedkeuren, zoals een metaal. εὐάρεστος (euarestos), ‘welgevallig’.
κρυφῇ (krufe), ‘in het verborgen’. αἰσχρόν (aischron), ‘schandelijk, beschamend’.
φανερόω (fanerooo), ‘openbaar maken’: zichtbaar maken.
De verzen 13–14 zijn in het Grieks moeilijk te volgen; wij houden de Griekse volgorde.
φανερούμενον (faneroumenon) kan lijdend zijn (‘wat openbaar gemaakt wordt’) of een middelvorm (‘wat zichtbaar wordt’).
De woorden tussen aanhalingstekens worden ingeleid met ‘wordt gezegd’ (λέγει): het Grieks noemt geen onderwerp en geen vindplaats; ze worden zonder vermelding van een bron aangehaald. ἐπιφαύσκω (epifausko), ‘schijnen over, licht geven’.
Het citaat staat zwart.
Wijs wandelen, vervuld met de Geest
ἀκριβῶς (akribos), ‘nauwkeurig’. σοφός (sofos), ‘wijs’; ἄσοφος (asofos), ‘onwijs’.
De SBLGNT markeert de woordvolgorde ‘nauwkeurig hoe’ als variant.
ἄφρων (afron), ‘onverstandig’. συνίημι (syniemi), ‘begrijpen’.
De SBLGNT markeert bij συνίετε een variant.
μεθύσκομαι (methyskomai), ‘dronken worden’. ἀσωτία (asotia), ‘bandeloosheid’: een leven zonder maat. πληρόω (pleroo), ‘vervullen’: zie 1:23. ἐν πνεύματι (en pneumati), ‘met de Geest’: wij schrijven ‘Geest’ met hoofdletter; ἐν kan ook ‘in’ of ‘door’ betekenen.
De verzen 19–21 hangen in het Grieks als bijzinnen aan ‘word vervuld’.
Zie ook Ef. 1:23.
ψαλμός (psalmos), ‘psalm’; ὕμνος (hymnos), ‘lofzang’; ᾠδή (ode), ‘lied’. ψάλλω (psallo), ‘een snaarinstrument bespelen’, ook ‘psalmen zingen’.
‘Geestelijke liederen’ (ᾠδαὶ πνευματικαί): liederen die door de Geest gegeven worden.
De SBLGNT markeert twee varianten, bij ἑαυτοῖς en ψάλλοντες.
Vergelijk Kol. 3:16.
Zie ook Kol. 3:16.
εὐχαριστέω (eucharisteo), ‘danken’.
‘In de naam van onze Heer Yeshua de Messias’: in Zijn naam.
Onderschikt aan elkaar
ὑποτάσσω (hypotasso), ‘zich onderschikken’: zich onder een ander plaatsen, in een rangorde.
Wij gebruiken dit woord ook in de verzen 22 en 24 (zie 1:22).
Dit vers is het slot van de reeks verzen 18–21 en wordt in het Grieks met een deelwoord aangesloten; het begint ook het gedeelte over de huishouding (5:22–6:9). φόβος (fobos), ‘ontzag, vrees’: ‘in ontzag voor de Messias’.
Zie ook Ef. 1:22; Kol. 3:18.
Vrouwen en mannen
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord: ‘de vrouwen aan hun eigen mannen, als aan de Heer’.
Het werkwoord volgt uit ‘zich onderschikken’ in vers 21; wij vullen het aan (‘onderschik jullie’).
De SBLGNT markeert bij ἀνδράσιν een variant.
Vergelijk Kol. 3:18.
Zie ook Ef. 5:21; Kol. 3:18.
κεφαλή (kefale), ‘hoofd’: het Griekse woord kan ook ‘bron, oorsprong’ betekenen, zoals in 1 Kor. 11:3; wat Paulus hier bedoelt, wordt verschillend verstaan. σωτήρ (soter), ‘Redder’.
De SBLGNT markeert bij αὐτός een variant.
Zie ook Ef. 1:22; 1 Kor. 11:3.
ὑποτάσσεται (hypotassetai), ‘zich onderschikt’: het Grieks kan een middelvorm of een lijdende vorm zijn. ἐν παντί (en panti), ‘in alles’.
De SBLGNT markeert bij ὡς en bij τοῖς een variant.
ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’: zie 2:4. παρέδωκεν ἑαυτόν (paredoken heauton), ‘Zichzelf overgegeven’: zoals in vers 2.
De SBLGNT markeert bij γυναῖκας een variant.
Zie ook Ef. 5:2.
ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’: voor Elohim afzonderen. καθαρίζω (katharizo), ‘reinigen’. λουτρόν (loutron), ‘bad’: een waterbad of wassing. ῥῆμα (rhema), ‘gesproken woord’; ἐν ῥήματι (en rhemati) kan ‘door het woord’ of ‘met het woord’ zijn: de tekst zegt niet precies welk woord bedoeld is.
παρίστημι (paristemi), ‘voorstellen’, zoals een bruid of een offer wordt aangeboden. ἔνδοξος (endoxos), ‘heerlijk’. σπίλος (spilos), ‘vlek’; ῥυτίς (rhytis), ‘rimpel’. ἄμωμος (amomos), ‘onberispelijk’: zie 1:4.
De SBLGNT markeert bij αὐτός een variant.
Zie ook Ef. 1:4.
ὀφείλω (ofeilo), ‘verplicht zijn’.
De SBLGNT markeert bij καί een variant.
ἐκτρέφω (ektrefo), ‘voeden, grootbrengen’; θάλπω (thalpo), ‘koesteren, warm houden’.
Het Grieks laat het werkwoord van de laatste woorden weg (‘zoals ook de Messias de gemeente’); het volgt uit ‘voedt en koestert’.
De SBLGNT markeert bij Χριστός een variant.
μέλη (mele), ‘leden’ van een lichaam.
De SBLGNT markeert bij αὐτοῦ een variant.
Aanhaling van Gen. 2:24.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Daarom verlaat een man zijn vader en zijn moeder, hecht hij zich aan zijn vrouw en worden zij tot één vlees’.
De Griekse tekst heeft ‘een mens’ (ἄνθρωπος), ‘zal verlaten’ en ‘zal zich hechten’, en ‘de twee’ zullen tot één vlees zijn.
Het citaat staat zwart.
De SBLGNT markeert in dit vers meerdere varianten.
Zie ook Gen. 2:24; Matt. 19:5.
μυστήριον (mysterion), ‘geheimenis’: zie 1:9.
Paulus noemt het geheimenis groot en zegt dat hij het ‘met het oog op de Messias en de gemeente’ bedoelt.
Wat precies ‘dit geheimenis’ is, de woorden van Gen. 2:24 of de eenheid van man en vrouw, zegt de tekst niet.
Zie ook Ef. 1:9.
πλήν (plen), ‘echter, maar’. φοβέομαι (fobeomai), ‘ontzag hebben voor’: ook ‘vrezen’; vergelijk φόβος in vers 21. καθ᾿ ἕνα ἕκαστος (kath’ hena hekastos), ‘ieder afzonderlijk’.
Zie ook Ef. 5:21.