Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wees niet bang, Ik heb je verlost
1En nu, zo zegt Yahweh, je Schepper, Jakob, en je Vormer, Israël: „Wees niet bang, want Ik heb je verlost. Ik heb je bij je naam geroepen; jij bent van Mij.
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בֹּרַאֲךָ֣
(boraakha)
je Schepper
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיֹצֶרְךָ֖
(veyotserkha)
en je Vormer
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
גְאַלְתִּ֔יךָ
(gealtikha)
Ik heb je verlost
קָרָ֥אתִי
(qarati)
Ik heb geroepen
בְשִׁמְךָ֖
(beshimkha)
bij je naam
לִי
(li)
van Mij
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּרַאֲךָ (bor’akha), ‘je Schepper’, en יֹצֶרְךָ (yotsarkha), ‘je Vormer’: het eerste woord hoort bij בָּרָא (bara), ‘scheppen’, het tweede bij יָצַר (yatsar), ‘vormen’, zoals een pottenbakker doet (vergelijk 45:9).
גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’: iemand terugkopen of vrijmaken, zoals een naaste verwant dat doet (vergelijk Lev. 25:25, waar wij ‘lossen’ zeggen). Wie dat doet, heet גֹּאֵל (go’el), ‘Verlosser’ (zie vers 14).
2Trek je door het water, dan ben Ik bij je. Trek je door rivieren, dan zullen ze je niet overspoelen. Ga je door het vuur, dan word je niet geschroeid. De vlam zal niet in je branden.
כִּֽי
(ki)
als
תַעֲבֹ֤ר
(taavor)
je doortrekt
בַּמַּ֨יִם֙
(bamayim)
door water
אִתְּךָ
(itekha)
met je
אָ֔נִי
(ani)
Ik
וּבַנְּהָר֖וֹת
(uvaneharot)
en door rivieren
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁטְפ֑וּךָ
(yishtefukha)
zij zullen overspoelen je
כִּֽי
(ki)
als
תֵלֵ֤ךְ
(telekh)
je gaat
בְּמוֹ
(bemo)
door
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכָּוֶ֔ה
(tikave)
je wordt geschroeid
וְלֶהָבָ֖ה
(velehava)
en vlam
לֹ֥א
(lo)
niet
תִבְעַר
(tivar)
zal branden
בָּֽךְ
(bakh)
in je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Want Ik ben Yahweh, jouw Elohim, de Heilige van Israël, jouw Redder. Ik geef Egypte als losgeld voor jou, Kush en Seba in jouw plaats.
כִּ֗י
(ki)
want
אֲנִי֙
(ani)
Ik
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מוֹשִׁיעֶ֑ךָ
(moshiekha)
jouw Redder
נָתַ֤תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
כָפְרְךָ֙
(kaferekha)
als losgeld voor jou
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
כּ֥וּשׁ
(kush)
Kush
וּסְבָ֖א
(useva)
en Seba
תַּחְתֶּֽיךָ
(tachteikha)
in jouw plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.
Zie Seba (ligging onzeker): Seba is een land of volk in Noordoost-Afrika, verbonden met Kush (Genesis 10:7); vermoedelijk het huidige Soedan of Ethiopië.
De precieze ligging is niet zeker.
Uitleg
כֹּפֶר (kofer), ‘losgeld’: een betaling om iemand vrij te kopen (vergelijk Exod. 21:30).
Yahweh geeft hier volken in de plaats van Israël.
סְבָא (Seba): een land of volk, waarschijnlijk in Noordoost-Afrika. De ligging is onzeker (vergelijk Ps. 72:10).
6Ik zal tegen het noorden zeggen: ‘Geef ze!’ En tegen het zuiden: ‘Houd ze niet tegen! Breng Mijn zonen van ver en Mijn dochters van het einde van de aarde,
אֹמַ֤ר
(omar)
Ik zal zeggen
לַצָּפוֹן֙
(latsafon)
tegen het noorden
תֵּ֔נִי
(teni)
geef
וּלְתֵימָ֖ן
(uleteiman)
en tegen het zuiden
אַל
(al)
niet
תִּכְלָ֑אִי
(tikhlai)
houd tegen
הָבִ֤יאִי
(havii)
breng
בָנַי֙
(banay)
Mijn zonen
מֵרָח֔וֹק
(merachoq)
van ver
וּבְנוֹתַ֖י
(uvenotay)
en Mijn dochters
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
van het einde van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּנִי (tenni), ‘Geef!’: het Hebreeuws zegt niet wie of wat gegeven moet worden.
Uit het verband volgt: Mijn zonen en dochters (vers 6–7).
9Laten alle volken zich samen verzamelen en de naties bijeenkomen. Wie van hen maakt dit bekend en laat ons het vroegere horen? Laten zij hun getuigen brengen, zodat zij gelijk krijgen. Laat men het horen en zeggen: ‘Het is waar.’
כָּֽל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֞ם
(hagoyim)
de volken
נִקְבְּצ֣וּ
(niqbetsu)
laten zich verzamelen
יַחְדָּ֗ו
(yachdav)
samen
וְיֵאָֽסְפוּ֙
(veyeasefu)
en laten bijeenkomen
לְאֻמִּ֔ים
(leumim)
de naties
מִ֤י
(mi)
wie
בָהֶם֙
(bahem)
onder hen
יַגִּ֣יד
(yagid)
maakt bekend
זֹ֔את
(zot)
dit
וְרִֽאשֹׁנ֖וֹת
(verishonot)
en het vroegere
יַשְׁמִיעֻ֑נוּ
(yashmiunu)
laat ons horen
יִתְּנ֤וּ
(yitenu)
laten zij brengen
עֵֽדֵיהֶם֙
(edeihem)
hun getuigen
וְיִצְדָּ֔קוּ
(veyitsdaqu)
zodat zij gelijk krijgen
וְיִשְׁמְע֖וּ
(veyishmeu)
en laat men horen
וְיֹאמְר֥וּ
(veyomru)
en zeggen
אֱמֶֽת
(emet)
waar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְיִצְדָּקוּ (veyitsdaqu), ‘zodat zij gelijk krijgen’: het werkwoord צָדַק (tsadaq) hoort bij ‘gerechtigheid’.
Het betekent hier: gelijk krijgen in een rechtszaak.
10Jullie zijn Mijn getuigen, godsspraak van Yahweh, en Mijn knecht die Ik gekozen heb. Zodat jullie het weten, Mij geloven en inzien dat Ik Hij ben. Vóór Mij is geen El gevormd, en na Mij zal er geen zijn.
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
עֵדַי֙
(eday)
Mijn getuigen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעַבְדִּ֖י
(veavdi)
en Mijn knecht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחָ֑רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תֵּ֠דְעוּ
(tedeu)
jullie weten
וְתַאֲמִ֨ינוּ
(vetaaminu)
en jullie geloven
לִ֤י
(li)
Mij
וְתָבִ֨ינוּ֙
(vetavinu)
en jullie inzien
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
ה֔וּא
(hu)
Hij
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor Mij
לֹא
(lo)
niet
נ֣וֹצַר
(notsar)
is gevormd
אֵ֔ל
(el)
El
וְאַחֲרַ֖י
(veacharay)
en na Mij
לֹ֥א
(lo)
niet
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: enkelvoud. Het kan Israël zijn, dat in 44:1 ‘Mijn knecht’ heet, of een enkele. Wij laten dat open.
נוֹצַר (notsar), ‘gevormd’: hetzelfde werkwoord als in vers 1. Het wordt ook gebruikt voor het maken van een beeld (zie 44:10).
14Zo zegt Yahweh, jullie Verlosser, de Heilige van Israël: „Omwille van jullie heb Ik naar Babel gestuurd. Ik laat hen allemaal neerdalen als vluchtelingen, ook de Chaldeeën, in de schepen van hun jubel.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֧ר
(amar)
zegt
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
גֹּאַלְכֶ֖ם
(goalkhem)
jullie Verlosser
קְד֣וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לְמַעַנְכֶ֞ם
(lemaankhem)
omwille van jullie
שִׁלַּ֣חְתִּי
(shilachti)
Ik heb gestuurd
בָבֶ֗לָה
(bavela)
naar Babel
וְהוֹרַדְתִּ֤י
(vehoradti)
en Ik laat neerdalen
בָֽרִיחִים֙
(barichim)
vluchtelingen
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
allen
וְכַשְׂדִּ֖ים
(vekhasdim)
en de Chaldeeën
בָּאֳנִיּ֥וֹת
(baoniyot)
in de schepen van
רִנָּתָֽם
(rinatam)
hun jubel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
בָּרִיחִים (barichim), ‘vluchtelingen’: het woord is moeilijk.
Het kan ook ‘grendels’ betekenen.
Wij nemen ‘vluchtelingen’.
בָּאֳנִיּוֹת רִנָּתָם (ba’oniyyot rinnatam), ‘in de schepen van hun jubel’: waarschijnlijk de schepen waarop de Chaldeeën zich beroemden. De betekenis is niet zeker.
שִׁלַּחְתִּי (shillachti), ‘Ik heb gestuurd’: het Hebreeuws gebruikt de voltooide tijd. Dat laat zien dat Yahweh het als vaststaand ziet.
20De dieren van het veld zullen Mij eren, de jakhalzen en de struisvogels. Want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te laten drinken.
תְּכַבְּדֵ֨נִי֙
(tekhabedeni)
zullen Mij eren
חַיַּ֣ת
(chayat)
de dieren van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
תַּנִּ֖ים
(tanim)
jakhalzen
וּבְנ֣וֹת
(uvenot)
en dochters van
יַֽעֲנָ֑ה
(yaana)
de struisvogel
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֨תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
בַמִּדְבָּ֜ר
(bamidbar)
in de woestijn
מַ֗יִם
(mayim)
water
נְהָרוֹת֙
(neharot)
rivieren
בִּֽישִׁימֹ֔ן
(bishimon)
in de wildernis
לְהַשְׁק֖וֹת
(lehashqot)
om te laten drinken
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
בְחִירִֽי
(bechiri)
Mijn uitverkorene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנוֹת יַעֲנָה (benot ya’anah), ‘struisvogels’: letterlijk ‘dochters van de struisvogel’.
Welk dier precies bedoeld is, is niet zeker.
בִּישִׁימֹן (bishimon), ‘in de wildernis’: dor, onbewoond land. Het is een andere spelling van het woord in vers 19.
23Je hebt Mij geen lam van je brandoffers gebracht, en met je slachtoffers heb je Mij niet geëerd. Ik heb je niet laten werken met een graanoffer en je niet vermoeid met wierook.
לֹֽא
(lo)
niet
הֵבֵ֤יאתָ
(heveita)
je hebt gebracht
לִּי֙
(li)
Mij
שֵׂ֣ה
(se)
lam
עֹלֹתֶ֔יךָ
(oloteikha)
je brandoffers
וּזְבָחֶ֖יךָ
(uzevacheikha)
en je slachtoffers
לֹ֣א
(lo)
niet
כִבַּדְתָּ֑נִי
(kibadtani)
je hebt Mij geëerd
לֹ֤א
(lo)
niet
הֶעֱבַדְתִּ֨יךָ֙
(heevadtikha)
Ik heb je laten werken
בְּמִנְחָ֔ה
(bemincha)
met een graanoffer
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הוֹגַעְתִּ֖יךָ
(hogatikha)
Ik heb je vermoeid
בִּלְבוֹנָֽה
(bilvona)
met wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׂה (seh), ‘lam’: een stuk kleinvee, schaap of geit.
Wij vertalen ‘lam’, zoals in Exod. 12:3.
הֶעֱבַדְתִּיךָ (he’evadtikha), ‘Ik heb je laten werken’: letterlijk ‘Ik heb je laten dienen’. Zo ook in vers 24.
לְבוֹנָה (levonah), ‘wierook’: een hars die men verbrandt bij het offer.
24Je hebt voor Mij geen kalmoes met geld gekocht, en met het vet van je slachtoffers heb je Mij niet verzadigd. Maar met je zonden heb je Mij laten werken, en met je ongerechtigheden heb je Mij vermoeid.
לֹא
(lo)
niet
קָנִ֨יתָ
(qanita)
je hebt gekocht
לִּ֤י
(li)
voor Mij
בַכֶּ֨סֶף֙
(bakesef)
met geld
קָנֶ֔ה
(qane)
kalmoes
וְחֵ֥לֶב
(vechelev)
en vet van
זְבָחֶ֖יךָ
(zevacheikha)
je slachtoffers
לֹ֣א
(lo)
niet
הִרְוִיתָ֑נִי
(hirvitani)
je hebt Mij verzadigd
אַ֗ךְ
(akh)
maar
הֶעֱבַדְתַּ֨נִי֙
(heevadtani)
je hebt Mij laten werken
בְּחַטֹּאותֶ֔יךָ
(bechatovteikha)
met je zonden
הוֹגַעְתַּ֖נִי
(hogatani)
je hebt Mij vermoeid
בַּעֲוֺנֹתֶֽיךָ
(baavonoteikha)
met je ongerechtigheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָנֶה (qaneh), ‘kalmoes’: een welriekend riet, dat bij het heilige zalfsel hoorde (vergelijk Exod. 30:23).
הִרְוִיתָנִי (hirvitani), ‘je hebt Mij verzadigd’: van het werkwoord רָוָה (ravah), ‘volop drinken’ of ‘verzadigen’.
27Je eerste vader heeft gezondigd, en je tolken zijn in opstand gekomen tegen Mij.
אָבִ֥יךָ
(avikha)
je vader
הָרִאשׁ֖וֹן
(harishon)
de eerste
חָטָ֑א
(chata)
heeft gezondigd
וּמְלִיצֶ֖יךָ
(umelitseikha)
en je tolken
פָּ֥שְׁעוּ
(pasheu)
zijn in opstand gekomen
בִֽי
(bi)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָבִיךָ הָרִאשׁוֹן (avikha harishon), ‘je eerste vader’: wie bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet.
Misschien is het Jakob, misschien de eerste leider van het volk.
מְלִיצֶיךָ (melitsekha), ‘je tolken’: de woordvoerders of bemiddelaars van het volk. Het woord kan ook ‘spotters’ betekenen. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor een tolk (vergelijk Gen. 42:23).
28Ik ontheiligde de vorsten van het heiligdom. Ik gaf Jakob over aan de ban en Israël aan smaad.”
וַאֲחַלֵּ֖ל
(vaachalel)
en Ik ontheiligde
שָׂ֣רֵי
(sarei)
vorsten van
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
het heiligdom
וְאֶתְּנָ֤ה
(veetena)
en Ik gaf
לַחֵ֨רֶם֙
(lacherem)
aan de ban
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
לְגִדּוּפִֽים
(legidufim)
aan smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַאֲחַלֵּל (va’achallel), ‘Ik ontheiligde’: de verleden tijd van het Hebreeuws.
Het kan ook als toekomst worden gelezen: ‘Ik zal ontheiligen’.
שָׂרֵי קֹדֶשׁ (sarei qodesh), ‘vorsten van het heiligdom’: de leiders die in dienst van het heiligdom stonden. Het kan ook ‘heilige vorsten’ betekenen.
חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd en vernietigd moet worden (vergelijk Deut. 7:2).