Tien woorden van Yahweh van de legermachten over Sion, de vastendagen en de volken
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh keert terug naar Sion
1Het woord van Yahweh van de legermachten kwam:
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het kwam
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Ik ben ijverig voor Sion met grote ijver. Met grote gramschap ben Ik ijverig voor haar.”
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
קִנֵּ֥אתִי
(qineti)
Ik ben ijverig
לְצִיּ֖וֹן
(letsiyon)
voor Sion
קִנְאָ֣ה
(qina)
ijver
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וְחֵמָ֥ה
(vechema)
en gramschap
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
קִנֵּ֥אתִי
(qineti)
Ik ben ijverig
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
קנאתי לציון קנאה (qinneti letsiyyon qin’ah), ‘Ik ben ijverig voor Sion met ijver’: het werkwoord qinne betekent met hartstocht opkomen voor wat van Hem is.
Het is dezelfde ijver als in Joël 2:18.
Het woord kan ook ‘jaloers’ betekenen.
וחמה (vechemah), ‘en gramschap’: de gloed van Zijn toorn tegen wie Sion bedreigen.
3Zo zegt Yahweh: „Ik ben teruggekeerd naar Sion en zal midden in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal ‘Stad van de waarheid’ genoemd worden en de berg van Yahweh van de legermachten ‘de heilige berg’.”
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁ֚בְתִּי
(shavti)
Ik ben teruggekeerd
אֶל
(el)
naar
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
וְשָׁכַנְתִּ֖י
(veshakhanti)
en Ik zal wonen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
יְרֽוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְנִקְרְאָ֤ה
(veniqrea)
en zij zal genoemd worden
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
עִ֣יר
(ir)
stad van
הָֽאֱמֶ֔ת
(haemet)
de waarheid
וְהַר
(vehar)
en de berg van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הַ֥ר
(har)
berg van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שׁבתי (shavti), ‘Ik ben teruggekeerd’: Yahweh keert terug naar Sion.
Hij was weggegaan, zoals Ezechiël het ziet (Ezech. 10–11).
De vorm is een voltooide tijd en kan ook als toekomst worden gelezen.
עיר האמת (ir ha’emet), ‘Stad van de waarheid’: een eernaam voor Jeruzalem, vergelijkbaar met ‘Stad van gerechtigheid’ in Jes. 1:26.
הר הקדשׁ (har haqodesh), ‘de heilige berg’: de tempelberg.
4Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Opnieuw zullen oude mannen en oude vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met zijn stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עֹ֤ד
(od)
nog
יֵֽשְׁבוּ֙
(yeshevu)
zullen zitten
זְקֵנִ֣ים
(zeqenim)
oude mannen
וּזְקֵנ֔וֹת
(uzeqenot)
en oude vrouwen
בִּרְחֹב֖וֹת
(birchovot)
op de pleinen van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאִ֧ישׁ
(veish)
en ieder
מִשְׁעַנְתּ֛וֹ
(mishanto)
zijn stok
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
in zijn hand
מֵרֹ֥ב
(merov)
vanwege de menigte van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מרב ימים (merov yamim), ‘vanwege zijn hoge leeftijd’: letterlijk ‘vanwege de menigte van dagen’.
6Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Als het te wonderlijk is in de ogen van de overgeblevenen van dit volk in die dagen, zou het dan ook in Mijn ogen te wonderlijk zijn? Godsspraak van Yahweh van de legermachten.”
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
כִּ֣י
(ki)
als
יִפָּלֵ֗א
(yipale)
te wonderlijk is
בְּעֵינֵי֙
(beeinei)
in de ogen van
שְׁאֵרִית֙
(sheerit)
de overgeblevenen van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
בַּיָּמִ֖ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
גַּם
(gam)
ook
בְּעֵינַי֙
(beeinay)
in Mijn ogen
יִפָּלֵ֔א
(yipale)
te wonderlijk is
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יפלא (yippale), ‘te wonderlijk’: het werkwoord pala betekent ‘wonderlijk, buitengewoon, te moeilijk zijn’.
Het is het werkwoord van Gen. 18:14 (‘Is er iets te wonderlijk voor Yahweh?’).
Yahweh stelt een vraag: wat voor de overgeblevenen onmogelijk lijkt, is voor Hem dat niet.
נאם יהוה צבאות (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.
8Ik zal hen laten komen, en zij zullen midden in Jeruzalem wonen. Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun tot Elohim zijn, in waarheid en in gerechtigheid.”
וְהֵבֵאתִ֣י
(veheveti)
en Ik zal laten komen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְשָׁכְנ֖וּ
(veshakhenu)
en zij zullen wonen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהָיוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֣י
(li)
Mij
לְעָ֗ם
(leam)
tot volk
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en Ik
אֶהְיֶ֤ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
hun
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
בֶּאֱמֶ֖ת
(beemet)
in waarheid
וּבִצְדָקָֽה
(uvitsdaqa)
en in gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
9Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Laat jullie handen sterk zijn, jullie die in deze dagen deze woorden horen uit de mond van de profeten. Zij waren er op de dag dat de grondslag werd gelegd voor het huis van Yahweh van de legermachten, de tempel, om gebouwd te worden.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֒
(tsevaot)
van de legermachten
תֶּחֱזַ֣קְנָה
(techezaqna)
laten sterk zijn
יְדֵיכֶ֔ם
(yedeikhem)
jullie handen
הַשֹּֽׁמְעִים֙
(hashomeim)
die horen
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
מִפִּי֙
(mipi)
uit de mond van
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
בְּי֞וֹם
(beyom)
op de dag
יֻסַּ֨ד
(yusad)
werd gegrondvest
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הַהֵיכָ֖ל
(haheikhal)
de tempel
לְהִבָּנֽוֹת
(lehibanot)
om gebouwd te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אשׁר ביום יסד בית יהוה צבאות ההיכל להבנות (hannevi’im asher beyom yussad bayit ... lehibbanot), ‘de profeten.
Zij waren er op de dag dat de grondslag werd gelegd ... om gebouwd te worden’: de profeten Haggai en Zacharia, en de profeten die het werk begeleidden.
10Want vóór die dagen was er voor de mens geen loon en voor het dier geen loon. Voor wie uitging en wie binnenkwam was er geen vrede vanwege de tegenstander. Ik zette alle mensen op elkaar af, ieder tegen zijn naaste.
כִּ֗י
(ki)
want
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
הַיָּמִ֣ים
(hayamim)
de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
שְׂכַ֤ר
(sekhar)
het loon van
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
לֹ֣א
(lo)
niet
נִֽהְיָ֔ה
(nihya)
was
וּשְׂכַ֥ר
(usekhar)
en het loon van
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
het dier
אֵינֶ֑נָּה
(einena)
er is niet
וְלַיּוֹצֵ֨א
(velayotse)
en voor wie uitging
וְלַבָּ֤א
(velaba)
en voor wie binnenkwam
אֵין
(ein)
er is niet
שָׁלוֹם֙
(shalom)
vrede
מִן
(min)
vanwege
הַצָּ֔ר
(hatsar)
de tegenstander
וַאֲשַׁלַּ֥ח
(vaashalach)
en Ik zond
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mensen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
בְּרֵעֵֽהוּ
(bereehu)
tegen zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הצר (hatsar), ‘de tegenstander’: een vijand of een benauwer.
Het kan één vijand of een groep zijn.
ואשׁלח את כל האדם אישׁ ברעהו (va’ashallach et kol ha’adam ish bere’ehu), ‘Ik zond alle mensen op elkaar af’: Yahweh liet de vijandschap onder de mensen los. Zo kwam er geen vrede.
12Want het zaad van de vrede: de wijnstok zal haar vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven en de hemel zal zijn dauw geven. Ik zal de overgeblevenen van dit volk dit alles laten erven.
כִּֽי
(ki)
want
זֶ֣רַע
(zera)
zaad van
הַשָּׁל֗וֹם
(hashalom)
de vrede
הַגֶּ֜פֶן
(hagefen)
de wijnstok
תִּתֵּ֤ן
(titen)
zal geven
פִּרְיָהּ֙
(piryah)
haar vrucht
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
תִּתֵּ֣ן
(titen)
zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
יְבוּלָ֔הּ
(yevulah)
haar opbrengst
וְהַשָּׁמַ֖יִם
(vehashamayim)
en de hemel
יִתְּנ֣וּ
(yitenu)
zullen geven
טַלָּ֑ם
(talam)
hun dauw
וְהִנְחַלְתִּ֗י
(vehinchalti)
en Ik zal laten erven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֛ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֵֽלֶּה
(ele)
deze dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זרע השׁלום (zera hashalom), ‘het zaad van de vrede’: de zin is kort en moeilijk.
Het kan bedoeld zijn als ‘het zaaien zal in vrede zijn’ of ‘er is een zaad van vrede’.
Wij laten het Hebreeuws zoals het staat.
והנחלתי (vehinchalti), ‘Ik zal laten erven’: het werkwoord nachal, ‘in bezit geven als erfdeel’, zoals in Jes. 49:8.
13Zoals jullie een vloek waren onder de volken, huis van Juda en huis van Israël, zo zal Ik jullie redden. Jullie zullen een zegen zijn. Wees niet bang. Laat jullie handen sterk zijn.”
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
הֱיִיתֶ֨ם
(heyitem)
jullie waren
קְלָלָ֜ה
(qelala)
een vloek
בַּגּוֹיִ֗ם
(bagoyim)
onder de volken
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֵּ֚ן
(ken)
zo
אוֹשִׁ֣יעַ
(oshia)
Ik zal redden
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וִהְיִיתֶ֖ם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
בְּרָכָ֑ה
(berakha)
een zegen
אַל
(al)
niet
תִּירָ֖אוּ
(tirau)
wees bang
תֶּחֱזַ֥קְנָה
(techezaqna)
laten sterk zijn
יְדֵיכֶֽם
(yedeikhem)
jullie handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קללה (qelalah), ‘een vloek’: een voorbeeld van een vloek.
Men zou zeggen: ‘Moge het jou vergaan zoals Juda.’
14Want zo zegt Yahweh van de legermachten: „Zoals Ik Mij had voorgenomen jullie onheil aan te doen, toen jullie vaders Mij tot toorn bewogen, zei Yahweh van de legermachten, en Ik Mij niet liet rouwen,
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֒
(tsevaot)
van de legermachten
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
זָמַמְ֜תִּי
(zamamti)
Ik had voorgenomen
לְהָרַ֣ע
(lehara)
onheil aan te doen
לָכֶ֗ם
(lakhem)
jullie
בְּהַקְצִ֤יף
(behaqtsif)
toen tot toorn bewogen
אֲבֹֽתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
אֹתִ֔י
(oti)
Mij
אָמַ֖ר
(amar)
zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
נִחָֽמְתִּי
(nichamti)
Ik liet Mij rouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
להרע לכם (lehare’a lakhem), ‘onheil aan te doen’: ra’ah is rampspoed, het onheil dat Yahweh over hen bracht.
Het staat tegenover ‘goed te doen’ in vers 15.
בהקציף (behaqtsif), ‘toen jullie vaders Mij tot toorn bewogen’: het werkwoord qatsaf hoort bij het woord qetsef, ‘toorn’, in 7:12 (de grote toorn).
ולא נחמתי (velo nichamti), ‘en Ik Mij niet liet rouwen’: het werkwoord nacham in de Niphal, van Yahweh gezegd, zoals in Jer. 4:28. Hij liet Zich niet vermurwen. Dat staat tegenover de vroegere tijd; nu keert het.
18Het woord van Yahweh van de legermachten kwam tot mij:
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het kwam
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zo zegt Yahweh van de legermachten: „De vastendag van de vierde maand, de vastendag van de vijfde, de vastendag van de zevende en de vastendag van de tiende zullen voor het huis van Juda tot vreugde en blijdschap worden, tot goede feesttijden. Houd dan van de waarheid en de vrede.”
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
צ֣וֹם
(tsom)
vasten van
הָרְבִיעִ֡י
(harevii)
de vierde
וְצ֣וֹם
(vetsom)
en vasten van
הַחֲמִישִׁי֩
(hachamishi)
de vijfde
וְצ֨וֹם
(vetsom)
en vasten van
הַשְּׁבִיעִ֜י
(hashevii)
de zevende
וְצ֣וֹם
(vetsom)
en vasten van
הָעֲשִׂירִ֗י
(haasiri)
de tiende
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
zal worden
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְשָׂשׂ֣וֹן
(lesason)
tot vreugde
וּלְשִׂמְחָ֔ה
(ulesimcha)
en tot blijdschap
וּֽלְמֹעֲדִ֖ים
(ulemoadim)
en tot feesttijden
טוֹבִ֑ים
(tovim)
goede
וְהָאֱמֶ֥ת
(vehaemet)
en de waarheid
וְהַשָּׁל֖וֹם
(vehashalom)
en de vrede
אֱהָֽבוּ
(ehavu)
hebt lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צום הרביעי וצום החמישׁי וצום השׁביעי וצום העשׂירי (tsom haravi’i ... tsom ha’asiri), ‘de vastendag van de vierde, de vijfde, de zevende en de tiende maand’: volgens de overlevering herinneren deze vier dagen aan het doorbreken van de muren van Jeruzalem (4e maand; Jer. 52:6–7), de verbranding van de tempel (5e maand; 2 Kon. 25:8–9), de moord op Gedalja (7e maand; 2 Kon. 25:25) en het begin van het beleg (10e maand; 2 Kon. 25:1).
Dat is niet in de tekst zelf aangegeven.
ולמעדים טובים (lemo’adim tovim), ‘tot goede feesttijden’: de vastendagen worden bij de vaste feesten gerekend (vergelijk Lev. 23).
21De bewoners van de ene stad zullen naar de andere gaan. Zij zeggen: ‘Laten wij zeker gaan om het aangezicht van Yahweh te smeken en Yahweh van de legermachten te zoeken. Ook ik wil gaan.’
וְֽהָלְכ֡וּ
(vehalekhu)
en zullen gaan
יֹשְׁבֵי֩
(yoshevei)
bewoners van
אַחַ֨ת
(achat)
de ene
אֶל
(el)
naar
אַחַ֜ת
(achat)
de andere
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
נֵלְכָ֤ה
(nelekha)
laten wij gaan
הָלוֹךְ֙
(halokh)
zeker gaan
לְחַלּוֹת֙
(lechalot)
om te smeken
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּלְבַקֵּ֖שׁ
(ulevaqesh)
en om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֵלְכָ֖ה
(elekha)
ik wil gaan
גַּם
(gam)
ook
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נלכה הלוך (nelkhah halokh), ‘laten wij zeker gaan’: het werkwoord ‘gaan’ staat hier tweemaal, in de verlengde vorm.
Dat benadrukt de vastberadenheid.
לחלות את פני יהוה (lechallot et penei Yahweh), ‘om het aangezicht van Yahweh te smeken’: zie de Uitleg bij 7:2.
22Veel volken en machtige volken zullen komen om Yahweh van de legermachten in Jeruzalem te zoeken en het aangezicht van Yahweh te smeken.”
וּבָ֨אוּ
(uvau)
en zullen komen
עַמִּ֤ים
(amim)
volken
רַבִּים֙
(rabim)
vele
וְגוֹיִ֣ם
(vegoyim)
en natiën
עֲצוּמִ֔ים
(atsumim)
machtige
לְבַקֵּ֛שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּלְחַלּ֖וֹת
(ulechalot)
en om te smeken
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
עמים רבים וגוים עצומים (ammim rabbim vegoyim atsumim), ‘veel volken en machtige volken’: het Hebreeuws gebruikt twee woorden voor ‘volken’, ammim en goyim.
23Zo zegt Yahweh van de legermachten: „In die dagen zullen tien mannen uit alle talen van de volken zich vastgrijpen. Zij zullen zich vastgrijpen aan de slip van een Judeeër en zeggen: ‘Wij willen met jullie gaan, want wij hebben gehoord: Elohim is met jullie.’”
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֒
(tsevaot)
van de legermachten
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔מָּה
(hahema)
die
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יַחֲזִ֨יקוּ֙
(yachaziqu)
zullen vastgrijpen
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
מִכֹּ֖ל
(mikol)
uit alle
לְשֹׁנ֣וֹת
(leshonot)
talen van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de natiën
וְֽהֶחֱזִ֡יקוּ
(vehecheziqu)
en zij zullen vastgrijpen
בִּכְנַף֩
(bikhnaf)
aan de slip van
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
יְהוּדִ֜י
(yehudi)
Judeeër
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
נֵֽלְכָה֙
(nelekha)
laten wij gaan
עִמָּכֶ֔ם
(imakhem)
met jullie
כִּ֥י
(ki)
want
שָׁמַ֖עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יהודי (Yehudi), ‘Judeeër’: iemand uit Juda, zoals in Jer. 34:9.
In Ester staat voor hetzelfde Hebreeuwse woord ‘Jood’.
והחזיקו בכנף (vehechziqu bekhanaf), ‘zij zullen vastgrijpen aan de slip’: de slip of de zoom van een kleed, zoals in 1 Sam. 24:5 (NL 24:4).
אלהים עמכם (Elohim immakhem), ‘Elohim is met jullie’: de volken erkennen dat Elohim bij Juda is.