Elohim Bijbel

Jesaja 38

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De ziekte van Hizkia en zijn lied

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ziekte van Hizkia

1In die dagen werd Hizkia ziek, tot sterven toe. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Geef bevel aan je huis, want je gaat sterven. Je zult niet in leven blijven.’”
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
חָלָ֥ה
(chala)
werd ziek
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לָמ֑וּת
(lamut)
om te sterven
וַיָּב֣וֹא
(vayavo)
en kwam
אֵ֠לָיו
(elav)
naar hem
יְשַׁעְיָ֨הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֜וֹץ
(amots)
Amoz
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
צַ֣ו
(tsav)
geef bevel
לְבֵיתֶ֔ךָ
(leveitekha)
aan je huis
כִּ֛י
(ki)
want
מֵ֥ת
(met)
sterven
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִֽחְיֶֽה
(tichye)
zul je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit verhaal staat ook in 2 Kon. 20:1–11.

Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze tekst gelijk aan 2 Kon. 20.

Zie ook 2 Kron. 32:24–26.

חָלָה לָמוּת (chalah lamut), ‘ziek worden om te sterven’: een ziekte die tot de dood kan leiden.

צַו לְבֵיתֶךָ (tsav leveitekha), ‘geef bevel aan je huis’: regel de zaken van je huishouden.

De woorden van Jesaja zijn zwart: een profeet brengt het woord van Yahweh door. Zo ook in 2 Kon. 20:1.

2Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot Yahweh.
וַיַּסֵּ֧ב
(vayasev)
en draaide
חִזְקִיָּ֛הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
אֶל
(el)
naar
הַקִּ֑יר
(haqir)
de muur
וַיִּתְפַּלֵּ֖ל
(vayitpalel)
en bad
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij zei: „Ach, Yahweh, denk toch aan wat ik gedaan heb: ik heb voor Uw aangezicht gewandeld in waarheid en met een volledig hart. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen.” Hizkia huilde hevig.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en hij zei
אָנָּ֤ה
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
זְכָר
(zekhar)
gedenk
נָ֞א
(na)
toch
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
הִתְהַלַּ֣כְתִּי
(hithalakhti)
ik heb gewandeld
לְפָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
בֶּֽאֱמֶת֙
(beemet)
in waarheid
וּבְלֵ֣ב
(uvelev)
en met hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
volledig
וְהַטּ֥וֹב
(vehatov)
en wat goed is
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en huilde
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
בְּכִ֥י
(bekhi)
geween
גָדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: trouw en betrouwbaarheid.

לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh is, zoals in 1 Kon. 15:3.

בְּכִי גָּדוֹל (bechi gadol), ‘groot geween’: Hizkia huilt hardop.

Yahweh voegt vijftien jaar toe

4Toen kwam het woord van Yahweh tot Jesaja:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יְשַׁעְיָ֖הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Yahweh zelf, rechtstreeks tot Jesaja (‘het woord van Yahweh kwam tot Jesaja’).

Daarom staan de verzen 5–8 rood, zoals 2 Kon. 20:5–6.

De boodschap die Jesaja aan Hizkia moet doorgeven, staat daarbinnen tussen enkele aanhalingstekens.

In 2 Kon. 20:4 gebeurt dit voordat Jesaja het voorhof uit is. Jesaja zegt dat niet.

5„Ga en zeg tegen Hizkia: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van David, je vader: Ik heb je gebed gehoord. Ik heb je tranen gezien. Zie, Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.
הָל֞וֹךְ
(halokh)
ga
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tegen
חִזְקִיָּ֗הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתֶ֔ךָ
(tefilatekha)
je gebed
רָאִ֖יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
דִּמְעָתֶ֑ךָ
(dimatekha)
je tranen
הִנְנִי֙
(hinni)
zie Ik
יוֹסִ֣ף
(yosif)
voeg toe
עַל
(al)
aan
יָמֶ֔יךָ
(yameikha)
je dagen
חֲמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָלוֹךְ (halokh), ‘ga’: een werkwoord in de onbepaalde wijs dat hier als bevel dient.

בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem; zie vers 20 en 22.

Jesaja noemt hier niet ‘de leider van Mijn volk’ en niet ‘Ik ga je genezen’; 2 Kon. 20:5 wel. Daar staat ook de derde dag, waarop Hizkia naar het huis van Yahweh gaat. Hier staat alleen: ‘Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.’

6Uit de hand van de koning van Assyrië red Ik jou en deze stad. Ik beschut deze stad.
וּמִכַּ֤ף
(umikaf)
en uit de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
אַצִּ֣ילְךָ֔
(atsilekha)
Ik red jou
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וְגַנּוֹתִ֖י
(veganoti)
en Ik beschut
עַל
(al)
over
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

גָּנַן (ganan), ‘beschutten’: omheinen en beschermen, zoals in 2 Kon. 19:34.

Het Hebreeuws zegt ‘de hand’ (כַּף, kaf, letterlijk ‘handpalm’) van de koning van Assyrië.

Jesaja heeft hier niet de woorden ‘ter wille van Mij en ter wille van David, Mijn dienaar’ (2 Kon. 20:6). Wel staan ze in Jes. 37:35.

Het teken van de schaduw

7Dit is voor jou het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen dat Hij gesproken heeft:
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֥
(lekha)
voor jou
הָא֖וֹת
(haot)
het teken
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
zal doen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
Hij heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat een woord van Yahweh waar is, zoals in Exod. 3:12.

In 2 Kon. 20:8–10 vraagt Hizkia om een teken en kiest hij zelf. In Jesaja geeft Yahweh het teken zonder dat Hizkia erom vraagt; Hizkia’s vraag staat pas in vers 22.

Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon: ‘het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen’. Het zijn Zijn eigen woorden in de boodschap aan Hizkia; daarom blijven ze rood.

8Zie, Ik laat de schaduw van de treden, die door de zon op de treden van Achaz is neergedaald, tien treden achterwaarts teruggaan.’” En de zon ging tien treden terug, op de treden waarlangs zij was afgedaald.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik
מֵשִׁ֣יב
(meshiv)
laat terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
צֵ֣ל
(tsel)
de schaduw van
הַֽמַּעֲל֡וֹת
(hamaalot)
de treden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָרְדָה֩
(yareda)
is afgedaald
בְמַעֲל֨וֹת
(bemaalot)
op de treden van
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
בַּשֶּׁ֛מֶשׁ
(bashemesh)
door de zon
אֲחֹרַנִּ֖ית
(achoranit)
achterwaarts
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
מַעֲל֑וֹת
(maalot)
treden
וַתָּ֤שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
מַעֲל֔וֹת
(maalot)
treden
בַּֽמַּעֲל֖וֹת
(bamaalot)
op de treden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָרָֽדָה
(yarada)
was afgedaald
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲלוֹת אָחָז (ma’alot Achaz), ‘de treden van Achaz’: Achaz is Hizkia’s vader.

De tekst zegt niet precies hoe dit werktuig eruitzag.

Mogelijk was het een trap waarop de schaduw van de zon viel.

Jesaja zegt dat de schaduw ‘door de zon’ is neergedaald en dat ‘de zon’ tien treden teruggaat. In 2 Kon. 20:11 gaat alleen ‘de schaduw’ terug en roept Jesaja tot Yahweh. De laatste woorden van dit vers zijn van de verteller en staan zwart.

Het lied van Hizkia

9Een geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek was en herstelde van zijn ziekte.
מִכְתָּ֖ב
(mikhtav)
een geschrift
לְחִזְקִיָּ֣הוּ
(lechizqiyahu)
van Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
בַּחֲלֹת֕וֹ
(bachaloto)
toen hij ziek was
וַיְחִ֖י
(vaychi)
en hij herstelde
מֵחָלְיֽוֹ
(mechaleyo)
van zijn ziekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִכְתָּב (michtav), ‘geschrift’: een gedicht dat is opgeschreven.

Het is niet hetzelfde woord als ‘mikhtam’ boven sommige psalmen (zoals Ps. 16:1).

Dit lied van Hizkia (verzen 9–20) staat niet in 2 Kon. 20. Het is Hizkia’s eigen woord. Het staat zwart.

10Ik zei: Halverwege mijn dagen moet ik gaan naar de poorten van Sjeol. Ik ben beroofd van de rest van mijn jaren.
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
zei
בִּדְמִ֥י
(bidmi)
halverwege
יָמַ֛י
(yamay)
mijn dagen
אֵלֵ֖כָה
(elekha)
zal ik gaan
בְּשַׁעֲרֵ֣י
(beshaarei)
naar de poorten van
שְׁא֑וֹל
(sheol)
Sjeol
פֻּקַּ֖דְתִּי
(puqadti)
ik ben beroofd
יֶ֥תֶר
(yeter)
de rest van
שְׁנוֹתָֽי
(shenotay)
mijn jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk.

Zie ook Gen. 37:35.

Lezing

בִּדְמִי יָמַי (bidmi yamai), ‘halverwege mijn dagen’: het woord דְּמִי (dmi) is onzeker.

Het kan ‘rust’, ‘stilte’ of ‘midden’ betekenen.

Wij kiezen ‘halverwege’, naar de samenhang: de rest van zijn jaren wordt hem afgenomen.

פֻּקַּדְתִּי (puqqadeti), ‘ik ben beroofd’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken, aanwijzen, opeisen’. Hier lijkt het te zeggen: de rest van zijn jaren wordt niet aan hem toegewezen. Het is onzeker.

11Ik zei: Ik zal Jah niet zien, Jah, in het land van de levenden. Ik zal geen mens meer aanschouwen bij de bewoners van de wereld.
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
ik zei
לֹא
(lo)
niet
אֶרְאֶ֣ה
(ere)
zal ik zien
יָ֔הּ
(yah)
Jah
יָ֖הּ
(yah)
Jah
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַחַיִּ֑ים
(hachayim)
de levenden
לֹא
(lo)
niet
אַבִּ֥יט
(abit)
zal ik aanschouwen
אָדָ֛ם
(adam)
mens
ע֖וֹד
(od)
meer
עִם
(im)
bij
י֥וֹשְׁבֵי
(yoshevei)
de bewoners van
חָֽדֶל
(chadel)
de wereld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָהּ (Jah): een korte vorm van Yahweh, zoals in Ps. 68:5.

‘Yahweh zien’ betekent hier: Zijn nabijheid in de tempel beleven.

Lezing

חָדֶל (chadel) betekent letterlijk ‘ophouden’ of ‘het einde’.

Wij vertalen ‘wereld’: de bewoners van wat voorbijgaat, zoals het woord חֶלֶד (cheled), ‘wereld’, in Ps. 49:2.

Dat is onzeker.

12Mijn woning is opgebroken en van mij weggehaald, als de tent van een herder. Als een wever heb ik mijn leven opgerold. Hij snijdt mij af van het weefgetouw. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij.
דּוֹרִ֗י
(dori)
mijn woning
נִסַּ֧ע
(nisa)
is opgebroken
וְנִגְלָ֛ה
(venigla)
en is weggehaald
מִנִּ֖י
(mini)
van mij
כְּאֹ֣הֶל
(keohel)
als een tent van
רֹעִ֑י
(roi)
mijn herder
קִפַּ֨דְתִּי
(qipadti)
ik rolde op
כָאֹרֵ֤ג
(kaoreg)
als een wever
חַיַּי֙
(chayay)
mijn leven
מִדַּלָּ֣ה
(midala)
van het weefgetouw
יְבַצְּעֵ֔נִי
(yevatseeni)
Hij snijdt mij af
מִיּ֥וֹם
(miyom)
van dag
עַד
(ad)
tot
לַ֖יְלָה
(layla)
nacht
תַּשְׁלִימֵֽנִי
(tashlimeni)
maakt U een einde aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוֹרִי (dori), ‘mijn woning’: het woord דּוֹר (dor) betekent meestal ‘generatie’, maar hier past ‘woonplaats’ bij het beeld van een tent.

Dat is onzeker.

קִפַּדְתִּי (qippadeti), ‘ik rolde op’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het beeld is een wever die een afgewerkt weefsel oprolt en afsnijdt. De betekenis is onzeker.

דַּלָּה (dallah), ‘weefgetouw’: eigenlijk de kettingdraden of de draadlus. Een wever snijdt het doek van het getouw.

Het lied wisselt tussen ‘Hij’ en ‘U’. Wij laten dat zo staan.

13Ik hield mij stil tot de morgen. Als een leeuw, zo breekt Hij al mijn beenderen. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij.
שִׁוִּ֤יתִי
(shiviti)
ik hield mij stil
עַד
(ad)
tot
בֹּ֨קֶר֙
(boqer)
de morgen
כָּֽאֲרִ֔י
(kaari)
als een leeuw
כֵּ֥ן
(ken)
zo
יְשַׁבֵּ֖ר
(yeshaber)
breekt Hij
כָּל
(kal)
al
עַצְמוֹתָ֑י
(atsmotay)
mijn beenderen
מִיּ֥וֹם
(miyom)
van dag
עַד
(ad)
tot
לַ֖יְלָה
(layla)
nacht
תַּשְׁלִימֵֽנִי
(tashlimeni)
maakt U een einde aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁוִּיתִי (shivviti), ‘ik hield mij stil’: het werkwoord kan ook ‘zetten, leggen’ betekenen.

Hizkia legt zich neer en wacht tot de morgen.

Dat is onzeker.

De leeuw is hier een beeld van Yahweh die breekt, zoals in Hos. 13:7.

14Als een zwaluw of een kraanvogel piep ik. Ik kreun als een duif. Mijn ogen zijn mat geworden van het omhoog kijken. Mijn Heer, ik word onderdrukt. Sta voor mij in.
כְּס֤וּס
(kesus)
als een zwaluw
עָגוּר֙
(agur)
een kraanvogel
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֲצַפְצֵ֔ף
(atsaftsef)
piep ik
אֶהְגֶּ֖ה
(ehge)
kreun ik
כַּיּוֹנָ֑ה
(kayona)
als een duif
דַּלּ֤וּ
(dalu)
zijn mat geworden
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
לַמָּר֔וֹם
(lamarom)
naar de hoogte
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
mijn Heer
עָֽשְׁקָה
(asheqa)
ik word onderdrukt
לִּ֥י
(li)
voor mij
עָרְבֵֽנִי
(areveni)
sta in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סוּס (sus) en עָגוּר (agur): beide vogelnamen zijn onzeker.

Ze worden vertaald als ‘zwaluw’ (of ‘gierzwaluw’) en ‘kraanvogel’.

In het Hebreeuws staan ze zonder ‘en’ naast elkaar; het kan ook één vogel zijn.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10. Het is hier de aanspreektitel van Yahweh.

עָרְבֵנִי (orveni), ‘sta voor mij in’: letterlijk ‘wees mijn borg’. Een borg neemt de schuld of de zorg van een ander op zich.

15Wat zal ik zeggen? Hij heeft tot mij gesproken, en Hij heeft het gedaan. Ik zal al mijn jaren zachtjes gaan, vanwege de bitterheid van mijn ziel.
מָֽה
(ma)
wat
אֲדַבֵּ֥ר
(adaber)
zal ik zeggen
וְאָֽמַר
(veamar)
en Hij heeft gesproken
לִ֖י
(li)
tot mij
וְה֣וּא
(vehu)
en Hij
עָשָׂ֑ה
(asa)
heeft gedaan
אֶדַּדֶּ֥ה
(edade)
zal ik zachtjes gaan
כָל
(kal)
al
שְׁנוֹתַ֖י
(shenotay)
mijn jaren
עַל
(al)
vanwege
מַ֥ר
(mar)
de bitterheid van
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶדַּדֶּה (eddaddeh), ‘ik zal zachtjes gaan’: dit werkwoord komt weinig voor; vergelijk Ps. 42:5.

Het gaat om een langzame, voorzichtige gang.

De betekenis is onzeker.

16Mijn Heer, hierdoor leeft men. In dit alles is het leven van mijn geest. Maak mij weer sterk en laat mij leven.
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
mijn Heer
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
hierdoor
יִֽחְי֑וּ
(yichyu)
leeft men
וּלְכָל
(ulekhal)
en in alles
בָּהֶן֙
(bahen)
in deze
חַיֵּ֣י
(chayei)
het leven van
רוּחִ֔י
(ruchi)
mijn geest
וְתַחֲלִימֵ֖נִי
(vetachalimeni)
en maak mij sterk
וְהַחֲיֵֽנִי
(vehachayeni)
en laat mij leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Mijn Heer, over hen leeft men, en in alle ervan is het leven van mijn geest.’

Wij nemen ‘hierdoor’ als: door wat Yahweh heeft gesproken en gedaan (vers 15).

De laatste twee werkwoorden lezen wij als een bede.

17Zie, voor mijn vrede was het mij bitter, zeer bitter. Maar U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil van de vernietiging. Want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
לְשָׁל֖וֹם
(leshalom)
voor de vrede
מַר
(mar)
bitter
לִ֣י
(li)
voor mij
מָ֑ר
(mar)
bitter
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en U
חָשַׁ֤קְתָּ
(chashaqta)
hebt liefgehad
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
מִשַּׁ֣חַת
(mishachat)
uit de kuil van
בְּלִ֔י
(beli)
vernietiging
כִּ֥י
(ki)
want
הִשְׁלַ֛כְתָּ
(hishlakhta)
U hebt geworpen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
גֵוְךָ֖
(gevekha)
Uw rug
כָּל
(kal)
al
חֲטָאָֽי
(chataay)
mijn zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en goed leven.

Dat het ‘mij bitter was voor mijn vrede’ kan betekenen: de bitterheid diende tot mijn welzijn.

Ook ‘in plaats van vrede kreeg ik bitterheid’ is mogelijk.

Wij laten de woorden zoals ze staan.

חָשַׁקְתָּ (chashaqta), ‘U hebt liefgehad’: het werkwoord betekent ‘zich hechten aan, liefhebben’. Met ‘uit de kuil’ erachter ligt de gedachte voor de hand: U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil. Het Hebreeuws heeft daar geen tweede werkwoord; wij vullen ‘bewaard’ aan.

גֵּו (gev), ‘rug’: het woord komt weinig voor. ‘Achter Uw rug werpen’ betekent: niet meer zien en niet meer eraan denken. Vergelijk Ps. 103:12.

18Want Sjeol looft U niet, de dood prijst U niet. Wie in de kuil afdalen, hopen niet op Uw waarheid.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
שְׁא֛וֹל
(sheol)
Sjeol
תּוֹדֶ֖ךָּ
(todeka)
looft U
מָ֣וֶת
(mavet)
de dood
יְהַלְלֶ֑ךָּ
(yehalleka)
prijst U
לֹֽא
(lo)
niet
יְשַׂבְּר֥וּ
(yesaberu)
hopen
יֽוֹרְדֵי
(yoredei)
wie afdalen in
ב֖וֹר
(bor)
de kuil
אֶל
(el)
op
אֲמִתֶּֽךָ
(amitekha)
Uw waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjeol en ‘de dood’ zijn hier het dodenrijk, waar geen lofzang meer klinkt.

Vergelijk Ps. 6:6 en Ps. 88:11–13.

אֲמִתֶּךָ (amitteka), ‘Uw waarheid’: אֱמֶת (emet), ‘waarheid’, met het bezittelijk voornaamwoord. Het gaat om Uw betrouwbaarheid.

19De levende, de levende, hij looft U, zoals ik vandaag. Een vader maakt aan de zonen Uw waarheid bekend.
חַ֥י
(chay)
de levende
חַ֛י
(chay)
de levende
ה֥וּא
(hu)
hij
יוֹדֶ֖ךָ
(yodekha)
looft U
כָּמ֣וֹנִי
(kamoni)
zoals ik
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
אָ֣ב
(av)
een vader
לְבָנִ֔ים
(levanim)
aan de zonen
יוֹדִ֖יעַ
(yodia)
maakt bekend
אֶל
(el)
aan
אֲמִתֶּֽךָ
(amitekha)
Uw waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De levende looft Yahweh.

De vader vertelt zijn zonen van Yahweh’s waarheid.

Zo gaat het lof van geslacht op geslacht, zoals in Ps. 78:3–4.

20Yahweh gaat mij redden. Wij zullen mijn snarenmuziek spelen, alle dagen van ons leven, in het huis van Yahweh.
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהוֹשִׁיעֵ֑נִי
(lehoshieni)
om mij te redden
וּנְגִנוֹתַ֧י
(uneginotay)
en mijn snarenmuziek
נְנַגֵּ֛ן
(nenagen)
zullen wij spelen
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֵּ֖ינוּ
(chayeinu)
ons leven
עַל
(al)
in
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהוֹשִׁיעֵנִי (lehoshi’eni), ‘om mij te redden’: de lamed met de onbepaalde wijs zegt dat Yahweh het gaat doen.

Wij vertalen ‘Yahweh gaat mij redden’.

נְגִינוֹת (neginot), ‘snarenmuziek’: muziek op snaarinstrumenten; vergelijk het opschrift ‘Op snarenspel’ in Ps. 61:1. Hizkia spreekt eerst over ‘mijn’ snarenmuziek en dan over ‘ons’ leven: het lied is ook voor het hele volk.

De vijgenkoek

21Jesaja zei: „Laat men een vijgenkoek nemen en die op de zweer smeren. Dan zal hij leven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְשַׁעְיָ֔הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
יִשְׂא֖וּ
(yisu)
laat men nemen
דְּבֶ֣לֶת
(develet)
een koek van
תְּאֵנִ֑ים
(teenim)
vijgen
וְיִמְרְח֥וּ
(veyimrechu)
en laat men smeren
עַֽל
(al)
op
הַשְּׁחִ֖ין
(hashechin)
de zweer
וְיֶֽחִי
(veyechi)
en hij zal leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers en het volgende vers staan in 2 Kon. 20:7–8 vóór het teken.

Hier staan ze na het lied van Hizkia.

דְּבֶלֶת תְּאֵנִים (develet te’enim), ‘vijgenkoek’: samengeperste gedroogde vijgen, zoals in 1 Sam. 30:12.

שְׁחִין (shechin), ‘zweer’: zoals in Exod. 9:9 en Lev. 13:18–23.

In 2 Kon. 20:7 zegt Jesaja ‘Neem een vijgenkoek’ en legt men die ‘op de zweer’. Hier staat ‘laat men nemen’ en ‘laat men smeren’.

22Hizkia zei: „Wat is het teken dat ik zal opgaan naar het huis van Yahweh?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מָ֣ה
(ma)
wat
א֑וֹת
(ot)
teken
כִּ֥י
(ki)
dat
אֶעֱלֶ֖ה
(eele)
zal ik opgaan
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk 2 Kon. 20:8, waar Hizkia vraagt: ‘Wat is het teken dat Yahweh mij zal genezen?’

Hier vraagt hij alleen naar het teken dat hij naar het huis van Yahweh zal opgaan.