Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De ziekte van Hizkia
1In die dagen werd Hizkia ziek, tot sterven toe. De profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam bij hem. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Geef bevel aan je huis, want je gaat sterven. Je zult niet in leven blijven.’”
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
חָלָ֥ה
(chala)
werd ziek
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
לָמ֑וּת
(lamut)
om te sterven
וַיָּב֣וֹא
(vayavo)
en kwam
אֵ֠לָיו
(elav)
naar hem
יְשַׁעְיָ֨הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֜וֹץ
(amots)
Amoz
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
צַ֣ו
(tsav)
geef bevel
לְבֵיתֶ֔ךָ
(leveitekha)
aan je huis
כִּ֛י
(ki)
want
מֵ֥ת
(met)
sterven
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִֽחְיֶֽה
(tichye)
zul je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit verhaal staat ook in 2 Kon. 20:1–11.
Waar het Hebreeuws gelijk is, is onze tekst gelijk aan 2 Kon. 20.
Zie ook 2 Kron. 32:24–26.
חָלָה לָמוּת (chalah lamut), ‘ziek worden om te sterven’: een ziekte die tot de dood kan leiden.
צַו לְבֵיתֶךָ (tsav leveitekha), ‘geef bevel aan je huis’: regel de zaken van je huishouden.
De woorden van Jesaja zijn zwart: een profeet brengt het woord van Yahweh door. Zo ook in 2 Kon. 20:1.
3Hij zei: „Ach, Yahweh, denk toch aan wat ik gedaan heb: ik heb voor Uw aangezicht gewandeld in waarheid en met een volledig hart. Ik heb gedaan wat goed is in Uw ogen.” Hizkia huilde hevig.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en hij zei
אָנָּ֤ה
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
זְכָר
(zekhar)
gedenk
נָ֞א
(na)
toch
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
הִתְהַלַּ֣כְתִּי
(hithalakhti)
ik heb gewandeld
לְפָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
בֶּֽאֱמֶת֙
(beemet)
in waarheid
וּבְלֵ֣ב
(uvelev)
en met hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
volledig
וְהַטּ֥וֹב
(vehatov)
en wat goed is
בְּעֵינֶ֖יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
וַיֵּ֥בְךְּ
(vayevek)
en huilde
חִזְקִיָּ֖הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
בְּכִ֥י
(bekhi)
geween
גָדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱמֶת (emet), ‘waarheid’: trouw en betrouwbaarheid.
לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh is, zoals in 1 Kon. 15:3.
5„Ga en zeg tegen Hizkia: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van David, je vader: Ik heb je gebed gehoord. Ik heb je tranen gezien. Zie, Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.
הָל֞וֹךְ
(halokh)
ga
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tegen
חִזְקִיָּ֗הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתֶ֔ךָ
(tefilatekha)
je gebed
רָאִ֖יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
דִּמְעָתֶ֑ךָ
(dimatekha)
je tranen
הִנְנִי֙
(hinni)
zie Ik
יוֹסִ֣ף
(yosif)
voeg toe
עַל
(al)
aan
יָמֶ֔יךָ
(yameikha)
je dagen
חֲמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָלוֹךְ (halokh), ‘ga’: een werkwoord in de onbepaalde wijs dat hier als bevel dient.
בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem; zie vers 20 en 22.
Jesaja noemt hier niet ‘de leider van Mijn volk’ en niet ‘Ik ga je genezen’; 2 Kon. 20:5 wel. Daar staat ook de derde dag, waarop Hizkia naar het huis van Yahweh gaat. Hier staat alleen: ‘Ik voeg 15 jaar toe aan je dagen.’
7Dit is voor jou het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen dat Hij gesproken heeft:
וְזֶה
(veze)
en dit
לְּךָ֥
(lekha)
voor jou
הָא֖וֹת
(haot)
het teken
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
zal doen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
Hij heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אוֹת (ot), ‘teken’: een zichtbaar bewijs dat een woord van Yahweh waar is, zoals in Exod. 3:12.
In 2 Kon. 20:8–10 vraagt Hizkia om een teken en kiest hij zelf. In Jesaja geeft Yahweh het teken zonder dat Hizkia erom vraagt; Hizkia’s vraag staat pas in vers 22.
Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon: ‘het teken van Yahweh, dat Yahweh dit woord zal doen’. Het zijn Zijn eigen woorden in de boodschap aan Hizkia; daarom blijven ze rood.
8Zie, Ik laat de schaduw van de treden, die door de zon op de treden van Achaz is neergedaald, tien treden achterwaarts teruggaan.’” En de zon ging tien treden terug, op de treden waarlangs zij was afgedaald.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik
מֵשִׁ֣יב
(meshiv)
laat terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
צֵ֣ל
(tsel)
de schaduw van
הַֽמַּעֲל֡וֹת
(hamaalot)
de treden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָרְדָה֩
(yareda)
is afgedaald
בְמַעֲל֨וֹת
(bemaalot)
op de treden van
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
בַּשֶּׁ֛מֶשׁ
(bashemesh)
door de zon
אֲחֹרַנִּ֖ית
(achoranit)
achterwaarts
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
מַעֲל֑וֹת
(maalot)
treden
וַתָּ֤שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
מַעֲל֔וֹת
(maalot)
treden
בַּֽמַּעֲל֖וֹת
(bamaalot)
op de treden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָרָֽדָה
(yarada)
was afgedaald
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲלוֹת אָחָז (ma’alot Achaz), ‘de treden van Achaz’: Achaz is Hizkia’s vader.
De tekst zegt niet precies hoe dit werktuig eruitzag.
Mogelijk was het een trap waarop de schaduw van de zon viel.
Jesaja zegt dat de schaduw ‘door de zon’ is neergedaald en dat ‘de zon’ tien treden teruggaat. In 2 Kon. 20:11 gaat alleen ‘de schaduw’ terug en roept Jesaja tot Yahweh. De laatste woorden van dit vers zijn van de verteller en staan zwart.
10Ik zei: Halverwege mijn dagen moet ik gaan naar de poorten van Sjeol. Ik ben beroofd van de rest van mijn jaren.
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אָמַ֗רְתִּי
(amarti)
zei
בִּדְמִ֥י
(bidmi)
halverwege
יָמַ֛י
(yamay)
mijn dagen
אֵלֵ֖כָה
(elekha)
zal ik gaan
בְּשַׁעֲרֵ֣י
(beshaarei)
naar de poorten van
שְׁא֑וֹל
(sheol)
Sjeol
פֻּקַּ֖דְתִּי
(puqadti)
ik ben beroofd
יֶ֥תֶר
(yeter)
de rest van
שְׁנוֹתָֽי
(shenotay)
mijn jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk.
Zie ook Gen. 37:35.
Lezing
בִּדְמִי יָמַי (bidmi yamai), ‘halverwege mijn dagen’: het woord דְּמִי (dmi) is onzeker.
Het kan ‘rust’, ‘stilte’ of ‘midden’ betekenen.
Wij kiezen ‘halverwege’, naar de samenhang: de rest van zijn jaren wordt hem afgenomen.
פֻּקַּדְתִּי (puqqadeti), ‘ik ben beroofd’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken, aanwijzen, opeisen’. Hier lijkt het te zeggen: de rest van zijn jaren wordt niet aan hem toegewezen. Het is onzeker.
12Mijn woning is opgebroken en van mij weggehaald, als de tent van een herder. Als een wever heb ik mijn leven opgerold. Hij snijdt mij af van het weefgetouw. Van dag tot nacht maakt U een einde aan mij.
דּוֹרִ֗י
(dori)
mijn woning
נִסַּ֧ע
(nisa)
is opgebroken
וְנִגְלָ֛ה
(venigla)
en is weggehaald
מִנִּ֖י
(mini)
van mij
כְּאֹ֣הֶל
(keohel)
als een tent van
רֹעִ֑י
(roi)
mijn herder
קִפַּ֨דְתִּי
(qipadti)
ik rolde op
כָאֹרֵ֤ג
(kaoreg)
als een wever
חַיַּי֙
(chayay)
mijn leven
מִדַּלָּ֣ה
(midala)
van het weefgetouw
יְבַצְּעֵ֔נִי
(yevatseeni)
Hij snijdt mij af
מִיּ֥וֹם
(miyom)
van dag
עַד
(ad)
tot
לַ֖יְלָה
(layla)
nacht
תַּשְׁלִימֵֽנִי
(tashlimeni)
maakt U een einde aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דּוֹרִי (dori), ‘mijn woning’: het woord דּוֹר (dor) betekent meestal ‘generatie’, maar hier past ‘woonplaats’ bij het beeld van een tent.
Dat is onzeker.
קִפַּדְתִּי (qippadeti), ‘ik rolde op’: dit werkwoord komt alleen hier voor. Het beeld is een wever die een afgewerkt weefsel oprolt en afsnijdt. De betekenis is onzeker.
דַּלָּה (dallah), ‘weefgetouw’: eigenlijk de kettingdraden of de draadlus. Een wever snijdt het doek van het getouw.
Het lied wisselt tussen ‘Hij’ en ‘U’. Wij laten dat zo staan.
14Als een zwaluw of een kraanvogel piep ik. Ik kreun als een duif. Mijn ogen zijn mat geworden van het omhoog kijken. Mijn Heer, ik word onderdrukt. Sta voor mij in.
כְּס֤וּס
(kesus)
als een zwaluw
עָגוּר֙
(agur)
een kraanvogel
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֲצַפְצֵ֔ף
(atsaftsef)
piep ik
אֶהְגֶּ֖ה
(ehge)
kreun ik
כַּיּוֹנָ֑ה
(kayona)
als een duif
דַּלּ֤וּ
(dalu)
zijn mat geworden
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
לַמָּר֔וֹם
(lamarom)
naar de hoogte
אֲדֹנָ֖י
(adonay)
mijn Heer
עָֽשְׁקָה
(asheqa)
ik word onderdrukt
לִּ֥י
(li)
voor mij
עָרְבֵֽנִי
(areveni)
sta in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סוּס (sus) en עָגוּר (agur): beide vogelnamen zijn onzeker.
Ze worden vertaald als ‘zwaluw’ (of ‘gierzwaluw’) en ‘kraanvogel’.
In het Hebreeuws staan ze zonder ‘en’ naast elkaar; het kan ook één vogel zijn.
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: zoals bij 1 Kon. 3:10. Het is hier de aanspreektitel van Yahweh.
עָרְבֵנִי (orveni), ‘sta voor mij in’: letterlijk ‘wees mijn borg’. Een borg neemt de schuld of de zorg van een ander op zich.
17Zie, voor mijn vrede was het mij bitter, zeer bitter. Maar U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil van de vernietiging. Want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
לְשָׁל֖וֹם
(leshalom)
voor de vrede
מַר
(mar)
bitter
לִ֣י
(li)
voor mij
מָ֑ר
(mar)
bitter
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en U
חָשַׁ֤קְתָּ
(chashaqta)
hebt liefgehad
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
מִשַּׁ֣חַת
(mishachat)
uit de kuil van
בְּלִ֔י
(beli)
vernietiging
כִּ֥י
(ki)
want
הִשְׁלַ֛כְתָּ
(hishlakhta)
U hebt geworpen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
גֵוְךָ֖
(gevekha)
Uw rug
כָּל
(kal)
al
חֲטָאָֽי
(chataay)
mijn zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: heelheid en goed leven.
Dat het ‘mij bitter was voor mijn vrede’ kan betekenen: de bitterheid diende tot mijn welzijn.
Ook ‘in plaats van vrede kreeg ik bitterheid’ is mogelijk.
Wij laten de woorden zoals ze staan.
חָשַׁקְתָּ (chashaqta), ‘U hebt liefgehad’: het werkwoord betekent ‘zich hechten aan, liefhebben’. Met ‘uit de kuil’ erachter ligt de gedachte voor de hand: U hebt mijn ziel liefgehad en haar bewaard voor de kuil. Het Hebreeuws heeft daar geen tweede werkwoord; wij vullen ‘bewaard’ aan.
גֵּו (gev), ‘rug’: het woord komt weinig voor. ‘Achter Uw rug werpen’ betekent: niet meer zien en niet meer eraan denken. Vergelijk Ps. 103:12.
20Yahweh gaat mij redden. Wij zullen mijn snarenmuziek spelen, alle dagen van ons leven, in het huis van Yahweh.
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהוֹשִׁיעֵ֑נִי
(lehoshieni)
om mij te redden
וּנְגִנוֹתַ֧י
(uneginotay)
en mijn snarenmuziek
נְנַגֵּ֛ן
(nenagen)
zullen wij spelen
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֵּ֖ינוּ
(chayeinu)
ons leven
עַל
(al)
in
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהוֹשִׁיעֵנִי (lehoshi’eni), ‘om mij te redden’: de lamed met de onbepaalde wijs zegt dat Yahweh het gaat doen.
Wij vertalen ‘Yahweh gaat mij redden’.
נְגִינוֹת (neginot), ‘snarenmuziek’: muziek op snaarinstrumenten; vergelijk het opschrift ‘Op snarenspel’ in Ps. 61:1. Hizkia spreekt eerst over ‘mijn’ snarenmuziek en dan over ‘ons’ leven: het lied is ook voor het hele volk.