De Knecht, een licht voor de volken, en Sion die Yahweh niet vergeet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Knecht roept de kustlanden
1Luister naar mij, kustlanden, en let op, volken van ver. Yahweh heeft mij van de moederschoot af geroepen. Vanaf het lichaam van mijn moeder heeft Hij mijn naam genoemd.
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luistert
אִיִּים֙
(iyim)
kustlanden
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְהַקְשִׁ֥יבוּ
(vehaqshivu)
en let op
לְאֻמִּ֖ים
(leumim)
volken
מֵרָח֑וֹק
(merachoq)
van ver
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִבֶּ֣טֶן
(mibeten)
van de moederschoot af
קְרָאָ֔נִי
(qeraani)
heeft mij geroepen
מִמְּעֵ֥י
(mimeei)
vanaf het lichaam van
אִמִּ֖י
(imi)
mijn moeder
הִזְכִּ֥יר
(hizkir)
heeft genoemd
שְׁמִֽי
(shemi)
mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִיִּים (iyyim), ‘kustlanden’: landen aan de zee, ver weg; zie ook Gen. 10:5.
Hier begint het tweede knechtslied (49:1–6). De Knecht spreekt zelf en richt zich tot de volken. In vers 3 noemt Yahweh hem ‘Israël’, maar in vers 5–6 heeft hij een taak voor Israël. Het Hebreeuws laat open wie bedoeld wordt.
2Hij heeft mijn mond gemaakt als een scherp zwaard. In de schaduw van Zijn hand heeft Hij mij verborgen. Hij heeft mij tot een gepolijste pijl gemaakt. In Zijn pijlkoker heeft Hij mij verstopt.
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en Hij maakte
פִּי֙
(pi)
mijn mond
כְּחֶ֣רֶב
(kecherev)
als een zwaard
חַדָּ֔ה
(chada)
scherp
בְּצֵ֥ל
(betsel)
in de schaduw van
יָד֖וֹ
(yado)
Zijn hand
הֶחְבִּיאָ֑נִי
(hechbiani)
heeft Hij mij verborgen
וַיְשִׂימֵ֨נִי֙
(vaysimeni)
en Hij maakte mij
לְחֵ֣ץ
(lechets)
tot een pijl
בָּר֔וּר
(barur)
gepolijst
בְּאַשְׁפָּת֖וֹ
(beashpato)
in Zijn pijlkoker
הִסְתִּירָֽנִי
(histirani)
heeft Hij mij verstopt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּרוּר (barur), ‘gepolijst’: schoon en glad gemaakt, klaar voor gebruik.
4Maar ik zei: „Tevergeefs heb ik mij ingespannen. Voor leegte en damp heb ik mijn kracht verbruikt. Toch is mijn recht bij Yahweh en mijn loon bij mijn Elohim.”
וַאֲנִ֤י
(vaani)
en ik
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
zei ik
לְרִ֣יק
(leriq)
tevergeefs
יָגַ֔עְתִּי
(yagati)
heb ik mij ingespannen
לְתֹ֥הוּ
(letohu)
voor leegte
וְהֶ֖בֶל
(vehevel)
en damp
כֹּחִ֣י
(kochi)
mijn kracht
כִלֵּ֑יתִי
(kileiti)
heb ik verbruikt
אָכֵן֙
(akhen)
toch
מִשְׁפָּטִ֣י
(mishpati)
mijn recht
אֶת
(et)
is bij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּפְעֻלָּתִ֖י
(ufeulati)
en mijn loon
אֶת
(et)
bij
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֹהוּ וָהֶבֶל (tohu vahevel), ‘leegte en damp’: tohu is het woord uit Gen. 1:2 (‘woest en leeg’), hevel is ‘damp’, zoals in Pred. 1:2.
De Knecht zegt dat zijn werk niets heeft opgeleverd.
5En nu zegt Yahweh, die mij van de moederschoot af gevormd heeft tot Zijn Knecht, om Jakob naar Hem terug te brengen. Israël zal tot Hem verzameld worden. Ik word vereerd in de ogen van Yahweh, en mijn Elohim is mijn sterkte geworden.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יֹצְרִ֤י
(yotseri)
die mij gevormd heeft
מִבֶּ֨טֶן֙
(mibeten)
van de moederschoot af
לְעֶ֣בֶד
(leeved)
tot Knecht
ל֔וֹ
(lo)
voor Hem
לְשׁוֹבֵ֤ב
(leshovev)
om terug te brengen
יַֽעֲקֹב֙
(yaaqov)
Jakob
אֵלָ֔יו
(elav)
naar Hem
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
ל֣וֹ
(lo)
tot Hem
יֵאָסֵ֑ף
(yeasef)
zal verzameld worden
וְאֶכָּבֵד֙
(veekaved)
en ik word vereerd
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וֵאלֹהַ֖י
(velohay)
en mijn Elohim
הָיָ֥ה
(haya)
is geworden
עֻזִּֽי
(uzi)
mijn sterkte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst staat bij ‘Israël’ het woord לֹא (lo), ‘niet’: ‘en Israël wordt niet verzameld’.
6Hij zei: „Het is te gering dat jij Mij tot Knecht bent om de stammen van Jakob op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen. Ik maak je ook tot een licht van de volken, om Mijn redding te zijn tot het einde van de aarde.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
נָקֵ֨ל
(naqel)
te gering
מִֽהְיוֹתְךָ֥
(mihyotekha)
dat jij bent
לִי֙
(li)
voor Mij
עֶ֔בֶד
(eved)
Knecht
לְהָקִים֙
(lehaqim)
om op te richten
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּנְצוּרֵ֥י
(unetsurei)
en de bewaarden van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְהָשִׁ֑יב
(lehashiv)
terug te brengen
וּנְתַתִּ֨יךָ֙
(unetatikha)
en Ik maak je
לְא֣וֹר
(leor)
tot licht van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
לִֽהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
יְשׁוּעָתִ֖י
(yeshuati)
Mijn redding
עַד
(ad)
tot
קְצֵ֥ה
(qetse)
het einde van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אוֹר גּוֹיִם (or goyim), ‘licht van de volken’: zie ook 42:6.
Het beeld keert terug in Luc. 2:32 en Hand. 13:47.
Lezing
In de geschreven tekst staat וּנְצִירֵי (un’tsirei), in de gelezen tekst וּנְצוּרֵי (un’tsurei).
Beide vormen komen van het werkwoord ‘bewaren’ en betekenen ‘de bewaarden’.
7Zo zegt Yahweh, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot hem die diep veracht is, door het volk verafschuwd, tot de knecht van heersers: „Koningen zullen het zien en opstaan. Vorsten zullen zich neerbuigen, omwille van Yahweh, die trouw is, de Heilige van Israël, die je gekozen heeft.”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָֽמַר
(amar)
zegt
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
גֹּאֵ֨ל
(goel)
de Verlosser van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
קְדוֹשׁ֗וֹ
(qedosho)
zijn Heilige
לִבְזֹה
(livzo)
tot hem die veracht is
נֶ֜פֶשׁ
(nefesh)
diep
לִמְתָ֤עֵֽב
(limtaev)
tot hem die verafschuwd wordt
גּוֹי֙
(goy)
door het volk
לְעֶ֣בֶד
(leeved)
tot een knecht van
מֹשְׁלִ֔ים
(moshelim)
heersers
מְלָכִים֙
(melakhim)
koningen
יִרְא֣וּ
(yiru)
zullen zien
וָקָ֔מוּ
(vaqamu)
en opstaan
שָׂרִ֖ים
(sarim)
vorsten
וְיִֽשְׁתַּחֲוּ֑וּ
(veyishtachauu)
en zich neerbuigen
לְמַ֤עַן
(lemaan)
omwille van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נֶאֱמָ֔ן
(neeman)
trouw is
קְדֹ֥שׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיִּבְחָרֶֽךָּ
(vayivchareka)
en die je gekozen heeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִבְזֹה־נֶפֶשׁ (livzoh nefesh), ‘diep veracht’: letterlijk ‘veracht van ziel’.
De vorm is ongewoon en de betekenis is niet helemaal zeker.
לְעֶבֶד מֹשְׁלִים (le’eved moshlim), ‘voor een knecht van heersers’: hetzelfde Hebreeuwse woord als ‘Knecht’ in vers 3, 5 en 6. Hier is hij de knecht van aardse heersers.
De woorden na ‘Zo zegt Yahweh’ spreken over Yahweh in de derde persoon, maar zij blijven Zijn woorden. Daarom staan zij rood.
8Zo zegt Yahweh: „In een tijd van welbehagen heb Ik je geantwoord, en op een dag van redding heb Ik je geholpen. Ik heb je behoed. Ik heb je gegeven als verbond voor het volk, om het land op te richten en om verwoeste erfdelen te laten erven,
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּעֵ֤ת
(beet)
in een tijd van
רָצוֹן֙
(ratson)
welbehagen
עֲנִיתִ֔יךָ
(anitikha)
heb Ik je geantwoord
וּבְי֥וֹם
(uveyom)
en op een dag van
יְשׁוּעָ֖ה
(yeshua)
redding
עֲזַרְתִּ֑יךָ
(azartikha)
heb Ik je geholpen
וְאֶצָּרְךָ֗
(veetsarekha)
en Ik heb je behoed
וְאֶתֶּנְךָ֙
(veetenkha)
en Ik heb je gegeven
לִבְרִ֣ית
(livrit)
als verbond van
עָ֔ם
(am)
volk
לְהָקִ֣ים
(lehaqim)
om op te richten
אֶ֔רֶץ
(erets)
land
לְהַנְחִ֖יל
(lehanchil)
om te laten erven
נְחָל֥וֹת
(nechalot)
erfdelen
שֹׁמֵמֽוֹת
(shomemot)
verwoeste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵת רָצוֹן (et ratson), ‘tijd van welbehagen’: een tijd waarin Yahweh zich welwillend toont.
Dit vers wordt aangehaald in 2 Kor. 6:2.
לְהַנְחִיל (lehanchil), ‘te laten erven’: het werkwoord hoort bij נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’.
9om te zeggen tegen de gevangenen: ‘Kom naar buiten!’ En tegen wie in de duisternis zijn: ‘Laat je zien!’ Langs de wegen zullen zij grazen, en op alle kale hoogten zal hun weide zijn.
לֵאמֹ֤ר
(lemor)
om te zeggen
לַֽאֲסוּרִים֙
(laasurim)
tegen de gevangenen
צֵ֔אוּ
(tseu)
komt naar buiten
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
tegen wie
בַּחֹ֖שֶׁךְ
(bachoshekh)
in de duisternis
הִגָּל֑וּ
(higalu)
laat u zien
עַל
(al)
langs
דְּרָכִ֣ים
(derakhim)
wegen
יִרְע֔וּ
(yiru)
zullen zij grazen
וּבְכָל
(uvekhal)
en op alle
שְׁפָיִ֖ים
(shefayim)
kale hoogten
מַרְעִיתָֽם
(maritam)
hun weide
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִגָּלוּ (higgalu), ‘laat je zien’: letterlijk ‘word onthuld’.
שְׁפָיִים (shefayim), ‘kale hoogten’: heuvels zonder begroeiing.
10Zij zullen niet hongeren en niet dorsten. Hitte en zon zullen hen niet treffen. Want Hij die zich over hen ontfermt, zal hen leiden. Hij zal hen voeren naar bronnen van water.
לֹ֤א
(lo)
niet
יִרְעָ֨בוּ֙
(yiravu)
zullen zij hongeren
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִצְמָ֔אוּ
(yitsmau)
zullen zij dorsten
וְלֹא
(velo)
en niet
יַכֵּ֥ם
(yakem)
zal hen treffen
שָׁרָ֖ב
(sharav)
hitte
וָשָׁ֑מֶשׁ
(vashamesh)
en zon
כִּי
(ki)
want
מְרַחֲמָ֣ם
(merachamam)
Hij die zich over hen ontfermt
יְנַהֲגֵ֔ם
(yenahagem)
zal hen leiden
וְעַל
(veal)
en naar
מַבּ֥וּעֵי
(mabuei)
bronnen van
מַ֖יִם
(mayim)
water
יְנַהֲלֵֽם
(yenahalem)
zal Hij hen voeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het beeld van de herder die zijn kudde naar water leidt, keert terug in Ps. 23:2 en Openb. 7:16–17.
15„Vergeet een vrouw haar zuigeling, zodat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar schoot? Zelfs zij zouden kunnen vergeten. Maar Ik zal jou niet vergeten.
הֲתִשְׁכַּ֤ח
(hatishkach)
vergeet
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
עוּלָ֔הּ
(ulah)
haar zuigeling
מֵרַחֵ֖ם
(merachem)
zodat zij zich niet ontfermt
בֶּן
(ben)
over de zoon van
בִּטְנָ֑הּ
(bitnah)
haar schoot
גַּם
(gam)
zelfs
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
תִשְׁכַּ֔חְנָה
(tishkachna)
zouden vergeten
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
maar Ik
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶשְׁכָּחֵֽךְ
(eshkachekh)
zal jou vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עוּל (ul), ‘zuigeling’: een kind dat nog gezoogd wordt.
מֵרַחֵם (merachem), ‘zodat zij zich niet ontfermt’: het werkwoord hoort bij רֶחֶם (rechem), ‘schoot’. Het gaat om de ontferming van een moeder.
18Sla je ogen rondom op en kijk: zij allen komen bijeen, zij komen naar je toe. Zo waar Ik leef, godsspraak van Yahweh: je zult hen allen aandoen als een sieraad en hen om je binden als een bruid.
שְׂאִֽי
(sei)
sla op
סָבִ֤יב
(saviv)
rondom
עֵינַ֨יִךְ֙
(einayikh)
je ogen
וּרְאִ֔י
(urei)
en kijk
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
zij allen
נִקְבְּצ֣וּ
(niqbetsu)
komen bijeen
בָֽאוּ
(bau)
komen
לָ֑ךְ
(lakh)
naar je toe
חַי
(chay)
zo waar leef
אָ֣נִי
(ani)
Ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
כֻלָּם֙
(kulam)
hen allen
כָּעֲדִ֣י
(kaadi)
als een sieraad
תִלְבָּ֔שִׁי
(tilbashi)
zul je aandoen
וּֽתְקַשְּׁרִ֖ים
(uteqasherim)
en zul je hen binden
כַּכַּלָּֽה
(kakala)
als een bruid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
Hier staat de formule midden in Yahweh’s woorden en is ze rood.
חַי אָנִי (chay ani), ‘zo waar Ik leef’: een eed van Yahweh; vergelijk Num. 14:28.
21Dan zul je in je hart zeggen: ‘Wie heeft mij hen gebaard? Ik was kinderloos en onvruchtbaar, verbannen en verstoten. Wie heeft hen dan grootgebracht? Zie, ik was alleen achtergebleven. Zij dan, waar waren zij?’”
וְאָמַ֣רְתְּ
(veamart)
en je zult zeggen
בִּלְבָבֵ֗ךְ
(bilvavekh)
in je hart
מִ֤י
(mi)
wie
יָֽלַד
(yalad)
heeft gebaard
לִי֙
(li)
voor mij
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֔לֶּה
(ele)
dezen
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
שְׁכוּלָ֖ה
(shekhula)
kinderloos
וְגַלְמוּדָ֑ה
(vegalmuda)
en onvruchtbaar
גֹּלָ֣ה
(gola)
verbannen
וְסוּרָ֗ה
(vesura)
en verstoten
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dezen
מִ֣י
(mi)
wie
גִדֵּ֔ל
(gidel)
heeft grootgebracht
הֵ֤ן
(hen)
zie
אֲנִי֙
(ani)
ik
נִשְׁאַ֣רְתִּי
(nisharti)
was achtergebleven
לְבַדִּ֔י
(levadi)
alleen
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
אֵיפֹ֥ה
(eifo)
waar
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גַּלְמוּדָה (galmudah), ‘onvruchtbaar’: het woord komt weinig voor.
22Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de volken en Mijn banier omhoog brengen voor de volken. Dan zullen zij je zonen in hun armen brengen, en je dochters zullen op de schouder gedragen worden.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אֶשָּׂ֤א
(esa)
Ik zal opheffen
אֶל
(el)
naar
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
יָדִ֔י
(yadi)
Mijn hand
וְאֶל
(veel)
en naar
עַמִּ֖ים
(amim)
volken
אָרִ֣ים
(arim)
zal Ik omhoog brengen
נִסִּ֑י
(nisi)
Mijn banier
וְהֵבִ֤יאוּ
(veheviu)
en zij zullen brengen
בָנַ֨יִךְ֙
(banayikh)
je zonen
בְּחֹ֔צֶן
(bechotsen)
in de armen
וּבְנֹתַ֖יִךְ
(uvenotayikh)
en je dochters
עַל
(al)
op
כָּתֵ֥ף
(katef)
schouder
תִּנָּשֶֽׂאנָה
(tinasena)
zullen gedragen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Koningen zullen je verzorgers zijn en hun vorstinnen je voedsters. Met het gezicht naar de grond zullen zij zich voor je neerbuigen en het stof van je voeten likken. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben, en dat zij die op Mij hopen niet beschaamd worden.
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zullen zijn
מְלָכִ֜ים
(melakhim)
koningen
אֹֽמְנַ֗יִךְ
(omenayikh)
je verzorgers
וְשָׂרֽוֹתֵיהֶם֙
(vesaroteihem)
en hun vorstinnen
מֵינִ֣יקֹתַ֔יִךְ
(meiniqotayikh)
je voedsters
אַפַּ֗יִם
(apayim)
met het gezicht
אֶ֚רֶץ
(erets)
naar de grond
יִשְׁתַּ֣חֲווּ
(yishtachavu)
zullen zij zich neerbuigen
לָ֔ךְ
(lakh)
voor je
וַעֲפַ֥ר
(vaafar)
en het stof van
רַגְלַ֖יִךְ
(raglayikh)
je voeten
יְלַחֵ֑כוּ
(yelachekhu)
zullen zij likken
וְיָדַ֨עַתְּ֙
(veyadaat)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יֵבֹ֖שׁוּ
(yevoshu)
beschaamd worden
קוָֹֽי
(qoy)
die op Mij hopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹמְנַיִךְ (omenayikh), ‘je verzorgers’: het woord is hetzelfde als ‘de verzorger’ in Num. 11:12.
מֵינִיקֹתַיִךְ (meniqotayikh), ‘je voedsters’: vrouwen die een kind zogen.
אַפַּיִם אָרֶץ (appayim arets), ‘met het gezicht naar de grond’: letterlijk ‘neus naar de aarde’.
קוָֹי (qovai), ‘zij die op Mij hopen’: het werkwoord is קָוָה (qavah), ‘hopen’; vergelijk 51:5.
25Want zo zegt Yahweh: „Zelfs de gevangene van een held wordt ontnomen, en de buit van een geweldenaar ontsnapt. Want met wie een rechtszaak tegen jou voert, daarmee zal Ik een rechtszaak voeren, en je zonen zal Ik redden.
כִּי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּם
(gam)
zelfs
שְׁבִ֤י
(shevi)
de gevangene van
גִבּוֹר֙
(gibor)
een held
יֻקָּ֔ח
(yuqach)
wordt ontnomen
וּמַלְק֥וֹחַ
(umalqoach)
en de buit van
עָרִ֖יץ
(arits)
een geweldenaar
יִמָּלֵ֑ט
(yimalet)
ontsnapt
וְאֶת
(veet)
en met
יְרִיבֵךְ֙
(yerivekh)
wie met jou een rechtszaak voert
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
Ik
אָרִ֔יב
(ariv)
zal Ik een rechtszaak voeren
וְאֶת
(veet)
en
בָּנַ֖יִךְ
(banayikh)
je zonen
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
Ik
אוֹשִֽׁיעַ
(oshia)
zal Ik redden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרִיץ (arits), ‘geweldenaar’: iemand die met geweld heerst.
יָרִיב (yariv), ‘een rechtszaak voeren’: van רִיב (riv), een rechtszaak of twist. Hetzelfde werkwoord staat in 51:22.
26Ik zal je onderdrukkers hun eigen vlees laten eten. Zij zullen zich dronken drinken aan hun eigen bloed als aan most. Dan zal alle vlees weten dat Ik Yahweh ben, je Redder en je Verlosser, de Machtige van Jakob.”
וְהַאֲכַלְתִּ֤י
(vehaakhalti)
en Ik laat eten
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹנַ֨יִךְ֙
(monayikh)
je onderdrukkers
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂרָ֔ם
(besaram)
hun vlees
וְכֶעָסִ֖יס
(vekheasis)
en als most
דָּמָ֣ם
(damam)
hun bloed
יִשְׁכָּר֑וּן
(yishkarun)
zullen zij zich dronken drinken
וְיָדְע֣וּ
(veyadeu)
en zullen weten
כָל
(kal)
alle
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מֽוֹשִׁיעֵ֔ךְ
(moshiekh)
je Redder
וְגֹאֲלֵ֖ךְ
(vegoalekh)
en je Verlosser
אֲבִ֥יר
(avir)
de Machtige van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲבִיר יַעֲקֹב (avir Ya’aqov), ‘de Machtige van Jakob’: een oude titel van Yahweh, zoals in Gen. 49:24.