Openbaring 15
De 7 laatste plagen, het lied van Mozes en van het Lam en de 7 schalen van de woede van Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het teken van de 7 laatste plagen
σημεῖον (semeion), ‘teken’. πληγή (plege), ‘plaag’: letterlijk een ‘slag’. θυμός (thymos), ‘woede’: wij vertalen θυμός overal met ‘woede’ en ὀργή (orge) met ‘toorn’. ἐτελέσθη (etelesthe), ‘is voltooid’: van dezelfde stam als τέλος (telos), ‘einde, doel’; het woord komt terug in vers 8.
De 7 laatste plagen zijn die van de 7 schalen (hoofdstuk 16).
Het Grieks heeft ‘ander’ teken: een tweede teken na dat van 12:1 en 12:3.
Zie ook Lev. 26:21; Openb. 12:1; Openb. 12:3.
Het lied van Mozes en van het Lam
θάλασσα ὑαλίνη (thalassa hyaline), ‘glazen zee’: ook in 4:6.
Het Grieks heeft νικάω ἐκ (nikao ek), ‘overwinnen uit’: een ongewone samenstelling; de bedoeling is dat zij het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam overwonnen hebben.
De werkwoordsvorm is een tegenwoordig deelwoord, ‘zij die overwinnen’. κιθάρα (kithara), ‘citer’: een snaarinstrument.
‘Citers van Elohim’: de citers zijn aan Elohim gewijd of komen van Hem.
Het beest, het beeld en het getal van zijn naam staan in hoofdstuk 13.
Zie ook Exod. 24:10; Openb. 4:6; Openb. 13:15–18.
‘Het lied van Mozes, de knecht van Elohim’: het lied van Exod. 15:1–18 (en ook Deut. 32). δοῦλος (doulos), ‘knecht’. ἀρνίον (arnion), ‘Lam’: Yeshua; zie 5:6.
Het lied is gebouwd uit woorden van de Psalmen en de profeten (vergelijk Ps. 111:2; Ps. 145:17). κύριε ὁ θεὸς ὁ παντοκράτωρ (kyrie ho theos ho pantokrator): wij vertalen ‘Yahweh Elohim, de Almachtige’, omdat de lofzang de Naam uit het Oude Testament overneemt; zo ook 16:7; 19:6; 21:22. παντοκράτωρ (pantokrator), ‘Almachtige’: letterlijk ‘Alles-bestuurder’; het kan ook ‘Yahweh Tsevaot’ weergeven, ‘Yahweh van de legermachten’; wij kiezen hier niet. ὁ βασιλεὺς τῶν αἰώνων (ho basileus ton aionon), ‘Koning van de eeuwen’.
Zie ook Exod. 15:1–18; Deut. 32:4; Ps. 111:2; Ps. 145:17; Openb. 5:6.
De SBLGNT markeert bij αἰώνων (aionon), ‘eeuwen’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
οὐ μὴ φοβηθῇ (ou me fobethe), ‘wie zal beslist niet vrezen’: het Grieks heeft geen voorwerp bij ‘vrezen’. ὅσιος (hosios), ‘getrouw’: een ander woord dan ἅγιος (hagios), ‘heilig’; wij vertalen ὅσιος overal met ‘getrouw’ (zie ook 16:5). προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’. δικαίωμα (dikaioma), ‘rechtsdaad’: een rechtvaardige uitspraak of daad; het woord staat in het meervoud.
Het lied nadert de woorden van Jer. 10:7 en Ps. 86:9–10.
Het lied loopt door tot het einde van dit vers; het staat zwart, want het zijn de woorden van de overwinnaars.
Zie ook Jer. 10:7; Ps. 86:9; Ps. 145:17.
De SBLGNT markeert hier varianten bij φοβηθῇ (fobethe), ‘zal vrezen’; δοξάσει (doxasei), ‘zal verheerlijken’ en ὅσιος (hosios), ‘getrouw’.
Wij volgen de SBLGNT.
De 7 engelen komen uit het heiligdom
ναὸς τῆς σκηνῆς τοῦ μαρτυρίου (naos tes skenes tou martyriou), ‘het heiligdom van de tent van het getuigenis’: de tent van het getuigenis is de tabernakel uit de woestijn (Num. 9:15), waarin de ark met de tafelen van het getuigenis stond.
Het hemelse heiligdom wordt hier naar die tent genoemd. ναός (naos), ‘heiligdom’: het binnenste huis, niet het hele tempelterrein.
Zie ook Num. 9:15; Exod. 40:34.
λίνον (linon), ‘linnen’; λαμπρός (lampros), ‘glanzend’. ζώνη (zone), ‘gordel’.
Het Grieks heeft twee deelwoorden, ‘gekleed’ en ‘omgord’; wij maken er een eigen zin van.
Zie ook Ezech. 9:2; Dan. 10:5.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐνδεδυμένοι (endedymenoi), ‘gekleed’ en λίνον (linon), ‘linnen’.
Wij volgen de SBLGNT.
De 7 gouden schalen
φιάλη (fiale), ‘schaal’: een brede, ondiepe schaal, zoals bij een plengoffer gebruikt werd. ζῷον (zoon), ‘levend wezen’: de vier levende wezens van 4:6–8.
‘Gouden schalen vol van de woede van Elohim’: de woede wordt uitgegoten in hoofdstuk 16.
‘Die leeft tot in de eeuwen van de eeuwen’: een vaste uitdrukking voor Elohim, zoals in 4:9–10 en 10:6.
Zie ook Openb. 4:6–8; Openb. 4:9; Openb. 10:6.
καπνός (kapnos), ‘rook’: als bij de inwijding van de tabernakel en van de tempel, toen de heerlijkheid van Yahweh het huis vulde (Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11).
‘Totdat de 7 plagen voltooid waren’: dezelfde werkwoordstam als in vers 1.
Zie ook Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11; Jes. 6:4; Ezech. 44:4.