Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jabin en Sisera onderdrukken Israël
1De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Ehud was gestorven.
וַיֹּסִ֨פוּ֙
(vayosifu)
en zij deden opnieuw
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵה֖וּד
(veehud)
en Ehud
מֵֽת
(met)
was gestorven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Yahweh verkocht hen aan Jabin, de koning van Kanaän, die in Hazor regeerde. De aanvoerder van zijn leger was Sisera. Die woonde in Charosjet-Hagojim.
וַיִּמְכְּרֵ֣ם
(vayimkerem)
en verkocht hen
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
יָבִ֣ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
כְּנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בְּחָצ֑וֹר
(bechatsor)
in Hazor
וְשַׂר
(vesar)
en aanvoerder van
צְבָאוֹ֙
(tsevao)
zijn leger
סִֽיסְרָ֔א
(sisera)
Sisera
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בַּחֲרֹ֥שֶׁת
(bacharoshet)
in Charosjet
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
Hagojim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hazor ligt bij Tel Hazor in het noorden van Galilea (Israël); dat is zeker.
Charosjet-Hagojim is onzeker; de plaats lag waarschijnlijk aan de beek Kison, in de buurt van de kust.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).
Uitleg
Jabin, koning van Hazor, komt ook voor in Joz. 11:1.
Het kan een titel zijn, die meer koningen droegen.
4Debora was een profetes, de vrouw van Lappidot. Zij was in die tijd rechter over Israël.
וּדְבוֹרָה֙
(udevora)
en Debora
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
נְבִיאָ֔ה
(nevia)
een profetes
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
vrouw van
לַפִּיד֑וֹת
(lapidot)
Lappidot
הִ֛יא
(hi)
zij
שֹׁפְטָ֥ה
(shofeta)
was rechter
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִֽיא
(hahi)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְבִיאָה (nevi’ah), ‘profetes’: zij spreekt namens Yahweh.
Zij is ook rechter: zij spreekt recht (vers 5).
לַפִּידוֹת (lappidot), ‘Lappidot’: de naam van haar man. Het woord betekent ook ‘fakkels’; sommigen lezen ‘een vrouw van fakkels’. Wij houden het als naam.
6Zij liet Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes in Naftali bij zich roepen. Zij zei tegen hem: „Yahweh, de Elohim van Israël, heeft toch geboden: ‘Ga, trek op naar de berg Tabor. Neem 10.000 man mee uit de zonen van Naftali en uit de zonen van Zebulon.
וַתִּשְׁלַ֗ח
(vatishlach)
en zij zond
וַתִּקְרָא֙
(vatiqra)
en zij riep
לְבָרָ֣ק
(levaraq)
Barak
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִינֹ֔עַם
(avinoam)
Abinoam
מִקֶּ֖דֶשׁ
(miqedesh)
uit Kedes
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
הֲלֹ֥א
(halo)
niet
צִוָּ֣ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לֵ֤ךְ
(lekh)
ga
וּמָֽשַׁכְתָּ֙
(umashakhta)
en trek
בְּהַ֣ר
(behar)
naar de berg
תָּב֔וֹר
(tavor)
Tabor
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en neem
עִמְּךָ֗
(imekha)
met je
עֲשֶׂ֤רֶת
(aseret)
tien
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
uit de zonen van
נַפְתָּלִ֖י
(naftali)
Naftali
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en uit de zonen van
זְבֻלֽוּן
(zevulun)
Zebulon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kedes in Naftali ligt bij Tel Qedesh in het noorden van Galilea (Israël).
De berg Tabor ligt in het zuiden van Galilea (Israël), ongeveer 17 km ten westen van de Zee van Galilea.
Uitleg
Debora haalt Yahwehs gebod aan.
Daarom staan deze woorden zwart, tussen enkele aanhalingstekens.
7Ik zal Sisera, de aanvoerder van het leger van Jabin, naar je toe laten komen, naar de beek Kison, met zijn strijdwagens en zijn menigte. Ik zal hem in je hand geven.’”
וּמָשַׁכְתִּ֨י
(umashakhti)
en Ik zal trekken
אֵלֶ֜יךָ
(eleikha)
naar je toe
אֶל
(el)
naar
נַ֣חַל
(nachal)
de beek
קִישׁ֗וֹן
(qishon)
Kison
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽיסְרָא֙
(sisera)
Sisera
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
יָבִ֔ין
(yavin)
Jabin
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רִכְבּ֖וֹ
(rikhbo)
zijn strijdwagens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֲמוֹנ֑וֹ
(hamono)
zijn menigte
וּנְתַתִּ֖יהוּ
(unetatihu)
en Ik zal geven hem
בְּיָדֶֽךָ
(beyadekha)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De beek Kison stroomt door de vlakte van Jizreël naar de Middellandse Zee, bij het huidige Haifa (Israël).
Uitleg
In dit vers spreekt Yahweh in de ik-vorm (‘Ik zal … trekken’), maar het is Debora die Zijn gebod doorgeeft.
Wij schrijven ‘Ik’ met een hoofdletter en laten de tekst zwart.
9Zij zei: „Ik ga zeker met je mee. Maar op de weg die je gaat, zal de eer niet voor jou zijn. Want Yahweh zal Sisera in de hand van een vrouw verkopen.” Debora stond op en ging met Barak naar Kedes.
וַתֹּ֜אמֶר
(vatomer)
en zij zei
הָלֹ֧ךְ
(halokh)
gaan
אֵלֵ֣ךְ
(elekh)
ik zal gaan
עִמָּ֗ךְ
(imakh)
met je
אֶ֚פֶס
(efes)
echter
כִּי֩
(ki)
dat
לֹ֨א
(lo)
niet
תִֽהְיֶ֜ה
(tihye)
zal zijn
תִּֽפְאַרְתְּךָ֗
(tifartekha)
jouw eer
עַל
(al)
op
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
הוֹלֵ֔ךְ
(holekh)
gaat
כִּ֣י
(ki)
want
בְֽיַד
(beyad)
in de hand van
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
יִמְכֹּ֥ר
(yimkor)
zal verkopen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽיסְרָ֑א
(sisera)
Sisera
וַתָּ֧קָם
(vataqam)
en stond op
דְּבוֹרָ֛ה
(devora)
Debora
וַתֵּ֥לֶך
(vatelekh)
en ging
עִם
(im)
met
בָּרָ֖ק
(baraq)
Barak
קֶֽדְשָׁה
(qedsha)
naar Kedes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kedes (in Naftali): Kedes (Tel Qedesh) lag in Naftali, ten noordwesten van het meer van Merom.
Uitleg
תִּפְאַרְתֶּךָ (tif’artekha), ‘jouw eer’: de eer van de overwinning gaat niet naar Barak, maar naar een vrouw (Jaël, vers 21).
Het Hebreeuws zegt: ‘jouw eer zal niet zijn op de weg die je gaat’.
11Heber, de Keniet, had zich afgescheiden van Kaïn, van de zonen van Chobab, de schoonvader van Mozes. Hij had zijn tent opgeslagen bij de eik in Saänannim, bij Kedes.
וְחֶ֤בֶר
(vechever)
en Heber
הַקֵּינִי֙
(haqeini)
de Keniet
נִפְרָ֣ד
(nifrad)
had zich afgescheiden
מִקַּ֔יִן
(miqayin)
van Kaïn
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
חֹבָ֖ב
(chovav)
Chobab
חֹתֵ֣ן
(choten)
schoonvader van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en spande uit
אָהֳל֔וֹ
(aholo)
zijn tent
עַד
(ad)
tot aan
אֵל֥וֹן
(elon)
de eik
בְּצַעֲנַנִּ֖ים
(betsaananim)
in Saänannim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֶת
(et)
bij
קֶֽדֶשׁ
(qedesh)
Kedes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Saänannim ligt bij Kedes in Naftali.
De precieze plaats is onbekend.
Uitleg
De Kenieten zijn de nakomelingen van Chobab, de schoonvader van Mozes (Num. 10:29; Richt. 1:16).
‘Kaïn’ is hier de naam van de Kenieten (zie Num. 24:22); het heeft niets met Kaïn uit Genesis te maken.
14Debora zei tegen Barak: „Sta op! Want dit is de dag waarop Yahweh Sisera in je hand heeft gegeven. Is Yahweh niet voor je uit gegaan?” Barak daalde af van de berg Tabor, en 10.000 man volgden hem.
וַתֹּאמֶר֩
(vatomer)
en zei
דְּבֹרָ֨ה
(devora)
Debora
אֶל
(el)
tot
בָּרָ֜ק
(baraq)
Barak
ק֗וּם
(qum)
sta op
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֤ה
(ze)
dit
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
אֲשֶׁר֩
(asher)
waarop
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽיסְרָא֙
(sisera)
Sisera
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
הֲלֹ֥א
(halo)
is niet
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יָצָ֣א
(yatsa)
uitgegaan
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je
וַיֵּ֤רֶד
(vayered)
en daalde af
בָּרָק֙
(baraq)
Barak
מֵהַ֣ר
(mehar)
van de berg
תָּב֔וֹר
(tavor)
Tabor
וַעֲשֶׂ֧רֶת
(vaaseret)
en tien
אֲלָפִ֛ים
(alafim)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret.
Uitleg
De vraag ‘Is Yahweh niet voor je uit gegaan?’ betekent: Yahweh strijdt voor jullie.
15Yahweh bracht Sisera, alle strijdwagens en het hele kamp in verwarring, met de scherpte van het zwaard, voor Barak uit. Sisera sprong van zijn wagen en vluchtte te voet.
וַיָּ֣הָם
(vayaham)
en bracht in verwarring
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽיסְרָ֨א
(sisera)
Sisera
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָרֶ֧כֶב
(harekhev)
de strijdwagens
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַֽמַּחֲנֶ֛ה
(hamachane)
het kamp
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
בָרָ֑ק
(baraq)
Barak
וַיֵּ֧רֶד
(vayered)
en sprong
סִֽיסְרָ֛א
(sisera)
Sisera
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הַמֶּרְכָּבָ֖ה
(hamerkava)
de wagen
וַיָּ֥נָס
(vayanas)
en vluchtte
בְּרַגְלָֽיו
(beraglav)
te voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָמַם (hamam), ‘in verwarring brengen’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 14:24, bij de Egyptenaren aan de Rietzee.
Yahweh zelf brengt de vijand in paniek; Barak voert het uit.
16Barak achtervolgde de strijdwagens en het kamp tot Charosjet-Hagojim. Het hele kamp van Sisera viel door de scherpte van het zwaard. Er bleef niet één over.
וּבָרָ֗ק
(uvaraq)
en Barak
רָדַ֞ף
(radaf)
achtervolgde
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
הָרֶ֨כֶב֙
(harekhev)
de strijdwagens
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en achter
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het kamp
עַ֖ד
(ad)
tot
חֲרֹ֣שֶׁת
(charoshet)
Charosjet
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
Hagojim
וַיִּפֹּ֞ל
(vayipol)
en viel
כָּל
(kal)
heel
מַחֲנֵ֤ה
(machane)
het kamp van
סִֽיסְרָא֙
(sisera)
Sisera
לְפִי
(lefi)
door de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
לֹ֥א
(lo)
niet
נִשְׁאַ֖ר
(nishar)
bleef over
עַד
(ad)
zelfs
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Charosjet-Hagojim (ligging onzeker): Charosjet-Hagojim lag bij de beek Kison, in het noorden.
17Sisera vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet. Want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en het huis van Heber, de Keniet.
וְסִֽיסְרָא֙
(vesisera)
en Sisera
נָ֣ס
(nas)
vluchtte
בְּרַגְלָ֔יו
(beraglav)
te voet
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
יָעֵ֔ל
(yael)
Jaël
אֵ֖שֶּׁת
(eshet)
vrouw van
חֶ֣בֶר
(chever)
Heber
הַקֵּינִ֑י
(haqeini)
de Keniet
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁל֗וֹם
(shalom)
vrede
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
יָבִ֣ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
חָצ֔וֹר
(chatsor)
Hazor
וּבֵ֕ין
(uvein)
en tussen
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
חֶ֥בֶר
(chever)
Heber
הַקֵּינִֽי
(haqeini)
de Keniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).
Uitleg
De Kenieten waren vreedzaam met Jabin, daarom vertrouwt Sisera Jaël.
18Jaël ging Sisera tegemoet. Zij zei tegen hem: „Kom binnen, mijn heer, kom binnen bij mij. Wees niet bang.” Hij kwam bij haar in de tent. Zij bedekte hem met een deken.
וַתֵּצֵ֣א
(vatetse)
en ging uit
יָעֵל֮
(yael)
Jaël
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
סִֽיסְרָא֒
(sisera)
Sisera
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
סוּרָ֧ה
(sura)
kom binnen
אֲדֹנִ֛י
(adoni)
mijn heer
סוּרָ֥ה
(sura)
kom binnen
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑א
(tira)
wees bang
וַיָּ֤סַר
(vayasar)
en hij kwam binnen
אֵלֶ֨יהָ֙
(eleiha)
naar haar
הָאֹ֔הֱלָה
(haohela)
naar de tent
וַתְּכַסֵּ֖הוּ
(vatekhasehu)
en zij bedekte hem
בַּשְּׂמִיכָֽה
(basemikha)
met een deken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂמִיכָה (semikhah), ‘deken’: het woord komt alleen hier voor.
Het is een bedekking, waarschijnlijk een deken of mat.
21Jaël, de vrouw van Heber, nam een tentpin en pakte de hamer in haar hand. Zij kwam zachtjes bij hem. Zij dreef de pin in zijn slaap. Die drong in de grond. Hij lag diep te slapen en was uitgeput. Hij stierf.
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en nam
יָעֵ֣ל
(yael)
Jaël
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
חֶ֠בֶר
(chever)
Heber
אֶת
(et)
(obj.)
יְתַ֨ד
(yetad)
de pin van
הָאֹ֜הֶל
(haohel)
de tent
וַתָּ֧שֶׂם
(vatasem)
en zij legde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּקֶּ֣בֶת
(hamaqevet)
de hamer
בְּיָדָ֗הּ
(beyadah)
in haar hand
וַתָּב֤וֹא
(vatavo)
en zij kwam
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
בַּלָּ֔אט
(balat)
zachtjes
וַתִּתְקַ֤ע
(vatitqa)
en zij dreef
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּתֵד֙
(hayated)
de pin
בְּרַקָּת֔וֹ
(beraqato)
in zijn slaap
וַתִּצְנַ֖ח
(vatitsnach)
en drong door
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in de grond
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
נִרְדָּ֥ם
(nirdam)
sliep diep
וַיָּ֖עַף
(vayaaf)
en was uitgeput
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt: ‘en zij sloeg de pin in zijn slaap en zij drong in de grond’.
Het onderwerp van ‘drong in de grond’ is niet zeker; het kan de pin zijn of Sisera.
22En zie: Barak achtervolgde Sisera. Jaël ging hem tegemoet en zei tegen hem: „Kom, ik laat je de man zien die je zoekt.” Hij ging naar haar toe. En zie: Sisera lag dood neergevallen, met de pin in zijn slaap.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
בָרָק֮
(baraq)
Barak
רֹדֵ֣ף
(rodef)
achtervolgde
אֶת
(et)
(obj.)
סִֽיסְרָא֒
(sisera)
Sisera
וַתֵּצֵ֤א
(vatetse)
en ging uit
יָעֵל֙
(yael)
Jaël
לִקְרָאת֔וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
ל֔וֹ
(lo)
tot hem
לֵ֣ךְ
(lekh)
kom
וְאַרְאֶ֔ךָּ
(veareka)
en ik zal je laten zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
מְבַקֵּ֑שׁ
(mevaqesh)
zoekt
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
naar haar
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
סִֽיסְרָא֙
(sisera)
Sisera
נֹפֵ֣ל
(nofel)
gevallen
מֵ֔ת
(met)
dood
וְהַיָּתֵ֖ד
(vehayated)
en de pin
בְּרַקָּתֽוֹ
(beraqato)
in zijn slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie ook vers 9: Yahweh heeft Sisera in de hand van een vrouw verkocht.
23Op die dag vernederde Elohim Jabin, de koning van Kanaän, voor de zonen van Israël.
וַיַּכְנַ֤ע
(vayakhna)
en vernederde
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
יָבִ֣ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
כָּנַע (kana’), ‘vernederen’: Elohim brengt Jabin tot een val.
24De hand van de zonen van Israël werd steeds harder tegen Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid.
וַתֵּ֜לֶךְ
(vatelekh)
en ging
יַ֤ד
(yad)
hand van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הָל֣וֹךְ
(halokh)
gaande
וְקָשָׁ֔ה
(veqasha)
en hard
עַ֖ל
(al)
tegen
יָבִ֣ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
עַ֚ד
(ad)
totdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִכְרִ֔יתוּ
(hikhritu)
zij uitroeiden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
יָבִ֥ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.