1 Tessalonicenzen 5
De dag van de Heer, zonen van het licht, aansporingen en slotgroet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De dag van de Heer
χρόνος (chronos), ‘tijd’; καιρός (kairos), ‘tijdstip’: een bepaald, geschikt moment.
Zij staan ook samen in Hand. 1:7.
Zie ook Hand. 1:7.
ἡμέρα κυρίου (hemera kyriou), ‘de dag van de Heer’: de uitdrukking neemt ‘de dag van Yahweh’ uit de profeten over en past die toe op Yeshua.
Zie Joël 2:1, Amos 5:18 en Jes. 13:6.
‘Als een dief in de nacht’: zo komt de dag onverwacht; Yeshua gebruikt hetzelfde beeld.
Zie ook Joël 2:1; Joël 2:11; Amos 5:18; Jes. 13:6; Matt. 24:43; 1 Kor. 1:8; 2 Kor. 1:14.
ἀσφάλεια (asfaleia), ‘veiligheid’; ὄλεθρος (olethros), ‘verderf’; ὠδίν (odin), ‘weeën’: de pijnen van een bevalling, die plotseling beginnen en niet te stoppen zijn. ἐκφεύγω (ekfeugo), ‘ontkomen’; οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’.
‘Vrede en veiligheid’ zeggen mensen die zich veilig voelen; vergelijk Jer. 6:14: ‘Vrede, vrede!
Maar er is geen vrede’.
Zie ook Jer. 6:14.
Zonen van het licht
σκότος (skotos), ‘duisternis’. καταλαμβάνω (katalambano), ‘overvallen’: grijpen, inhalen.
‘Die dag’ is de dag van de Heer uit vers 2.
γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’; νήφω (nefo), ‘nuchter zijn’: helder van geest. καθεύδω (katheudo), ‘slapen’: hier beeldspraak voor onoplettend zijn.
Dit is een ander woord dan κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’ in 4:13–15.
Zie ook Matt. 24:42.
In het Grieks staat ‘wie slapen, slapen ’s nachts’: een gewone waarneming, die de beeldspraak van vers 6 voorbereidt.
θώραξ (thorax), ‘pantser’: bescherming voor de borst. περικεφαλαία (perikefalaia), ‘helm’.
Vergelijk Jes. 59:17, waar Yahweh gerechtigheid aantrekt als een pantser en een helm van redding op Zijn hoofd zet. σωτηρία (soteria), ‘redding’, bij σῴζω (sozo), ‘redden’.
Zie ook Jes. 59:17.
τίθημι (tithemi), ‘bestemmen’: plaatsen, aanwijzen. περιποίησις (peripoiesis), ‘verwerving’: het verkrijgen of het bezit; wij vertalen ‘het verkrijgen van redding’. ὀργή (orge), ‘toorn’: zie 1:10.
Zie ook 1 Tess. 1:10.
περὶ ἡμῶν (peri hemon), ‘voor ons’. γρηγορέω (gregoreo), ‘waken’ en καθεύδω (katheudo), ‘slapen’: in de verzen 6–7 gaat het om waakzaam of onoplettend zijn; hier kunnen de woorden ook ‘levend’ of ‘gestorven’ betekenen.
Het Grieks zegt het niet.
παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: zie 4:18. οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’: bouwen aan elkaar. εἷς τὸν ἕνα (heis ton hena), ‘de een de ander’.
Aansporingen voor het leven in de gemeente
κοπιάω (kopiao), ‘zwoegen’: hard werken, bij κόπος (kopos), ‘moeite’ uit 1:3. προΐστημι (proistemi), ‘leiding geven’: voorstaan, zorg dragen. νουθετέω (noutheteo), ‘vermanen’: terechtwijzen en onderwijzen. εἰδέναι (eidenai), ‘erkennen’: letterlijk ‘kennen’, dus ‘weten wie ze zijn en waarderen wat ze doen’.
De tekst noemt hier geen ambtstitels.
De Griekse zin loopt door van vers 12 (‘… te erkennen … en … hoog te achten’); wij hebben hem gesplitst en herhalen daarom ‘Wij vragen jullie’. ἡγέομαι (hegeomai), ‘achten’. ὑπερεκπερισσοῦ (hyperekperissou), ‘bovenmate’: zie 3:10. εἰρηνεύω (eireneuo), ‘vrede houden’. ἑαυτοῖς (heautois), ‘onder elkaar’: letterlijk ‘onder jullie zelf’.
ἄτακτος (ataktos), ‘ordeloos’: een woord uit het leger voor wie niet in het gelid staat; het kan ook ‘werkschuw’ betekenen. ὀλιγόψυχος (oligopsychos), ‘kleinmoedig’. ἀντέχομαι (antechomai), ‘steunen’: zich vasthouden aan, bijstaan. μακροθυμέω (makrothymeo), ‘geduld hebben’.
Zie ook 2 Tess. 3:6–12.
χαίρω (chairo), ‘zich verheugen’, bij χαρά (chara), ‘vreugde’.
ἀδιαλείπτως (adialeiptos), ‘onophoudelijk’: zie 1:2.
ἐν παντί (en panti), ‘in alles’: in alle omstandigheden.
‘In de Messias Yeshua’ kan bij ‘de wil van Elohim’ horen of bij ‘jullie’; wij laten de woordvolgorde zo dicht mogelijk bij het Grieks.
σβέννυμι (sbennymi), ‘doven’: een vuur uitdoven. πνεῦμα (pneuma), ‘Geest’: de Geest van Elohim; het beeld van vuur ligt in het woord ‘doven’.
προφητεία (profeteia), ‘profetie’. ἐξουθενέω (exoutheneo), ‘verachten’: als niets beschouwen.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘toetsen’: zie 2:4. κατέχω (katecho), ‘vasthouden’. τὸ καλόν (to kalon), ‘het goede’: ook ‘het schone, het deugdelijke’.
εἶδος (eidos), ‘vorm’: ook ‘gedaante, uiterlijk’; het Grieks kan dus ‘elke vorm van kwaad’ of ‘elke schijn van kwaad’ betekenen.
Wij kiezen ‘vorm’. πονηρός (poneros), ‘kwaad’: ook ‘de kwade’.
Gebed en slotgroet
ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’. ὁλοτελής (holoteles), ‘geheel en al’: een zeldzaam woord dat alleen hier staat. ὁλόκληρος (holokleros), ‘geheel’: ongeschonden, compleet. πνεῦμα (pneuma), ‘geest’, ψυχή (psyche), ‘ziel’ en σῶμα (soma), ‘lichaam’: Paulus noemt hier drie delen van de mens naast elkaar om de hele mens te noemen; de tekst geeft geen leer over de samenstelling van de mens.
De werkwoordsvorm τηρηθείη (teretheie), ‘moge bewaard worden’, staat in het enkelvoud bij drie onderwerpen. παρουσία (parousia), ‘komst’: zie 2:19.
πιστός (pistos), ‘trouw’: ook ‘betrouwbaar’. καλέω (kaleo), ‘roepen’: zie 2:12.
φίλημα (filema), ‘kus’: een gebruikelijke groet onder gelovigen. ἅγιος (hagios), ‘heilig’.
ἐνορκίζω (enorkizo), ‘onder ede vragen, bezweren’.
Paulus zegt hier ‘ik’ in plaats van ‘wij’, zoals in 2:18. ἐπιστολή (epistole), ‘brief’.
Het Grieks zegt niet waar de brief voorgelezen moet worden.
χάρις (charis), ‘genade’.
Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘de genade … met jullie’; wij vullen ‘zij’ aan, omdat het een wens is.