De steden van de Levieten en de vrijsteden voor de doodslager
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De steden van de Levieten
1Yahweh sprak tot Mozes op de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho:
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּעַֽרְבֹ֣ת
(bearvot)
op de vlakten van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
עַל
(al)
aan
יַרְדֵּ֥ן
(yarden)
Jordaan
יְרֵח֖וֹ
(yerecho)
Jericho
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Vlakten van Moab: De vlakten van Moab liggen in het Jordaandal, ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.
2„Geef de zonen van Israël dit bevel: Zij moeten de Levieten steden geven om in te wonen, uit het erfdeel dat zij in bezit hebben. Ook moeten jullie de Levieten weidegrond geven rondom de steden.
צַו֮
(tsav)
gebied
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וְנָתְנ֣וּ
(venatenu)
en zij zullen geven
לַלְוִיִּ֗ם
(lalviyim)
aan de Levieten
מִֽנַּחֲלַ֛ת
(minachalat)
van het erfdeel van
אֲחֻזָּתָ֖ם
(achuzatam)
hun bezit
עָרִ֣ים
(arim)
steden
לָשָׁ֑בֶת
(lashavet)
om te wonen
וּמִגְרָ֗שׁ
(umigrash)
en weidegrond
לֶֽעָרִים֙
(learim)
voor de steden
סְבִיבֹ֣תֵיהֶ֔ם
(sevivoteihem)
rondom hen
תִּתְּנ֖וּ
(titenu)
jullie zullen geven
לַלְוִיִּֽם
(lalviyim)
aan de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Levieten krijgen geen eigen gebied (Num. 18:20–24; 26:62).
Daarom krijgen zij steden uit het erfdeel van de andere stammen.
מִגְרָשׁ (migrash), ‘weidegrond’: het land rondom de stad waar het vee graast; zie ook Lev. 25:34.
5Meet buiten de stad aan de oostkant 2.000 el, aan de zuidkant 2.000 el, aan de westkant 2.000 el en aan de noordkant 2.000 el. De stad ligt in het midden. Dit is voor hen de weidegrond van de steden.
וּמַדֹּתֶ֞ם
(umadotem)
en jullie zullen meten
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לָעִ֗יר
(lair)
de stad
אֶת
(et)
(obj.)
פְּאַת
(peat)
de zijde van
קֵ֣דְמָה
(qedema)
oost
אַלְפַּ֪יִם
(alpayim)
2.000
בָּֽאַמָּ֟ה
(baama)
met de el
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פְּאַת
(peat)
de zijde van
נֶגֶב֩
(negev)
zuid
אַלְפַּ֨יִם
(alpayim)
2.000
בָּאַמָּ֜ה
(baama)
met de el
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פְּאַת
(peat)
de zijde van
יָ֣ם
(yam)
west
אַלְפַּ֣יִם
(alpayim)
2.000
בָּֽאַמָּ֗ה
(baama)
met de el
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
פְּאַ֥ת
(peat)
de zijde van
צָפ֛וֹן
(tsafon)
noord
אַלְפַּ֥יִם
(alpayim)
2.000
בָּאַמָּ֖ה
(baama)
met de el
וְהָעִ֣יר
(vehair)
en de stad
בַּתָּ֑וֶךְ
(batavekh)
in het midden
זֶ֚ה
(ze)
dit
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
מִגְרְשֵׁ֖י
(migreshei)
weidegrond van
הֶעָרִֽים
(hearim)
de steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De stad ligt in het midden van de weidegrond.
Vers 4 noemt 1.000 el en vers 5 noemt 2.000 el.
Wij vertalen beide zoals ze staan; hoe de twee maten samenhangen, is onzeker.
6De steden die jullie aan de Levieten geven, zijn de 6 vrijsteden. Die geven jullie, zodat de doodslager daarheen kan vluchten. Daarbij moeten jullie nog 42 steden geven.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הֶֽעָרִ֗ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
תִּתְּנוּ֙
(titenu)
jullie zullen geven
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
aan de Levieten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַמִּקְלָ֔ט
(hamiqlat)
de toevlucht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּתְּנ֔וּ
(titenu)
jullie zullen geven
לָנֻ֥ס
(lanus)
voor het vluchten
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
הָרֹצֵ֑חַ
(harotseach)
de doodslager
וַעֲלֵיהֶ֣ם
(vaaleihem)
en daarbij
תִּתְּנ֔וּ
(titenu)
jullie zullen geven
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
וּשְׁתַּ֖יִם
(ushtayim)
en twee
עִֽיר
(ir)
steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרֵי הַמִּקְלָט (arei hamiqlat), ‘vrijsteden’: steden waar een doodslager veilig is.
Zie ook Exod. 21:13, waar Yahweh zegt dat Hij een plaats zal aanwijzen.
רֹצֵחַ (rotseach), ‘doodslager’: wij vertalen het zo in heel dit hoofdstuk, ook bij opzet (vers 16–21). In Exod. 20:13 staat het werkwoord als ‘moorden’.
8De steden die jullie geven uit het bezit van de zonen van Israël. Van de grote groep moeten jullie er veel nemen en van de kleine groep weinig. Ieder geeft aan de Levieten van zijn steden, naar het erfdeel dat hij ontvangt.”
וְהֶֽעָרִ֗ים
(vehearim)
en de steden
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
תִּתְּנוּ֙
(titenu)
jullie zullen geven
מֵאֲחֻזַּ֣ת
(meachuzat)
van het bezit van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מֵאֵ֤ת
(meet)
van
הָרַב֙
(harav)
de grote
תַּרְבּ֔וּ
(tarbu)
jullie zullen veel nemen
וּמֵאֵ֥ת
(umeet)
en van
הַמְעַ֖ט
(hamat)
de kleine
תַּמְעִ֑יטוּ
(tamitu)
jullie zullen weinig nemen
אִ֗ישׁ
(ish)
ieder
כְּפִ֤י
(kefi)
volgens
נַחֲלָתוֹ֙
(nachalato)
zijn erfdeel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִנְחָ֔לוּ
(yinchalu)
zij zullen ontvangen
יִתֵּ֥ן
(yiten)
hij zal geven
מֵעָרָ֖יו
(mearav)
van zijn steden
לַלְוִיִּֽם
(lalviyim)
aan de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Grote stammen geven meer steden dan kleine stammen; zie Num. 33:54.
10„Spreek tot de zonen van Israël en zeg tegen hen: Jullie gaan de Jordaan over naar het land Kanaän.
דַּבֵּר֙
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en zeg
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tegen hen
כִּ֥י
(ki)
want
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
עֹבְרִ֥ים
(overim)
gaan over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
אַ֥רְצָה
(artsa)
naar het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
12De steden zijn voor jullie een toevlucht tegen de losser van het bloed. Zo sterft de doodslager niet voordat hij voor de gemeenschap ter berechting heeft gestaan.
וְהָי֨וּ
(vehayu)
en zullen zijn
לָכֶ֧ם
(lakhem)
voor jullie
הֶעָרִ֛ים
(hearim)
de steden
לְמִקְלָ֖ט
(lemiqlat)
tot toevlucht
מִגֹּאֵ֑ל
(migoel)
voor de losser
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יָמוּת֙
(yamut)
zal sterven
הָרֹצֵ֔חַ
(harotseach)
de doodslager
עַד
(ad)
tot
עָמְד֛וֹ
(amedo)
hij staat
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
לַמִּשְׁפָּֽט
(lamishpat)
ter berechting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֹּאֵל הַדָּם (goel hadam), ‘losser van het bloed’: een naaste familielid die het bloed van een vermoorde familielid moet wreken.
Het woord goel is hetzelfde als ‘losser’ in Lev. 25:25.
לַמִּשְׁפָּט (lamishpat), ‘ter berechting’: de gemeenschap beslist of het om moord of om doodslag bij vergissing gaat (vers 24–25).
13De steden die jullie geven, zijn voor jullie 6 vrijsteden.
וְהֶעָרִ֖ים
(vehearim)
en de steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּתֵּ֑נוּ
(titenu)
jullie zullen geven
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מִקְלָ֖ט
(miqlat)
toevlucht
תִּהְיֶ֥ינָה
(tihyeina)
zullen zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Drie steden moeten jullie geven aan de overkant van de Jordaan, en drie steden moeten jullie geven in het land Kanaän. Het moeten vrijsteden zijn.
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
הֶעָרִ֗ים
(hearim)
de steden
תִּתְּנוּ֙
(titenu)
jullie zullen geven
מֵעֵ֣בֶר
(meever)
van de overkant van
לַיַּרְדֵּ֔ן
(layarden)
de Jordaan
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
הֶֽעָרִ֔ים
(hearim)
de steden
תִּתְּנ֖וּ
(titenu)
jullie zullen geven
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מִקְלָ֖ט
(miqlat)
toevlucht
תִּהְיֶֽינָה
(tihyeina)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Drie vrijsteden liggen ten oosten van de Jordaan (Deut. 4:41–43) en drie in Kanaän (Joz. 20:7–8).
15Voor de zonen van Israël, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden zijn deze 6 steden een toevlucht. Ieder die een mens bij vergissing doodslaat, kan daarheen vluchten.
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְלַגֵּ֤ר
(velager)
en voor de vreemdeling
וְלַתּוֹשָׁב֙
(velatoshav)
en voor de bijwoner
בְּתוֹכָ֔ם
(betokham)
in hun midden
תִּהְיֶ֛ינָה
(tihyeina)
zullen zijn
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
הֶעָרִ֥ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
לְמִקְלָ֑ט
(lemiqlat)
tot toevlucht
לָנ֣וּס
(lanus)
om te vluchten
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
כָּל
(kal)
ieder
מַכֵּה
(make)
die slaat
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
persoon
בִּשְׁגָגָֽה
(bishgaga)
bij vergissing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, en תּוֹשָׁב (toshav), ‘bijwoner’: zie Lev. 25:23 en 25:35.
17Of als hij hem slaat met een steen in de hand, waaraan iemand kan sterven, zodat hij sterft, dan is hij een doodslager. De doodslager moet zeker gedood worden.
וְאִ֡ם
(veim)
en als
בְּאֶ֣בֶן
(beeven)
met een steen van
יָד֩
(yad)
hand
אֲשֶׁר
(asher)
waarvan
יָמ֨וּת
(yamut)
hij kan sterven
בָּ֥הּ
(bah)
daaraan
הִכָּ֛הוּ
(hikahu)
hij slaat hem
וַיָּמֹ֖ת
(vayamot)
zodat hij sterft
רֹצֵ֣חַֽ
(rotseach)
doodslager
ה֑וּא
(hu)
hij
מ֥וֹת
(mot)
de dood
יוּמַ֖ת
(yumat)
hij zal gedood worden
הָרֹצֵֽחַ
(harotseach)
de doodslager
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Of als hij hem slaat met een houten voorwerp in de hand, waaraan iemand kan sterven, zodat hij sterft, dan is hij een doodslager. De doodslager moet zeker gedood worden.
א֡וֹ
(o)
of
בִּכְלִ֣י
(bikhli)
met een voorwerp van
עֵֽץ
(ets)
hout
יָד֩
(yad)
hand
אֲשֶׁר
(asher)
waarbij
יָמ֨וּת
(yamut)
hij kan sterven
בּ֥וֹ
(bo)
daarmee
הִכָּ֛הוּ
(hikahu)
hij slaat hem
וַיָּמֹ֖ת
(vayamot)
zodat hij sterft
רֹצֵ֣חַֽ
(rotseach)
doodslager
ה֑וּא
(hu)
hij
מ֥וֹת
(mot)
de dood
יוּמַ֖ת
(yumat)
hij zal gedood worden
הָרֹצֵֽחַ
(harotseach)
de doodslager
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De losser van het bloed zal zelf de doodslager doden. Wanneer hij hem tegenkomt, zal hij hem doden.
גֹּאֵ֣ל
(goel)
losser van
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
ה֥וּא
(hu)
hij
יָמִ֖ית
(yamit)
hij zal doden
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹצֵ֑חַ
(harotseach)
de doodslager
בְּפִגְעוֹ
(befigo)
bij zijn ontmoeten
ב֖וֹ
(bo)
hem
ה֥וּא
(hu)
hij
יְמִיתֶֽנּוּ
(yemitenu)
hij zal hem doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21of slaat hij hem uit vijandschap met zijn hand, zodat hij sterft, dan moet wie hem sloeg zeker gedood worden. Hij is een doodslager. De losser van het bloed zal de doodslager doden wanneer hij hem tegenkomt.
א֣וֹ
(o)
of
בְאֵיבָ֞ה
(beeiva)
uit vijandschap
הִכָּ֤הוּ
(hikahu)
hij slaat hem
בְיָדוֹ֙
(beyado)
met zijn hand
וַיָּמֹ֔ת
(vayamot)
en hij sterft
מֽוֹת
(mot)
de dood
יוּמַ֥ת
(yumat)
hij zal gedood worden
הַמַּכֶּ֖ה
(hamake)
wie slaat
רֹצֵ֣חַֽ
(rotseach)
doodslager
ה֑וּא
(hu)
hij
גֹּאֵ֣ל
(goel)
losser van
הַדָּ֗ם
(hadam)
het bloed
יָמִ֛ית
(yamit)
hij zal doden
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹצֵ֖חַ
(harotseach)
de doodslager
בְּפִגְעוֹ
(befigo)
bij zijn ontmoeten
בֽוֹ
(bo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Doodslag bij vergissing
22Maar als hij hem plotseling en zonder vijandschap wegstoot, of ergens een voorwerp op hem gooit zonder op de loer te liggen,
וְאִם
(veim)
en als
בְּפֶ֥תַע
(befeta)
plotseling
בְּלֹא
(belo)
zonder
אֵיבָ֖ה
(eiva)
vijandschap
הֲדָפ֑וֹ
(hadafo)
hij stoot hem weg
אוֹ
(o)
of
הִשְׁלִ֥יךְ
(hishlikh)
hij gooit
עָלָ֛יו
(alav)
op hem
כָּל
(kal)
elk
כְּלִ֖י
(keli)
voorwerp
בְּלֹ֥א
(belo)
zonder
צְדִיָּֽה
(tsediya)
op de loer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit zijn de gevallen waarin de doodslager niet gedood hoeft te worden: ongewild, zonder vijandschap.
Vergelijk Exod. 21:13, waar ‘niet op de loer liggen’ het kenmerk is.
23of met een steen waaraan iemand kan sterven, zonder het te zien, zodat die op hem valt en hij sterft. Hij was geen vijand van hem en zijn kwaad niet zocht,
א֣וֹ
(o)
of
בְכָל
(bekhal)
met elke
אֶ֜בֶן
(even)
steen
אֲשֶׁר
(asher)
waarvan
יָמ֥וּת
(yamut)
hij kan sterven
בָּהּ֙
(bah)
daaraan
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
רְא֔וֹת
(reot)
te zien
וַיַּפֵּ֥ל
(vayapel)
en hij valt
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
וַיָּמֹ֑ת
(vayamot)
en hij sterft
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
לֹא
(lo)
niet
אוֹיֵ֣ב
(oyev)
vijand
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
zoeker van
רָעָתֽוֹ
(raato)
zijn kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24dan moet de gemeenschap rechtspreken tussen wie sloeg en de losser van het bloed, volgens deze rechtsregels.
וְשָֽׁפְטוּ֙
(veshafetu)
en zal rechtspreken
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
הַמַּכֶּ֔ה
(hamake)
wie slaat
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
גֹּאֵ֣ל
(goel)
losser van
הַדָּ֑ם
(hadam)
het bloed
עַ֥ל
(al)
over
הַמִּשְׁפָּטִ֖ים
(hamishpatim)
de rechtsregels
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De gemeenschap moet de doodslager redden uit de hand van de losser van het bloed. De gemeenschap moet hem terugbrengen naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht is. Daar moet hij blijven tot de dood van de hogepriester, die met de heilige olie gezalfd is.
וְהִצִּ֨ילוּ
(vehitsilu)
en zal redden
הָעֵדָ֜ה
(haeda)
de gemeenschap
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹצֵ֗חַ
(harotseach)
de doodslager
מִיַּד֮
(miyad)
uit de hand van
גֹּאֵ֣ל
(goel)
losser van
הַדָּם֒
(hadam)
het bloed
וְהֵשִׁ֤יבוּ
(veheshivu)
en zal terugbrengen
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
אֶל
(el)
naar
עִ֥יר
(ir)
stad van
מִקְלָט֖וֹ
(miqlato)
zijn toevlucht
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
נָ֣ס
(nas)
hij is gevlucht
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וְיָ֣שַׁב
(veyashav)
en hij zal wonen
בָּ֗הּ
(bah)
daarin
עַד
(ad)
tot
מוֹת֙
(mot)
dood van
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדֹ֔ל
(hagadol)
de grote
אֲשֶׁר
(asher)
die
מָשַׁ֥ח
(mashach)
heeft gezalfd
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּשֶׁ֥מֶן
(beshemen)
met olie van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De hogepriester is gezalfd met de heilige olie (Exod. 30:30; Lev. 8:12).
28Want in zijn vrijstad moet hij blijven tot de dood van de hogepriester. Na de dood van de hogepriester mag de doodslager terugkeren naar het land van zijn bezit.
כִּ֣י
(ki)
want
בְעִ֤יר
(beir)
in de stad van
מִקְלָטוֹ֙
(miqlato)
zijn toevlucht
יֵשֵׁ֔ב
(yeshev)
hij zal wonen
עַד
(ad)
tot
מ֖וֹת
(mot)
dood van
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדֹ֑ל
(hagadol)
de grote
וְאַחֲרֵ֥י
(veacharei)
en na
מוֹת֙
(mot)
dood van
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדֹ֔ל
(hagadol)
de grote
יָשׁוּב֙
(yashuv)
zal terugkeren
הָרֹצֵ֔חַ
(harotseach)
de doodslager
אֶל
(el)
naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
אֲחֻזָּתֽוֹ
(achuzato)
zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Na de dood van de hogepriester mag de doodslager terug naar zijn eigen bezit.
De losser van het bloed mag hem dan niet meer doden.
30Ieder die een mens doodslaat: op verklaring van getuigen moet men de doodslager doden. Maar één getuige mag niet tegen iemand getuigen om hem te laten sterven.
כָּל
(kal)
ieder
מַ֨כֵּה
(make)
die slaat
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
persoon
לְפִ֣י
(lefi)
op verklaring van
עֵדִ֔ים
(edim)
getuigen
יִרְצַ֖ח
(yirtsach)
men zal doden
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹצֵ֑חַ
(harotseach)
de doodslager
וְעֵ֣ד
(veed)
en getuige
אֶחָ֔ד
(echad)
één
לֹא
(lo)
niet
יַעֲנֶ֥ה
(yaane)
zal getuigen
בְנֶ֖פֶשׁ
(benefesh)
tegen een persoon
לָמֽוּת
(lamut)
om te sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Voor een doodvonnis zijn minstens twee getuigen nodig; zie Deut. 17:6 en 19:15.
32Jullie mogen ook geen losgeld nemen voor iemand die naar zijn vrijstad gevlucht is. Zo zou hij terugkeren en in het land wonen voor de dood van de priester.
וְלֹא
(velo)
en niet
תִקְח֣וּ
(tiqchu)
jullie zullen nemen
כֹ֔פֶר
(kofer)
losgeld
לָנ֖וּס
(lanus)
om te vluchten
אֶל
(el)
naar
עִ֣יר
(ir)
stad van
מִקְלָט֑וֹ
(miqlato)
zijn toevlucht
לָשׁוּב֙
(lashuv)
om terug te keren
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
עַד
(ad)
tot
מ֖וֹת
(mot)
dood van
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Jullie mogen het land waarin jullie wonen niet bezoedelen, want bloed bezoedelt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden voor het bloed dat erin vergoten is, behalve door het bloed van wie het vergoot.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַחֲנִ֣יפוּ
(tachanifu)
jullie zullen bezoedelen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarin
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
כִּ֣י
(ki)
want
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
ה֥וּא
(hu)
het
יַחֲנִ֖יף
(yachanif)
bezoedelt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְלָאָ֣רֶץ
(velaarets)
en voor het land
לֹֽא
(lo)
niet
יְכֻפַּ֗ר
(yekhupar)
kan verzoening gedaan worden
לַדָּם֙
(ladam)
voor het bloed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
שֻׁפַּךְ
(shupakh)
werd vergoten
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
כִּי
(ki)
behalve
אִ֖ם
(im)
als
בְּדַ֥ם
(bedam)
door het bloed van
שֹׁפְכֽוֹ
(shofekho)
wie het vergoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָנֵף (chaneph), ‘bezoedelen’: het land wordt vervuild door onschuldig bloed.
Alleen het bloed van de doodslager kan dat bloed verzoenen; vergelijk Gen. 9:6.