Elohim Bijbel

Deuteronomium 20

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Regels voor de oorlog

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wees niet bang

1Wanneer je ten strijde trekt tegen je vijanden en je ziet paarden en wagens, een volk dat groter is dan jij. Wees dan niet bang voor hen. Want Yahweh, je Elohim, is met je, Hij die je uit het land Egypte heeft laten optrekken.
כִּֽי
(ki)
wanneer
תֵצֵ֨א
(tetse)
je uittrekt
לַמִּלְחָמָ֜ה
(lamilchama)
ten strijde
עַל
(al)
tegen
אֹיְבֶ֗יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
וְֽרָאִ֜יתָ
(veraita)
en je ziet
ס֤וּס
(sus)
paard
וָרֶ֨כֶב֙
(varekhev)
en wagen
עַ֚ם
(am)
een volk
רַ֣ב
(rav)
groter
מִמְּךָ֔
(mimekha)
dan jij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִירָ֖א
(tira)
zul je vrezen
מֵהֶ֑ם
(mehem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
הַמַּֽעַלְךָ֖
(hamaalkha)
die je liet optrekken
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Paarden en wagens waren de sterkste wapens van die tijd.

Yahweh heeft Israël uit Egypte laten optrekken (Exod. 14:23–28); dat is de reden dat Israël niet bang hoeft te zijn.

2Als jullie de strijd naderen, moet de priester naar voren komen en tot het volk spreken.
וְהָיָ֕ה
(vehaya)
en het zal zijn
כְּקָֽרָבְכֶ֖ם
(keqaravekhem)
als jullie naderen
אֶל
(el)
tot
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de strijd
וְנִגַּ֥שׁ
(venigash)
en komt naderbij
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְדִבֶּ֥ר
(vediber)
en spreekt
אֶל
(el)
tot
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij moet tegen hen zeggen: „Luister, Israël, jullie gaan vandaag de strijd in tegen jullie vijanden. Laat jullie hart niet week worden. Wees niet bang, raak niet in paniek en beef niet voor hen.
וְאָמַ֤ר
(veamar)
en hij zal zeggen
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַתֶּ֨ם
(atem)
jullie
קְרֵבִ֥ים
(qerevim)
zijn dicht bij
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
de strijd
עַל
(al)
tegen
אֹיְבֵיכֶ֑ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
אַל
(al)
niet
יֵרַ֣ךְ
(yerakh)
laat week worden
לְבַבְכֶ֗ם
(levavkhem)
jullie hart
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֧וּ
(tireu)
vrees
וְאַֽל
(veal)
en niet
תַּחְפְּז֛וּ
(tachpezu)
raak in paniek
וְאַל
(veal)
en niet
תַּֽעַרְצ֖וּ
(taartsu)
beef
מִפְּנֵיהֶֽם
(mipeneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Want Yahweh, jullie Elohim, gaat met jullie mee om voor jullie te strijden tegen jullie vijanden, om jullie te redden.”
כִּ֚י
(ki)
want
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
הַהֹלֵ֖ךְ
(haholekh)
die gaat
עִמָּכֶ֑ם
(imakhem)
met jullie
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
om te strijden
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
עִם
(im)
met
אֹיְבֵיכֶ֖ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
לְהוֹשִׁ֥יעַ
(lehoshia)
om te redden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wie naar huis mag gaan

5De opzichters moeten tot het volk zeggen: „Wie heeft een nieuw huis gebouwd en het nog niet ingewijd? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en wijdt een ander man het in.
וְדִבְּר֣וּ
(vediberu)
en zullen spreken
הַשֹּֽׁטְרִים֮
(hashoterim)
de opzichters
אֶל
(el)
tot
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
מִֽי
(mi)
wie
הָאִ֞ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
בָּנָ֤ה
(bana)
bouwde
בַֽיִת
(bayit)
een huis
חָדָשׁ֙
(chadash)
nieuw
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חֲנָכ֔וֹ
(chanakho)
inwijdde het
יֵלֵ֖ךְ
(yelekh)
hij moet gaan
וְיָשֹׁ֣ב
(veyashov)
en terugkeren
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
פֶּן
(pen)
anders
יָמוּת֙
(yamut)
sterft hij
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de strijd
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
אַחֵ֖ר
(acher)
ander
יַחְנְכֶֽנּוּ
(yachnekhenu)
wijdt het in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: mannen met een leidende taak in het volk; hetzelfde woord staat in Exod. 5:14.

חָנַךְ (chanak), ‘inwijden’: een huis voor het eerst in gebruik nemen.

6En wie heeft een wijngaard geplant en hem nog niet in gebruik genomen? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en neemt een ander man hem in gebruik.
וּמִֽי
(umi)
en wie
הָאִ֞ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָטַ֥ע
(nata)
plantte
כֶּ֨רֶם֙
(kerem)
een wijngaard
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חִלְּל֔וֹ
(chilelo)
in gebruik nam hem
יֵלֵ֖ךְ
(yelekh)
hij moet gaan
וְיָשֹׁ֣ב
(veyashov)
en terugkeren
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
פֶּן
(pen)
anders
יָמוּת֙
(yamut)
sterft hij
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de strijd
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
אַחֵ֖ר
(acher)
ander
יְחַלְּלֶֽנּוּ
(yechalelenu)
neemt hem in gebruik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִלֵּל (chillel), ‘in gebruik nemen’: de eerste vruchten van een nieuwe wijngaard werden pas na enkele jaren gegeten (Lev. 19:23–25).

7En wie heeft zich verloofd met een vrouw en haar nog niet genomen? Hij mag teruggaan naar zijn huis, anders sterft hij in de strijd en neemt een ander man haar.”
וּמִֽי
(umi)
en wie
הָאִ֞ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
אֵרַ֤שׂ
(eras)
zich verloofde met
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לְקָחָ֔הּ
(leqachah)
nam haar
יֵלֵ֖ךְ
(yelekh)
hij moet gaan
וְיָשֹׁ֣ב
(veyashov)
en terugkeren
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
פֶּן
(pen)
anders
יָמוּת֙
(yamut)
sterft hij
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de strijd
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
אַחֵ֖ר
(acher)
ander
יִקָּחֶֽנָּה
(yiqachena)
neemt haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verloofde man is vrijgesteld.

Een pasgetrouwde man was een jaar vrijgesteld (Deut. 24:5).

8De opzichters moeten verder tot het volk spreken en zeggen: „Wie is bang en week van hart? Hij mag teruggaan naar zijn huis, zodat hij het hart van zijn broers niet doet smelten zoals zijn eigen hart.”
וְיָסְפ֣וּ
(veyasefu)
en zullen verder gaan
הַשֹּׁטְרִים֮
(hashoterim)
de opzichters
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
te spreken
אֶל
(el)
tot
הָעָם֒
(haam)
het volk
וְאָמְר֗וּ
(veameru)
en zullen zeggen
מִי
(mi)
wie
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַיָּרֵא֙
(hayare)
de bange
וְרַ֣ךְ
(verakh)
en week van
הַלֵּבָ֔ב
(halevav)
hart
יֵלֵ֖ךְ
(yelekh)
hij moet gaan
וְיָשֹׁ֣ב
(veyashov)
en terugkeren
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
naar zijn huis
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִמַּ֛ס
(yimas)
doet smelten
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַ֥ב
(levav)
hart van
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
כִּלְבָבֽוֹ
(kilvavo)
zoals zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַךְ הַלֵּבָב (rach halevav), ‘week van hart’: bang, zonder moed.

Zo iemand steekt anderen aan met zijn angst.

9Als de opzichters klaar zijn met spreken tot het volk, stellen zij legeraanvoerders aan het hoofd van het volk.
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
כְּכַלֹּ֥ת
(kekhalot)
als ze klaar zijn
הַשֹּׁטְרִ֖ים
(hashoterim)
de opzichters
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
met spreken
אֶל
(el)
tot
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וּפָֽקְד֛וּ
(ufaqedu)
en zullen aanstellen
שָׂרֵ֥י
(sarei)
aanvoerders van
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
legers
בְּרֹ֥אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een stad belegeren

10Wanneer je een stad nadert om tegen haar te strijden, bied haar dan vrede aan.
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִקְרַ֣ב
(tiqrav)
je nadert
אֶל
(el)
tot
עִ֔יר
(ir)
een stad
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְקָרָ֥אתָ
(veqarata)
en je roept
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
haar toe
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
tot vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָרָא לְשָׁלוֹם (qara leshalom), letterlijk ‘tot vrede roepen’: een stad vrede aanbieden voordat men haar aanvalt.

11Als zij je vrede antwoordt en voor je opent, dan moet heel het volk dat erin gevonden wordt, dwangarbeiders voor je zijn en je dienen.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
תַּֽעַנְךָ֔
(taankha)
zij antwoordt je
וּפָתְחָ֖ה
(ufatecha)
en voor je opent
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַנִּמְצָא
(hanimtsa)
dat gevonden wordt
בָ֗הּ
(bah)
in haar
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
לָמַ֖ס
(lamas)
tot dwangarbeid
וַעֲבָדֽוּךָ
(vaavadukha)
en je dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַס (mas), ‘dwangarbeid’: verplicht werk voor een heerser (Exod. 1:11).

12Maar als zij geen vrede met je sluit en oorlog met je voert, dan moet je haar belegeren.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
תַשְׁלִים֙
(tashlim)
zij vrede sluit
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
וְעָשְׂתָ֥ה
(veaseta)
en zij voert
עִמְּךָ֖
(imekha)
met jou
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
וְצַרְתָּ֖
(vetsarta)
en je belegert
עָלֶֽיהָּ
(aleiha)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Wanneer Yahweh, je Elohim, haar in je hand geeft, sla dan al haar mannen met de scherpte van het zwaard.
וּנְתָנָ֛הּ
(unetanah)
en geeft haar
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְהִכִּיתָ֥
(vehikita)
en je slaat
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
זְכוּרָ֖הּ
(zekhurah)
haar mannen
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְכוּרָהּ (zekhurah), ‘haar mannen’: de mannelijke inwoners van de stad.

14Alleen de vrouwen, de kleintjes, het vee en alles wat in de stad is, al haar buit, mag je voor jezelf als buit nemen. Je mag de buit van je vijanden eten die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft.
רַ֣ק
(raq)
alleen
הַ֠נָּשִׁים
(hanashim)
de vrouwen
וְהַטַּ֨ף
(vehataf)
en de kleintjes
וְהַבְּהֵמָ֜ה
(vehabehema)
en het vee
וְכֹל֩
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
בָעִ֛יר
(bair)
in de stad
כָּל
(kal)
al
שְׁלָלָ֖הּ
(shelalah)
haar buit
תָּבֹ֣ז
(tavoz)
zul je als buit nemen
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
וְאָֽכַלְתָּ֙
(veakhalta)
en je zult eten
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלַ֣ל
(shelal)
buit van
אֹיְבֶ֔יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֛ן
(natan)
gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָכַלְתָּ (ve’akhalta), letterlijk ‘en je zult eten’: de buit gebruiken en ervan leven.

15Zo moet je doen met alle steden die heel ver van je liggen, die niet bij de steden van deze volken horen.
כֵּ֤ן
(ken)
zo
תַּעֲשֶׂה֙
(taase)
zul je doen
לְכָל
(lekhal)
met alle
הֶ֣עָרִ֔ים
(hearim)
de steden
הָרְחֹקֹ֥ת
(harechoqot)
de verre
מִמְּךָ֖
(mimekha)
van jou
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
מֵעָרֵ֥י
(mearei)
van de steden van
הַגּֽוֹיִם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
הֵֽנָּה
(hena)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor verre steden gelden andere regels dan voor de steden in het land zelf (vers 16–18).

De steden van de volken in het land

16Maar van de steden van deze volken, die Yahweh, je Elohim, je geeft als erfdeel, mag je niets laten leven wat adem heeft.
רַ֗ק
(raq)
alleen
מֵעָרֵ֤י
(mearei)
van de steden van
הָֽעַמִּים֙
(haamim)
de volken
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
die geeft
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
נַחֲלָ֑ה
(nachala)
als erfdeel
לֹ֥א
(lo)
niet
תְחַיֶּ֖ה
(techaye)
zul je laten leven
כָּל
(kal)
alles
נְשָׁמָֽה
(neshama)
wat adem heeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשָׁמָה (neshamah), ‘wat adem heeft’: alles wat leeft.

17Want je moet hen zeker bannen: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Dat is zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft,
כִּֽי
(ki)
want
הַחֲרֵ֣ם
(hacharem)
volledig
תַּחֲרִימֵ֗ם
(tacharimem)
zul je hen bannen
הַחִתִּ֤י
(hachiti)
de Hethiet
וְהָאֱמֹרִי֙
(vehaemori)
en de Amoriet
הַכְּנַעֲנִ֣י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַפְּרִזִּ֔י
(vehaperizi)
en de Perizziet
הַחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִ֑י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוְּךָ֖
(tsivekha)
gebood je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרַם (charam), ‘bannen’: iets of iemand geheel aan Yahweh toewijden, zodat het volledig vernietigd wordt (zie Exod. 22:19).

Zie ook Deut. 7:1–2 en Exod. 23:23.

18zodat ze je niet leren te doen naar al hun gruwelen die ze voor hun goden hebben gedaan, en je tegen Yahweh, je Elohim, zondigt.
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יְלַמְּד֤וּ
(yelamedu)
ze leren
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
לַעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
om te doen
כְּכֹל֙
(kekhol)
naar al
תּֽוֹעֲבֹתָ֔ם
(toavotam)
hun gruwelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשׂ֖וּ
(asu)
ze deden
לֵֽאלֹהֵיהֶ֑ם
(leloheihem)
voor hun goden
וַחֲטָאתֶ֖ם
(vachatatem)
en jullie zondigen
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֵבָה (toevah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt, vooral afgoderij.

Hetzelfde woord staat in Deut. 22:5, 23:19 en 24:4.

Spaar de vruchtbomen

19Wanneer je lange tijd een stad belegert om tegen haar te strijden en haar in te nemen: dan mag je haar bomen niet vernietigen. Je mag er geen bijl tegen zwaaien. Want je kunt ervan eten, dus je mag ze niet omhakken. Want is de boom van het veld een mens, dat hij vanwege jou in de belegering zou komen?
כִּֽי
(ki)
wanneer
תָצ֣וּר
(tatsur)
je belegert
אֶל
(el)
een
עִיר֩
(ir)
stad
יָמִ֨ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֜ים
(rabim)
vele
לְֽהִלָּחֵ֧ם
(lehilachem)
om te strijden
עָלֶ֣יהָ
(aleiha)
tegen haar
לְתָפְשָׂ֗הּ
(letafesah)
om haar in te nemen
לֹֽא
(lo)
niet
תַשְׁחִ֤ית
(tashchit)
zul je vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵצָהּ֙
(etsah)
haar bomen
לִנְדֹּ֤חַ
(lindoach)
door te zwaaien
עָלָיו֙
(alav)
tegen hen
גַּרְזֶ֔ן
(garzen)
een bijl
כִּ֚י
(ki)
want
מִמֶּ֣נּוּ
(mimenu)
van hen
תֹאכֵ֔ל
(tokhel)
zul je eten
וְאֹת֖וֹ
(veoto)
en hen
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכְרֹ֑ת
(tikhrot)
zul je omhakken
כִּ֤י
(ki)
want
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
עֵ֣ץ
(ets)
boom van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
לָבֹ֥א
(lavo)
om te komen
מִפָּנֶ֖יךָ
(mipaneikha)
vanwege jou
בַּמָּצֽוֹר
(bamatsor)
in de belegering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst heeft een moeilijke zin aan het eind: כִּי הָאָדָם עֵץ הַשָּׂדֶה (ki haadam ets hasadeh), letterlijk ‘want de mens is een boom van het veld’.

Wij lezen dit als een vraag: ‘Want is de boom van het veld een mens?’

Een boom kan zich niet verdedigen en hoort dus niet bij de strijd.

Een andere lezing is: ‘de mens leeft van de bomen van het veld’.

20Alleen een boom waarvan je weet dat het geen vruchtboom is, mag je vernietigen en omhakken. Bouw er een belegeringswal van tegen de stad die oorlog met je voert, totdat ze valt.
רַ֞ק
(raq)
alleen
עֵ֣ץ
(ets)
boom
אֲשֶׁר
(asher)
waarvan
תֵּדַ֗ע
(teda)
je weet
כִּֽי
(ki)
dat
לֹא
(lo)
niet
עֵ֤ץ
(ets)
boom van
מַאֲכָל֙
(maakhal)
voedsel
ה֔וּא
(hu)
hij is
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
תַשְׁחִ֖ית
(tashchit)
zul je vernietigen
וְכָרָ֑תָּ
(vekharata)
en omhakken
וּבָנִ֣יתָ
(uvanita)
en bouwen
מָצ֗וֹר
(matsor)
een belegeringswal
עַל
(al)
tegen
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִ֨וא
(hi)
zij
עֹשָׂ֧ה
(osa)
voert
עִמְּךָ֛
(imekha)
met jou
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
עַ֥ד
(ad)
totdat
רִדְתָּֽהּ
(ridtah)
haar val
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָצוֹר (matsor), ‘belegeringswal’: een wal of toren die tegen de muur van een stad gebouwd wordt.