Elohim Bijbel

Nehemia 13

12345678910111213

De hervormingen van Nehemia

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De gemengde schare wordt afgescheiden

1Op die dag werd uit het boek van Mozes voorgelezen, in de oren van het volk. Daarin werd geschreven gevonden dat een Ammoniet en een Moabiet nooit in de vergadering van Elohim mogen komen, tot in eeuwigheid.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
נִקְרָ֛א
(niqra)
werd voorgelezen
בְּסֵ֥פֶר
(besefer)
uit het boek van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְנִמְצָא֙
(venimtsa)
en werd gevonden
כָּת֣וּב
(katuv)
geschreven
בּ֔וֹ
(bo)
daarin
אֲ֠שֶׁר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָב֨וֹא
(yavo)
zal komen
עַמֹּנִ֧י
(amoni)
een Ammoniet
וּמֹאָבִ֛י
(umoavi)
en een Moabiet
בִּקְהַ֥ל
(biqhal)
in de vergadering van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden over de Ammoniet en de Moabiet staan in Deut. 23:4–5.

Wij vertalen hier zoals daar: ‘vergadering’ (קָהָל, qahal) en ‘tot in eeuwigheid’ (עַד עוֹלָם, ad olam).

סֵפֶר מֹשֶׁה (sefer mosheh), ‘het boek van Mozes’: de Torah.

Het Hebreeuws zegt niet welke dag ‘die dag’ is. Het hoofdstuk begint zonder datum, in de tijd na de inwijding van de muur (Neh. 12).

2Want zij waren de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen. Zij hadden Bileam tegen hen ingehuurd om hen te vervloeken. Maar onze Elohim veranderde de vloek in een zegen.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֧א
(lo)
niet
קִדְּמ֛וּ
(qidemu)
kwamen tegemoet
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּלֶּ֣חֶם
(balechem)
met brood
וּבַמָּ֑יִם
(uvamayim)
en met water
וַיִּשְׂכֹּ֨ר
(vayiskor)
en huurde in
עָלָ֤יו
(alav)
tegen hen
אֶת
(et)
(obj.)
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
לְקַֽלְל֔וֹ
(leqallo)
om hem te vervloeken
וַיַּהֲפֹ֧ךְ
(vayahafokh)
en veranderde
אֱלֹהֵ֛ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַקְּלָלָ֖ה
(haqelala)
de vloek
לִבְרָכָֽה
(livrakha)
in zegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bileam, de zoon van Beor, werd ingehuurd door Balak, de koning van Moab (Num. 22:5–6; Deut. 23:5–6).

Elohim veranderde de vloek in een zegen (Num. 23–24).

3Toen zij de Torah hoorden, scheidden zij heel de gemengde schare van Israël af.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
כְּשָׁמְעָ֣ם
(keshameam)
toen zij hoorden
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֑ה
(hatora)
de Torah
וַיַּבְדִּ֥ילוּ
(vayavdilu)
en zij scheidden af
כָל
(kal)
alle
עֵ֖רֶב
(erev)
gemengde schare
מִיִּשְׂרָאֵֽל
(miyisrael)
van Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵרֶב (erev), ‘gemengde schare’: mensen van andere afkomst die bij Israël waren gaan horen.

Zo vertalen wij ook in Exod. 12:38.

הַתּוֹרָה (hattorah), ‘de Torah’: wat zo-even uit het boek van Mozes was voorgelezen.

Tobia en de kamer in het huis van Elohim

4Vóór dit was Eljasib, de priester, gesteld over de kamer van het huis van onze Elohim. Hij was een verwant van Tobia.
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor
מִזֶּ֔ה
(mize)
dit
אֶלְיָשִׁיב֙
(elyashiv)
Eljasib
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
נָת֖וּן
(natun)
gesteld
בְּלִשְׁכַּ֣ת
(belishkat)
over de kamer van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
קָר֖וֹב
(qarov)
verwant
לְטוֹבִיָּֽה
(letoviya)
aan Tobia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eljasib de priester is waarschijnlijk dezelfde als de hogepriester uit Neh. 3:1 en 12:10.

Het Hebreeuws zegt ‘de priester’ en geeft hem hier geen titel van hogepriester.

נָתוּן (natun), ‘gesteld’: letterlijk ‘gegeven’, dat is: toevertrouwd. Het gaat om de zorg voor de kamers van het huis.

טוֹבִיָּה (toviyyah), ‘Tobia’: de Ammoniet, de tegenstander van Nehemia (Neh. 2:10, 19). De band tussen Eljasib en Tobia blijkt ook uit Neh. 6:17–19.

קָרוֹב (qarov), ‘verwant’: letterlijk ‘dichtbij’. Het kan familie betekenen of een nauwe band. De tekst zegt niet hoe zij verwant waren.

5Hij had voor hem een grote kamer gemaakt. Daar legde men vroeger het graanoffer, de wierook en de voorwerpen neer. Ook de tiende van het graan, de nieuwe wijn en de olie lag daar, wat voorgeschreven was voor de Levieten, de zangers en de poortwachters. En de heffing voor de priesters.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֜וֹ
(lo)
voor hem
לִשְׁכָּ֣ה
(lishka)
een kamer
גְדוֹלָ֗ה
(gedola)
grote
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
הָי֪וּ
(hayu)
waren
לְפָנִ֟ים
(lefanim)
vroeger
נֹ֠תְנִים
(notenim)
die legden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֨ה
(hamincha)
het graanoffer
הַלְּבוֹנָ֜ה
(halevona)
de wierook
וְהַכֵּלִ֗ים
(vehakelim)
en de voorwerpen
וּמַעְשַׂ֤ר
(umasar)
en de tiende van
הַדָּגָן֙
(hadagan)
het graan
הַתִּיר֣וֹשׁ
(hatirosh)
de nieuwe wijn
וְהַיִּצְהָ֔ר
(vehayitshar)
en de olie
מִצְוַת֙
(mitsvat)
wat voorgeschreven was voor
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֑ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
וּתְרוּמַ֖ת
(uterumat)
en de heffing van
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers somt op wat in deze kamers werd bewaard: het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tiende en de heffing.

Vergelijk Neh. 10:38–40 en Num. 18:8–32.

נֹתְנִים (notenim), ‘legde men neer’: een deelwoord in het meervoud, letterlijk ‘gevende’. Wij begrijpen: men legde daar neer.

6Tijdens dit alles was ik niet in Jeruzalem. Want in het tweeëndertigste jaar van Artachsasta, de koning van Babel, was ik naar de koning gegaan. Na enige tijd kreeg ik verlof van de koning.
וּבְכָל
(uvekhal)
en in al
זֶ֕ה
(ze)
dit
לֹ֥א
(lo)
niet
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
was ik
בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֡י
(ki)
want
בִּשְׁנַת֩
(bishnat)
in het jaar
שְׁלֹשִׁ֨ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁתַּ֜יִם
(ushtayim)
en twee
לְאַרְתַּחְשַׁ֤סְתְּא
(leartachshaste)
van Artachsasta
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
בָּ֣אתִי
(bati)
kwam ik
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּלְקֵ֥ץ
(uleqets)
en na het einde van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
נִשְׁאַ֥לְתִּי
(nishalti)
kreeg ik verlof
מִן
(min)
van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

אַרְתַּחְשַׁסְתָּא מֶלֶךְ בָּבֶל (artachshasta melekh bavel), ‘Artachsasta, de koning van Babel’: Artachsasta was koning van Perzië.

Hij regeerde ook over Babel.

Vergelijk Ezra 6:22, waar Darius ‘koning van Assyrië’ heet.

נִשְׁאַלְתִּי (nish’alti), ‘kreeg ik verlof’: letterlijk ‘werd ik gevraagd’. Het werkwoord שָׁאַל (sha’al) betekent ‘vragen’. De zin bedoelt dat Nehemia om verlof vroeg en het kreeg; de tekst zegt het niet nader.

7Ik kwam in Jeruzalem en zag het kwaad dat Eljasib voor Tobia had gedaan. Hij had voor hem een kamer gemaakt in de voorhoven van het huis van Elohim.
וָאָב֖וֹא
(vaavo)
en ik kwam
לִֽירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
וָאָבִ֣ינָה
(vaavina)
en ik begreep
בָרָעָ֗ה
(baraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשָׂ֤ה
(asa)
had gedaan
אֶלְיָשִׁיב֙
(elyashiv)
Eljasib
לְט֣וֹבִיָּ֔ה
(letoviya)
voor Tobia
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
door te maken
לוֹ֙
(lo)
voor hem
נִשְׁכָּ֔ה
(nishka)
een kamer
בְּחַצְרֵ֖י
(bechatsrei)
in de voorhoven van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נִשְׁכָּה (nishkah), ‘kamer’: een ander woord dan לִשְׁכָּה (lishkah) in vers 4 en 5.

Beide betekenen kamer in het huis van Elohim.

Wij vertalen beide ‘kamer’.

חַצְרֵי בֵּית הָאֱלֹהִים (chatsre bet ha’Elohim), ‘de voorhoven van het huis van Elohim’: de ruimten rondom het eigenlijke huis.

8Het beviel mij zeer slecht. Ik wierp al het huisraad van Tobia buiten de kamer.
וַיֵּ֥רַֽע
(vayera)
en het was kwaad
לִ֖י
(li)
in mijn ogen
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וָֽאַשְׁלִ֜יכָה
(vaashlikha)
en ik wierp
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֧י
(kelei)
voorwerpen van
בֵית
(beit)
het huis van
טוֹבִיָּ֛ה
(toviya)
Tobia
הַח֖וּץ
(hachuts)
de buitenkant
מִן
(min)
uit
הַלִּשְׁכָּֽה
(halishka)
de kamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלֵי בֵית טוֹבִיָּה (kele bet toviyyah), ‘de voorwerpen van het huis van Tobia’: het huisraad, de bezittingen van Tobia in de kamer.

9Ik gaf bevel en men reinigde de kamers. Daarna bracht ik de voorwerpen van het huis van Elohim daar terug, met het graanoffer en de wierook.
וָאֹ֣מְרָ֔ה
(vaomera)
en ik zei
וַֽיְטַהֲר֖וּ
(vaytaharu)
en zij reinigden
הַלְּשָׁכ֑וֹת
(haleshakhot)
de kamers
וָאָשִׁ֣יבָה
(vaashiva)
en ik bracht terug
שָּׁ֗ם
(sham)
daar
כְּלֵי֙
(kelei)
voorwerpen van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֖ה
(hamincha)
het graanoffer
וְהַלְּבוֹנָֽה
(vehalevona)
en de wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘ik zei, en zij reinigden’.

Wij schrijven ‘ik gaf bevel en men reinigde’.

De kamers waren onrein geworden door Tobia en zijn bezittingen.

De aandelen van de Levieten

10Ik hoorde ook dat de aandelen van de Levieten niet waren gegeven. De Levieten en de zangers die het werk deden, waren allemaal naar hun akker gevlucht.
וָאֵ֣דְעָ֔ה
(vaedea)
en ik wist
כִּֽי
(ki)
dat
מְנָי֥וֹת
(menayot)
aandelen van
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
לֹ֣א
(lo)
niet
נִתָּ֑נָה
(nitana)
waren gegeven
וַיִּבְרְח֧וּ
(vayivrechu)
en vluchtten
אִישׁ
(ish)
ieder
לְשָׂדֵ֛הוּ
(lesadehu)
naar zijn akker
הַלְוִיִּ֥ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים
(vehamshorerim)
en de zangers
עֹשֵׂ֥י
(osei)
die deden
הַמְּלָאכָֽה
(hamelakha)
het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנָיוֹת (menayot), ‘aandelen’: het deel dat de Levieten toekwam, zie Neh. 12:44 en 12:47.

Zonder hun aandeel konden de Levieten en de zangers niet van hun dienst leven. Zij gingen terug naar hun akker.

11Ik twistte met de bestuurders en zei: „Waarom is het huis van Elohim verlaten?” Ik verzamelde hen en stelde hen weer op hun post.
וָאָרִ֨יבָה֙
(vaariva)
en ik twistte met
אֶת
(et)
(obj.)
הַסְּגָנִ֔ים
(haseganim)
de bestuurders
וָאֹ֣מְרָ֔ה
(vaomera)
en ik zei
מַדּ֖וּעַ
(madua)
waarom
נֶעֱזַ֣ב
(neezav)
is verlaten
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וָֽאֶ֨קְבְּצֵ֔ם
(vaeqbetsem)
en ik verzamelde hen
וָֽאַעֲמִדֵ֖ם
(vaaamidem)
en ik stelde hen op
עַל
(al)
op
עָמְדָֽם
(amedam)
hun post
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאָרִיבָה (va’arivah), ‘ik twistte met’: het werkwoord רִיב (riv) betekent ‘twisten’, een woordenstrijd voeren.

Nehemia beschuldigt de bestuurders.

Zo vertalen wij ook in de verzen 17 en 25.

הַסְּגָנִים (hasseganim), ‘de bestuurders’: zie Neh. 12:40.

12Heel Juda bracht de tiende van het graan, de nieuwe wijn en de olie naar de voorraadkamers.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הֵבִ֜יאוּ
(heviu)
bracht
מַעְשַׂ֧ר
(masar)
tiende van
הַדָּגָ֛ן
(hadagan)
het graan
וְהַתִּיר֥וֹשׁ
(vehatirosh)
en de nieuwe wijn
וְהַיִּצְהָ֖ר
(vehayitshar)
en de olie
לָאוֹצָרֽוֹת
(laotsarot)
naar de voorraadkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Als beheerders over de voorraadkamers stelde ik aan: Sjelemja, de priester, Zadok, de schriftgeleerde, en Pedaja, van de Levieten. Naast hen stond Chanan, de zoon van Zakkur, zoon van Mattanja. Want zij werden betrouwbaar geacht. Het was hun taak om aan hun broeders uit te delen.
וָאוֹצְרָ֣ה
(vaotsera)
en ik stelde beheerders aan
עַל
(al)
over
א֠וֹצָרוֹת
(otsarot)
voorraadkamers
שֶׁלֶמְיָ֨ה
(shelemya)
Sjelemja
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
וְצָד֣וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
הַסּוֹפֵ֗ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
וּפְדָיָה֙
(ufedaya)
en Pedaja
מִן
(min)
van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
וְעַל
(veal)
en bij
יָדָ֔ם
(yadam)
hun hand
חָנָ֥ן
(chanan)
Chanan
בֶּן
(ben)
zoon van
זַכּ֖וּר
(zakur)
Zakkur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָ֑ה
(matanya)
Mattanja
כִּ֤י
(ki)
want
נֶאֱמָנִים֙
(neemanim)
betrouwbaar
נֶחְשָׁ֔בוּ
(nechshavu)
werden geacht
וַעֲלֵיהֶ֖ם
(vaaleihem)
en op hen
לַחֲלֹ֥ק
(lachaloq)
om te verdelen
לַאֲחֵיהֶֽם
(laacheihem)
aan hun broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Sjelemja, Zadok en Pedaja zijn de drie beheerders.

Zadok heet hier ‘de schriftgeleerde’ (הַסֹּפֵר, hassofer), letterlijk ‘de schrijver’.

Wij vertalen zo ook bij Ezra in Neh. 12:26.

נֶאֱמָנִים נֶחְשָׁבוּ (ne’emanim nechshavu), ‘zij werden betrouwbaar geacht’: de beheerders werden gekozen om hun betrouwbaarheid.

לַחֲלֹק לַאֲחֵיהֶם (lachaloq la’acheihem), ‘om aan hun broeders uit te delen’: de aandelen van de Levieten en de priesters.

14Gedenk mij hierom, mijn Elohim. Wis mijn daden van trouw niet uit, die ik heb gedaan voor het huis van mijn Elohim en voor zijn diensten.
זָכְרָה
(zakhera)
gedenk
לִּ֥י
(li)
mij
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
עַל
(al)
om
זֹ֑את
(zot)
dit
וְאַל
(veal)
en niet
תֶּ֣מַח
(temach)
wis uit
חֲסָדַ֗י
(chasaday)
mijn daden van trouw
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשִׂ֛יתִי
(asiti)
ik deed
בְּבֵ֥ית
(beveit)
voor het huis van
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
וּבְמִשְׁמָרָֽיו
(uvemishmarav)
en voor zijn diensten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָכְרָה לִּי (zokhrah li), ‘gedenk mij’: de eerste van de gebeden in dit hoofdstuk.

Nehemia bidt zo ook in Neh. 5:19 en 6:14.

חֲסָדַי (chasadai), ‘mijn daden van trouw’: het meervoud van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’. Hier gaat het om wat Nehemia uit trouw voor het huis van Elohim heeft gedaan.

מִשְׁמָרָיו (mishmarav), ‘zijn diensten’: letterlijk ‘zijn wachtdiensten’, de beurten van priesters en Levieten in het huis van Elohim.

De sabbat

15In die dagen zag ik in Juda mensen die op de sabbat de wijnpersen traden. Anderen brachten korenhopen binnen en laadden ze op ezels. Ook wijn, druiven, vijgen en allerlei lasten brachten zij op de sabbatdag naar Jeruzalem. Ik waarschuwde hen op de dag dat zij proviand verkochten.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in dagen
הָהֵ֡מָּה
(hahema)
die
רָאִ֣יתִי
(raiti)
zag ik
בִֽיהוּדָ֣ה
(bihuda)
in Juda
דֹּֽרְכִֽים
(dorekhim)
treders van
גִּתּ֣וֹת
(gitot)
wijnpersen
בַּשַּׁבָּ֡ת
(bashabat)
op de sabbat
וּמְבִיאִ֣ים
(umeviim)
en die binnenbrachten
הָעֲרֵמ֣וֹת
(haaremot)
de hopen
וְֽעֹמְסִ֪ים
(veomesim)
en die laadden
עַל
(al)
op
הַחֲמֹרִ֟ים
(hachamorim)
de ezels
וְאַף
(veaf)
en ook
יַ֜יִן
(yayin)
wijn
עֲנָבִ֤ים
(anavim)
druiven
וּתְאֵנִים֙
(uteenim)
en vijgen
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַשָּׂ֔א
(masa)
last
וּמְבִיאִ֥ים
(umeviim)
en die binnenbrachten
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וָאָעִ֕יד
(vaaid)
en ik waarschuwde
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag
מִכְרָ֥ם
(mikhram)
van hun verkoop
צָֽיִד
(tsayid)
proviand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דֹּרְכִים גִּתּוֹת (dorekhim gittot), ‘de wijnpersen treden’: druiven treden in de pers.

Het gebod van de sabbat staat in Exod. 20:8–10 en Deut. 5:12–14.

עֲרֵמוֹת (aremot), ‘korenhopen’: hopen van graan.

צָיִד (tsayid), ‘proviand’: het woord betekent meestal ‘jacht’ of ‘wild’, en daarna ‘voedsel’. Hier is het voedsel dat men verkocht. De betekenis is niet zeker.

16Ook de Tyriërs woonden daar. Zij brachten vis en allerlei koopwaar binnen. Zij verkochten die op de sabbat aan de zonen van Juda, in Jeruzalem.
וְהַצֹּרִים֙
(vehatsorim)
en de Tyriërs
יָ֣שְׁבוּ
(yashevu)
woonden
בָ֔הּ
(bah)
daarin
מְבִיאִ֥ים
(meviim)
die binnenbrachten
דָּ֖אג
(dag)
vis
וְכָל
(vekhal)
en alle
מֶ֑כֶר
(mekher)
koopwaar
וּמֹכְרִ֧ים
(umokherim)
en verkochten
בַּשַּׁבָּ֛ת
(bashabat)
op de sabbat
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּבִירוּשָׁלִָֽם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַצֹּרִים (hatsorim), ‘de Tyriërs’: mannen uit Tyrus, de havenstad aan de kust.

Zij woonden in Jeruzalem en handelden daar.

הַדָּאג (haddaag), ‘vis’: een ongewone spelling, met alef, van het gewone woord דָּג (dag).

17Ik twistte met de edelen van Juda en zei tegen hen: „Wat is dit voor kwaad dat jullie doen? Jullie ontheiligen de sabbatdag!
וָאָרִ֕יבָה
(vaariva)
en ik twistte met
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
חֹרֵ֣י
(chorei)
de edelen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en ik zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
מָֽה
(ma)
wat
הַדָּבָ֨ר
(hadavar)
de zaak
הָרָ֤ע
(hara)
het kwaad
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doen
וּֽמְחַלְּלִ֖ים
(umechalelim)
en ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
י֥וֹם
(yom)
dag van
הַשַּׁבָּֽת
(hashabat)
de sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹרֵי יְהוּדָה (chore yehudah), ‘de edelen van Juda’: vooraanstaande mannen.

Zo vertalen wij het woord overal.

וּמְחַלְּלִים (umechallelim), ‘ontheiligen’: het werkwoord חִלֵּל (chillel) betekent ‘gewoon maken’, het heilige als niet heilig behandelen.

18Hebben jullie vaders niet zo gedaan? Onze Elohim bracht al dit kwaad over ons en over deze stad. En jullie voegen nog brandende toorn toe over Israël, door de sabbat te ontheiligen.”
הֲל֨וֹא
(halo)
niet
כֹ֤ה
(ko)
zo
עָשׂוּ֙
(asu)
deden
אֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaders
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en liet komen
אֱלֹהֵ֜ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עָלֵ֗ינוּ
(aleinu)
over ons
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֣ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְעַ֖ל
(veal)
en over
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וְאַתֶּ֞ם
(veatem)
en jullie
מוֹסִיפִ֤ים
(mosifim)
voegen toe
חָרוֹן֙
(charon)
brandende toorn
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְחַלֵּ֖ל
(lechalel)
door te ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׁבָּֽת
(hashabat)
de sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Nehemia herinnert aan wat de vaderen deden en aan het kwaad dat Elohim over de stad bracht, de verwoesting van Jeruzalem.

Vergelijk Jer. 17:21–27.

חֲרוֹן (charon), ‘brandende toorn’: de gloed van de toorn.

19Toen de poorten van Jeruzalem in de schaduw kwamen, vóór de sabbat, gaf ik bevel. De deuren werden gesloten. Ik zei dat zij pas na de sabbat geopend mochten worden. Enkele van mijn jongens stelde ik aan over de poorten, zodat er op de sabbatdag geen last binnenkwam.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
צָֽלֲלוּ֩
(tsalalu)
werden schaduw
שַׁעֲרֵ֨י
(shaarei)
poorten van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
vóór
הַשַּׁבָּ֗ת
(hashabat)
de sabbat
וָאֹֽמְרָה֙
(vaomera)
en ik zei
וַיִּסָּגְר֣וּ
(vayisageru)
en zij sloten
הַדְּלָת֔וֹת
(hadelatot)
de deuren
וָאֹ֣מְרָ֔ה
(vaomera)
en ik zei
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפְתָּח֔וּם
(yiftachum)
zij zouden openen ze
עַ֖ד
(ad)
tot
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וּמִנְּעָרַ֗י
(uminearay)
en van mijn jongens
הֶֽעֱמַ֨דְתִּי֙
(heemadti)
stelde ik aan
עַל
(al)
over
הַשְּׁעָרִ֔ים
(hashearim)
de poorten
לֹא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
zou komen
מַשָּׂ֖א
(masa)
last
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּֽת
(hashabat)
de sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

צָלְלוּ (tsalelu), ‘kwamen in de schaduw’: het werkwoord betekent ‘schaduw geven’, ‘donker worden’.

Het is de avond voor de sabbat, bij zonsondergang.

מַשָּׂא (massa), ‘last’: alles wat men op de rug of op een ezel binnenbracht. Zie ook Neh. 5:7 en vergelijk Jer. 17:21–22.

20De kooplieden en de verkopers van allerlei koopwaar overnachtten een of twee keer buiten Jeruzalem.
וַיָּלִ֨ינוּ
(vayalinu)
en overnachtten
הָרֹכְלִ֜ים
(harokhelim)
de kooplieden
וּמֹכְרֵ֧י
(umokherei)
en verkopers van
כָל
(kal)
alle
מִמְכָּ֛ר
(mimkar)
koopwaar
מִח֥וּץ
(michuts)
buiten
לִירוּשָׁלִָ֖ם
(lirushaliam)
Jeruzalem
פַּ֥עַם
(paam)
eenmaal
וּשְׁתָּֽיִם
(ushtayim)
en tweemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רֹכְלִים (rokhelim), ‘kooplieden’: handelaars die rondgingen met koopwaar.

21Ik waarschuwde hen en zei: „Waarom overnachten jullie voor de muur? Als jullie dat opnieuw doen, leg ik de hand aan jullie.” Vanaf die tijd kwamen zij niet meer op de sabbat.
וָאָעִ֣ידָה
(vaaida)
en ik waarschuwde
בָהֶ֗ם
(bahem)
hen
וָאֹמְרָ֤ה
(vaomera)
en ik zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
מַדּ֜וּעַ
(madua)
waarom
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
לֵנִים֙
(lenim)
overnachten
נֶ֣גֶד
(neged)
voor
הַחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
אִם
(im)
als
תִּשְׁנ֕וּ
(tishnu)
jullie het herhalen
יָ֖ד
(yad)
hand
אֶשְׁלַ֣ח
(eshlach)
zal ik leggen
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
aan jullie
מִן
(min)
van
הָעֵ֣ת
(haet)
de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
לֹא
(lo)
niet
בָ֖אוּ
(bau)
kwamen zij
בַּשַּׁבָּֽת
(bashabat)
op de sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם תִּשְׁנוּ (im tishnu), ‘als jullie het herhalen’: het werkwoord שָׁנָה (shanah) betekent hier ‘opnieuw doen’.

יָד אֶשְׁלַח בָּכֶם (yad eshlach bakhem), ‘ik zal de hand aan jullie leggen’: ik zal ingrijpen. De tekst zegt niet hoe.

22Ik zei tegen de Levieten dat zij zich moesten reinigen en de poorten moesten bewaken, om de sabbatdag te heiligen. Gedenk mij ook dit, mijn Elohim, en heb medelijden met mij naar de grootheid van Uw trouw.
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en ik zei
לַלְוִיִּ֗ם
(lalviyim)
aan de Levieten
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִֽהְי֤וּ
(yihyu)
zij zouden zijn
מִֽטַּהֲרִים֙
(mitaharim)
zich reinigende
וּבָאִים֙
(uvaim)
en komende
שֹׁמְרִ֣ים
(shomerim)
bewakend
הַשְּׁעָרִ֔ים
(hashearim)
de poorten
לְקַדֵּ֖שׁ
(leqadesh)
om te heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
י֣וֹם
(yom)
dag van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
גַּם
(gam)
ook
זֹאת֙
(zot)
dit
זָכְרָה
(zakhera)
gedenk
לִּ֣י
(li)
mij
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
וְח֥וּסָה
(vechusa)
en heb medelijden
עָלַ֖י
(alay)
met mij
כְּרֹ֥ב
(kerov)
naar de grootheid van
חַסְדֶּֽךָ
(chasdekha)
Uw trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten moesten zich reinigen en de poorten bewaken.

Zo werd de sabbat ‘geheiligd’ (לְקַדֵּשׁ, leqaddesh).

וְחוּסָה (vechusah), ‘heb medelijden’: het werkwoord חוּס (chus) betekent ‘sparen’ of ‘medelijden hebben’.

חַסְדֶּךָ (chasdekha), ‘Uw trouw’: chesed, ‘trouw’. U is hier Elohim.

De gemengde huwelijken

23Ook zag ik in die dagen Joden die Asdodische, Ammonitische en Moabitische vrouwen hadden laten wonen.
גַּ֣ם
(gam)
ook
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
רָאִ֤יתִי
(raiti)
zag ik
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְּהוּדִים֙
(hayehudim)
de Joden
הֹשִׁ֗יבוּ
(hoshivu)
die lieten wonen
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
אַשְׁדֳּדִיּ֔וֹת
(ashdodiyot)
Asdodische
עַמֳּנִיּ֖וֹת
(amoniyot)
Ammonitische
מוֹאֲבִיּֽוֹת
(moaviyot)
Moabitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹשִׁיבוּ (hoshivu), ‘hadden laten wonen’: het werkwoord ישׁב (yashav) betekent ‘wonen’.

Hier: zij hadden de vrouwen bij zich in huis genomen.

De vrouwen komen uit Asdod (Filistijns gebied), Ammon en Moab. Vergelijk Neh. 13:1 en Ezra 9:1–2.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft אשדודיות (ashdodiyyot) en עמוניות (ammoniyyot).

De voorgelezen tekst (qere) heeft de spelling אַשְׁדֳּדִיּוֹת en עַמֳּנִיּוֹת.

Het verschil zit alleen in de klinkers; de betekenis is gelijk.

Wij volgen het qere.

24De helft van hun kinderen sprak Asdodisch. Zij konden niet Joods spreken, maar spraken de taal van het ene of het andere volk.
וּבְנֵיהֶ֗ם
(uveneihem)
en hun kinderen
חֲצִי֙
(chatsi)
de helft
מְדַבֵּ֣ר
(medaber)
sprekend
אַשְׁדּוֹדִ֔ית
(ashdodit)
Asdodisch
וְאֵינָ֥ם
(veeinam)
en niet
מַכִּירִ֖ים
(makirim)
kennend
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
om te spreken
יְהוּדִ֑ית
(yehudit)
Joods
וְכִלְשׁ֖וֹן
(vekhilshon)
en als de taal van
עַ֥ם
(am)
volk
וָעָֽם
(vaam)
en volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוּדִית (yehudit), ‘Joods’: de taal van Juda, het Hebreeuws.

In 2 Kon. 18:26 vertalen wij ‘Judees’; in dit boek schrijven wij ‘Joden’ en ‘Joods’.

אַשְׁדּוֹדִית (ashdodit), ‘Asdodisch’: de taal van Asdod. De kinderen spraken de taal van hun moeders.

De tekst zegt niet welke taal ‘het ene of het andere volk’ spreekt.

25Ik twistte met hen en vervloekte hen. Ik sloeg enkele mannen van hen en trok hun haar uit. Ik liet hen zweren bij Elohim: „Jullie zullen jullie dochters niet aan hun zonen geven. Jullie zullen niet van hun dochters nemen, voor jullie zonen of voor jullie zelf.
וָאָרִ֤יב
(vaariv)
en ik twistte
עִמָּם֙
(imam)
met hen
וָאֲקַֽלְלֵ֔ם
(vaaqallem)
en vervloekte hen
וָאַכֶּ֥ה
(vaake)
en sloeg
מֵהֶ֛ם
(mehem)
van hen
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
וָֽאֶמְרְטֵ֑ם
(vaemretem)
en trok hun haar uit
וָאַשְׁבִּיעֵ֣ם
(vaashbiem)
en liet hen zweren
בֵּֽאלֹהִ֗ים
(bElohim)
bij Elohim
אִם
(im)
als
תִּתְּנ֤וּ
(titenu)
jullie geven
בְנֹֽתֵיכֶם֙
(benoteikhem)
jullie dochters
לִבְנֵיהֶ֔ם
(livneihem)
aan hun zonen
וְאִם
(veim)
en als
תִּשְׂאוּ֙
(tisu)
jullie nemen
מִבְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם
(mibenoteihem)
van hun dochters
לִבְנֵיכֶ֖ם
(livneikhem)
voor jullie zonen
וְלָכֶֽם
(velakhem)
en voor jullie zelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאֲמַרְטֵם (va’amartem), ‘ik trok hun haar uit’: het werkwoord מָרַט (marat) betekent ‘kaal maken’ of ‘uittrekken’.

Ezra deed dit bij zichzelf (Ezra 9:3).

אִם תִּתְּנוּ (im tittenu), ‘jullie zullen niet geven’: letterlijk ‘als jullie geven’. Het is een eedformule: de zin die erachter hoort, wordt niet uitgesproken. Wij schrijven het als verbod. Vergelijk Deut. 7:3.

De aanhaling loopt door tot en met vers 27.

26Heeft Salomo, de koning van Israël, niet juist hierdoor gezondigd? Onder de vele volken was er geen koning zoals hij. Hij was geliefd bij zijn Elohim, en Elohim maakte hem koning over heel Israël. Toch brachten de vreemde vrouwen ook hem tot zonde.
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
עַל
(al)
om
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
חָטָֽא
(chata)
zondigde
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
וּבַגּוֹיִ֣ם
(uvagoyim)
en onder de volken
הָרַבִּים֩
(harabim)
vele
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
מֶ֜לֶךְ
(melekh)
koning
כָּמֹ֗הוּ
(kamohu)
zoals hij
וְאָה֤וּב
(veahuv)
en geliefd
לֵֽאלֹהָיו֙
(lelohav)
bij zijn Elohim
הָיָ֔ה
(haya)
was hij
וַיִּתְּנֵ֣הוּ
(vayitenehu)
en gaf hem
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
גַּם
(gam)
ook
אוֹת֣וֹ
(oto)
hem
הֶחֱטִ֔יאוּ
(hechetiu)
deden zondigen
הַנָּשִׁ֖ים
(hanashim)
de vrouwen
הַנָּכְרִיּֽוֹת
(hanakheriyot)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Over Salomo en zijn vreemde vrouwen, zie 1 Kon. 11:1–8.

וְאָהוּב לֵאלֹהָיו (ve’ahuv le’lohav), ‘geliefd bij zijn Elohim’: zoals Salomo bij zijn geboorte ‘geliefd van Yahweh’ werd genoemd (2 Sam. 12:24–25).

27En moet men van jullie horen dat jullie al dit grote kwaad doen? Dat jullie trouweloos zijn tegenover onze Elohim en vreemde vrouwen laten wonen?”
וְלָכֶ֣ם
(velakhem)
en jullie
הֲנִשְׁמַ֗ע
(hanishma)
moet men horen
לַעֲשֹׂת֙
(laasot)
te doen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֤ה
(haraa)
het kwaad
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
grote
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
לִמְעֹ֖ל
(limol)
om trouweloos te zijn
בֵּֽאלֹהֵ֑ינוּ
(beloheinu)
tegenover onze Elohim
לְהֹשִׁ֖יב
(lehoshiv)
om te laten wonen
נָשִׁ֥ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּֽוֹת
(nakheriyot)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִמְעֹל (lim’ol), ‘trouweloos zijn’: ma’al, ‘trouweloosheid’, zoals in 2 Kron. 36:14 en Ezra 9:2.

De aanhaling van Nehemia’s woorden eindigt hier. In het Hebreeuws is vers 27 een vraag.

Het priesterschap wordt gereinigd

28Een van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was schoonzoon van Sanballat, de Choroniet. Ik joeg hem van mij weg.
וּמִבְּנֵ֨י
(umibenei)
en van de zonen van
יוֹיָדָ֤ע
(yoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְיָשִׁיב֙
(elyashiv)
Eljasib
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de hoge
חָתָ֖ן
(chatan)
schoonzoon
לְסַנְבַלַּ֣ט
(lesanvalat)
van Sanballat
הַחֹרֹנִ֑י
(hachoroni)
de Choroniet
וָאַבְרִיחֵ֖הוּ
(vaavrichehu)
en ik joeg hem weg
מֵעָלָֽי
(mealay)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jojada is de zoon van Eljasib, de hogepriester (zie Neh. 12:10–11).

Een van zijn zonen was de schoonzoon van Sanballat.

De tekst noemt zijn naam niet.

סַנְבַלַּט הַחֹרֹנִי (sanballat hachoroni), ‘Sanballat de Choroniet’: de tegenstander van Nehemia (Neh. 2:10). Choron kan Bet-Choron zijn, ten noordwesten van Jeruzalem, of Choronajim in Moab. Dat is niet zeker.

וָאַבְרִיחֵהוּ (va’avrichehu), ‘ik joeg hem weg’: het werkwoord בָּרַח (barach) betekent ‘vluchten’; hier ‘laten vluchten’.

29Gedenk hun, mijn Elohim, de bezoedeling van het priesterschap en van het verbond van het priesterschap en van de Levieten.
זָכְרָ֥ה
(zakhera)
gedenk
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
עַ֚ל
(al)
om
גָּאֳלֵ֣י
(gaolei)
de bezoedeling van
הַכְּהֻנָּ֔ה
(hakehuna)
het priesterschap
וּבְרִ֥ית
(uverit)
en het verbond van
הַכְּהֻנָּ֖ה
(hakehuna)
het priesterschap
וְהַלְוִיִּֽם
(vehalviyim)
en de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּאֳלֵי (ga’ole), ‘de bezoedeling van’: het werkwoord גָּאַל (ga’al) betekent hier ‘bezoedelen’ en is een ander woord dan ga’al, ‘verlossen’.

בְּרִית הַכְּהֻנָּה (berit hakkehunnah), ‘het verbond van het priesterschap’: het verbond met Pinechas, Num. 25:12–13.

30Ik reinigde hen van alles wat vreemd was. Ik stelde wachtdiensten in voor de priesters en de Levieten, ieder in zijn eigen werk.
וְטִֽהַרְתִּ֖ים
(vetihartim)
en ik reinigde hen
מִכָּל
(mikal)
van alles
נֵכָ֑ר
(nekhar)
vreemds
וָאַעֲמִ֧ידָה
(vaaamida)
en ik stelde in
מִשְׁמָר֛וֹת
(mishmarot)
wachtdiensten
לַכֹּהֲנִ֥ים
(lakohanim)
voor de priesters
וְלַלְוִיִּ֖ם
(velalviyim)
en voor de Levieten
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
בִּמְלַאכְתּֽוֹ
(bimlakhto)
in zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְטִהַרְתִּים מִכָּל נֵכָר (vetiharetim mikkol nekhar), ‘ik reinigde hen van alles wat vreemd was’: alles wat uit een ander volk of van de mensen van buiten kwam.

De tekst noemt de kamer van Tobia en de gemengde huwelijken.

31Zo ook voor de offergave van het hout op vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Gedenk mij, mijn Elohim, ten goede.
וּלְקֻרְבַּ֧ן
(ulequrban)
en voor de offergave van
הָעֵצִ֛ים
(haetsim)
het hout
בְּעִתִּ֥ים
(beitim)
op tijden
מְזֻמָּנ֖וֹת
(mezumanot)
vastgestelde
וְלַבִּכּוּרִ֑ים
(velabikurim)
en voor de eerstelingen
זָכְרָה
(zakhera)
gedenk
לִּ֥י
(li)
mij
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
לְטוֹבָֽה
(letova)
ten goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֻרְבַּן הָעֵצִים (qurban ha’etsim), ‘de offergave van het hout’: hout voor het altaar op vastgestelde tijden, zoals Neh. 10:35.

בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste vruchten. Zie Neh. 10:36.

לְטוֹבָה (letovah), ‘ten goede’: zoals in Neh. 5:19. Dit is het laatste gebed van het boek.