Elohim Bijbel

2 Koningen 21

12345678910111213141516171819202122232425

Manasse en Amon, koningen van Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Manasse, koning van Juda

1Manasse was 12 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 55 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Chefzi-Ba.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁתֵּ֨ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וַחֲמִשִּׁ֤ים
(vachamishim)
en vijftig
וְחָמֵשׁ֙
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֖וֹ
(imo)
zijn moeder
חֶפְצִי
(cheftsi)
Chefzi
בָֽהּ
(bah)
Ba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֶפְצִי־בָהּ (Chefzi-Ba), ‘mijn welbehagen is in haar’: de naam van de moeder van Manasse.

Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst. Wij rekenen niet na.

Dit verhaal van Manasse staat ook in 2 Kron. 33.

2Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּתֽוֹעֲבֹת֙
(ketoavot)
naar de gruwelen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: wat Yahweh verafschuwt, vooral afgoderij.

Dezelfde formule staat in 1 Kon. 14:24 over de volken die Yahweh voor de zonen van Israël verdreef.

3Hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Hizkia had vernietigd. Hij richtte altaren op voor Baäl en maakte een heilige paal, zoals Achab, de koning van Israël, had gedaan. Hij wierp zich neer voor heel het leger van de hemel en diende hen.
וַיָּ֗שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
וַיִּ֨בֶן֙
(vayiven)
en bouwde
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּמ֔וֹת
(habamot)
de hoogten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִבַּ֖ד
(ibad)
had vernietigd
חִזְקִיָּ֣הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיָּ֨קֶם
(vayaqem)
en richtte op
מִזְבְּחֹ֜ת
(mizbechot)
altaren
לַבַּ֗עַל
(labaal)
voor Baäl
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte
אֲשֵׁרָה֙
(ashera)
heilige paal
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֗ה
(asa)
deed
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּשְׁתַּ֨חוּ֙
(vayishtachu)
en wierp zich neer
לְכָל
(lekhal)
voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַֽיַּעֲבֹ֖ד
(vayaavod)
en diende
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen.

Hizkia had ze weggehaald (2 Kon. 18:4).

אֲשֵׁרָה (asherah), ‘heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera. Achab maakte er ook een (1 Kon. 16:33).

צְבָא הַשָּׁמַיִם (tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de zon, de maan en de sterren, die als goden werden aanbeden. Zie Deut. 4:19 en Deut. 17:3.

4Hij bouwde altaren in het huis van Yahweh, waarvan Yahweh had gezegd: „In Jeruzalem zal Ik Mijn naam vestigen.”
וּבָנָ֥ה
(uvana)
en bouwde
מִזְבְּחֹ֖ת
(mizbechot)
altaren
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר֙
(asher)
waarvan
אָמַ֣ר
(amar)
had gezegd
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אָשִׂ֥ים
(asim)
Ik zal vestigen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִֽי
(shemi)
Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: de tempel in Jeruzalem.

Het woord van Yahweh dat hier wordt aangehaald, staat in 1 Kon. 9:3. Het is een verslag van de verteller, daarom is het zwart.

5Hij bouwde altaren voor heel het leger van de hemel in de twee voorhoven van het huis van Yahweh.
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en bouwde
מִזְבְּח֖וֹת
(mizbechot)
altaren
לְכָל
(lekhal)
voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
בִּשְׁתֵּ֖י
(bishtei)
in twee
חַצְר֥וֹת
(chatsrot)
voorhoven van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De twee voorhoven (חַצְרוֹת, chatserot) van het huis van Yahweh worden niet bij naam genoemd.

Vergelijk de binnenste voorhof in 1 Kon. 6:36.

6Hij liet zijn zoon door het vuur gaan. Hij duidde tekens en zocht voortekenen. Hij stelde een dodengeest en waarzeggers in. Hij deed in overvloed wat slecht is in de ogen van Yahweh, om Hem tot toorn te prikkelen.
וְהֶעֱבִ֤יר
(veheevir)
en liet doorgaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
door het vuur
וְעוֹנֵ֣ן
(veonen)
en duidde tekens
וְנִחֵ֔שׁ
(venichesh)
en zocht voortekenen
וְעָ֥שָׂה
(veasa)
en stelde in
א֖וֹב
(ov)
dodengeest
וְיִדְּעֹנִ֑ים
(veyideonim)
en waarzeggers
הִרְבָּ֗ה
(hirba)
veel
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֛ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַכְעִֽיס
(lehakhis)
om tot toorn te prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod offeren, zoals in Deut. 18:10.

עוֹנֵן (onen), ‘tekens duiden’, en נִחֵשׁ (nichesh), ‘voortekenen zoeken’; אוֹב (ov), ‘dodengeest’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zoals in Deut. 18:10–11.

עָשָׂה (asah), ‘maken, doen’: wij vertalen ‘hij stelde in’, want het gaat om het invoeren van het raadplegen van dodengeesten en waarzeggers.

7Hij zette het gesneden beeld van de heilige paal, dat hij had gemaakt, in het huis. Over dat huis had Yahweh tegen David en tegen zijn zoon Salomo gezegd: „In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn naam vestigen voor altijd.
וַיָּ֕שֶׂם
(vayasem)
en zette
אֶת
(et)
(obj.)
פֶּ֥סֶל
(pesel)
gesneden beeld van
הָאֲשֵׁרָ֖ה
(haashera)
de heilige paal
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׂ֑ה
(asa)
maakte
בַּבַּ֗יִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אָמַ֤ר
(amar)
had gezegd
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
וְאֶל
(veel)
en tot
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בְנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
בַּבַּ֨יִת
(babayit)
in huis
הַזֶּ֜ה
(haze)
dit
וּבִירוּשָׁלִַ֗ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
בָּחַ֨רְתִּי֙
(bacharti)
Ik heb gekozen
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אָשִׂ֥ים
(asim)
Ik zal vestigen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’: zoals in Exod. 20:4.

Voor ‘de heilige paal’ (ha’asherah) zie bij vers 3.

De woorden van Yahweh aan David en Salomo staan in 1 Kon. 9:3.

Het citaat loopt door in vers 8.

8En Ik zal de voet van Israël niet meer laten rondzwerven, weg van de grond die Ik aan hun vaders gegeven heb. Alleen: als zij erop letten te doen naar alles wat Ik hun geboden heb. En ook naar heel de wet die Mijn dienaar Mozes hun geboden heeft.”
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֹסִ֗יף
(osif)
Ik zal toevoegen
לְהָנִיד֙
(lehanid)
laten zwerven
רֶ֣גֶל
(regel)
voet van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
van
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לַֽאֲבוֹתָ֑ם
(laavotam)
aan hun vaders
רַ֣ק
(raq)
alleen
אִם
(im)
als
יִשְׁמְר֣וּ
(yishmeru)
zij letten erop
לַעֲשׂ֗וֹת
(laasot)
om te doen
כְּכֹל֙
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוִּיתִ֔ים
(tsivitim)
Ik heb geboden
וּלְכָל
(ulekhal)
en naar heel
הַ֨תּוֹרָ֔ה
(hatora)
de wet
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
עַבְדִּ֥י
(avdi)
Mijn dienaar
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָנִיד רֶגֶל (hanid regel), ‘de voet laten rondzwerven’: Israël zou het land verlaten.

Dit hangt samen met 1 Kon. 9:6–7.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijzing, de wet van Mozes.

9Maar zij luisterden niet. Manasse liet hen dwalen, zodat zij meer kwaad deden dan de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had vernietigd.
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
שָׁמֵ֑עוּ
(shameu)
luisterden
וַיַּתְעֵ֤ם
(vayatem)
en liet hen dwalen
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָ֔ע
(hara)
het kwaad
מִן
(min)
meer dan
הַ֨גּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הִשְׁמִ֣יד
(hishmid)
vernietigde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּתְעֵם (vayyat’em), ‘hij liet hen dwalen’: hij bracht hen op een dwaalspoor.

מִן הַגּוֹיִם (min haggoyim), ‘meer dan de volken’: het woord ‘min’ vergelijkt hier.

Het oordeel over Jeruzalem

10Yahweh sprak door Zijn dienaren, de profeten. Hij zei:
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
Zijn dienaren
הַנְּבִיאִ֖ים
(haneviim)
de profeten
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De profeten worden hier niet met name genoemd.

Wat zij zeggen, wordt als verslag gegeven; daarom staat het in zwart, met aanhalingstekens.

Wat Yahweh door hen zegt, staat tussen enkele aanhalingstekens.

11„Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen heeft gedaan, erger dan alles wat de Amorieten vóór hem deden. Ook Juda heeft hij laten zondigen met zijn afgoden:
יַעַן֩
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשָׂ֜ה
(asa)
deed
מְנַשֶּׁ֤ה
(menashe)
Manasse
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
הַתֹּעֵב֣וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
הֵרַ֕ע
(hera)
deed erger
מִכֹּ֛ל
(mikol)
dan alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשׂ֥וּ
(asu)
deden
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
vóór hem
וַיַּחֲטִ֥א
(vayachati)
en liet zondigen
גַֽם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בְּגִלּוּלָֽיו
(begilulav)
met zijn afgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֱמֹרִי (ha’Emori), ‘de Amoriet’: hier een verzamelnaam voor de oorspronkelijke bewoners van Kanaän, zoals in 1 Kon. 21:26.

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’: het woord wordt afgeleid van ‘mest’ en is een scheldwoord, zoals in Lev. 26:30.

12daarom zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zie, Ik breng onheil over Jeruzalem en Juda. Van ieder die het hoort, zullen beide oren tuiten.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִי֙
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֣יא
(mevi)
Ik breng
רָעָ֔ה
(raa)
onheil
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וִֽיהוּדָ֑ה
(vihuda)
en Juda
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
כָּל
(kal)
ieder
שֹׁ֣מְעָ֔הּ
(shomeah)
die het hoort
תִּצַּ֖לְנָה
(titsalna)
zullen tuiten
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
אָזְנָֽיו
(azenav)
zijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

צָלַל (tsalal), ‘tuiten’: de oren klinken van schrik, zoals in 1 Sam. 3:11.

Lezing

Bij ‘ieder die het hoort’ heeft het geschreven woord (ketiv) שמעיו, een andere vorm dan het qere שֹׁמְעָהּ (shom’ah).

Wij volgen het qere.

13Ik span over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria uit en het schietlood van het huis van Achab. Ik veeg Jeruzalem af, zoals men een schaal afveegt: men veegt haar af en keert haar om, op haar gezicht.
וְנָטִ֣יתִי
(venatiti)
en Ik span uit
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
קָ֣ו
(qav)
meetsnoer van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁקֹ֖לֶת
(mishqolet)
schietlood van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וּמָחִ֨יתִי
(umachiti)
en Ik veeg af
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
יִמְחֶ֤ה
(yimche)
men afveegt
אֶת
(et)
(obj.)
הַצַּלַּ֨חַת֙
(hatsalachat)
de schaal
מָחָ֔ה
(macha)
afvegend
וְהָפַ֖ךְ
(vehafakh)
en keert om
עַל
(al)
op
פָּנֶֽיהָ
(paneiha)
haar gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

קַו (qav), ‘meetsnoer’, en מִשְׁקֶלֶת (mishqelet), ‘schietlood’: bouwgereedschap.

Hier worden ze gebruikt voor het oordeel: Jeruzalem wordt gemeten naar Samaria en naar het huis van Achab.

צַלַּחַת (tsallachat), ‘schaal’: een schaal wordt schoongeveegd en omgekeerd neergezet. Dat beeld staat voor het leeg maken van de stad.

14Ik verlaat het overblijfsel van Mijn erfdeel. Ik geef hen in de hand van hun vijanden. Zij worden tot buit en tot roof voor al hun vijanden.
וְנָטַשְׁתִּ֗י
(venatashti)
en Ik verlaat
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overblijfsel van
נַחֲלָתִ֔י
(nachalati)
Mijn erfdeel
וּנְתַתִּ֖ים
(unetatim)
en Ik geef hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
אֹֽיְבֵיהֶ֑ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לְבַ֛ז
(levaz)
tot buit
וְלִמְשִׁסָּ֖ה
(velimshisa)
en tot roof
לְכָל
(lekhal)
voor alle
אֹיְבֵיהֶֽם
(oyeveihem)
hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het volk dat bij Yahweh hoort.

נָטַשׁ (natash), ‘verlaten’, ‘laten gaan’.

15Omdat zij gedaan hebben wat slecht is in Mijn ogen. Zij bleven Mij tot toorn prikkelen, vanaf de dag dat hun vaders uit Egypte uittrokken tot op deze dag.’”
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשׂ֤וּ
(asu)
deden
אֶת
(et)
(obj.)
הָרַע֙
(hara)
het kwaad
בְּעֵינַ֔י
(beeinay)
in Mijn ogen
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en zij werden
מַכְעִסִ֖ים
(makhisim)
prikkelend tot toorn
אֹתִ֑י
(oti)
Mij
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָצְא֤וּ
(yatseu)
uittrokken
אֲבוֹתָם֙
(avotam)
hun vaders
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

16Manasse vergoot ook zeer veel onschuldig bloed, tot hij Jeruzalem ermee vulde van de ene kant tot de andere. Dat kwam naast zijn zonde, waarmee hij Juda liet zondigen door te doen wat slecht is in de ogen van Yahweh.
וְגַם֩
(vegam)
en ook
דָּ֨ם
(dam)
bloed
נָקִ֜י
(naqi)
onschuldig
שָׁפַ֤ךְ
(shafakh)
vergoot
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
הַרְבֵּ֣ה
(harbe)
veel
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
מִלֵּ֥א
(mile)
hij vulde
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
פֶּ֣ה
(pe)
mond
לָפֶ֑ה
(lafe)
tot mond
לְבַ֤ד
(levad)
afgezien van
מֵֽחַטָּאתוֹ֙
(mechatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֣יא
(hecheti)
liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דָּם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: ook in 2 Kon. 24:4.

פֶּה לָפֶה (peh lapeh), ‘mond tot mond’: van het ene uiteinde tot het andere.

Het einde van Manasse

17De rest van de geschiedenis van Manasse, alles wat hij deed en zijn zonde waarmee hij zondigde: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
zaken van
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֔ה
(asa)
deed
וְחַטָּאת֖וֹ
(vechatato)
en zijn zonde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
חָטָ֑א
(chata)
zondigde
הֲלֹא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Dagboek’: letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’, zie 1 Kon. 14:19.

18Manasse ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven in de tuin van zijn huis, in de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
עִם
(im)
met
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֥ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּגַן
(began)
in tuin van
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
בְּגַן
(began)
in tuin van
עֻזָּ֑א
(uza)
Uzza
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אָמ֥וֹן
(amon)
Amon
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּן עֻזָּא (gan Uzza), ‘de tuin van Uzza’: wie Uzza was, zegt de tekst niet.

De tekst noemt hier niet de stad van David, zoals bij andere koningen.

Vergelijk de naam in 2 Sam. 6:3.

Amon, koning van Juda

19Amon was 22 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 2 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Mesjullemet, de dochter van Charuts uit Jotba.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֤יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אָמ֣וֹן
(amon)
Amon
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁתַּ֣יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
מְשֻׁלֶּ֥מֶת
(meshulemet)
Mesjullemet
בַּת
(bat)
dochter van
חָר֖וּץ
(charuts)
Charuts
מִן
(min)
uit
יָטְבָֽה
(yateva)
Jotba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jotba (יָטְבָה): de ligging is onzeker.

Het is misschien dezelfde plaats als Jotbata in Num. 33:33.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מְשֻׁלֶּמֶת (Mesjullemet) en חָרוּץ (Charuts): namen zoals ze in de tekst staan; de spelling van Mesjullemet volgt Mesjullam in 1 Kron. 3:19.

20Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh, zoals zijn vader Manasse had gedaan.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
מְנַשֶּׁ֥ה
(menashe)
Manasse
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij liep op heel de weg die zijn vader was gegaan. Hij diende de afgoden die zijn vader had gediend en wierp zich voor hen neer.
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָלַ֣ךְ
(halakh)
liep
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַֽיַּעֲבֹ֗ד
(vayaavod)
en diende
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּלֻּלִים֙
(hagilulim)
de afgoden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָבַ֣ד
(avad)
diende
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּשְׁתַּ֖חוּ
(vayishtachu)
en wierp zich neer
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hij verliet Yahweh, de Elohim van zijn vaders, en liep niet op de weg van Yahweh.
וַיַּעֲזֹ֕ב
(vayaazov)
en verliet
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaders
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הָלַ֖ךְ
(halakh)
liep
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De dood van Amon

23De dienaren van Amon smeedden een samenzwering tegen hem en doodden de koning in zijn huis.
וַיִּקְשְׁר֥וּ
(vayiqsheru)
en smeedden een samenzwering
עַבְדֵֽי
(avdei)
dienaren van
אָמ֖וֹן
(amon)
Amon
עָלָ֑יו
(alav)
tegen hem
וַיָּמִ֥יתוּ
(vayamitu)
en doodden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּבֵיתֽוֹ
(beveito)
in zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָשַׁר (qashar), ‘een samenzwering smeden’: zoals in 1 Kon. 16:9.

24Het volk van het land sloeg allen dood die tegen koning Amon een samenzwering hadden gesmeed. Het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en sloeg
עַם
(am)
volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַקֹּשְׁרִ֖ים
(haqosherim)
de samenzweerders
עַל
(al)
tegen
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָמ֑וֹן
(amon)
Amon
וַיַּמְלִ֧יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
עַם
(am)
volk van
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
יֹאשִׁיָּ֥הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de bevolking van Juda, die hier voor het koningshuis kiest.

Wie precies bedoeld is, is niet zeker.

Zij treden ook op in 2 Kon. 11:14 en 23:30.

יֹאשִׁיָּהוּ (Josia): zijn regering staat in 2 Kon. 22–23.

25De rest van de geschiedenis van Amon, wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
zaken van
אָמ֖וֹן
(amon)
Amon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
deed
הֲלֹא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Men begroef hem in zijn graf, in de tuin van Uzza. Zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.
וַיִּקְבְֹּ֥ר
(vayiqboer)
en werd begraven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
בִּקְבֻרָת֖וֹ
(biqvurato)
in zijn graf
בְּגַן
(began)
in tuin van
עֻזָּ֑א
(uza)
Uzza
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יֹאשִׁיָּ֥הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Amon wordt begraven in de tuin van Uzza, net als zijn vader Manasse (vers 18).