Elohim Bijbel

Genesis 21

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Isaak geboren, Hagar weggestuurd

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Isaak wordt geboren

1Yahweh dacht aan Sarah en ontfermde zich over haar, zoals Hij gezegd had, en Yahweh deed met Sarah zoals Hij gesproken had.
וַֽיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
פָּקַ֥ד
(paqad)
Hij zag om
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
אָמָ֑ר
(amar)
Hij had gezegd
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en Hij deed
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשָׂרָ֖ה
(lesara)
aan Sarah
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּֽר
(diber)
Hij had gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּקַד (paqad), ‘hij zag om naar’: paqad is ‘bezoeken, zich over iemand ontfermen’ (zie 50:24).

Hier vertaald als ‘dacht aan en ontfermde zich over’.

Het is een ander werkwoord dan zakhar, ‘denken aan’ (zie 8:1; 19:29).

Aanvullend

Jubileeën 16:12–13 zegt dat Isaak in de derde maand werd geboren, op het feest van de eerstelingen van de oogst.

Jasher 21:1–2 zegt dat Yahweh Sarah bezocht na een jaar en vier maanden in Gerar.

2Sarah werd zwanger en baarde Abraham een zoon op zijn oude dag, op de vastgestelde tijd waarover Elohim met hem had gesproken.
וַתַּהַר֩
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֨לֶד
(vateled)
en ze baarde
שָׂרָ֧ה
(sara)
Sarah
לְאַבְרָהָ֛ם
(leavraham)
aan Abraham
בֵּ֖ן
(ben)
een zoon
לִזְקֻנָ֑יו
(lizqunav)
in zijn ouderdom
לַמּוֹעֵ֕ד
(lamoed)
op de tijd
אֲשֶׁר
(asher)
die
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij had gesproken
אֹת֖וֹ
(oto)
met hem
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִזְקֻנָיו (lizqenav), ‘op zijn oude dag’; לַמּוֹעֵד (lamo’ed), ‘op de vastgestelde tijd’: zie 17:21 en 18:14 (zie 17:21; 18:14).

3Abraham noemde zijn zoon, die Sarah hem gebaard had, Isaak.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij noemde
אַבְרָהָ֜ם
(avraham)
Abraham
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֶׁם
(shem)
naam van
בְּנ֧וֹ
(beno)
zijn zoon
הַנּֽוֹלַד
(hanolad)
die geboren was
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָלְדָה
(yaleda)
baarde
לּ֥וֹ
(lo)
aan hem
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִצְחָק (Yitschaq), ‘Isaak’: van tsachaq, ‘lachen’ (zie 17:17; 18:12; 21:6).

4Abraham besneed zijn zoon Isaak toen hij acht dagen oud was, zoals Elohim hem geboden had.
וַיָּ֤מָל
(vayamal)
en hij besneed
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמֹנַ֖ת
(shemonat)
acht
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
Hij had geboden
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּמָל (vayyamol), ‘hij besneed’: op de achtste dag, zoals in 17:12 (zie 17:12).

5Abraham was 100 jaar oud toen zijn zoon Isaak hem geboren werd.
וְאַבְרָהָ֖ם
(veavraham)
en Abraham
בֶּן
(ben)
zoon van
מְאַ֣ת
(meat)
honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּהִוָּ֣לֶד
(behivaled)
bij het geboren worden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאַת שָׁנָה (me’at shanah), ‘honderd jaar’: Abraham was 100 en Sarah 90 (zie 17:17).

6Sarah zei: „Elohim heeft mij aan het lachen gemaakt. Iedereen die het hoort, zal mij uitlachen.”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en ze zei
שָׂרָ֔ה
(sara)
Sarah
צְחֹ֕ק
(tsechoq)
gelach
עָ֥שָׂה
(asa)
heeft gemaakt
לִ֖י
(li)
voor mij
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
כָּל
(kal)
iedereen
הַשֹּׁמֵ֖עַ
(hashomea)
die hoort
יִֽצְחַק
(yitschaq)
zal lachen
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְחֹק (tsechoq), ‘gelach’: hetzelfde woord als in Isaaks naam.

יִצְחַק לִי (yitschaq li), ‘zal mij uitlachen’: li betekent ‘voor mij’; het Hebreeuws laat open of het gelach met of om haar is.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘mij uitlachen’; anderen lezen ‘met mij meelachen’.

7Ze zei: „Wie had tegen Abraham gezegd: ‘Sarah geeft kinderen de borst’? Want ik heb hem een zoon gebaard op zijn oude dag.”
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
מִ֤י
(mi)
wie
מִלֵּל֙
(milel)
heeft gezegd
לְאַבְרָהָ֔ם
(leavraham)
aan Abraham
הֵינִ֥יקָה
(heiniqa)
zoogt
בָנִ֖ים
(banim)
kinderen
שָׂרָ֑ה
(sara)
Sarah
כִּֽי
(ki)
want
יָלַ֥דְתִּי
(yaladti)
ik heb gebaard
בֵ֖ן
(ben)
een zoon
לִזְקֻנָֽיו
(lizqunav)
in zijn ouderdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Het kind groeide op en werd gespeend. Abraham gaf een groot feest op de dag dat Isaak gespeend werd.
וַיִּגְדַּ֥ל
(vayigdal)
en hij groeide
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַיִּגָּמַ֑ל
(vayigamal)
en hij werd gespeend
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
מִשְׁתֶּ֣ה
(mishte)
feest
גָד֔וֹל
(gadol)
groot
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
הִגָּמֵ֥ל
(higamel)
het spenen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּגָּמַל (vayyigamal), ‘hij werd gespeend’: een kind werd in het Oude Oosten vaak pas na twee of drie jaar gespeend (zie 1 Sam. 1:22–24).

Aanvullend

Jubileeën 17:1 noemt de derde maand.

Jasher 21:4–5 zegt dat Sem, Eber en Abimelech met Pichol naar het feest kwamen.

Hagar en Ismaël worden weggestuurd

9Sarah zag de zoon die Hagar, de Egyptische, aan Abraham gebaard had, treiteren.
וַתֵּ֨רֶא
(vatere)
en ze zag
שָׂרָ֜ה
(sara)
Sarah
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
בֶּן
(ben)
zoon van
הָגָ֧ר
(hagar)
Hagar
הַמִּצְרִ֛ית
(hamitsrit)
de Egyptische
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָלְדָ֥ה
(yaleda)
ze had gebaard
לְאַבְרָהָ֖ם
(leavraham)
aan Abraham
מְצַחֵֽק
(metsacheq)
treiterend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצַחֵק (metsacheq), ‘treiterend’: van tsachaq, ‘lachen’, dezelfde stam als Isaaks naam.

Het woord kan ‘spelen’, ‘lachen’, ‘spotten’ of ‘treiteren’ betekenen (zie 19:14; 26:8).

Paulus noemt het ‘vervolgen’ (Gal. 4:29).

Ismaël was bij Isaaks geboorte veertien (zie 16:16; 21:5) en dus bij het spenen zestien of zeventien.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘treiteren’.

Aanvullend

Jubileeën 17:4 zegt dat Sarah Ismaël zag spelen en dansen terwijl Abraham zich verheugde.

Jasher 21:13–15 vertelt dat Ismaël Isaak met pijl en boog wilde doden.

10Ze zei tegen Abraham: „Jaag deze slavin weg, en haar zoon, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaak.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
לְאַבְרָהָ֔ם
(leavraham)
aan Abraham
גָּרֵ֛שׁ
(garesh)
verjaag
הָאָמָ֥ה
(haama)
de slavin
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בְּנָ֑הּ
(benah)
haar zoon
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יִירַשׁ֙
(yirash)
zal erven
בֶּן
(ben)
zoon van
הָאָמָ֣ה
(haama)
de slavin
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
עִם
(im)
met
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
עִם
(im)
met
יִצְחָֽק
(yitschaq)
Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּרֵשׁ (garesh), ‘jaag weg’: Paulus haalt deze woorden aan in Gal. 4:30.

11Dit woord was zeer kwalijk in de ogen van Abraham, vanwege zijn zoon.
וַיֵּ֧רַע
(vayera)
en het was kwalijk
הַדָּבָ֛ר
(hadavar)
het woord
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
עַ֖ל
(al)
vanwege
אוֹדֹ֥ת
(odot)
de zaak van
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Maar Elohim zei tegen Abraham: „Laat het niet kwalijk zijn in je ogen, vanwege de jongen en je slavin. Luister naar alles wat Sarah tegen je zegt, want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
אַל
(al)
niet
יֵרַ֤ע
(yera)
laat zijn kwalijk
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in je ogen
עַל
(al)
vanwege
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
וְעַל
(veal)
en vanwege
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
je slavin
כֹּל֩
(kol)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
תֹּאמַ֥ר
(tomar)
zal zeggen
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
tot jou
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּקֹלָ֑הּ
(beqolah)
naar haar stem
כִּ֣י
(ki)
want
בְיִצְחָ֔ק
(beyitschaq)
door Isaak
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
zal genoemd worden
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
זָֽרַע
(zara)
nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּי בְיִצְחָק יִקָּרֵא לְךָ זָרַע (ki veYitschaq yiqqare lekha zara), ‘want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’: alleen Isaaks lijn draagt de belofte; Rom. 9:7 en Heb. 11:18 halen dit aan.

‘Luister naar haar stem’ is dezelfde uitdrukking als in 3:17 en 16:2 (zie 3:17; 16:2).

Aanvullend

Jubileeën 17:6–7 geeft hetzelfde antwoord van Elohim.

13Ook de zoon van de slavin zal Ik tot een volk maken, want hij is jouw nageslacht.”
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בֶּן
(ben)
zoon van
הָאָמָ֖ה
(haama)
de slavin
לְג֣וֹי
(legoy)
tot een volk
אֲשִׂימֶ֑נּוּ
(asimenu)
Ik zal hem maken
כִּ֥י
(ki)
want
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Abraham stond 's morgens vroeg op, nam brood en een waterzak en gaf dat aan Hagar. Hij legde het op haar schouder, gaf haar het kind en stuurde haar weg. Zij ging weg en dwaalde rond in de woestijn van Beër-Sjeba.
וַיַּשְׁכֵּ֣ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
בַּבֹּ֡קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
לֶחֶם֩
(lechem)
brood
וְחֵ֨מַת
(vechemat)
en een waterzak van
מַ֜יִם
(mayim)
water
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en hij gaf
אֶל
(el)
aan
הָ֠גָר
(hagar)
Hagar
שָׂ֧ם
(sam)
leggend
עַל
(al)
op
שִׁכְמָ֛הּ
(shikhmah)
haar schouder
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַֽיְשַׁלְּחֶ֑הָ
(vayshalecheha)
en hij zond haar weg
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
וַתֵּ֔תַע
(vateta)
en ze dwaalde
בְּמִדְבַּ֖ר
(bemidbar)
in de woestijn van
בְּאֵ֥ר
(beer)
put van
שָֽׁבַע
(shava)
zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

בְּאֵר שָׁבַע (Be’er Sheva), ‘Beër-Sjeba’, ‘put van zeven’ of ‘put van de eed’ (zie 21:31).

Uitleg

Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev, ongeveer 70 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

וְחֵמַת מַיִם (chemet mayim), ‘waterzak’: een dierenhuid die als zak werd gebruikt.

Het kind (yeled) is geen kleuter: Ismaël is zestien of zeventien (zie 21:9).

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘legde het op haar schouder en gaf haar het kind’.

Anderen lezen ‘legde het op haar schouder, samen met het kind’.

Aanvullend

Jubileeën 17:8–9 en Jasher 21:16 vertellen dat Abraham brood en water meegaf.

15Toen het water in de waterzak op was, wierp ze het kind onder een van de struiken.
וַיִּכְל֥וּ
(vayikhlu)
en op was
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מִן
(min)
uit
הַחֵ֑מֶת
(hachemet)
de waterzak
וַתַּשְׁלֵ֣ךְ
(vatashlekh)
en ze wierp
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
אַחַ֥ד
(achad)
een
הַשִּׂיחִֽם
(hasichim)
van de struiken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשִּׂיחִם (hasiachim), ‘de struiken’: laag, dichtbegroeid struikgewas.

Aanvullend

Jubileeën 17:10 spreekt van ‘een olijfboom’.

16Ze ging weg en zat tegenover hem, op een afstand van ongeveer een boogschot, want ze zei: „Ik wil de dood van het kind niet zien.” Zo zat ze tegenover hem. Het kind huilde luid.
וַתֵּלֶךְ֩
(vatelekh)
en ze ging
וַתֵּ֨שֶׁב
(vateshev)
en ze zat
לָ֜הּ
(lah)
voor zich
מִנֶּ֗גֶד
(mineged)
tegenover
הַרְחֵק֙
(harcheq)
ver
כִּמְטַחֲוֵ֣י
(kimtachavei)
als de afstand van een schot van
קֶ֔שֶׁת
(qeshet)
boog
כִּ֣י
(ki)
want
אָֽמְרָ֔ה
(amera)
ze had gezegd
אַל
(al)
niet
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
laat mij zien
בְּמ֣וֹת
(bemot)
de dood van
הַיָּ֑לֶד
(hayaled)
het kind
וַתֵּ֣שֶׁב
(vateshev)
en ze zat
מִנֶּ֔גֶד
(mineged)
tegenover
וַתִּשָּׂ֥א
(vatisa)
en ze verhief
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קֹלָ֖הּ
(qolah)
haar stem
וַתֵּֽבְךְּ
(vatevek)
en ze huilde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּמְטַחֲוֵי קֶשֶׁת (kemattachavei qeshet), ‘als een boogschot afstand’: een boogschot is geen vaste maat, ruwweg honderd meter.

וַתִּשָּׂא אֶת קֹלָהּ וַתֵּבְךְּ (vattisa et qolah vattevk), ‘zij verhief haar stem en huilde’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst, met Hagar als onderwerp.

Dat past bij vers 17, waar Elohim ‘de stem van de jongen’ hoort.

Lezing

Lezing: hier gelezen als ‘het kind huilde luid’ (letterlijk ‘verhief zijn stem en huilde’), zoals de oude Griekse vertaling het heeft.

Aanvullend

Jubileeën 17:10 zegt dat Hagar ‘zittend weende’.

17Elohim hoorde de stem van de jongen. De engel van Elohim riep Hagar vanuit de hemel toe: „Wat is er met je, Hagar? Wees niet bang, want Elohim heeft de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en Hij hoorde
אֱלֹהִים֮
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ק֣וֹל
(qol)
stem van
הַנַּעַר֒
(hanaar)
de jongen
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en hij riep
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
engel van
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
הָגָר֙
(hagar)
Hagar
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָ֖הּ
(lah)
tot haar
מַה
(ma)
wat
לָּ֣ךְ
(lakh)
voor jou
הָגָ֑ר
(hagar)
Hagar
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֧ע
(shama)
heeft gehoord
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
ק֥וֹל
(qol)
stem van
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
בַּאֲשֶׁ֥ר
(baasher)
waar
הוּא
(hu)
hij
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ אֱלֹהִים (mal’akh Elohim), ‘engel van Elohim’: Hij roept Hagar ‘vanuit de hemel’, zoals de engel Abraham toeroept in 22:11 (zie 22:11).

In 16:7 was het de engel van Yahweh (zie 16:7).

Aanvullend

Jubileeën 17:11 zegt dat deze engel ‘een van de heiligen’ was.

18Sta op, til de jongen op en houd hem stevig vast, want Ik zal hem tot een groot volk maken.”
ק֚וּמִי
(qumi)
sta op
שְׂאִ֣י
(sei)
til op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וְהַחֲזִ֥יקִי
(vehachaziqi)
en houd vast
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
יָדֵ֖ךְ
(yadekh)
je hand
בּ֑וֹ
(bo)
aan hem
כִּֽי
(ki)
want
לְג֥וֹי
(legoy)
tot een volk
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
אֲשִׂימֶֽנּוּ
(asimenu)
Ik zal hem maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Elohim opende haar ogen, en ze zag een put met water. Ze ging erheen, vulde de waterzak met water en gaf de jongen te drinken.
וַיִּפְקַ֤ח
(vayifqach)
en Hij opende
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵינֶ֔יהָ
(eineiha)
haar ogen
וַתֵּ֖רֶא
(vatere)
en ze zag
בְּאֵ֣ר
(beer)
put van
מָ֑יִם
(mayim)
water
וַתֵּ֜לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
וַתְּמַלֵּ֤א
(vatemale)
en ze vulde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַחֵ֨מֶת֙
(hachemet)
de waterzak
מַ֔יִם
(mayim)
water
וַתַּ֖שְׁקְ
(vatashq)
en ze gaf te drinken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנָּֽעַר
(hanaar)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאֵר מָיִם (be’er mayim), ‘een put met water’: Elohim opent haar ogen; de put was er al.

Aanvullend

Jubileeën 17:12 vertelt hetzelfde: zij zag een put met water en gaf haar kind te drinken.

20Elohim was met de jongen. Hij groeide op, woonde in de woestijn en werd een boogschutter.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en Hij was
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
וַיִּגְדָּ֑ל
(vayigdal)
en hij groeide
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en hij woonde
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en hij werd
רֹבֶ֥ה
(rove)
schutter
קַשָּֽׁת
(qashat)
boog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹבֶה קַשָּׁת (rovveh qeshet), ‘boogschutter’: roveh is een zeldzaam woord, waarschijnlijk van ‘schieten’.

Aanvullend

Jubileeën 17:13 en Jasher 21:12 noemen hem ook een boogschutter.

21Hij woonde in de woestijn van Paran. Zijn moeder nam een vrouw voor hem uit het land Egypte.
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בְּמִדְבַּ֣ר
(bemidbar)
in de woestijn van
פָּארָ֑ן
(paran)
Paran
וַתִּֽקַּֽח
(vatiqach)
en ze nam
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
אִמּ֛וֹ
(imo)
zijn moeder
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

פָּארָן (Pa’ran), ‘Paran’: de woestijn van Paran ligt in het noorden van de Sinaï, ten zuiden van de Negev; de grenzen zijn niet vast (zie 14:6).

Aanvullend

Jasher 21:16–17 zegt dat Ismaël daar woonde, later in Egypte was en een vrouw uit Egypte nam.

Het verbond met Abimelech

22In die tijd zeiden Abimelech en Pichol, de bevelhebber van zijn leger, tegen Abraham: „Elohim is met je in alles wat je doet.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔וא
(hahi)
die
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֗לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וּפִיכֹל֙
(ufikhol)
en Pichol
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
עִמְּךָ֔
(imekha)
met jou
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
עֹשֶֽׂה
(ose)
doet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּפִיכֹל שַׂר צְבָאוֹ (Pikhol sar tseva’o), ‘Pichol, de bevelhebber van zijn leger’: hij komt ook voor in 26:26 (zie 26:26).

23Zweer mij nu hier bij Elohim dat je niet vals zult zijn tegenover mij, mijn kinderen en mijn nakomelingen. Zoals ik jou trouw bewezen heb, zul je mij en het land waarin je als vreemdeling woont, trouw bewijzen.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִשָּׁ֨בְעָה
(hishavea)
zweer
לִּ֤י
(li)
mij
בֵֽאלֹהִים֙
(bElohim)
bij Elohim
הֵ֔נָּה
(hena)
hier
אִם
(im)
dat niet
תִּשְׁקֹ֣ר
(tishqor)
je zult liegen
לִ֔י
(li)
tegen mij
וּלְנִינִ֖י
(ulenini)
en tegen mijn kinderen
וּלְנֶכְדִּ֑י
(ulenekhdi)
en tegen mijn nakomelingen
כַּחֶ֜סֶד
(kachesed)
naar de trouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֤יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
עִמְּךָ֙
(imekha)
met jou
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je doen
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
וְעִם
(veim)
en met
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
גַּ֥רְתָּה
(garta)
je hebt gewoond als vreemdeling
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּחֶסֶד (kechesed), ‘zoals de trouw’: chesed, zie 19:19 en 20:13 (zie 19:19; 20:13).

וּלְנִינִי וּלְנֶכְדִּי (lenini ulenekhdi), ‘mijn kinderen en mijn nakomelingen’: nin en nekhed zijn twee zeldzame woorden voor ‘nageslacht’ (ook Jes. 14:22; Job 18:19).

24Abraham zei: „Ik zweer het.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָהָ֔ם
(avraham)
Abraham
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
אִשָּׁבֵֽעַ
(ishavea)
ik zal zweren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Maar Abraham sprak Abimelech aan op de waterput die de dienaren van Abimelech met geweld in bezit genomen hadden.
וְהוֹכִ֥חַ
(vehokhiach)
en hij berispte
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲבִימֶ֑לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
עַל
(al)
over
אֹדוֹת֙
(odot)
de zaak van
בְּאֵ֣ר
(beer)
put van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
water
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
גָּזְל֖וּ
(gazelu)
hadden geroofd
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
אֲבִימֶֽלֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹכִחַ (vehokhiach), ‘hij berispte’: van yakach, zoals ‘vrijgepleit’ in 20:16 (zie 20:16).

גָּזְלוּ (gazelu), ‘met geweld in bezit genomen’: ook later is er twist om putten (zie 26:15; 26:20).

Aanvullend

Jasher 22:4–6 vertelt dat Abrahams dienaren een grote put hadden gegraven die de dienaren van Abimelech roofden.

26Abimelech zei: „Ik weet niet wie dit gedaan heeft. Jij hebt het mij ook niet verteld, en ik heb er tot vandaag niets over gehoord.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֔לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik wist
מִ֥י
(mi)
wie
עָשָׂ֖ה
(asa)
heeft gedaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְגַם
(vegam)
en ook
אַתָּ֞ה
(ata)
jij
לֹא
(lo)
niet
הִגַּ֣דְתָּ
(higadta)
je hebt verteld
לִּ֗י
(li)
aan mij
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
behalve
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Abraham nam schapen en runderen en gaf ze aan Abimelech. Zo sloten de twee een verbond.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
צֹ֣אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֔ר
(uvaqar)
en rundvee
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en hij gaf
לַאֲבִימֶ֑לֶךְ
(laavimelekh)
aan Abimelech
וַיִּכְרְת֥וּ
(vayikhretu)
en ze sloten
שְׁנֵיהֶ֖ם
(sheneihem)
hen beiden
בְּרִֽית
(berit)
een verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Abraham zette zeven jonge ooien van de kudde apart.
וַיַּצֵּ֣ב
(vayatsev)
en hij zette neer
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֶׁ֛בַע
(sheva)
zeven
כִּבְשֹׂ֥ת
(kivsot)
jonge ooien van
הַצֹּ֖אן
(hatson)
de kudde
לְבַדְּהֶֽן
(levadehen)
apart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Abimelech zei tegen Abraham: „Wat betekenen deze zeven jonge ooien die je apart gezet hebt?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲבִימֶ֖לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
מָ֣ה
(ma)
wat
הֵ֗נָּה
(hena)
zie hier
שֶׁ֤בַע
(sheva)
zeven
כְּבָשֹׂת֙
(kevasot)
jonge ooien
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִצַּ֖בְתָּ
(hitsavta)
je hebt neergezet
לְבַדָּֽנָה
(levadana)
apart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hij zei: „Neem deze zeven jonge ooien aan uit mijn hand. Dan zijn ze een bewijs voor mij dat ik deze put gegraven heb.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּ֚י
(ki)
dat
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
כְּבָשֹׂ֔ת
(kevasot)
jonge ooien
תִּקַּ֖ח
(tiqach)
je zult nemen
מִיָּדִ֑י
(miyadi)
uit mijn hand
בַּעֲבוּר֙
(baavur)
opdat
תִּֽהְיֶה
(tihye)
zij zullen zijn
לִּ֣י
(li)
voor mij
לְעֵדָ֔ה
(leeda)
tot bewijs
כִּ֥י
(ki)
dat
חָפַ֖רְתִּי
(chafarti)
ik heb gegraven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַבְּאֵ֥ר
(habeer)
de put
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעֵדָה (le’edah), ‘tot bewijs’: de zeven jonge ooien zijn het bewijs dat Abraham de put gegraven heeft.

Aanvullend

Jasher 22:8 zegt hetzelfde.

31Daarom noemde men die plaats Beër-Sjeba, want daar zwoeren zij beiden.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
daarom
קָרָ֛א
(qara)
hij noemde
לַמָּק֥וֹם
(lamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּאֵ֣ר
(beer)
put van
שָׁ֑בַע
(shava)
zeven
כִּ֛י
(ki)
want
שָׁ֥ם
(sham)
daar
נִשְׁבְּע֖וּ
(nishbeu)
ze zwoeren
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
hen beiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev (zie 21:14).

Uitleg

בְּאֵר שָׁבַע (Be’er Sheva), ‘put van zeven’ en ‘put van de eed’: sheva is ‘zeven’ en klinkt als nishbe’u, ‘zij zwoeren’ (vers 28–30).

Aanvullend

Jasher 22:9–10 zegt dat Abimelech en Abraham daar een verbond sloten.

32Zo sloten ze een verbond in Beër-Sjeba. Daarna stonden Abimelech en Pichol, de bevelhebber van zijn leger, op en keerden terug naar het land van de Filistijnen.
וַיִּכְרְת֥וּ
(vayikhretu)
en ze sloten
בְרִ֖ית
(berit)
een verbond
בִּבְאֵ֣ר
(biver)
in Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
אֲבִימֶ֗לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וּפִיכֹל֙
(ufikhol)
en Pichol
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en ze keerden terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

פְּלִשְׁתִּים (erets Pelishtim), ‘het land van de Filistijnen’: de kuststreek rond Gerar en Gaza (zie 10:19; 20:1).

33Abraham plantte een tamarisk in Beër-Sjeba en riep daar de naam van Yahweh aan, El Olam.
וַיִּטַּ֥ע
(vayita)
en hij plantte
אֶ֖שֶׁל
(eshel)
tamarisk
בִּבְאֵ֣ר
(biver)
in Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיִּ֨קְרָא
(vayiqra)
en hij riep aan
שָׁ֔ם
(sham)
daar
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
bij de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֥ל
(el)
El
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

אֵל עוֹלָם (El Olam), ‘de eeuwige El’: El is een oude Godsnaam (zie 14:18; 17:1).

אֶשֶׁל (eshel), ‘tamarisk’: een boom die in de woestijn goed groeit.

Aanvullend

Jasher 22:11 vertelt dat Abraham daar een grote tamarisk met vier poorten en een wijngaard plantte, zodat reizigers er konden binnengaan.

34Abraham verbleef lange tijd als vreemdeling in het land van de Filistijnen.
וַיָּ֧גָר
(vayagar)
en hij verbleef als vreemdeling
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)