Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Isaak wordt geboren
1Yahweh dacht aan Sarah en ontfermde zich over haar, zoals Hij gezegd had, en Yahweh deed met Sarah zoals Hij gesproken had.
וַֽיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
פָּקַ֥ד
(paqad)
Hij zag om
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
אָמָ֑ר
(amar)
Hij had gezegd
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en Hij deed
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשָׂרָ֖ה
(lesara)
aan Sarah
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּֽר
(diber)
Hij had gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּקַד (paqad), ‘hij zag om naar’: paqad is ‘bezoeken, zich over iemand ontfermen’ (zie 50:24).
Hier vertaald als ‘dacht aan en ontfermde zich over’.
Het is een ander werkwoord dan zakhar, ‘denken aan’ (zie 8:1; 19:29).
Aanvullend
Jubileeën 16:12–13 zegt dat Isaak in de derde maand werd geboren, op het feest van de eerstelingen van de oogst.
Jasher 21:1–2 zegt dat Yahweh Sarah bezocht na een jaar en vier maanden in Gerar.
12Maar Elohim zei tegen Abraham: „Laat het niet kwalijk zijn in je ogen, vanwege de jongen en je slavin. Luister naar alles wat Sarah tegen je zegt, want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
אַבְרָהָ֗ם
(avraham)
Abraham
אַל
(al)
niet
יֵרַ֤ע
(yera)
laat zijn kwalijk
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in je ogen
עַל
(al)
vanwege
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
de jongen
וְעַל
(veal)
en vanwege
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
je slavin
כֹּל֩
(kol)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
תֹּאמַ֥ר
(tomar)
zal zeggen
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
tot jou
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sarah
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּקֹלָ֑הּ
(beqolah)
naar haar stem
כִּ֣י
(ki)
want
בְיִצְחָ֔ק
(beyitschaq)
door Isaak
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
zal genoemd worden
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
זָֽרַע
(zara)
nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּי בְיִצְחָק יִקָּרֵא לְךָ זָרַע (ki veYitschaq yiqqare lekha zara), ‘want door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’: alleen Isaaks lijn draagt de belofte; Rom. 9:7 en Heb. 11:18 halen dit aan.
‘Luister naar haar stem’ is dezelfde uitdrukking als in 3:17 en 16:2 (zie 3:17; 16:2).
Aanvullend
Jubileeën 17:6–7 geeft hetzelfde antwoord van Elohim.
14Abraham stond 's morgens vroeg op, nam brood en een waterzak en gaf dat aan Hagar. Hij legde het op haar schouder, gaf haar het kind en stuurde haar weg. Zij ging weg en dwaalde rond in de woestijn van Beër-Sjeba.
וַיַּשְׁכֵּ֣ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
בַּבֹּ֡קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
לֶחֶם֩
(lechem)
brood
וְחֵ֨מַת
(vechemat)
en een waterzak van
מַ֜יִם
(mayim)
water
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en hij gaf
אֶל
(el)
aan
הָ֠גָר
(hagar)
Hagar
שָׂ֧ם
(sam)
leggend
עַל
(al)
op
שִׁכְמָ֛הּ
(shikhmah)
haar schouder
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַֽיְשַׁלְּחֶ֑הָ
(vayshalecheha)
en hij zond haar weg
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
וַתֵּ֔תַע
(vateta)
en ze dwaalde
בְּמִדְבַּ֖ר
(bemidbar)
in de woestijn van
בְּאֵ֥ר
(beer)
put van
שָֽׁבַע
(shava)
zeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
בְּאֵר שָׁבַע (Be’er Sheva), ‘Beër-Sjeba’, ‘put van zeven’ of ‘put van de eed’ (zie 21:31).
Uitleg
Beër-Sjeba ligt in het noorden van de Negev, ongeveer 70 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
וְחֵמַת מַיִם (chemet mayim), ‘waterzak’: een dierenhuid die als zak werd gebruikt.
Het kind (yeled) is geen kleuter: Ismaël is zestien of zeventien (zie 21:9).
Lezing
Lezing: hier gelezen als ‘legde het op haar schouder en gaf haar het kind’.
Anderen lezen ‘legde het op haar schouder, samen met het kind’.
Aanvullend
Jubileeën 17:8–9 en Jasher 21:16 vertellen dat Abraham brood en water meegaf.
16Ze ging weg en zat tegenover hem, op een afstand van ongeveer een boogschot, want ze zei: „Ik wil de dood van het kind niet zien.” Zo zat ze tegenover hem. Het kind huilde luid.
וַתֵּלֶךְ֩
(vatelekh)
en ze ging
וַתֵּ֨שֶׁב
(vateshev)
en ze zat
לָ֜הּ
(lah)
voor zich
מִנֶּ֗גֶד
(mineged)
tegenover
הַרְחֵק֙
(harcheq)
ver
כִּמְטַחֲוֵ֣י
(kimtachavei)
als de afstand van een schot van
קֶ֔שֶׁת
(qeshet)
boog
כִּ֣י
(ki)
want
אָֽמְרָ֔ה
(amera)
ze had gezegd
אַל
(al)
niet
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
laat mij zien
בְּמ֣וֹת
(bemot)
de dood van
הַיָּ֑לֶד
(hayaled)
het kind
וַתֵּ֣שֶׁב
(vateshev)
en ze zat
מִנֶּ֔גֶד
(mineged)
tegenover
וַתִּשָּׂ֥א
(vatisa)
en ze verhief
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קֹלָ֖הּ
(qolah)
haar stem
וַתֵּֽבְךְּ
(vatevek)
en ze huilde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּמְטַחֲוֵי קֶשֶׁת (kemattachavei qeshet), ‘als een boogschot afstand’: een boogschot is geen vaste maat, ruwweg honderd meter.
וַתִּשָּׂא אֶת קֹלָהּ וַתֵּבְךְּ (vattisa et qolah vattevk), ‘zij verhief haar stem en huilde’: zo staat het in de Hebreeuwse tekst, met Hagar als onderwerp.
Dat past bij vers 17, waar Elohim ‘de stem van de jongen’ hoort.
Lezing
Lezing: hier gelezen als ‘het kind huilde luid’ (letterlijk ‘verhief zijn stem en huilde’), zoals de oude Griekse vertaling het heeft.
17Elohim hoorde de stem van de jongen. De engel van Elohim riep Hagar vanuit de hemel toe: „Wat is er met je, Hagar? Wees niet bang, want Elohim heeft de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en Hij hoorde
אֱלֹהִים֮
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ק֣וֹל
(qol)
stem van
הַנַּעַר֒
(hanaar)
de jongen
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en hij riep
מַלְאַ֨ךְ
(malakh)
engel van
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
הָגָר֙
(hagar)
Hagar
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָ֖הּ
(lah)
tot haar
מַה
(ma)
wat
לָּ֣ךְ
(lakh)
voor jou
הָגָ֑ר
(hagar)
Hagar
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֧ע
(shama)
heeft gehoord
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
ק֥וֹל
(qol)
stem van
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
בַּאֲשֶׁ֥ר
(baasher)
waar
הוּא
(hu)
hij
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאַךְ אֱלֹהִים (mal’akh Elohim), ‘engel van Elohim’: Hij roept Hagar ‘vanuit de hemel’, zoals de engel Abraham toeroept in 22:11 (zie 22:11).
In 16:7 was het de engel van Yahweh (zie 16:7).
Aanvullend
Jubileeën 17:11 zegt dat deze engel ‘een van de heiligen’ was.
23Zweer mij nu hier bij Elohim dat je niet vals zult zijn tegenover mij, mijn kinderen en mijn nakomelingen. Zoals ik jou trouw bewezen heb, zul je mij en het land waarin je als vreemdeling woont, trouw bewijzen.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִשָּׁ֨בְעָה
(hishavea)
zweer
לִּ֤י
(li)
mij
בֵֽאלֹהִים֙
(bElohim)
bij Elohim
הֵ֔נָּה
(hena)
hier
אִם
(im)
dat niet
תִּשְׁקֹ֣ר
(tishqor)
je zult liegen
לִ֔י
(li)
tegen mij
וּלְנִינִ֖י
(ulenini)
en tegen mijn kinderen
וּלְנֶכְדִּ֑י
(ulenekhdi)
en tegen mijn nakomelingen
כַּחֶ֜סֶד
(kachesed)
naar de trouw
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֤יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
עִמְּךָ֙
(imekha)
met jou
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je doen
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
וְעִם
(veim)
en met
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
גַּ֥רְתָּה
(garta)
je hebt gewoond als vreemdeling
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כַּחֶסֶד (kechesed), ‘zoals de trouw’: chesed, zie 19:19 en 20:13 (zie 19:19; 20:13).
וּלְנִינִי וּלְנֶכְדִּי (lenini ulenekhdi), ‘mijn kinderen en mijn nakomelingen’: nin en nekhed zijn twee zeldzame woorden voor ‘nageslacht’ (ook Jes. 14:22; Job 18:19).
32Zo sloten ze een verbond in Beër-Sjeba. Daarna stonden Abimelech en Pichol, de bevelhebber van zijn leger, op en keerden terug naar het land van de Filistijnen.
וַיִּכְרְת֥וּ
(vayikhretu)
en ze sloten
בְרִ֖ית
(berit)
een verbond
בִּבְאֵ֣ר
(biver)
in Beër
שָׁ֑בַע
(shava)
Sjeba
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
אֲבִימֶ֗לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
וּפִיכֹל֙
(ufikhol)
en Pichol
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
צְבָא֔וֹ
(tsevao)
zijn leger
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en ze keerden terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
פְּלִשְׁתִּים (erets Pelishtim), ‘het land van de Filistijnen’: de kuststreek rond Gerar en Gaza (zie 10:19; 20:1).