2 Korintiërs 2
Verdriet en vergeving, onrust in Troas en de geur van de kennis van de Messias
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Verdriet en een brief
πάλιν ἐν λύπῃ (palin en lype), ‘opnieuw in verdriet’: het woord ‘opnieuw’ wijst op een eerder bezoek in verdriet.
De brief zegt niet hoe dat bezoek verliep. λύπη (lype), ‘verdriet, droefheid’; λυπέω (lypeo), ‘bedroeven’.
Zie ook 2 Kor. 12:21; 2 Kor. 13:1–2.
Het Grieks zegt ‘dit zelfde (τοῦτο αὐτό) heb ik geschreven’.
In 7:8 noemt Paulus een brief die hen bedroefde; welke brief hier bedoeld is, zegt de tekst niet.
Zie ook 2 Kor. 7:8–12.
συνοχή (synoche), ‘beklemming’: letterlijk ‘samengeknepen zijn’.
Paulus schreef met veel tranen; zijn doel was niet te bedroeven maar de liefde te laten zien.
Vergeving voor wie verdriet veroorzaakte
De Griekse zin is kort en laat twee lezingen toe. ἀπὸ μέρους (apo merous), ‘voor een deel’, kan bij ‘jullie allen’ horen (hij heeft voor een deel jullie allen bedroefd) of de zin afzwakken (‘om niet te veel te zeggen’).
Wij houden de woorden in de Griekse volgorde. ἐπιβαρέω (epibareo), ‘te zwaar vallen, belasten’.
De man wordt niet bij naam genoemd.
ἐπιτιμία (epitimia), ‘straf, bestraffing’: een zeldzaam woord.
‘De meerderheid’ (οἱ πλείονες, hoi pleiones): het Grieks zegt ‘de meerderen’, dus de meesten van de gemeente.
χαρίζομαι (charizomai), ‘vergeven’: letterlijk ‘uit genade schenken’, van χάρις (charis), ‘genade’. παρακαλέω (parakaleo), ‘troosten’, zoals in 1:4.
Het Grieks heeft geen ‘hem’; wij vullen het aan omdat het Nederlands een voorwerp nodig heeft. καταπίνω (katapino), ‘verzwelgen’.
κυρόω (kyroo), ‘bekrachtigen, rechtsgeldig maken’: de gemeente moet haar liefde voor hem openlijk bevestigen. παρακαλέω (parakaleo) staat hier als ‘verzoeken’; het is hetzelfde Griekse woord als ‘troosten’ in 1:4.
δοκιμή (dokime), ‘beproefdheid’: wat iemand bewezen waard is nadat hij op de proef gesteld is. ὑπήκοος (hypekoos), ‘gehoorzaam’.
χαρίζομαι (charizomai), ‘vergeven’, zoals in vers 7. ἐν προσώπῳ Χριστοῦ (en prosopo Christou), ‘in het aangezicht van de Messias’: ten overstaan van de Messias; het kan ook ‘in de persoon van de Messias’ betekenen.
Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: het Hebreeuwse satan betekent ‘tegenstander’. πλεονεκτέω (pleonekteo), ‘meer voor zichzelf nemen, uitbuiten, voordeel behalen op iemand’. νόημα (noema), ‘gedachte, plan’.
Troas en Macedonië
Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos.
Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië.
Troas was een havenstad aan de Egeïsche Zee, in het noordwesten van het huidige Turkije.
‘Een deur geopend’ is een beeld voor een gelegenheid om de goede boodschap te brengen.
‘In de Heer’ (ἐν κυρίῳ): hier de Heer Yeshua.
De Griekse zin loopt door in vers 13 en heeft pas daar zijn werkwoord; wij splitsen hem in twee zinnen.
Zie ook Hand. 16:8–11; Hand. 20:5–6.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de eigen geest van Paulus, het innerlijk; daarom met kleine letter.
Titus heet hier ‘mijn broer’.
Paulus ging naar Macedonië en ontmoette Titus daar (zie 7:5–7).
Zie ook 2 Kor. 7:5–7; Hand. 20:1–2.
De geur van de kennis van de Messias
θριαμβεύω (thriambeuo), ‘in zegetocht meevoeren’: het beeld komt van de Romeinse zegetocht van een overwinnaar.
Het Grieks laat open of ‘wij’ de overwonnenen of de meelopers zijn. χάρις (charis) staat hier voor ‘dank’. ὀσμή (osme), ‘geur’.
εὐωδία (euodia), ‘aangename geur’: het beeld voor een offer dat Elohim welgevallig is.
In de offerwetten heet het ‘een aangename geur voor Yahweh’. σῴζω (sozo), ‘redden’; ἀπόλλυμι (apollymi), ‘verloren gaan, omkomen’.
Zie ook Lev. 1:9.
ἐκ θανάτου εἰς θάνατον (ek thanatou eis thanaton), ‘uit dood tot dood’; ἐκ ζωῆς εἰς ζωήν (ek zoes eis zoen), ‘uit leven tot leven’.
De geur is dezelfde, maar werkt op mensen verschillend. ἱκανός (hikanos), ‘bekwaam’; zie 3:5–6.
καπηλεύω (kapeleuo), ‘handel drijven’: van een kleinhandelaar (κάπηλος, kapelos) die iets verkoopt om er winst mee te maken. εἰλικρίνεια (eilikrineia), ‘oprechtheid’, zoals in 1:12.