Elohim Bijbel

Ezra 9

12345678910

De gemengde huwelijken en Ezra’s gebed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De klacht van de oversten

1Toen dit afgerond was, kwamen de oversten naar mij toe. Zij zeiden: „Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen. Zij leven naar de gruwelen van de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Amorieten.
וּכְכַלּ֣וֹת
(ukhekhalot)
en toen waren afgerond
אֵ֗לֶּה
(ele)
deze dingen
נִגְּשׁ֨וּ
(nigeshu)
kwamen naderbij
אֵלַ֤י
(elay)
naar mij
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
נִבְדְּל֞וּ
(nivdelu)
hebben zich afgezonderd
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְהַכֹּהֲנִ֣ים
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מֵעַמֵּ֖י
(meamei)
van de volken van
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
כְּ֠תוֹעֲבֹֽתֵיהֶם
(ketoavoteihem)
volgens hun gruwelen
לַכְּנַעֲנִ֨י
(lakenaani)
de Kanaäniet
הַחִתִּ֜י
(hachiti)
de Hethiet
הַפְּרִזִּ֣י
(haperizi)
de Perizziet
הַיְבוּסִ֗י
(hayvusi)
de Jebusiet
הָֽעַמֹּנִי֙
(haamoni)
de Ammoniet
הַמֹּ֣אָבִ֔י
(hamoavi)
de Moabiet
הַמִּצְרִ֖י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וְהָאֱמֹרִֽי
(vehaemori)
en de Amoriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: een daad die Elohim verafschuwt, vooral afgodendienst en wat daarbij hoort.

De lijst noemt acht volken. Een deel ervan (Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Jebusieten, Amorieten) staat ook in Deut. 7:1. Ammonieten, Moabieten en Egyptenaren staan in Deut. 23:4–9.

2Want zij hebben dochters van hen genomen, voor zichzelf en voor hun zonen. Zo heeft het heilige nageslacht zich vermengd met de volken van de landen. De hand van de oversten en de bestuurders was de eerste in deze ontrouw.”
כִּֽי
(ki)
want
נָשְׂא֣וּ
(naseu)
zij hebben genomen
מִבְּנֹֽתֵיהֶ֗ם
(mibenoteihem)
van hun dochters
לָהֶם֙
(lahem)
voor zichzelf
וְלִבְנֵיהֶ֔ם
(velivneihem)
en voor hun zonen
וְהִתְעָֽרְבוּ֙
(vehitarevu)
en zij hebben zich vermengd
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
בְּעַמֵּ֖י
(beamei)
met de volken van
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
וְיַ֧ד
(veyad)
en de hand van
הַשָּׂרִ֣ים
(hasarim)
de oversten
וְהַסְּגָנִ֗ים
(vehaseganim)
en de bestuurders
הָֽיְתָ֛ה
(hayeta)
was
בַּמַּ֥עַל
(bamaal)
in de ontrouw
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
רִאשׁוֹנָֽה
(rishona)
eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע הַקֹּדֶשׁ (zera haqodesh), ‘het heilige nageslacht’: Israël als volk dat voor Yahweh is afgezonderd.

Vergelijk Jes. 6:13.

מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: de trouw aan Elohim breken. Wij vertalen steeds ‘ontrouw’ (9:2, 4; 10:2, 6, 10), zoals in Lev. 5:15.

סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: de leidinggevenden. Zo vertalen wij ook in Neh. 2:16.

Ezra is verbijsterd

3Toen ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel. Ik trok haren uit mijn hoofd en mijn baard. En ik bleef verbijsterd zitten.
וּכְשָׁמְעִי֙
(ukheshamei)
en toen ik hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
קָרַ֥עְתִּי
(qarati)
scheurde ik
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדִ֖י
(bigdi)
mijn kleed
וּמְעִילִ֑י
(umeili)
en mijn mantel
וָאֶמְרְטָ֞ה
(vaemreta)
en ik trok uit
מִשְּׂעַ֤ר
(misear)
van de haren van
רֹאשִׁי֙
(roshi)
mijn hoofd
וּזְקָנִ֔י
(uzeqani)
en mijn baard
וָאֵשְׁבָ֖ה
(vaesheva)
en ik zat
מְשׁוֹמֵֽם
(meshomem)
verbijsterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het scheuren van kleren en het uittrekken van haren zijn tekenen van diepe rouw en schrik.

Vergelijk Gen. 37:34.

4Allen die beefden voor de woorden van de Elohim van Israël, kwamen bij mij samen vanwege de ontrouw van de ballingen. Ik bleef verbijsterd zitten tot het graanoffer van de avond.
וְאֵלַ֣י
(veelay)
en naar mij
יֵאָסְפ֗וּ
(yeasefu)
verzamelden zich
כֹּ֤ל
(kol)
allen
חָרֵד֙
(chared)
die beefde
בְּדִבְרֵ֣י
(bedivrei)
voor de woorden van
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֖ל
(al)
vanwege
מַ֣עַל
(maal)
ontrouw van
הַגּוֹלָ֑ה
(hagola)
de ballingschap
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zat
מְשׁוֹמֵ֔ם
(meshomem)
verbijsterd
עַ֖ד
(ad)
tot
לְמִנְחַ֥ת
(leminchat)
het graanoffer van
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרֵד בְּדִבְרֵי (chared bedivrei), ‘die beeft voor de woorden van’: mensen die ontzag hebben voor wat Elohim zegt.

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: het avondoffer, rond het midden van de middag. Wij vertalen steeds ‘graanoffer’.

Ezra’s gebed

5Bij het graanoffer van de avond stond ik op uit mijn verootmoediging. Mijn kleed en mijn mantel waren gescheurd. Ik viel op mijn knieën en spreidde mijn handen uit naar Yahweh, mijn Elohim.
וּבְמִנְחַ֣ת
(uveminchat)
en bij het graanoffer van
הָעֶ֗רֶב
(haerev)
de avond
קַ֚מְתִּי
(qamti)
stond ik op
מִתַּֽעֲנִיתִ֔י
(mitaaniti)
uit mijn verootmoediging
וּבְקָרְעִ֥י
(uveqarei)
en bij het scheuren van
בִגְדִ֖י
(bigdi)
mijn kleed
וּמְעִילִ֑י
(umeili)
en mijn mantel
וָֽאֶכְרְעָה֙
(vaekhrea)
en ik viel neer
עַל
(al)
op
בִּרְכַּ֔י
(birkay)
mijn knieën
וָאֶפְרְשָׂ֥ה
(vaefresa)
en ik spreidde uit
כַפַּ֖י
(kapay)
mijn handpalmen
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּעֲנִית (ta’anit), ‘verootmoediging’: een tijd van vasten en nederigheid.

פָּרַשׂ כַּפַּיִם (paras kappayim), ‘de handen uitspreiden’: een houding van gebed. Vergelijk 1 Kon. 8:22.

6Ik zei: „Mijn Elohim, ik schaam mij en ben beschaamd om mijn gezicht naar U op te heffen, mijn Elohim. Want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gegroeid. Onze schuld is groot geworden, tot aan de hemel.
וָאֹמְרָ֗ה
(vaomera)
en ik zei
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
בֹּ֣שְׁתִּי
(boshti)
ik schaam mij
וְנִכְלַ֔מְתִּי
(venikhlamti)
en ik ben beschaamd
לְהָרִ֧ים
(leharim)
om op te heffen
אֱלֹהַ֛י
(elohay)
mijn Elohim
פָּנַ֖י
(panay)
mijn gezicht
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
naar U
כִּ֣י
(ki)
want
עֲוֺנֹתֵ֤ינוּ
(avonoteinu)
onze ongerechtigheden
רָבוּ֙
(ravu)
zijn talrijk geworden
לְמַ֣עְלָה
(lemala)
naar boven
רֹּ֔אשׁ
(rosh)
hoofd
וְאַשְׁמָתֵ֥נוּ
(veashmatenu)
en onze schuld
גָדְלָ֖ה
(gadela)
is groot geworden
עַ֥ד
(ad)
tot
לַשָּׁמָֽיִם
(lashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲוֺן (avon), ‘ongerechtigheid’, en אַשְׁמָה (ashmah), ‘schuld’: twee woorden die samen de zwaarte van de overtreding uitdrukken.

Ezra spreekt in het gebed steeds in de ‘wij’-vorm.

7Sinds de dagen van onze vaders zijn wij in grote schuld, tot op deze dag. Om onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen. Wij zijn overgeleverd aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering en aan schaamte van het gezicht, zoals op deze dag.
מִימֵ֣י
(mimei)
sinds de dagen van
אֲבֹתֵ֗ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
בְּאַשְׁמָ֣ה
(beashma)
in schuld
גְדֹלָ֔ה
(gedola)
grote
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וּבַעֲוֺנֹתֵ֡ינוּ
(uvaavonoteinu)
en om onze ongerechtigheden
נִתַּ֡נּוּ
(nitanu)
zijn overgegeven
אֲנַחְנוּ֩
(anachnu)
wij
מְלָכֵ֨ינוּ
(melakheinu)
onze koningen
כֹהֲנֵ֜ינוּ
(kohaneinu)
onze priesters
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
הָאֲרָצ֗וֹת
(haaratsot)
de landen
בַּחֶ֜רֶב
(bacherev)
aan het zwaard
בַּשְּׁבִ֧י
(bashevi)
aan gevangenschap
וּבַבִּזָּ֛ה
(uvabiza)
en aan plundering
וּבְבֹ֥שֶׁת
(uvevoshet)
en aan schaamte van
פָּנִ֖ים
(panim)
gezicht
כְּהַיּ֥וֹם
(kehayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Maar nu is er, voor een kort ogenblik, genade gekomen van Yahweh, onze Elohim. Hij liet ons een ontkomen rest overhouden. Hij gaf ons een tentpin in Zijn heilige plaats. Zo liet onze Elohim onze ogen oplichten en gaf Hij ons een weinig herleving in onze dienstbaarheid.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
כִּמְעַט
(kimat)
bijna
רֶגַע֩
(rega)
een ogenblik
הָיְתָ֨ה
(hayeta)
is geweest
תְחִנָּ֜ה
(techina)
genade
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְהַשְׁאִ֥יר
(lehashir)
om over te laten
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
פְּלֵיטָ֔ה
(peleita)
een ontkomen rest
וְלָתֶת
(velatet)
en om te geven
לָ֥נוּ
(lanu)
ons
יָתֵ֖ד
(yated)
een tentpin
בִּמְק֣וֹם
(bimqom)
in de plaats van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
לְהָאִ֤יר
(lehair)
om te laten oplichten
עֵינֵ֨ינוּ֙
(eineinu)
onze ogen
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וּלְתִתֵּ֛נוּ
(uletitenu)
en om ons te geven
מִֽחְיָ֥ה
(michya)
herleving
מְעַ֖ט
(meat)
weinig
בְּעַבְדֻתֵֽנוּ
(beavdutenu)
in onze dienstbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּחִנָּה (techinnah), ‘genade’: een gunst die men niet verdient.

פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomen rest’: wie aan een ramp is ontkomen. Wij vertalen steeds ‘ontkomen rest’ (verzen 8, 13, 14, 15).

יָתֵד (yated), ‘tentpin’: een pin die een tent vastzet. Het beeld is: een vaste plaats in het heiligdom.

לְהָאִיר עֵינֵינוּ (leha’ir enenu), ‘onze ogen laten oplichten’: nieuwe levenskracht geven.

עַבְדוּת (avdut), ‘dienstbaarheid’: de toestand van wie onder een vreemde heerser dient.

9Want dienaren zijn wij. Maar in onze dienstbaarheid heeft onze Elohim ons niet verlaten. Hij heeft ons trouw betoond voor het aangezicht van de koningen van Perzië. Zo kregen wij herleving, om het huis van onze Elohim op te richten en zijn puinhopen te herstellen. En Hij gaf ons een omheining in Juda en in Jeruzalem.
כִּֽי
(ki)
want
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
וּבְעַבְדֻ֔תֵנוּ
(uveavdutenu)
en in onze dienstbaarheid
לֹ֥א
(lo)
niet
עֲזָבָ֖נוּ
(azavanu)
heeft verlaten ons
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וַֽיַּט
(vayat)
maar Hij strekte uit
עָלֵ֣ינוּ
(aleinu)
over ons
חֶ֡סֶד
(chesed)
trouw
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
מַלְכֵ֨י
(malkhei)
de koningen van
פָרַ֜ס
(paras)
Perzië
לָֽתֶת
(latet)
om te geven
לָ֣נוּ
(lanu)
ons
מִֽחְיָ֗ה
(michya)
herleving
לְרוֹמֵ֞ם
(leromem)
om op te richten
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
וּלְהַעֲמִ֣יד
(ulehaamid)
en om te laten herrijzen
אֶת
(et)
(obj.)
חָרְבֹתָ֔יו
(charevotav)
zijn puinhopen
וְלָֽתֶת
(velatet)
en om te geven
לָ֣נוּ
(lanu)
ons
גָדֵ֔ר
(gader)
een omheining
בִּֽיהוּדָ֖ה
(bihuda)
in Juda
וּבִירוּשָׁלִָֽם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘Want dienaren zijn wij’ (עֲבָדִים, avadim).

Ezra bedoelt hun toestand onder de Perzische koningen.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de trouw van Elohim aan Zijn volk.

גָּדֵר (gader), ‘omheining’: een muur of afscheiding die beschermt. Het is een beeld van bescherming; de tekst zegt niet of er een stadsmuur mee bedoeld is.

10En nu, onze Elohim, wat kunnen wij zeggen na dit alles? Want wij hebben Uw geboden verlaten.
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
מַה
(ma)
wat
נֹּאמַ֥ר
(nomar)
zullen wij zeggen
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
זֹ֑את
(zot)
dit
כִּ֥י
(ki)
want
עָזַ֖בְנוּ
(azavnu)
wij hebben verlaten
מִצְוֺתֶֽיךָ
(mitsvoteikha)
Uw geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11U hebt die geboden gegeven door Uw dienaren, de profeten. U zei: ‘Het land waar jullie heen gaan om het in bezit te nemen, is een onrein land. Het is onrein door de onreinheid van de volken van de landen, door hun gruwelen. Zij hebben het van de ene kant tot de andere gevuld met hun onreinheid.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּ֗יתָ
(tsivita)
U hebt geboden
בְּיַ֨ד
(beyad)
door de hand van
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
הַנְּבִיאִים֮
(haneviim)
de profeten
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
בָּאִים֙
(baim)
binnengaan
לְרִשְׁתָּ֔הּ
(lerishtah)
om het te bezitten
אֶ֤רֶץ
(erets)
een land
נִדָּה֙
(nida)
onrein
הִ֔יא
(hi)
het is
בְּנִדַּ֖ת
(benidat)
door de onreinheid van
עַמֵּ֣י
(amei)
de volken van
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
בְּתוֹעֲבֹֽתֵיהֶ֗ם
(betoavoteihem)
door hun gruwelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִלְא֛וּהָ
(miluha)
hebben het gevuld
מִפֶּ֥ה
(mipe)
van mond
אֶל
(el)
tot
פֶּ֖ה
(pe)
mond
בְּטֻמְאָתָֽם
(betumatam)
met hun onreinheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden van Yahweh door de profeten staan in het gebed zelf, daarom zwart en tussen enkele aanhalingstekens.

Het Hebreeuws noemt geen profeet en geen vers.

Vergelijk Lev. 18:24–30 en Deut. 7:3.

נִדָּה (nidah), ‘onreinheid’: het woord wordt vooral gebruikt voor wat onrein is of wat men moet afstoten (Lev. 12:2).

מִפֶּה אֶל פֶּה (mippeh el peh), ‘van mond tot mond’: van de ene kant tot de andere, helemaal vol.

12Geef dus jullie dochters niet aan hun zonen en neem hun dochters niet voor jullie zonen. Zoek hun vrede en hun welzijn nooit, voor eeuwig. Dan zullen jullie sterk worden, het goede van het land eten en het voor eeuwig aan jullie zonen als bezit nalaten.’
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
בְּֽנוֹתֵיכֶ֞ם
(benoteikhem)
jullie dochters
אַל
(al)
niet
תִּתְּנ֣וּ
(titenu)
geef
לִבְנֵיהֶ֗ם
(livneihem)
aan hun zonen
וּבְנֹֽתֵיהֶם֙
(uvenoteihem)
en hun dochters
אַל
(al)
niet
תִּשְׂא֣וּ
(tisu)
neem
לִבְנֵיכֶ֔ם
(livneikhem)
voor jullie zonen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִדְרְשׁ֧וּ
(tidreshu)
zoek
שְׁלֹמָ֛ם
(shelomam)
hun vrede
וְטוֹבָתָ֖ם
(vetovatam)
en hun welzijn
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תֶּחֶזְק֗וּ
(techezqu)
jullie sterk worden
וַאֲכַלְתֶּם֙
(vaakhaltem)
en jullie eten
אֶת
(et)
(obj.)
ט֣וּב
(tuv)
het goede van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהוֹרַשְׁתֶּ֥ם
(vehorashtem)
en jullie laten erven
לִבְנֵיכֶ֖ם
(livneikhem)
aan jullie zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלֹמָם וְטֹבָתָם (shelomam vetovatam), ‘hun vrede en hun welzijn’: zoals in Deut. 23:7.

Het gaat om het sluiten van verdragen en het zoeken van hun voordeel.

13Alles wat over ons kwam, kwam door onze slechte daden en onze grote schuld. Toch hebt U, onze Elohim, ons minder gestraft dan onze ongerechtigheden verdienen. U hebt ons zo’n ontkomen rest gegeven.
וְאַֽחֲרֵי֙
(veacharei)
en na
כָּל
(kal)
alles
הַבָּ֣א
(haba)
wat komt
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
בְּמַעֲשֵׂ֨ינוּ֙
(bemaaseinu)
om onze daden
הָרָעִ֔ים
(haraim)
de slechte
וּבְאַשְׁמָתֵ֖נוּ
(uveashmatenu)
en om onze schuld
הַגְּדֹלָ֑ה
(hagedola)
de grote
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
חָשַׂ֤כְתָּֽ
(chasakhta)
hebt teruggehouden
לְמַ֨טָּה֙
(lemata)
naar beneden
מֵֽעֲוֺנֵ֔נוּ
(meavonenu)
van onze ongerechtigheden
וְנָתַ֥תָּה
(venatata)
en U hebt gegeven
לָּ֛נוּ
(lanu)
ons
פְּלֵיטָ֖ה
(peleita)
een ontkomen rest
כָּזֹֽאת
(kazot)
zoals deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָשַׂכְתָּ לְמַטָּה מֵעֲוֺנֵנוּ (chasakhta lemattah me’avonenu), ‘U hebt teruggehouden, naar beneden, van onze ongerechtigheden’: U hebt ons minder gestraft dan onze ongerechtigheden verdienden.

Het Hebreeuws is kort; wij schrijven het uit.

14Zouden wij dan weer Uw geboden breken en huwelijken sluiten met de volken van deze gruwelen? Zou U niet op ons toornen tot het einde, zodat er geen overgeblevenen en geen ontkomen rest meer is?
הֲנָשׁוּב֙
(hanashuv)
zullen wij terugkeren
לְהָפֵ֣ר
(lehafer)
om te breken
מִצְוֺתֶ֔יךָ
(mitsvoteikha)
Uw geboden
וּ֨לְהִתְחַתֵּ֔ן
(ulehitchaten)
en om huwelijken te sluiten
בְּעַמֵּ֥י
(beamei)
met de volken van
הַתֹּעֵב֖וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
תֶֽאֱנַף
(teenaf)
zult U toornen
בָּ֨נוּ֙
(banu)
tegen ons
עַד
(ad)
tot
כַּלֵּ֔ה
(kale)
vernietiging
לְאֵ֥ין
(leein)
zodat er niet is
שְׁאֵרִ֖ית
(sheerit)
een overgeblevene
וּפְלֵיטָֽה
(ufeleita)
en ontkomen rest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overgeblevenen’: wie na een ramp overblijft.

לְהִתְחַתֵּן (lehitchatten), ‘huwelijken sluiten’: een band door huwelijk aangaan.

15Yahweh, Elohim van Israël, U bent rechtvaardig, want wij zijn overgebleven als een ontkomen rest, zoals op deze dag. Zie, wij staan voor U in onze schuld. Want niemand kan vanwege dit voor Uw aangezicht standhouden.”
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אַ֔תָּה
(ata)
U bent
כִּֽי
(ki)
want
נִשְׁאַ֥רְנוּ
(nisharnu)
wij zijn overgebleven
פְלֵיטָ֖ה
(peleita)
een ontkomen rest
כְּהַיּ֣וֹם
(kehayom)
zoals de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
הִנְנ֤וּ
(hinnu)
zie ons
לְפָנֶ֨יךָ֙
(lefaneikha)
voor U
בְּאַשְׁמָתֵ֔ינוּ
(beashmateinu)
in onze schuld
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
לַעֲמ֛וֹד
(laamod)
om te staan
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor U
עַל
(al)
om
זֹֽאת
(zot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)