Elohim Bijbel

Deuteronomium 7

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

De volken van het land en het heilige volk van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De volken van het land

1Stel dat Yahweh, je Elohim, je brengt in het land waar je naartoe gaat om het in bezit te nemen. Stel dat Hij vele volken voor je uit wegjaagt. Dat zijn de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken, talrijker en sterker dan jij.
כִּ֤י
(ki)
wanneer
יְבִֽיאֲךָ֙
(yeviakha)
Hij brengt je
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֶל
(el)
naar
הָאָ֕רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
waar
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָא
(ba)
binnengaat
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּ֑הּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
וְנָשַׁ֣ל
(venashal)
en Hij jaagt weg
גּֽוֹיִם
(goyim)
volken
רַבִּ֣ים
(rabim)
vele
מִפָּנֶ֡יךָ
(mipaneikha)
voor je uit
הַֽחִתִּי֩
(hachiti)
de Hethieten
וְהַגִּרְגָּשִׁ֨י
(vehagirgashi)
en de Girgasieten
וְהָאֱמֹרִ֜י
(vehaemori)
en de Amorieten
וְהַכְּנַעֲנִ֣י
(vehakenaani)
en de Kanaänieten
וְהַפְּרִזִּ֗י
(vehaperizi)
en de Perizzieten
וְהַֽחִוִּי֙
(vehachivi)
en de Chiwwieten
וְהַיְבוּסִ֔י
(vehayvusi)
en de Jebusieten
שִׁבְעָ֣ה
(shiva)
zeven
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
רַבִּ֥ים
(rabim)
talrijker
וַעֲצוּמִ֖ים
(vaatsumim)
en sterker
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
dan jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Stel dat Yahweh, je Elohim, hen aan je overgeeft en jij hen verslaat, dan moet je hen volledig met de ban slaan. Sluit geen verbond met hen en wees hun niet genadig.
וּנְתָנָ֞ם
(unetanam)
en Hij geeft hen
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
aan je over
וְהִכִּיתָ֑ם
(vehikitam)
en jij verslaat hen
הַחֲרֵ֤ם
(hacharem)
volledig
תַּחֲרִים֙
(tacharim)
je moet met de ban slaan
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
לֹא
(lo)
niet
תִכְרֹ֥ת
(tikhrot)
je zult sluiten
לָהֶ֛ם
(lahem)
met hen
בְּרִ֖ית
(berit)
een verbond
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְחָנֵּֽם
(techanem)
je zult genadig zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרֶם (cherem), ‘ban’, en הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: iets of iemand wordt volledig aan Yahweh toegewijd.

Het mag niet gebruikt of gespaard worden.

Zie ook Exod. 22:19.

De verboden om een verbond te sluiten staan ook in Exod. 23:32 en 34:12.

3Je mag je niet door huwelijk met hen verbinden. Je mag je dochter niet aan hun zoon geven en hun dochter niet voor je zoon nemen.
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִתְחַתֵּ֖ן
(titchaten)
je zult je door huwelijk verbinden
בָּ֑ם
(bam)
met hen
בִּתְּךָ֙
(bitekha)
je dochter
לֹא
(lo)
niet
תִתֵּ֣ן
(titen)
je zult geven
לִבְנ֔וֹ
(livno)
aan zijn zoon
וּבִתּ֖וֹ
(uvito)
en zijn dochter
לֹא
(lo)
niet
תִקַּ֥ח
(tiqach)
je zult nemen
לִבְנֶֽךָ
(livnekha)
voor je zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier het enkelvoud: ‘zijn zoon’ en ‘zijn dochter’, bedoeld voor ieder van die volken.

Wij schrijven ‘hun’.

4Want hij brengt je zoon ervan af Mij te volgen, en dan dienen zij andere goden. Dan ontbrandt de toorn van Yahweh tegen je en vernietigt Hij je snel.
כִּֽי
(ki)
want
יָסִ֤יר
(yasir)
hij zal afbrengen
אֶת
(et)
(obj.)
בִּנְךָ֙
(binkha)
je zoon
מֵֽאַחֲרַ֔י
(meacharay)
van achter Mij
וְעָבְד֖וּ
(veavedu)
en zij zullen dienen
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וְחָרָ֤ה
(vechara)
en zal ontbranden
אַף
(af)
de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
tegen jullie
וְהִשְׁמִידְךָ֖
(vehishmidekha)
en Hij zal je vernietigen
מַהֵֽר
(maher)
snel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מֵאַחֲרַי (me’acharai) is letterlijk ‘van achter Mij’.

In de Masoretische tekst spreekt hier Yahweh zelf in de ik-vorm, midden in de woorden van Mozes.

Wij volgen dat en schrijven ‘Mij’ met hoofdletter.

‘Hij’ is degene met wie de zoon of dochter trouwt.

5Maar zo moet je met hen doen: je moet hun altaren afbreken en hun gewijde stenen stukslaan. Je moet hun heilige palen omhakken en hun gesneden beelden met vuur verbranden.
כִּֽי
(ki)
maar
אִם
(im)
als
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תַעֲשׂוּ֙
(taasu)
jullie zullen doen
לָהֶ֔ם
(lahem)
met hen
מִזְבְּחֹתֵיהֶ֣ם
(mizbechoteihem)
hun altaren
תִּתֹּ֔צוּ
(titotsu)
jullie zullen afbreken
וּמַצֵּבֹתָ֖ם
(umatsevotam)
en hun gewijde stenen
תְּשַׁבֵּ֑רוּ
(teshaberu)
jullie zullen stukslaan
וַאֲשֵֽׁירֵהֶם֙
(vaasheirehem)
en hun heilige palen
תְּגַדֵּע֔וּן
(tegadeun)
jullie zullen omhakken
וּפְסִילֵיהֶ֖ם
(ufesileihem)
en hun gesneden beelden
תִּשְׂרְפ֥וּן
(tisrefun)
jullie zullen verbranden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een heilig volk, door Yahweh gekozen

6Want jij bent een heilig volk voor Yahweh, je Elohim. Jou heeft Yahweh, je Elohim, gekozen om voor Hem een volk te zijn, een eigen bezit, uit alle volken op het oppervlak van de grond.
כִּ֣י
(ki)
want
עַ֤ם
(am)
volk
קָדוֹשׁ֙
(qadosh)
heilig
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּךָ֞
(bekha)
in jou
בָּחַ֣ר
(bachar)
koos
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לוֹ֙
(lo)
voor Hem
לְעַ֣ם
(leam)
als volk
סְגֻלָּ֔ה
(segula)
eigen bezit
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: wat een koning als kostbare schat voor zichzelf bewaart.

Zie Exod. 19:5.

7Yahweh heeft Zich niet aan je gehecht en je niet gekozen omdat je talrijker bent dan alle volken. Je bent immers het kleinste van alle volken.
לֹ֣א
(lo)
niet
מֵֽרֻבְּכֶ֞ם
(merubekhem)
omdat jullie talrijker zijn
מִכָּל
(mikal)
dan alle
הָֽעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
חָשַׁ֧ק
(chashaq)
Hij hechtte Zich
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
aan jullie
וַיִּבְחַ֣ר
(vayivchar)
en Hij koos
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
jullie
כִּֽי
(ki)
want
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
הַמְעַ֖ט
(hamat)
de kleinste
מִכָּל
(mikal)
van alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Maar omdat Yahweh je liefheeft en de eed bewaart die Hij aan je vaders gezworen heeft, heeft Yahweh je met sterke hand uitgeleid. Hij heeft je vrijgekocht uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.
כִּי֩
(ki)
maar
מֵֽאַהֲבַ֨ת
(meahavat)
uit liefde van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶ֗ם
(etkhem)
voor jullie
וּמִשָּׁמְר֤וּ
(umishameru)
en uit het bewaren door Hem van
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׁבֻעָה֙
(hashevua)
de eed
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִשְׁבַּע֙
(nishba)
Hij zwoer
לַאֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
הוֹצִ֧יא
(hotsi)
heeft uitgeleid
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּיָ֣ד
(beyad)
met een hand
חֲזָקָ֑ה
(chazaqa)
sterke
וַֽיִּפְדְּךָ֙
(vayifdekha)
en Hij kocht je vrij
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִ֔ים
(avadim)
dienaren
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
פַּרְעֹ֥ה
(paro)
de farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בֵּית עֲבָדִים (beit avadim) is letterlijk ‘huis van dienaren’.

Wij schrijven ‘slavenhuis’, zoals in Exod. 13:3.

פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’: iemand losmaken door een prijs te betalen.

9Je moet weten dat Yahweh, je Elohim, de Elohim is, de betrouwbare El. Hij bewaart het verbond en de trouw voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden bewaren, tot duizend generaties.
וְיָ֣דַעְתָּ֔
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
ה֣וּא
(hu)
Hij
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
הָאֵל֙
(hael)
de El
הַֽנֶּאֱמָ֔ן
(haneeman)
de betrouwbare
שֹׁמֵ֧ר
(shomer)
die bewaart
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
וְהַחֶ֗סֶד
(vehachesed)
en de trouw
לְאֹהֲבָ֛יו
(leohavav)
aan wie Hem liefhebben
וּלְשֹׁמְרֵ֥י
(uleshomerei)
en aan wie bewaren
מִצְוֺתָ֖יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
לְאֶ֥לֶף
(leelef)
tot duizend
דּֽוֹר
(dor)
generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Maar wie Hem haten, vergeldt Hij recht in het gezicht door hen te laten omkomen. Hij draalt niet met wie Hem haat; recht in het gezicht vergeldt Hij hem.
וּמְשַׁלֵּ֧ם
(umeshalem)
en die vergeldt
לְשֹׂנְאָ֛יו
(lesoneav)
aan wie Hem haten
אֶל
(el)
in
פָּנָ֖יו
(panav)
hun gezicht
לְהַאֲבִיד֑וֹ
(lehaavido)
om hen te laten omkomen
לֹ֤א
(lo)
niet
יְאַחֵר֙
(yeacher)
Hij draalt
לְשֹׂ֣נְא֔וֹ
(lesoneo)
met wie Hem haat
אֶל
(el)
in
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
יְשַׁלֶּם
(yeshalem)
Hij vergeldt
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶל־פָּנָיו (el panav) is letterlijk ‘naar zijn aangezicht’.

Wij vertalen ‘recht in het gezicht’: openlijk en zonder uitstel.

11Bewaar het gebod, de voorschriften en de rechtsregels die ik je vandaag gebied, en doe ze.
וְשָׁמַרְתָּ֨
(veshamarta)
en je zult bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְוָ֜ה
(hamitsva)
het gebod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽחֻקִּ֣ים
(hachuqim)
de voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּשְׁפָּטִ֗ים
(hamishpatim)
de rechtsregels
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אָנֹכִ֧י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֛
(metsavekha)
je gebied
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
לַעֲשׂוֹתָֽם
(laasotam)
om ze te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zegen voor wie luistert

12Als je naar deze rechtsregels luistert, ze bewaart en ze doet, dan zal Yahweh, je Elohim, voor jou het verbond en de trouw bewaren. Dat zijn het verbond en de trouw die Hij aan je vaders gezworen heeft.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
עֵ֣קֶב
(eqev)
als gevolg van
תִּשְׁמְע֗וּן
(tishmeun)
jullie zullen luisteren
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
הַמִּשְׁפָּטִים֙
(hamishpatim)
de rechtsregels
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וּשְׁמַרְתֶּ֥ם
(ushemartem)
en jullie zullen bewaren
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
וְשָׁמַר֩
(veshamar)
dan zal bewaren
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְךָ֗
(lekha)
voor jou
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֶ֔סֶד
(hachesed)
de trouw
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֖ע
(nishba)
Hij zwoer
לַאֲבֹתֶֽיךָ
(laavoteikha)
aan je vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵקֶב (eqev), ‘als gevolg van’: letterlijk ‘hiel’, het woord voor wat erop volgt.

13Hij zal je liefhebben, je zegenen en je talrijk maken. Hij zal de vrucht van je schoot zegenen en de vrucht van je grond: je graan, je most en je olie. Ook zegent Hij de worp van je runderen en de jongen van je kleinvee. Dat doet Hij op de grond die Hij aan je vaders gezworen heeft je te geven.
וַאֲהֵ֣בְךָ֔
(vaahevekha)
en Hij zal je liefhebben
וּבֵרַכְךָ֖
(uverakhkha)
en Hij zal je zegenen
וְהִרְבֶּ֑ךָ
(vehirbekha)
en Hij zal je talrijk maken
וּבֵרַ֣ךְ
(uverakh)
en Hij zal zegenen
פְּרִֽי
(peri)
de vrucht van
בִטְנְךָ֣
(bitnekha)
je schoot
וּפְרִֽי
(uferi)
en de vrucht van
אַ֠דְמָתֶךָ
(admatekha)
je grond
דְּגָ֨נְךָ֜
(deganekha)
je graan
וְתִֽירֹשְׁךָ֣
(vetiroshekha)
en je most
וְיִצְהָרֶ֗ךָ
(veyitsharekha)
en je olie
שְׁגַר
(shegar)
de worp van
אֲלָפֶ֨יךָ֙
(alafeikha)
je runderen
וְעַשְׁתְּרֹ֣ת
(veashterot)
en de jongen van
צֹאנֶ֔ךָ
(tsonekha)
je kleinvee
עַ֚ל
(al)
op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
Hij zwoer
לַאֲבֹתֶ֖יךָ
(laavoteikha)
aan je vaders
לָ֥תֶת
(latet)
om te geven
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Je zult gezegend zijn boven alle volken. Er zal onder jou geen onvruchtbare man of vrouw zijn, en ook niet onder je vee.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
תִּֽהְיֶ֖ה
(tihye)
je zult zijn
מִכָּל
(mikal)
boven alle
הָעַמִּ֑ים
(haamim)
de volken
לֹא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er zal zijn
בְךָ֛
(bekha)
onder jou
עָקָ֥ר
(aqar)
een onvruchtbare man
וַֽעֲקָרָ֖ה
(vaaqara)
en een onvruchtbare vrouw
וּבִבְהֶמְתֶּֽךָ
(uvivhemtekha)
en onder je vee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Yahweh neemt elke ziekte van je weg. Geen van de kwade kwalen van Egypte, die je kent, legt Hij op jou. Hij geeft ze aan al wie je haat.
וְהֵסִ֧יר
(vehesir)
en Hij zal wegnemen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמְּךָ֖
(mimekha)
van jou
כָּל
(kal)
alle
חֹ֑לִי
(choli)
ziekte
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַדְוֵי֩
(madvei)
kwalen van
מִצְרַ֨יִם
(mitsrayim)
Egypte
הָרָעִ֜ים
(haraim)
de kwade
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָדַ֗עְתָּ
(yadata)
je kende
לֹ֤א
(lo)
niet
יְשִׂימָם֙
(yesimam)
Hij zal ze leggen
בָּ֔ךְ
(bakh)
op jou
וּנְתָנָ֖ם
(unetanam)
maar Hij zal ze geven
בְּכָל
(bekhal)
aan alle
שֹׂנְאֶֽיךָ
(soneeikha)
die je haten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

16Je moet alle volken verslinden die Yahweh, je Elohim, je geeft. Je oog mag geen medelijden met hen hebben. Je mag hun goden niet dienen, want dat is een valstrik voor je.
וְאָכַלְתָּ֣
(veakhalta)
en je zult verslinden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָֽעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֣ן
(noten)
geeft
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
לֹא
(lo)
niet
תָחֹ֥ס
(tachos)
zal medelijden hebben
עֵֽינְךָ֖
(einekha)
je oog
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
met hen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תַעֲבֹד֙
(taavod)
je zult dienen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun goden
כִּֽי
(ki)
want
מוֹקֵ֥שׁ
(moqesh)
een valstrik
ה֖וּא
(hu)
het
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wees niet bang voor de volken

17Als je in je hart zegt: „Deze volken zijn talrijker dan ik. Hoe zal ik hen kunnen verdrijven?”,
כִּ֤י
(ki)
wanneer
תֹאמַר֙
(tomar)
je zegt
בִּלְבָ֣בְךָ֔
(bilvavekha)
in je hart
רַבִּ֛ים
(rabim)
talrijker
הַגּוֹיִ֥ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
dan ik
אֵיכָ֥ה
(eikha)
hoe
אוּכַ֖ל
(ukhal)
zal ik kunnen
לְהוֹרִישָֽׁם
(lehorisham)
om hen te verdrijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18wees dan niet bang voor hen. Denk goed terug aan wat Yahweh, je Elohim, met de farao en met heel Egypte gedaan heeft:
לֹ֥א
(lo)
niet
תִירָ֖א
(tira)
je zult vrezen
מֵהֶ֑ם
(mehem)
voor hen
זָכֹ֣ר
(zakhor)
gedenken
תִּזְכֹּ֗ר
(tizkor)
je zult gedenken
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂה֙
(asa)
deed
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְפַרְעֹ֖ה
(lefaro)
aan de farao
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan heel
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

19de grote beproevingen die je ogen gezien hebben, de tekenen en de wonderen. Ook de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee Yahweh, je Elohim, je heeft uitgeleid. Zo zal Yahweh, je Elohim, doen met alle volken voor wie jij bang bent.
הַמַּסֹּ֨ת
(hamasot)
de beproevingen
הַגְּדֹלֹ֜ת
(hagedolot)
de grote
אֲשֶׁר
(asher)
die
רָא֣וּ
(rau)
zagen
עֵינֶ֗יךָ
(eineikha)
je ogen
וְהָאֹתֹ֤ת
(vehaotot)
en de tekenen
וְהַמֹּֽפְתִים֙
(vehamofetim)
en de wonderen
וְהַיָּ֤ד
(vehayad)
en de hand
הַחֲזָקָה֙
(hachazaqa)
de sterke
וְהַזְּרֹ֣עַ
(vehazeroa)
en de arm
הַנְּטוּיָ֔ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
הוֹצִֽאֲךָ֖
(hotsiakha)
Hij leidde je uit
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כֵּֽן
(ken)
zo
יַעֲשֶׂ֞ה
(yaase)
Hij zal doen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
לְכָל
(lekhal)
met alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
יָרֵ֖א
(yare)
bang bent
מִפְּנֵיהֶֽם
(mipeneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַסּוֹת (massot), ‘beproevingen’: de rampen waarmee Yahweh Egypte trof (Exod. 7–12).

20Ook de horzel zal Yahweh, je Elohim, onder hen zenden, totdat de overlevenden en zij die zich voor je verbergen, omgekomen zijn.
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
הַצִּרְעָ֔ה
(hatsira)
de horzel
יְשַׁלַּ֛ח
(yeshalach)
Hij zal zenden
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בָּ֑ם
(bam)
onder hen
עַד
(ad)
totdat
אֲבֹ֗ד
(avod)
omkomen
הַנִּשְׁאָרִ֛ים
(hanisharim)
de overgeblevenen
וְהַנִּסְתָּרִ֖ים
(vehanistarim)
en de verborgenen
מִפָּנֶֽיךָ
(mipaneikha)
voor je uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַצִּרְעָה (hatsir’ah), ‘de horzel’: letterlijk het insect, of een beeld voor schrik die de vijand opjaagt.

Zie Exod. 23:28.

21Schrik niet van hen, want Yahweh, je Elohim, is in je midden, een grote en ontzagwekkende El.
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲרֹ֖ץ
(taarots)
je zult schrikken
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
בְּקִרְבֶּ֔ךָ
(beqirbekha)
in je midden
אֵ֥ל
(el)
El
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
וְנוֹרָֽא
(venora)
en ontzagwekkende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Yahweh, je Elohim, jaagt die volken beetje bij beetje voor je uit weg. Je kunt hen niet snel een einde maken, anders worden de wilde dieren te talrijk voor je.
וְנָשַׁל֩
(venashal)
en Hij zal wegjagen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
הַגּוֹיִ֥ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֛ל
(hael)
deze
מִפָּנֶ֖יךָ
(mipaneikha)
voor je uit
מְעַ֣ט
(meat)
beetje
מְעָ֑ט
(meat)
bij beetje
לֹ֤א
(lo)
niet
תוּכַל֙
(tukhal)
je zult kunnen
כַּלֹּתָ֣ם
(kalotam)
hen een einde maken
מַהֵ֔ר
(maher)
snel
פֶּן
(pen)
anders
תִּרְבֶּ֥ה
(tirbe)
zullen talrijk worden
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
tegen je
חַיַּ֥ת
(chayat)
de dieren van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Yahweh, je Elohim, geeft hen aan je over. Hij brengt hen in grote verwarring, totdat zij vernietigd zijn.
וּנְתָנָ֛ם
(unetanam)
en Hij zal hen geven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
aan je over
וְהָמָם֙
(vehamam)
en Hij zal hen verwarren
מְהוּמָ֣ה
(mehuma)
verwarring
גְדֹלָ֔ה
(gedola)
grote
עַ֖ד
(ad)
totdat
הִשָּׁמְדָֽם
(hishamedam)
hun vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij geeft hun koningen in je hand en jij laat hun naam onder de hemel omkomen. Niemand zal tegen je standhouden, totdat je hen vernietigd hebt.
וְנָתַ֤ן
(venatan)
en Hij zal geven
מַלְכֵיהֶם֙
(malkheihem)
hun koningen
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְהַאֲבַדְתָּ֣
(vehaavadta)
en je zult laten omkomen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמָ֔ם
(shemam)
hun naam
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
לֹֽא
(lo)
niet
יִתְיַצֵּ֥ב
(yityatsev)
zal standhouden
אִישׁ֙
(ish)
een man
בְּפָנֶ֔יךָ
(befaneikha)
voor je
עַ֥ד
(ad)
totdat
הִשְׁמִֽדְךָ֖
(hishmidkha)
je vernietigt
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De beelden van de volken

25De gesneden beelden van hun goden moet je met vuur verbranden. Begeer het zilver en goud dat erop zit niet en neem het niet voor jezelf, anders raak je erin verstrikt. Want het is een gruwel voor Yahweh, je Elohim.
פְּסִילֵ֥י
(pesilei)
de gesneden beelden van
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun goden
תִּשְׂרְפ֣וּן
(tisrefun)
jullie zullen verbranden
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
לֹֽא
(lo)
niet
תַחְמֹד֩
(tachmod)
je zult begeren
כֶּ֨סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֤ב
(vezahav)
en goud
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
dat erop zit
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en je zult nemen
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jezelf
פֶּ֚ן
(pen)
anders
תִּוָּקֵ֣שׁ
(tivaqesh)
je zult verstrikt raken
בּ֔וֹ
(bo)
erin
כִּ֧י
(ki)
want
תוֹעֲבַ֛ת
(toavat)
een gruwel van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Breng geen gruwel in je huis, anders word je zelf aan de ban gewijd, net als het. Je moet het diep verafschuwen en er diep van walgen, want het is aan de ban gewijd.
וְלֹא
(velo)
en niet
תָבִ֤יא
(tavi)
je zult brengen
תֽוֹעֵבָה֙
(toeva)
een gruwel
אֶל
(el)
naar
בֵּיתֶ֔ךָ
(beitekha)
je huis
וְהָיִ֥יתָ
(vehayita)
en je zou worden
חֵ֖רֶם
(cherem)
een ban
כָּמֹ֑הוּ
(kamohu)
zoals het
שַׁקֵּ֧ץ
(shaqets)
afschuw
תְּשַׁקְּצֶ֛נּוּ
(teshaqetsenu)
je zult verafschuwen
וְתַעֵ֥ב
(vetaev)
en walging
תְּֽתַעֲבֶ֖נּוּ
(tetaavenu)
je zult walgen
כִּי
(ki)
want
חֵ֥רֶם
(cherem)
een ban
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wat aan de ban is gewijd, mag niet in huis komen.

Wie het toch neemt, valt zelf onder de ban (vergelijk vers 2 en Exod. 22:19).