Elohim Bijbel

Leviticus 21

123456789101112131415161718192021222324252627

De heiligheid van de priesters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Regels voor de priesters bij een dode

1Yahweh zei tot Mozes: „Zeg tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Voor een dode onder zijn volk mag hij zich niet onrein maken,
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֑ן
(aharon)
Aäron
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
לְנֶ֥פֶשׁ
(lenefesh)
voor een dode
לֹֽא
(lo)
niet
יִטַּמָּ֖א
(yitama)
hij zal zich onrein maken
בְּעַמָּֽיו
(beamav)
onder zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘persoon, leven’, staat hier voor een gestorven mens; zie ook vers 11.

Wie een dode aanraakt, wordt onrein (Num. 19:11–13).

2behalve voor zijn naaste verwant: voor zijn moeder, zijn vader, zijn zoon, zijn dochter en zijn broer,
כִּ֚י
(ki)
want
אִם
(im)
maar
לִשְׁאֵר֔וֹ
(lishero)
voor zijn naaste verwant
הַקָּרֹ֖ב
(haqarov)
die dicht bij
אֵלָ֑יו
(elav)
hem is
לְאִמּ֣וֹ
(leimo)
voor zijn moeder
וּלְאָבִ֔יו
(uleaviv)
en voor zijn vader
וְלִבְנ֥וֹ
(velivno)
en voor zijn zoon
וּלְבִתּ֖וֹ
(ulevito)
en voor zijn dochter
וּלְאָחִֽיו
(uleachiv)
en voor zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3en voor zijn zuster, de maagd die dicht bij hem staat en nog geen man had. Voor haar mag hij zich onrein maken.
וְלַאֲחֹת֤וֹ
(velaachoto)
en voor zijn zuster
הַבְּתוּלָה֙
(habetula)
de maagd
הַקְּרוֹבָ֣ה
(haqerova)
die dicht bij
אֵלָ֔יו
(elav)
hem is
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
zij had
לְאִ֑ישׁ
(leish)
een man
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
יִטַּמָּֽא
(yitama)
hij zal zich onrein maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Als gebieder onder zijn volk mag hij zich niet onrein maken: dat zou hem ontheiligen.
לֹ֥א
(lo)
niet
יִטַּמָּ֖א
(yitama)
hij zal zich onrein maken
בַּ֣עַל
(baal)
gebieder
בְּעַמָּ֑יו
(beamav)
onder zijn volk
לְהֵ֖חַלּֽוֹ
(lehechalo)
om zich te ontheiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בַּעַל (baal) betekent ‘heer, eigenaar’ en ook ‘echtgenoot’.

De zin is moeilijk.

Wij lezen: een man met gezag onder zijn volk.

Het kan ook betekenen: ‘als echtgenoot van een vrouw uit een ander volk’, of ‘voor de familie van zijn vrouw’.

Onzeker.

Geen tekenen van rouw en een heilig leven

5Zij mogen op hun hoofd geen kale plek scheren. De rand van hun baard mogen zij niet afscheren, en in hun vlees mogen zij geen sneden maken.
לֹֽא
(lo)
niet
יִקְרְח֤וּ
(yiqrechu)
zij zullen scheren
קָרְחָה֙
(qarecha)
een kale plek
בְּרֹאשָׁ֔ם
(berosham)
op hun hoofd
וּפְאַ֥ת
(ufeat)
en de rand van
זְקָנָ֖ם
(zeqanam)
hun baard
לֹ֣א
(lo)
niet
יְגַלֵּ֑חוּ
(yegalechu)
zij zullen afscheren
וּבִ֨בְשָׂרָ֔ם
(uvivsaram)
en in hun vlees
לֹ֥א
(lo)
niet
יִשְׂרְט֖וּ
(yisretu)
zij zullen snijden
שָׂרָֽטֶת
(saratet)
een snee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een kale plek op het hoofd, een afgeschoren baardrand en sneden in het vlees waren gebruiken bij rouw bij andere volken; zie ook Lev. 19:27–28 en Deut. 14:1.

6Zij moeten heilig zijn voor hun Elohim en de naam van hun Elohim niet ontheiligen. Want zij brengen de vuuroffers van Yahweh, het voedsel van hun Elohim. Zij moeten heilig zijn.
קְדֹשִׁ֤ים
(qedoshim)
heilig
יִהְיוּ֙
(yihyu)
zij zullen zijn
לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(leloheihem)
voor hun Elohim
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְחַלְּל֔וּ
(yechalelu)
zij zullen ontheiligen
שֵׁ֖ם
(shem)
de naam van
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
כִּי֩
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
אִשֵּׁ֨י
(ishei)
de vuuroffers van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לֶ֧חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהֵיהֶ֛ם
(eloheihem)
hun Elohim
הֵ֥ם
(hem)
zij
מַקְרִיבִ֖ם
(maqrivim)
brengen
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
קֹֽדֶשׁ
(qodesh)
heilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het huwelijk van de priesters

7Een vrouw die hoer is of ontheiligd, mogen zij niet nemen. Ook een vrouw die van haar man gescheiden is, mogen zij niet nemen, want hij is heilig voor zijn Elohim.
אִשָּׁ֨ה
(isha)
een vrouw
זֹנָ֤ה
(zona)
hoer
וַחֲלָלָה֙
(vachalala)
en ontheiligd
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקָּ֔חוּ
(yiqachu)
zij zullen nemen
וְאִשָּׁ֛ה
(veisha)
en een vrouw
גְּרוּשָׁ֥ה
(gerusha)
gescheiden
מֵאִישָׁ֖הּ
(meishah)
van haar man
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקָּ֑חוּ
(yiqachu)
zij zullen nemen
כִּֽי
(ki)
want
קָדֹ֥שׁ
(qadosh)
heilig
ה֖וּא
(hu)
hij is
לֵאלֹהָֽיו
(lelohav)
voor zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָלָה (chalalah), ‘ontheiligde vrouw’: een vrouw die door verboden omgang ontheiligd is.

Het woord is verwant met ‘ontheiligen’ (חִלֵּל, chillel).

גְּרוּשָׁה (gerushah), ‘gescheiden vrouw’, is letterlijk ‘een verstoten vrouw’.

8Je moet hem heiligen, want hij brengt het voedsel van je Elohim. Hij moet heilig voor je zijn, want heilig ben Ik, Yahweh, die jullie heiligt.
וְקִדַּשְׁתּ֔וֹ
(veqidashto)
en je zult hem heiligen
כִּֽי
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
לֶ֥חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
ה֣וּא
(hu)
hij
מַקְרִ֑יב
(maqriv)
brengt
קָדֹשׁ֙
(qadosh)
heilig
יִֽהְיֶה
(yihye)
hij zal zijn
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor je
כִּ֣י
(ki)
want
קָד֔וֹשׁ
(qadosh)
heilig
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְקַדִּשְׁכֶֽם
(meqadishkhem)
die jullie heiligt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers staat ‘je’ in het enkelvoud, daarna weer ‘jullie’.

Het Hebreeuws wisselt hier van aanspreking; wij houden dat zo.

De dochter van een priester

9Als de dochter van een priester zich ontheiligt door te hoereren, ontheiligt zij haar vader. Zij moet met vuur verbrand worden.
וּבַת֙
(uvat)
en de dochter van
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
כֹּהֵ֔ן
(kohen)
priester
כִּ֥י
(ki)
wanneer
תֵחֵ֖ל
(techel)
zij zich ontheiligt
לִזְנ֑וֹת
(liznot)
door te hoereren
אֶת
(et)
(obj.)
אָבִ֨יהָ֙
(aviha)
haar vader
הִ֣יא
(hi)
zij
מְחַלֶּ֔לֶת
(mechalelet)
ontheiligt
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
תִּשָּׂרֵֽף
(tisaref)
zij zal verbrand worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De hogepriester

10De hogepriester onder zijn broers, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten. En die ingewijd is om de kleren te dragen, mag zijn haar niet laten loshangen en zijn kleren niet scheuren.
וְהַכֹּהֵן֩
(vehakohen)
en de priester
הַגָּד֨וֹל
(hagadol)
de grote
מֵאֶחָ֜יו
(meechav)
onder zijn broers
אֲֽשֶׁר
(asher)
op wie
יוּצַ֥ק
(yutsaq)
is gegoten
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֣וֹ
(rosho)
zijn hoofd
שֶׁ֤מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָה֙
(hamishcha)
de zalving
וּמִלֵּ֣א
(umile)
en die gevuld heeft
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
לִלְבֹּ֖שׁ
(lilbosh)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּגָדִ֑ים
(habegadim)
de kleren
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁוֹ֙
(rosho)
zijn hoofd
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפְרָ֔ע
(yifra)
hij zal laten loshangen
וּבְגָדָ֖יו
(uvegadav)
en zijn kleren
לֹ֥א
(lo)
niet
יִפְרֹֽם
(yifrom)
hij zal scheuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל (hakohen hagadol), ‘de hogepriester’: letterlijk ‘de grote priester’.

מִלֵּא אֶת יָדוֹ (mille et yado), ‘zijn hand vullen’, betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9).

פָּרַע (para), ‘laten loshangen’: het haar wordt ongekamd gelaten, een teken van rouw; zie ook Lev. 10:6.

11Hij mag bij geen enkel lijk komen. Voor zijn vader en zijn moeder mag hij zich niet onrein maken.
וְעַ֛ל
(veal)
en bij
כָּל
(kal)
alle
נַפְשֹׁ֥ת
(nafshot)
lijken van
מֵ֖ת
(met)
een dode
לֹ֣א
(lo)
niet
יָבֹ֑א
(yavo)
hij zal komen
לְאָבִ֥יו
(leaviv)
voor zijn vader
וּלְאִמּ֖וֹ
(uleimo)
en voor zijn moeder
לֹ֥א
(lo)
niet
יִטַּמָּֽא
(yitama)
hij zal zich onrein maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשֹׁת מֵת (nafshot met), ‘lijken’: letterlijk ‘personen van een dode’.

12Hij mag het heiligdom niet verlaten en het heiligdom van zijn Elohim niet ontheiligen. Want de kroon van de zalfolie van zijn Elohim is op hem. Ik ben Yahweh.
וּמִן
(umin)
en uit
הַמִּקְדָּשׁ֙
(hamiqdash)
het heiligdom
לֹ֣א
(lo)
niet
יֵצֵ֔א
(yetse)
hij zal gaan
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְחַלֵּ֔ל
(yechalel)
hij zal ontheiligen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִקְדַּ֣שׁ
(miqdash)
het heiligdom van
אֱלֹהָ֑יו
(elohav)
zijn Elohim
כִּ֡י
(ki)
want
נֵ֠זֶר
(nezer)
kroon van
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
מִשְׁחַ֧ת
(mishchat)
de zalving van
אֱלֹהָ֛יו
(elohav)
zijn Elohim
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵזֶר (nezer), ‘kroon’: de zalfolie op het hoofd is als een kroon van wijding; zie ook Exod. 29:6.

13Hij moet een vrouw nemen die nog maagd is.
וְה֕וּא
(vehu)
en hij
אִשָּׁ֥ה
(isha)
een vrouw
בִבְתוּלֶ֖יהָ
(bivtuleiha)
in haar maagdelijkheid
יִקָּֽח
(yiqach)
hij zal nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Een weduwe, een gescheiden vrouw, een ontheiligde vrouw en een hoer mag hij niet nemen. Alleen een maagd uit zijn volk mag hij tot vrouw nemen.
אַלְמָנָ֤ה
(almana)
een weduwe
וּגְרוּשָׁה֙
(ugerusha)
en een gescheiden vrouw
וַחֲלָלָ֣ה
(vachalala)
en een ontheiligde vrouw
זֹנָ֔ה
(zona)
een hoer
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקָּ֑ח
(yiqach)
hij zal nemen
כִּ֛י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
בְּתוּלָ֥ה
(betula)
een maagd
מֵעַמָּ֖יו
(meamav)
uit zijn volk
יִקַּ֥ח
(yiqach)
hij zal nemen
אִשָּֽׁה
(isha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij mag zijn nageslacht onder zijn volk niet ontheiligen, want Ik ben Yahweh, die hem heiligt.”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יְחַלֵּ֥ל
(yechalel)
hij zal ontheiligen
זַרְע֖וֹ
(zaro)
zijn nageslacht
בְּעַמָּ֑יו
(beamav)
onder zijn volk
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְקַדְּשֽׁוֹ
(meqadesho)
die hem heiligt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Priesters met een gebrek

16Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en Hij sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17„Spreek tot Aäron en zeg: Een man uit je nageslacht, door al hun generaties heen. Die een gebrek heeft, mag niet naderen om het voedsel van zijn Elohim te brengen.
דַּבֵּ֥ר
(daber)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִֽזַּרְעֲךָ֞
(mizarakha)
uit je nageslacht
לְדֹרֹתָ֗ם
(ledorotam)
voor hun generaties
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
בוֹ֙
(bo)
in hem
מ֔וּם
(mum)
een gebrek
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקְרַ֔ב
(yiqrav)
hij zal naderen
לְהַקְרִ֖יב
(lehaqriv)
om te brengen
לֶ֥חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Want niemand die een gebrek heeft, mag naderen: een blinde, een kreupele, een man met een misvormd gezicht of een te lang lidmaat,
כִּ֥י
(ki)
want
כָל
(kal)
elke
אִ֛ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֥וֹ
(bo)
in hem
מ֖וּם
(mum)
een gebrek
לֹ֣א
(lo)
niet
יִקְרָ֑ב
(yiqrav)
hij zal naderen
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
עִוֵּר֙
(iver)
blind
א֣וֹ
(o)
of
פִסֵּ֔חַ
(piseach)
kreupel
א֥וֹ
(o)
of
חָרֻ֖ם
(charum)
met een misvormd gezicht
א֥וֹ
(o)
of
שָׂרֽוּעַ
(sarua)
met een te lang lidmaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרֻם (charum) en שָׂרוּעַ (saru’a) komen zelden voor.

Wij vertalen ‘met een misvormd gezicht’ en ‘een te lang lidmaat’.

De precieze betekenis is niet helemaal zeker; het tweede woord staat ook in Lev. 22:23.

19of een man met een gebroken voet of een gebroken hand,
א֣וֹ
(o)
of
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
ב֖וֹ
(bo)
in hem
שֶׁ֣בֶר
(shever)
een breuk van
רָ֑גֶל
(ragel)
voet
א֖וֹ
(o)
of
שֶׁ֥בֶר
(shever)
een breuk van
יָֽד
(yad)
hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20of een gebochelde, een dwerg, een man met een vlek in zijn oog, met schurft, met huiduitslag of met geplette teelballen.
אֽוֹ
(o)
of
גִבֵּ֣ן
(giben)
gebocheld
אוֹ
(o)
of
דַ֔ק
(daq)
een dwerg
א֖וֹ
(o)
of
תְּבַלֻּ֣ל
(tevalul)
een vlek
בְּעֵינ֑וֹ
(beeino)
in zijn oog
א֤וֹ
(o)
of
גָרָב֙
(garav)
schurft
א֣וֹ
(o)
of
יַלֶּ֔פֶת
(yalefet)
huiduitslag
א֖וֹ
(o)
of
מְר֥וֹחַ
(meroach)
geplette
אָֽשֶׁךְ
(ashekh)
teelballen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבֵּן (gibben), ‘gebochelde’, en דַּק (dak), ‘dwerg’, zijn niet helemaal zeker; er zijn ook ‘met lange wenkbrauwen’ en ‘iemand met een mager lichaam’ voorgesteld.

גָּרָב (garav), ‘schurft’, en יַלֶּפֶת (yallefet), ‘huiduitslag’, staan ook in Lev. 22:22.

21Geen enkele man uit het nageslacht van de priester Aäron die een gebrek heeft, mag naderen om de vuuroffers van Yahweh te brengen. Hij heeft een gebrek: het voedsel van zijn Elohim mag hij niet naderen om te brengen.
כָּל
(kal)
elke
אִ֞ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֣וֹ
(bo)
in hem
מ֗וּם
(mum)
een gebrek
מִזֶּ֨רַע֙
(mizera)
uit het nageslacht van
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
לֹ֣א
(lo)
niet
יִגַּ֔שׁ
(yigash)
hij zal naderen
לְהַקְרִ֖יב
(lehaqriv)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אִשֵּׁ֣י
(ishei)
de vuuroffers van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מ֣וּם
(mum)
een gebrek
בּ֔וֹ
(bo)
in hem
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
לֶ֣חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגַּ֖שׁ
(yigash)
hij zal naderen
לְהַקְרִֽיב
(lehaqriv)
om te brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Het voedsel van zijn Elohim, van het hoogheilige en van de heilige dingen, mag hij eten.
לֶ֣חֶם
(lechem)
het voedsel van
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
מִקָּדְשֵׁ֖י
(miqadeshei)
van het heilige van
הַקֳּדָשִׁ֑ים
(haqodashim)
de heilige dingen
וּמִן
(umin)
en van
הַקֳּדָשִׁ֖ים
(haqodashim)
de heilige dingen
יֹאכֵֽל
(yokhel)
hij zal eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een priester met een gebrek mag wel eten van het offervlees van de priesters; zie Lev. 6:9–11 en Lev. 7:6.

מִקָּדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (miqqodshei haqodashim), letterlijk ‘van het heilige van de heilige dingen’: het hoogheilige.

23Maar tot de voorhang mag hij niet gaan en het altaar mag hij niet naderen, want er is een gebrek aan hem. Hij mag Mijn heiligdommen niet ontheiligen, want Ik ben Yahweh, die hen heiligt.”
אַ֣ךְ
(akh)
maar
אֶל
(el)
tot
הַפָּרֹ֜כֶת
(haparokhet)
de voorhang
לֹ֣א
(lo)
niet
יָבֹ֗א
(yavo)
hij zal gaan
וְאֶל
(veel)
en tot
הַמִּזְבֵּ֛חַ
(hamizbeach)
het altaar
לֹ֥א
(lo)
niet
יִגַּ֖שׁ
(yigash)
hij zal naderen
כִּֽי
(ki)
want
מ֣וּם
(mum)
een gebrek
בּ֑וֹ
(bo)
in hem
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יְחַלֵּל֙
(yechalel)
hij zal ontheiligen
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדָּשַׁ֔י
(miqdashay)
Mijn heiligdommen
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מְקַדְּשָֽׁם
(meqadesham)
die hen heiligt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De voorhang scheidt het heilige van het hoogheilige; zie Exod. 26:33.

24Mozes sprak tot Aäron, tot zijn zonen en tot alle zonen van Israël.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶֽל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)