Elohim Bijbel

Openbaring 7

12345678910111213141516171819202122

De vier engelen met de winden, de 144.000 verzegelden en de grote menigte in witte gewaden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vier engelen en de vier winden

1Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij hielden de vier winden van de aarde vast, zodat er geen wind zou waaien over de aarde, over de zee of over enige boom.
Μετὰ
(Meta)
na
τοῦτο
(touto)
dit
εἶδον
(eidon)
zag ik
τέσσαρας
(tessaras)
vier
ἀγγέλους
(angelous)
engelen
ἑστῶτας
(hestotas)
staand
ἐπὶ
(epi)
op
τὰς
(tas)
de
τέσσαρας
(tessaras)
vier
γωνίας
(gonias)
hoeken
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
κρατοῦντας
(kratountas)
vasthoudend
τοὺς
(tous)
de
τέσσαρας
(tessaras)
vier
ἀνέμους
(anemous)
winden
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
πνέῃ
(pnee)
waait
ἄνεμος
(anemos)
wind
ἐπὶ
(epi)
over
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
μήτε
(mete)
noch
ἐπὶ
(epi)
over
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
μήτε
(mete)
noch
ἐπὶ
(epi)
over
πᾶν
(pan)
enige
δένδρον
(dendron)
boom
Bron: SBLGNT
Uitleg

γωνία (gonia), ‘hoek’: de ‘vier hoeken van de aarde’ en de ‘vier winden’ komen ook in de profeten voor, zie Ez. 7:2, Jes. 11:12 en Zach. 6:5 (‘de vier winden van de hemel’). κρατέω (krateo), ‘vasthouden’.

Het getal ‘vier’ staat in letters.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij Μετὰ (‘na’) en πᾶν (‘enige’).

Wij volgen de SBLGNT.

2Ik zag een andere engel opstijgen van de opgang van de zon, met het zegel van de levende Elohim. Hij riep met luide stem naar de vier engelen, aan wie gegeven was de aarde en de zee schade toe te brengen,
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
ἄλλον
(allon)
een andere
ἄγγελον
(angelon)
engel
ἀναβαίνοντα
(anabainonta)
opstijgend
ἀπὸ
(apo)
van
ἀνατολῆς
(anatoles)
opgang
ἡλίου
(heliou)
van de zon
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ζῶντος
(zontos)
levende
καὶ
(kai)
en
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep hij
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
τοῖς
(tois)
tot de
τέσσαρσιν
(tessarsin)
vier
ἀγγέλοις
(angelois)
engelen
οἷς
(hois)
aan wie
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἀδικῆσαι
(adikesai)
schade toe te brengen
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνατολὴ ἡλίου (anatole heliou), ‘opgang van de zon’: het oosten. σφραγὶς θεοῦ ζῶντος (sphragis theou zontos), ‘zegel van de levende Elohim’.

Het Grieks heeft ‘aan wie gegeven werd, aan hen’: een Hebreeuws klinkende dubbele aanduiding; wij vertalen ‘aan wie gegeven was’. ἀδικέω (adikeo), ‘schade toebrengen’.

3en zei: „Breng de aarde, de zee en de bomen geen schade toe, totdat wij de knechten van onze Elohim op hun voorhoofd verzegeld hebben.”
λέγων
(legon)
zeggend
Μὴ
(Me)
niet
ἀδικήσητε
(adikesete)
breng schade toe
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
μήτε
(mete)
noch
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
μήτε
(mete)
noch
τὰ
(ta)
de
δένδρα
(dendra)
bomen
ἄχρι
(achri)
totdat
σφραγίσωμεν
(sphragisomen)
wij verzegelen
τοὺς
(tous)
de
δούλους
(doulous)
knechten
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
ἐπὶ
(epi)
op
τῶν
(ton)
de
μετώπων
(metopon)
voorhoofden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ez. 9:4, ‘Zet een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten’.

‘Wij’ zijn de engelen. σφραγίζω (sphragizo), ‘verzegelen’; μέτωπον (metopon), ‘voorhoofd’.

Zie ook 9:4; 14:1; 22:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἄχρι (‘totdat’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De 144.000 verzegelden

4Ik hoorde het aantal van de verzegelden: 144.000, verzegeld uit elke stam van de zonen van Israël:
Καὶ
(Kai)
en
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
τὸν
(ton)
het
ἀριθμὸν
(arithmon)
aantal
τῶν
(ton)
van de
ἐσφραγισμένων
(esphragismenon)
verzegelden
ἑκατὸν
(hekaton)
honderd
τεσσεράκοντα
(tesserakonta)
veertig
τέσσαρες
(tessares)
vier
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐσφραγισμένοι
(esphragismenoi)
verzegelden
ἐκ
(ek)
uit
πάσης
(pases)
elke
φυλῆς
(phyles)
stam
υἱῶν
(huion)
van de zonen
Ἰσραήλ
(Israel)
van Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het getal 144.000 (ἑκατὸν τεσσεράκοντα τέσσαρες χιλιάδες, ‘honderdvierenveertig duizend’) schrijven wij met cijfers.

De tekst geeft in vers 5–8 zelf het aantal per stam, 12.000; of de getallen letterlijk of symbolisch zijn bedoeld, zegt de tekst niet.

Zie ook 14:1, 14:3.

‘Uit elke stam van de zonen van Israël’: de stammen volgen in vers 5–8.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ἑκατὸν (‘honderd’) en ἐσφραγισμένοι (‘verzegelden’).

Wij volgen de SBLGNT.

5uit de stam Juda 12.000 verzegelden, uit de stam Ruben 12.000, uit de stam Gad 12.000,
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ἰούδα
(Iouda)
Juda
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐσφραγισμένοι
(esphragismenoi)
verzegelden
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ῥουβὴν
(Rhouben)
Ruben
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Γὰδ
(Gad)
Gad
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
Bron: SBLGNT
Uitleg

De stammen staan hier in een eigen volgorde: Juda eerst.

Vergelijk de lijst van de zonen van Jakob in Gen. 35:22–26.

Het getal 12.000 per stam (δώδεκα χιλιάδες) schrijven wij met cijfers.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐσφραγισμένοι (‘verzegelden’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

6uit de stam Aser 12.000, uit de stam Naftali 12.000, uit de stam Manasse 12.000,
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ἀσὴρ
(Aser)
Aser
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Νεφθαλὶμ
(Nephthalim)
Naftali
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Μανασσῆ
(Manasse)
Manasse
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
Bron: SBLGNT
7uit de stam Simeon 12.000, uit de stam Levi 12.000, uit de stam Issachar 12.000,
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Συμεὼν
(Symeon)
Simeon
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Λευὶ
(Leui)
Levi
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ἰσσαχὰρ
(Issachar)
Issachar
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
Bron: SBLGNT
8uit de stam Zebulon 12.000, uit de stam Jozef 12.000, uit de stam Benjamin 12.000 verzegelden.
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ζαβουλὼν
(Zaboulon)
Zebulon
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐκ
(ek)
uit
φυλῆς
(phyles)
stam
Βενιαμὶν
(Beniamin)
Benjamin
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
χιλιάδες
(chiliades)
duizend
ἐσφραγισμένοι
(esphragismenoi)
verzegelden
Bron: SBLGNT
Uitleg

In de lijst van 7:5–8 ontbreekt Dan, en Efraïm wordt niet genoemd (Jozef staat er wel, naast Manasse in 7:6).

De tekst geeft hiervoor geen reden.

In de lijst van de zonen van Jakob (Gen. 35:22–26) staat Dan wel en Manasse niet.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐσφραγισμένοι (‘verzegelden’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De grote menigte

9Hierna zag ik, en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en alle stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden, en met palmtakken in hun handen.
Μετὰ
(Meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶδον
(eidon)
zag ik
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ὄχλος
(ochlos)
een menigte
πολύς
(polys)
grote
ὃν
(hon)
die
ἀριθμῆσαι
(arithmesai)
te tellen
αὐτὸν
(auton)
haar
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐδύνατο
(edynato)
kon
ἐκ
(ek)
uit
παντὸς
(pantos)
elke
ἔθνους
(ethnous)
natie
καὶ
(kai)
en
φυλῶν
(phylon)
stammen
καὶ
(kai)
en
λαῶν
(laon)
volken
καὶ
(kai)
en
γλωσσῶν
(glosson)
talen
ἑστῶτες
(hestotes)
staand
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
καὶ
(kai)
en
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τοῦ
(tou)
het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
περιβεβλημένους
(peribeblemenous)
bekleed
στολὰς
(stolas)
gewaden
λευκάς
(leukas)
witte
καὶ
(kai)
en
φοίνικες
(phoinikes)
palmtakken
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
χερσὶν
(chersin)
handen
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὄχλος (ochlos), ‘menigte’.

De opsomming ‘natie, stammen, volken, talen’ (ἔθνος, φυλαί, λαοί, γλῶσσαι) komt ook voor in 5:9, 10:11, 11:9, 13:7 en 14:6, in wisselende volgorde.

Het Grieks heeft ‘bekleed’ in de vierde naamval, terwijl ‘staand’ in de eerste naamval staat; de zinsbouw is onregelmatig.

Wij vertalen naar de zin. φοίνικες (phoinikes), ‘palmtakken’.

Zie ook Joh. 12:13.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij αὐτὸν (‘haar’), ἑστῶτες (‘staand’) en φοίνικες (‘palmtakken’).

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookJoh 12:13
10Zij roepen met luide stem: „De redding is voor onze Elohim, die op de troon zit, en voor het Lam.”
καὶ
(kai)
en
κράζουσι
(krazousi)
roepen zij
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἡ
(He)
de
σωτηρία
(soteria)
redding
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
τῷ
(to)
aan Hem die
καθημένῳ
(kathemeno)
zit
ἐπὶ
(epi)
op
τῷ
(to)
de
θρόνῳ
(throno)
troon
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan het
ἀρνίῳ
(arnio)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἡ σωτηρία (he soteria), ‘de redding’: het Grieks zet dit in de derde naamval (‘aan onze Elohim’): de redding wordt aan Elohim en het Lam toegeschreven.

Vergelijk 12:10 en 19:1.

11Alle engelen stonden rondom de troon en de ouderen en de vier levende wezens. Zij vielen voor de troon op hun gezicht neer en bogen zich neer voor Elohim,
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
εἱστήκεισαν
(heistekeisan)
stonden
κύκλῳ
(kyklo)
rondom
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
ouderen
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
τεσσάρων
(tessaron)
vier
ζῴων
(zoon)
levende wezens
καὶ
(kai)
en
ἔπεσαν
(epesan)
vielen neer
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
ἐπὶ
(epi)
op
τὰ
(ta)
de
πρόσωπα
(prosopa)
gezichten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
προσεκύνησαν
(prosekynesan)
bogen zich neer
τῷ
(to)
voor
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπὶ τὰ πρόσωπα (epi ta prosopa), ‘op hun gezicht’: vergelijk 11:16. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’.

12en zeiden: „Amen. De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dank en de eer en de kracht en de sterkte zijn voor onze Elohim tot in de eeuwen van de eeuwen. Amen.”
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἀμήν
(Amen)
amen
ἡ
(he)
de
εὐλογία
(eulogia)
lof
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
δόξα
(doxa)
heerlijkheid
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
σοφία
(sophia)
wijsheid
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
εὐχαριστία
(eucharistia)
dank
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
τιμὴ
(time)
eer
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
δύναμις
(dynamis)
kracht
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἰσχὺς
(ischys)
sterkte
τῷ
(to)
aan
θεῷ
(theo)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
εἰς
(eis)
tot
τοὺς
(tous)
de
αἰῶνας
(aionas)
eeuwen
τῶν
(ton)
van de
αἰώνων
(aionon)
eeuwen
ἀμήν
(amen)
amen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit zijn 7 woorden van lof: lof, heerlijkheid, wijsheid, dank, eer, kracht, sterkte (εὐλογία, δόξα, σοφία, εὐχαριστία, τιμή, δύναμις, ἰσχύς).

In 5:12 staat een andere zevenvoud.

Een van de ouderen legt uit

13Een van de ouderen antwoordde en zei tegen mij: „Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en waar komen zij vandaan?”
Καὶ
(Kai)
en
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
ouderen
λέγων
(legon)
zeggend
μοι
(moi)
tegen mij
Οὗτοι
(Houtoi)
dezen
οἱ
(hoi)
die
περιβεβλημένοι
(peribeblemenoi)
bekleed zijn
τὰς
(tas)
de
στολὰς
(stolas)
gewaden
τὰς
(tas)
de
λευκὰς
(leukas)
witte
τίνες
(tines)
wie
εἰσὶν
(eisin)
zijn zij
καὶ
(kai)
en
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἦλθον
(elthon)
zijn zij gekomen
Bron: SBLGNT
Uitleg

De oudere stelt de vraag; vers 14 geeft Johannes’ antwoord. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderen’: zie 4:4.

Zie ookOpenb 7:14
14Ik heb tegen hem gezegd: „Mijn heer, u weet het.” Hij zei tegen mij: „Dezen zijn zij die komen uit de grote verdrukking. Zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam.
καὶ
(kai)
en
εἴρηκα
(eireka)
heb ik gezegd
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Κύριέ
(Kyrie)
heer
μου
(mou)
mijn
σὺ
(sy)
u
οἶδας
(oidas)
weet
καὶ
(kai)
en
εἶπέν
(eipen)
zei hij
μοι
(moi)
tegen mij
Οὗτοί
(Houtoi)
dezen
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
ἐρχόμενοι
(erchomenoi)
komen
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
θλίψεως
(thlipseos)
verdrukking
τῆς
(tes)
de
μεγάλης
(megales)
grote
καὶ
(kai)
en
ἔπλυναν
(eplynan)
hebben gewassen
τὰς
(tas)
de
στολὰς
(stolas)
gewaden
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ἐλεύκαναν
(eleukanan)
hebben wit gemaakt
αὐτὰς
(autas)
ze
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
αἵματι
(haimati)
bloed
τοῦ
(tou)
van het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριέ μου (kyrie mou), ‘mijn heer’: een beleefde aanspreking van de oudere; wij schrijven ‘heer’ met kleine letter en spreken de oudere aan met ‘u’.

Anders dan in 4:11, waar κύριος ‘Heer’ is, gaat het hier niet om Yeshua of Elohim. θλῖψις μεγάλη (thlipsis megale), ‘grote verdrukking’: vergelijk Dan. 12:1 en Matt. 24:21; de tekst legt het niet nader uit.

‘Zij hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam’: het Grieks voegt wassen en bloed samen; zie ook 1:5 en 22:14. Zijn antwoord loopt door tot en met vers 17.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij εἴρηκα (‘heb ik gezegd’) en αὐτὰς (‘ze’).

Wij volgen de SBLGNT.

15Daarom zijn zij voor de troon van Elohim, en zij dienen Hem dag en nacht in Zijn heiligdom. Hij die op de troon zit, zal bij hen wonen.
διὰ
(dia)
vanwege
τοῦτό
(touto)
dit
εἰσιν
(eisin)
zijn zij
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
λατρεύουσιν
(latreuousin)
dienen zij
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἡμέρας
(hemeras)
dag
καὶ
(kai)
en
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ναῷ
(nao)
heiligdom
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
Hij die
καθήμενος
(kathemenos)
zit
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
σκηνώσει
(skenosei)
zal wonen
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λατρεύω (latreuo), ‘dienen’. ναός (naos), ‘heiligdom’. σκηνώσει ἐπ’ αὐτούς (skenosei ep autous): letterlijk ‘zal over hen tenten’, van σκηνή (skene), ‘tent’; ook in Joh. 1:14 (‘heeft gewoond’).

Wij schrijven ‘zal bij hen wonen’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij τοῦ θρόνου (‘de troon’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookJoh 1:14
16Zij zullen niet meer honger hebben en niet meer dorst hebben, en de zon zal beslist niet op hen vallen, noch enige hitte,
οὐ
(ou)
niet
πεινάσουσιν
(peinasousin)
zullen honger hebben
ἔτι
(eti)
meer
οὐδὲ
(oude)
noch
διψήσουσιν
(dipsesousin)
zullen dorst hebben
ἔτι
(eti)
meer
οὐδὲ
(oude)
noch
μὴ
(me)
beslist niet
πέσῃ
(pese)
zal vallen
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὁ
(ho)
de
ἥλιος
(helios)
zon
οὐδὲ
(oude)
noch
πᾶν
(pan)
enige
καῦμα
(kauma)
hitte
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Jes. 49:10, ‘Zij zullen niet hongeren en niet dorsten.

Hitte en zon zullen hen niet treffen’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij οὐδὲ (‘noch’) een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookJes 49:10
17want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van water van het leven, en Elohim zal elke traan van hun ogen afwissen.”
ὅτι
(hoti)
want
τὸ
(to)
het
ἀρνίον
(arnion)
Lam
τὸ
(to)
dat
ἀνὰ
(ana)
in
μέσον
(meson)
midden
τοῦ
(tou)
van de
θρόνου
(thronou)
troon
ποιμανεῖ
(poimanei)
zal weiden
αὐτούς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
ὁδηγήσει
(hodegesei)
zal leiden
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἐπὶ
(epi)
naar
ζωῆς
(zoes)
van het leven
πηγὰς
(pegas)
bronnen
ὑδάτων
(hydaton)
van water
καὶ
(kai)
en
ἐξαλείψει
(exaleipsei)
zal afwissen
ὁ
(ho)
(de)
θεὸς
(theos)
Elohim
πᾶν
(pan)
elke
δάκρυον
(dakryon)
traan
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ὀφθαλμῶν
(ophthalmon)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποιμαίνω (poimaino), ‘weiden’: als een herder leiden; zoals in 2:27 (daar met een ijzeren staf).

Vergelijk Jes. 25:8, ‘Heer Yahweh zal de tranen van alle gezichten wissen’, en Jes. 49:10.

Zie ook 21:4.

Hier eindigt het antwoord van de oudere.

Lezing

De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ποιμανεῖ (‘zal weiden’) en ὁδηγήσει (‘zal leiden’).

Wij volgen de SBLGNT.