Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Slachten alleen bij de tent van samenkomst
1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Spreek tot Aäron, tot zijn zonen en tot alle zonen van Israël en zeg tegen hen: dit is het woord dat Yahweh geboden heeft:
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶל֙
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tegen hen
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Ieder man uit het huis van Israël die een rund, een schaap of een geit slacht, in het kamp of buiten het kamp,
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אִישׁ֙
(ish)
man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִשְׁחַ֜ט
(yishchat)
slacht
שׁ֥וֹר
(shor)
een rund
אוֹ
(o)
of
כֶ֛שֶׂב
(kesev)
een schaap
אוֹ
(o)
of
עֵ֖ז
(ez)
een geit
בַּֽמַּחֲנֶ֑ה
(bamachane)
in het kamp
א֚וֹ
(o)
of
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִשְׁחַ֔ט
(yishchat)
slacht
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶֽה
(lamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gaat om de dieren die ook als offer dienen: rund, schaap en geit.
Het verbod geldt voor slachten zonder dat het dier als offer bij de tent van samenkomst wordt gebracht.
4en het niet naar de ingang van de tent van samenkomst brengt om het als offergave voor Yahweh te brengen, voor de tabernakel van Yahweh. Aan die man wordt bloed toegerekend. Hij heeft bloed vergoten. Die man moet uit zijn volk worden afgesneden.
וְאֶל
(veel)
en naar
פֶּ֜תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵד֮
(moed)
samenkomst
לֹ֣א
(lo)
niet
הֱבִיאוֹ֒
(hevio)
hij het brengt
לְהַקְרִ֤יב
(lehaqriv)
om te brengen
קָרְבָּן֙
(qarban)
een offergave
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מִשְׁכַּ֣ן
(mishkan)
de tabernakel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
דָּ֣ם
(dam)
bloed
יֵחָשֵׁ֞ב
(yechashev)
wordt toegerekend
לָאִ֤ישׁ
(laish)
aan de man
הַהוּא֙
(hahu)
die
דָּ֣ם
(dam)
bloed
שָׁפָ֔ךְ
(shafakh)
hij heeft vergoten
וְנִכְרַ֛ת
(venikhrat)
en hij wordt afgesneden
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
הַה֖וּא
(hahu)
die
מִקֶּ֥רֶב
(miqerev)
uit het midden van
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּם יֵחָשֵׁב (dam yechashev), ‘bloed wordt toegerekend’: een slachting buiten de tent van samenkomst telt als bloedvergieten.
Dezelfde woorden שָׁפַךְ דָּם (shafakh dam), ‘bloed vergieten’, staan ook bij moord (Gen. 9:6).
נִכְרַת (nikhrat), ‘afgesneden’: de persoon verliest zijn plaats in het volk. De precieze zin is niet helemaal zeker; zie ook Gen. 17:14 en Lev. 20:3.
5Het doel is dat de zonen van Israël hun slachtoffers brengen, die zij nu op het open veld slachten. Zij moeten ze voor Yahweh brengen, naar de priester bij de ingang van de tent van samenkomst. Daar moeten zij ze als vredeoffers voor Yahweh slachten.
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָבִ֜יאוּ
(yaviu)
zij brengen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אֶֽת
(et)
(obj.)
זִבְחֵיהֶם֮
(zivcheihem)
hun slachtoffers
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֵ֣ם
(hem)
zij
זֹבְחִים֮
(zovechim)
slachten
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶה֒
(hasade)
het veld
וֶֽהֱבִיאֻ֣ם
(vehevium)
en zij moeten ze brengen
לַֽיהוָ֗ה
(laYahweh)
naar Yahweh
אֶל
(el)
naar
פֶּ֛תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וְזָ֨בְח֜וּ
(vezavechu)
en zij moeten slachten
זִבְחֵ֧י
(zivchei)
slachtoffers van
שְׁלָמִ֛ים
(shelamim)
vredeoffers
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In vers 5 gaat het over slachtingen op het open veld.
Die dieren moeten nu bij de ingang van de tent van samenkomst worden gebracht, als vredeoffers (Lev. 3).
6De priester moet het bloed op het altaar van Yahweh sprenkelen, bij de ingang van de tent van samenkomst. Hij moet het vet in rook laten opgaan als aangename geur voor Yahweh.
וְזָרַ֨ק
(vezaraq)
en hij moet sprenkelen
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְהִקְטִ֣יר
(vehiqtir)
en hij moet in rook laten opgaan
הַחֵ֔לֶב
(hachelev)
het vet
לְרֵ֥יחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zij mogen hun slachtoffers niet meer slachten voor de bokgeesten, waaraan zij zich overgeven. Dit moet voor hen een eeuwig voorschrift zijn, voor hun generaties.
וְלֹא
(velo)
en niet
יִזְבְּח֥וּ
(yizbechu)
zij zullen slachten
עוֹד֙
(od)
meer
אֶת
(et)
(obj.)
זִבְחֵיהֶ֔ם
(zivcheihem)
hun slachtoffers
לַשְּׂעִירִ֕ם
(laseirim)
aan de bokgeesten
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waaraan
הֵ֥ם
(hem)
zij
זֹנִ֖ים
(zonim)
zich overgeven
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
achter hen aan
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָ֛ם
(olam)
eeuwigheid
תִּֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
זֹּ֥את
(zot)
dit
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְדֹרֹתָֽם
(ledorotam)
voor hun generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zeg ook tegen hen: ieder man uit het huis van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die een brandoffer of een slachtoffer opdraagt,
וַאֲלֵהֶ֣ם
(vaalehem)
en tegen hen
תֹּאמַ֔ר
(tomar)
je zult zeggen
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אִישׁ֙
(ish)
man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּמִן
(umin)
en uit
הַגֵּ֖ר
(hager)
de vreemdeling
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָג֣וּר
(yagur)
verblijft
בְּתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
opdraagt
עֹלָ֖ה
(ola)
een brandoffer
אוֹ
(o)
of
זָֽבַח
(zavach)
een slachtoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ieder man uit het huis van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven, die enig bloed eet. Tegen die persoon die het bloed eet zal Ik Mijn aangezicht richten. Ik zal hem uit zijn volk afsnijden.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en man
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּמִן
(umin)
en uit
הַגֵּר֙
(hager)
de vreemdeling
הַגָּ֣ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכָ֔ם
(betokham)
in hun midden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֹאכַ֖ל
(yokhal)
eet
כָּל
(kal)
enig
דָּ֑ם
(dam)
bloed
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal richten
פָנַ֗י
(panay)
Mijn aangezicht
בַּנֶּ֨פֶשׁ֙
(banefesh)
tegen de persoon
הָאֹכֶ֣לֶת
(haokhelet)
die eet
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
מִקֶּ֥רֶב
(miqerev)
uit het midden van
עַמָּֽהּ
(amah)
haar volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּנַי נָתַתִּי (natati panai), ‘Ik zal Mijn aangezicht richten’: Yahweh keert zich tegen deze persoon; zie ook Lev. 20:3, 20:5–6 en 26:17.
11Want het leven van het vlees is in het bloed. Ik heb het jullie op het altaar gegeven om verzoening te doen voor jullie levens. Want het is het bloed dat door het leven verzoening doet.
כִּ֣י
(ki)
want
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
het leven van
הַבָּשָׂר֮
(habasar)
het vlees
בַּדָּ֣ם
(badam)
in het bloed
הִוא֒
(hi)
het is
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en Ik
נְתַתִּ֤יו
(netativ)
heb het gegeven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan jullie
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
לְכַפֵּ֖ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עַל
(al)
voor
נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם
(nafshoteikhem)
jullie levens
כִּֽי
(ki)
want
הַדָּ֥ם
(hadam)
het bloed
ה֖וּא
(hu)
het
בַּנֶּ֥פֶשׁ
(banefesh)
door het leven
יְכַפֵּֽר
(yekhaper)
doet verzoening
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel, wezen, persoon’.
In vers 11 en 14 vertalen wij ‘leven’ en ‘levens’; in vers 10, 12 en 15 gaat het om een persoon.
כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het bloed op het altaar doet verzoening voor het leven van de offeraar; zie ook Lev. 16.
בַּנֶּפֶשׁ (bannefesh), ‘door het leven’: het voorzetsel ב kan ‘door’, ‘in’ of ‘als prijs voor’ betekenen. Wij vertalen ‘door’: het bloed doet verzoening doordat het het leven is.
Zie ook Gen. 9:4, Deut. 12:23 en Hebr. 9:22.
Aanvullend
Jubileeën 6:7 en 21:18 bevestigen dat het bloed het leven is.
12Daarom heb Ik tegen de zonen van Israël gezegd: niemand van jullie mag bloed eten, en de vreemdeling die in jullie midden verblijft, mag geen bloed eten.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֤ן
(ken)
zo
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
heb Ik gezegd
לִבְנֵ֣י
(livnei)
tegen de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כָּל
(kal)
elke
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
persoon
מִכֶּ֖ם
(mikem)
van jullie
לֹא
(lo)
niet
תֹ֣אכַל
(tokhal)
mag eten
דָּ֑ם
(dam)
bloed
וְהַגֵּ֛ר
(vehager)
en de vreemdeling
הַגָּ֥ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכְכֶ֖ם
(betokhekhem)
in jullie midden
לֹא
(lo)
niet
יֹ֥אכַל
(yokhal)
mag eten
דָּֽם
(dam)
bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ieder man van de zonen van Israël of van de vreemdelingen die in hun midden verblijven. Die op een wild dier of een vogel jaagt dat gegeten mag worden, moet zijn bloed vergieten en het met stof bedekken.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en man
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּמִן
(umin)
en uit
הַגֵּר֙
(hager)
de vreemdeling
הַגָּ֣ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכָ֔ם
(betokham)
in hun midden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יָצ֜וּד
(yatsud)
jaagt
צֵ֥יד
(tseid)
de jacht op
חַיָּ֛ה
(chaya)
een wild dier
אוֹ
(o)
of
ע֖וֹף
(of)
een vogel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יֵאָכֵ֑ל
(yeakhel)
gegeten mag worden
וְשָׁפַךְ֙
(veshafakh)
en hij moet vergieten
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֔וֹ
(damo)
zijn bloed
וְכִסָּ֖הוּ
(vekhisahu)
en hij moet het bedekken
בֶּעָפָֽר
(beafar)
met stof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het bloed van gejaagd wild en vogels komt niet op het altaar, maar wordt vergoten en met stof bedekt.
Zie ook Deut. 12:16 en 12:24.
Aanvullend
Jubileeën 21:17 bevestigt dit: bedek het bloed met aarde.
14Want het leven van al het vlees is zijn bloed, dat in zijn leven is. Ik zei tegen de zonen van Israël: het bloed van geen enkel vlees mogen jullie eten, want het leven van al het vlees is zijn bloed. Ieder die het eet, moet worden afgesneden.
כִּֽי
(ki)
want
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
het leven van
כָּל
(kal)
al
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
דָּמ֣וֹ
(damo)
zijn bloed
בְנַפְשׁוֹ֮
(benafsho)
in zijn leven
הוּא֒
(hu)
het is
וָֽאֹמַר֙
(vaomar)
en Ik zei
לִבְנֵ֣י
(livnei)
tegen de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
דַּ֥ם
(dam)
het bloed van
כָּל
(kal)
al
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֑לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
כִּ֣י
(ki)
want
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
het leven van
כָּל
(kal)
al
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
דָּמ֣וֹ
(damo)
zijn bloed
הִ֔וא
(hi)
het is
כָּל
(kal)
ieder
אֹכְלָ֖יו
(okhelav)
die het eet
יִכָּרֵֽת
(yikaret)
hij wordt afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘want het leven van al het vlees, zijn bloed, is in zijn leven’.
De zin is moeilijk.
Wij vertalen: ‘het leven van al het vlees is zijn bloed, dat in zijn leven is’.
De bedoeling is dat bloed en leven bij elkaar horen (vers 11).
15Iedere persoon die een dier eet dat vanzelf gestorven of verscheurd is, een inheemse of een vreemdeling, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen. Hij is onrein tot de avond, dan is hij rein.
וְכָל
(vekhal)
en iedere
נֶ֗פֶשׁ
(nefesh)
persoon
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
תֹּאכַ֤ל
(tokhal)
eet
נְבֵלָה֙
(nevela)
een kadaver
וּטְרֵפָ֔ה
(uterefa)
en een verscheurd dier
בָּאֶזְרָ֖ח
(baezrach)
onder de inheemse
וּבַגֵּ֑ר
(uvager)
en onder de vreemdeling
וְכִבֶּ֨ס
(vekhibes)
en hij moet wassen
בְּגָדָ֜יו
(begadav)
zijn kleren
וְרָחַ֥ץ
(verachats)
en hij moet zich wassen
בַּמַּ֛יִם
(bamayim)
met water
וְטָמֵ֥א
(vetame)
en hij is onrein
עַד
(ad)
tot
הָעֶ֖רֶב
(haerev)
de avond
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en hij is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat vanzelf gestorven is.
טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: een dier dat door een wild dier is gedood; zie ook Exod. 22:30.