Elohim Bijbel

Genesis 15

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Het verbond tussen de stukken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een zoon beloofd

1Na deze dingen kwam het woord van Yahweh tot Abram in een visioen en zei: „Wees niet bang, Abram. Ik ben een schild voor je. Je loon is zeer groot.”
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de dingen
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
הָיָ֤ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
בַּֽמַּחֲזֶ֖ה
(bamachaze)
in een visioen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
אָנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
מָגֵ֣ן
(magen)
schild
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
שְׂכָרְךָ֖
(sekharekha)
je loon
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּמַּחֲזֶה (bamachazeh), ‘in een visioen’: een zien met de ogen van de geest.

Het woord komt in de Tora nog voor in Num. 24:4 en 24:16.

דְבַר יְהוָה (devar Yahweh), ‘het woord van Yahweh’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor.

מָגֵן (magen) is ‘schild’: een beschermer.

Aanvullend

Jubileeën 14:1 spreekt van een droom; Jasher 16:20 zegt dat Yahweh Abram opnieuw verscheen in Hebron.

2Abram zei: „Mijn Heer Yahweh, wat zult U mij geven? Ik ga kinderloos heen, en de zoon van Mesjek, uit mijn huis, is Eliëzer uit Damascus.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָ֗ם
(avram)
Abram
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
mijn Heer
יֱהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
מַה
(ma)
wat
תִּתֶּן
(titen)
zult U geven
לִ֔י
(li)
aan mij
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
ga heen
עֲרִירִ֑י
(ariri)
kinderloos
וּבֶן
(uven)
en zoon van
מֶ֣שֶׁק
(mesheq)
Mesjek
בֵּיתִ֔י
(beiti)
mijn huis
ה֖וּא
(hu)
hij
דַּמֶּ֥שֶׂק
(dameseq)
Damascus
אֱלִיעֶֽזֶר
(eliezer)
Eliëzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

אֲדֹנָי יֱהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’: Adonai is hier de aanspreekvorm tot Yahweh zelf.

De klinkers bij de Naam (יֱהוִה) zijn die van Elohim, zodat de lezer ‘Adonai Elohim’ zegt en niet twee keer Adonai.

עֲרִירִי (ariri), ‘kinderloos’ (ook Lev. 20:20–21).

וּבֶן מֶשֶׁק בֵּיתִי (ben meshek beti), ‘zoon van Mesjek, van mijn huis’: meshek komt alleen hier voor.

Het is hier waarschijnlijk een naam, zoals ook de Septuaginta (‘zoon van Masek’) leest.

Het woord kan ook ‘beheer’ betekenen: ‘het hoofd van mijn huishouden’.

Eliëzer was waarschijnlijk zijn dienaar of slaaf, die erft omdat Abram geen zoon heeft (15:3–4; vergelijk 24:2, ‘de oudste dienaar van zijn huis’).

Uit de Nuzi-tabletten (15e eeuw v.Chr.) is bekend dat een kinderloze man soms zo iemand als erfgenaam aanwees.

Er is een woordspel tussen מֶשֶׁק (meshek) en דַּמֶּשֶׂק (Dammesek, Damascus).

Aanvullend

Jubileeën 14:2 heeft Abrams klacht in vrijwel dezelfde woorden, met Eliëzer van Damascus als zoon van Masek, Abrams dienares; Yahwehs antwoord staat in Jubileeën 14:3.

3Abram zei: „Zie, U hebt mij geen nageslacht gegeven, en zie, iemand uit mijn huis wordt mijn erfgenaam.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְרָ֔ם
(avram)
Abram
הֵ֣ן
(hen)
zie
לִ֔י
(li)
voor mij
לֹ֥א
(lo)
niet
נָתַ֖תָּה
(natata)
U hebt gegeven
זָ֑רַע
(zara)
nageslacht
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
בֶן
(ben)
zoon van
בֵּיתִ֖י
(beiti)
mijn huis
יוֹרֵ֥שׁ
(yoresh)
erfgenaam
אֹתִֽי
(oti)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵן (hen), ‘zie’, vestigt de aandacht.

בֶן בֵּיתִי (ben beti), ‘een zoon van mijn huis’: iemand die in het huis geboren is, geen eigen kind (zie 14:14; vergelijk 17:12).

Aanvullend

Jubileeën 14:3 geeft Yahwehs antwoord op Abrams klacht: ‘Deze zal je niet beërven’.

4En zie, het woord van Yahweh kwam tot hem en zei: „Deze zal jou niet beërven. Maar wie uit jouw lichaam voortkomt, die zal jou beërven.”
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹ֥א
(lo)
niet
יִֽירָשְׁךָ֖
(yirashekha)
zal je beërven
זֶ֑ה
(ze)
deze
כִּי
(ki)
maar
אִם֙
(im)
alleen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wie
יֵצֵ֣א
(yetse)
voortkomt
מִמֵּעֶ֔יךָ
(mimeeikha)
uit je lichaam
ה֖וּא
(hu)
die
יִֽירָשֶֽׁךָ
(yirashekha)
zal je beërven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִמֵּעֶיךָ (mimme’ekha), ‘uit je ingewanden’, is ‘uit je eigen lichaam’: een kind van Abram zelf.

De erfgenaam uit zijn huis wordt dus afgewezen.

5Hij bracht hem naar buiten en zei: „Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als je ze kunt tellen.” En Hij zei tegen hem: „Zo zal je nageslacht zijn.”
וַיּוֹצֵ֨א
(vayotse)
en Hij leidde naar buiten
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
הַח֗וּצָה
(hachutsa)
naar buiten
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
הַבֶּט
(habet)
kijk
נָ֣א
(na)
toch
הַשָּׁמַ֗יְמָה
(hashamayma)
naar de hemel
וּסְפֹר֙
(usefor)
en tel
הַכּ֣וֹכָבִ֔ים
(hakokhavim)
de sterren
אִם
(im)
als
תּוּכַ֖ל
(tukhal)
je kunt
לִסְפֹּ֣ר
(lispor)
tellen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
כֹּ֥ה
(ko)
zo
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
זַרְעֶֽךָ
(zarekha)
je nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיּוֹצֵא אֹתוֹ הַחוּצָה (vayotse oto hachutsah), ‘Hij bracht hem naar buiten’.

כֹּה יִהְיֶה זַרְעֶךָ (koh yihyeh zar’ekha), ‘zo zal je nageslacht zijn’.

Zie 13:16 (stof).

Vergelijk 22:17 (sterren en zand).

Paulus noemt dit de hoop tegen alle hoop in (Rom. 4:18).

6Abram geloofde Yahweh, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.
וְהֶאֱמִ֖ן
(veheemin)
en Hij geloofde
בַּֽיהוָ֑ה
(baYahweh)
Yahweh
וַיַּחְשְׁבֶ֥הָ
(vayachsheveha)
en Hij rekende het
לּ֖וֹ
(lo)
aan hem
צְדָקָֽה
(tsedaqa)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהֶאֱמִן (veheemin), van de stam אמן (aman), waar ook ‘amen’ vandaan komt: ‘hij vertrouwde, hij hield zich vast aan’.

צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij geloofde’ en ‘hij rekende het hem toe’; de naam Abram is voor de duidelijkheid toegevoegd.

In het Nieuwe Testament: Rom. 4:3, Gal. 3:6 en Jak. 2:23.

Aanvullend

Jubileeën 14:6 heeft dezelfde zin.

Het land beloofd

7Hij zei tegen hem: „Ik ben Yahweh, die jou uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid om jou dit land te geven als bezit.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֑יו
(elav)
tegen hem
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הוֹצֵאתִ֨יךָ֙
(hotsetikha)
Ik leidde je uit
מֵא֣וּר
(meur)
uit Ur van
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
de Chaldeeën
לָ֧תֶת
(latet)
om te geven
לְךָ֛
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om het te bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ur: Ur lag in het zuiden van Mesopotamië, bij het huidige Tell el-Mukajjar in Irak, ten westen van de oude loop van de Eufraat.

Uitleg

מֵאוּר כַּשְׂדִּים (me’ur Kasdim), ‘uit Ur van de Chaldeeën’ (zie 11:28; vergelijk 11:31).

הוֹצֵאתִיךָ (hotseti’kha), ‘Ik leidde je uit’, heeft dezelfde stam als ‘naar buiten brengen’ in vers 5.

Het doel is niet alleen vertrek, maar ook ontvangen: ‘om jou dit land te geven’.

Aanvullend

Jubileeën 14:7 en Jasher 16:21 geven de belofte van het land op dezelfde plaats.

Jasher 12:1 vertelt dat Abram tien dagen gevangen zat, en Jasher 12:21–25 dat hij in de oven werd geworpen en door Yahweh werd gered; Genesis zegt alleen dat Yahweh hem uit Ur van de Chaldeeën heeft geleid.

8Abram zei: „Mijn Heer Yahweh, waaraan zal ik weten dat ik het zal bezitten?”
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יֱהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּמָּ֥ה
(bama)
waaraan
אֵדַ֖ע
(eda)
zal ik weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אִֽירָשֶֽׁנָּה
(irashena)
ik het zal bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּמָּה אֵדַע (bammah eda), ‘waaraan zal ik weten?’.

Abram vraagt hier waaraan hij het zal weten; het antwoord is het verbond in vers 9–21.

In vers 6, 8 en 10 staat in het Hebreeuws alleen ‘hij’ (‘hij geloofde’, ‘hij zei’, ‘hij nam’); de naam Abram is daar voor de duidelijkheid toegevoegd.

Het verbond tussen de stukken

9Hij zei tegen hem: „Neem voor Mij een driejarige koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
קְחָ֥ה
(qecha)
neem
לִי֙
(li)
voor Mij
עֶגְלָ֣ה
(egla)
een koe
מְשֻׁלֶּ֔שֶׁת
(meshuleshet)
driejarige
וְעֵ֥ז
(veez)
en een geit
מְשֻׁלֶּ֖שֶׁת
(meshuleshet)
driejarige
וְאַ֣יִל
(veayil)
en een ram
מְשֻׁלָּ֑שׁ
(meshulash)
driejarige
וְתֹ֖ר
(vetor)
en een tortelduif
וְגוֹזָֽל
(vegozal)
en een jonge duif
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשֻׁלֶּשֶׁת (meshulleshet) kan ‘driejarig’ of ‘driedelig’ betekenen; hier staat ‘driejarig’ (zo ook Jubileeën 14:9).

De dieren zijn dezelfde soorten als later in de offerwet (Lev. 1:2, Lev. 1:10 en Lev. 1:14).

10Abram nam al deze dieren, sneed ze door het midden en legde elke helft tegenover de andere. De vogels sneed hij niet door.
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en hij nam
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
אֵ֗לֶּה
(ele)
deze
וַיְבַתֵּ֤ר
(vayvater)
en hij sneed door
אֹתָם֙
(otam)
ze
בַּתָּ֔וֶךְ
(batavekh)
in het midden
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij legde
אִישׁ
(ish)
elk
בִּתְר֖וֹ
(bitro)
zijn helft
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegenover
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
de ander
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַצִפֹּ֖ר
(hatsipor)
de vogel
לֹ֥א
(lo)
niet
בָתָֽר
(batar)
sneed hij door
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְבַתֵּר (vayvatter), ‘hij sneed door’, van בָתָר (batar), ‘in tweeën hakken’.

Dit is de handeling achter de uitdrukking כָּרַת יְהוָה אֶת אַבְרָם בְּרִית (karat berit), ‘een verbond snijden’ (vers 18).

Zie ook Jer. 34:18–19, waar mensen een verbond sluiten door tussen de helften van een kalf door te gaan.

Aanvullend

Jubileeën 14:10–11 laat Abram het bij de eik van Mamre doen.

11Roofvogels daalden neer op de kadavers, en Abram joeg ze weg.
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en hij daalde neer
הָעַ֖יִט
(haayit)
de roofvogel
עַל
(al)
op
הַפְּגָרִ֑ים
(hapegarim)
de kadavers
וַיַּשֵּׁ֥ב
(vayashev)
en hij joeg weg
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
אַבְרָֽם
(avram)
Abram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעַיִט (ha’ayit), ‘de roofvogel’, is een verzamelnaam: roofvogels in het algemeen.

Aanvullend

Jubileeën 14:12 zegt dat Abram de vogels niet liet aanraken.

Vierhonderd jaar

12Toen de zon bijna onderging, viel een diepe slaap op Abram. En zie, een schrik, een grote duisternis, viel op hem.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
לָב֔וֹא
(lavo)
om onder te gaan
וְתַרְדֵּמָ֖ה
(vetardema)
en een diepe slaap
נָפְלָ֣ה
(nafela)
viel
עַל
(al)
op
אַבְרָ֑ם
(avram)
Abram
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
אֵימָ֛ה
(eima)
schrik
חֲשֵׁכָ֥ה
(chashekha)
duisternis
גְדֹלָ֖ה
(gedola)
grote
נֹפֶ֥לֶת
(nofelet)
vallend
עָלָֽיו
(alav)
op hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְתַרְדֵּמָה (tardemah), ‘diepe slaap’, is hetzelfde woord als in 2:21.

אֵימָה חֲשֵׁכָה גְדֹלָה (eimah chashekhah gedolah), ‘een schrik, een grote duisternis’: schrik en duisternis staan naast elkaar.

Aanvullend

Jubileeën 14:13 noemt het een ‘ontzetting’ die op Abram viel, met een ‘verschrikking van duisternis’.

13Hij zei tegen Abram: „Weet zeker dat je nageslacht een vreemdeling zal zijn in een land dat niet van hen is. Ze zullen hen dienen en hen onderdrukken, 400 jaar lang.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לְאַבְרָ֗ם
(leavram)
tegen Abram
יָדֹ֨עַ
(yadoa)
weten
תֵּדַ֜ע
(teda)
zul je weten
כִּי
(ki)
dat
גֵ֣ר
(ger)
vreemdeling
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
זַרְעֲךָ֗
(zarakha)
je nageslacht
בְּאֶ֨רֶץ֙
(beerets)
in een land
לֹ֣א
(lo)
niet
לָהֶ֔ם
(lahem)
van hen
וַעֲבָד֖וּם
(vaavadum)
en ze zullen hen dienen
וְעִנּ֣וּ
(veinu)
en ze zullen onderdrukken
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה (arba me’ot shanah), ‘vierhonderd jaar’, is een ronde tijdsaanduiding.

Exodus 12:40 noemt 430 jaar voor het verblijf in Egypte; Stefanus zegt 400 jaar (Hand. 7:6) en Paulus rekent 430 jaar van de belofte tot de wet (Gal. 3:17).

Het Hebreeuws zegt ‘ze zullen hen dienen’ zonder het volk te noemen; het is het volk van het land waar het nageslacht vreemdeling is (zie vers 14).

Aanvullend

Jubileeën 14:13 heeft ook 400 jaar.

14Maar ook het volk dat zij zullen dienen, zal Ik zelf oordelen. Daarna zullen ze uittrekken met grote bezittingen.
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגּ֛וֹי
(hagoy)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יַעֲבֹ֖דוּ
(yaavodu)
ze zullen dienen
דָּ֣ן
(dan)
oordelend
אָנֹ֑כִי
(anokhi)
Ik
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en daarna
כֵ֥ן
(ken)
zo
יֵצְא֖וּ
(yetseu)
zullen ze uittrekken
בִּרְכֻ֥שׁ
(birkhush)
met bezit
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּן אָנֹכִי (dan anokhi), ‘Ik zelf oordeel’.

Zie Ex. 12:12.

בִּרְכֻשׁ גָּדוֹל (birkhush gadol), ‘met grote bezittingen’: vergelijk Ex. 12:35–36.

15En jij zult in vrede tot je vaderen komen. Je zult begraven worden in een goede ouderdom.
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
תָּב֥וֹא
(tavo)
zult komen
אֶל
(el)
tot
אֲבֹתֶ֖יךָ
(avoteikha)
je vaderen
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
תִּקָּבֵ֖ר
(tiqaver)
zult begraven worden
בְּשֵׂיבָ֥ה
(beseiva)
in ouderdom
טוֹבָֽה
(tova)
goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּבוֹא אֶל אֲבֹתֶיךָ (tavo el avotekha), ‘je zult tot je vaderen komen’: een omschrijving voor sterven.

בְּשֵׂיבָה טוֹבָה (beseivah tovah), ‘in goede ouderdom’.

Vergelijk 25:8.

16In de vierde generatie zullen ze hierheen terugkeren, want de schuld van de Amorieten is tot nu toe nog niet vol.”
וְד֥וֹר
(vedor)
en generatie
רְבִיעִ֖י
(revii)
vierde
יָשׁ֣וּבוּ
(yashuvu)
zullen ze terugkeren
הֵ֑נָּה
(hena)
hierheen
כִּ֧י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
שָׁלֵ֛ם
(shalem)
vol
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
עַד
(ad)
tot
הֵֽנָּה
(hena)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲוֺן הָאֱמֹרִי (avon ha’Emori), ‘de schuld van de Amorieten’: de Amorieten staan hier voor de bewoners van Kanaän (zie vers 21).

Hun schuld is nog niet ‘vol’ (שָׁלֵם, shalem, ‘volledig’).

Dat is de reden van het wachten.

Aanvullend

Jubileeën 14:16 heeft dezelfde zin.

De rokende oven

17Toen de zon was ondergegaan en het stikdonker was geworden, zie, een rokende oven en een vurige fakkel gingen tussen deze stukken door.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
בָּ֔אָה
(baa)
was ondergegaan
וַעֲלָטָ֖ה
(vaalata)
en stikdonker
הָיָ֑ה
(haya)
was
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
תַנּ֤וּר
(tanur)
een oven van
עָשָׁן֙
(ashan)
rook
וְלַפִּ֣יד
(velapid)
en een fakkel van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָבַ֔ר
(avar)
ging voorbij
בֵּ֖ין
(bein)
tussen
הַגְּזָרִ֥ים
(hagezarim)
de stukken
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַנּוּר עָשָׁן (tannur ashan), ‘een rokende oven’, en וְלַפִּיד אֵשׁ (lappid esh), ‘een fakkel van vuur’.

De tekst zegt niet wie of wat de oven en de fakkel zijn.

Rook en vuur komen later terug bij de aanwezigheid van Yahweh (Ex. 3:2, Ex. 13:21 en Ex. 19:18).

Aanvullend

Jubileeën 14:17 heeft dezelfde twee tekenen.

18Op die dag sloot Yahweh een verbond met Abram en zei: „Aan jouw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat:
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
כָּרַ֧ת
(karat)
sloot (sneed)
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַבְרָ֖ם
(avram)
Abram
בְּרִ֣ית
(berit)
een verbond
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
לְזַרְעֲךָ֗
(lezarakha)
aan je nageslacht
נָתַ֨תִּי֙
(natati)
heb Ik gegeven
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
מִנְּהַ֣ר
(minehar)
van de rivier van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַד
(ad)
tot
הַנָּהָ֥ר
(hanahar)
de rivier
הַגָּדֹ֖ל
(hagadol)
de grote
נְהַר
(nehar)
rivier van
פְּרָֽת
(perat)
Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

מִנְּהַר מִצְרַיִם (nehar Mitsrayim), ‘de rivier van Egypte’, is de Nijl of de Wadi el-Arisj (in het noorden van de Sinaï, bij het huidige El-Arisj).

פְּרָת (Perat) is de Eufraat (zie 2:14).

Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’; כָּרַת (karat) betekent letterlijk ‘snijden’ (vergelijk vers 10).

נָתַתִּי (natati) staat in de voltooide tijd: ‘Ik heb gegeven’; wat Yahweh belooft, is al zeker.

Aanvullend

Jubileeën 14:18 heeft dezelfde belofte.

19de Kenieten, de Kenizzieten, de Kadmonieten,
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַקֵּינִי֙
(haqeini)
de Keniet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַקְּנִזִּ֔י
(haqenizi)
de Kenizziet
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַקַּדְמֹנִֽי
(haqadmoni)
de Kadmoniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20de Hettieten, de Perizzieten, de Rafaïeten,
וְאֶת
(veet)
(lijdend voorwerp)
הַחִתִּ֥י
(hachiti)
de Hettiet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַפְּרִזִּ֖י
(haperizi)
de Perizziet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָרְפָאִֽים
(harefaim)
de Rafaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.”
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָֽאֱמֹרִי֙
(haemori)
de Amoriet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַגִּרְגָּשִׁ֖י
(hagirgashi)
de Girgasiet
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַיְבוּסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt tien volken.

De Hettieten, Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten komen ook voor in de volkerenlijst (zie 10:15; vergelijk 10:16).

Vergelijk 14:5 voor de Rafaïeten.

Aanvullend

Jubileeën 14:18 heeft een iets andere lijst: de Hettieten ontbreken en de Fakorieten en Chiwwieten zijn toegevoegd.