Tola en Jaïr, de noodkreet van Israël en het leger van Ammon
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tola, de rechter
1Na Abimelech stond Tola op om Israël te redden. Hij was de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issachar. Hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
na
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לְהוֹשִׁ֣יעַ
(lehoshia)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
תּוֹלָ֧ע
(tola)
Tola
בֶּן
(ben)
de zoon van
פּוּאָ֛ה
(pua)
Pua
בֶּן
(ben)
de zoon van
דּוֹד֖וֹ
(dodo)
Dodo
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשָּׂשכָ֑ר
(yisashkhar)
Issachar
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בְּשָׁמִ֖יר
(beshamir)
in Samir
בְּהַ֥ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Samir ligt in het bergland van Efraïm.
De precieze ligging is onzeker; er is ook een stad Samir in het bergland van Juda (Joz. 15:48).
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
תּוֹלָע (Tola’), ‘Tola’: de naam betekent ‘worm’ of ‘scharlaken’.
Tola was een man uit Issachar, maar hij woonde in het bergland van Efraïm.
דּוֹדוֹ (Dodo), ‘Dodo’: wij lezen dit als een eigennaam. Het woord kan ook ‘zijn oom’ betekenen.
4Hij had dertig zonen, die op dertig ezelsveulens reden. Zij hadden dertig steden. Die worden tot op de dag van vandaag Chavvot-Jaïr genoemd. Zij liggen in het land Gilead.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij had
ל֞וֹ
(lo)
hij
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
בָּנִ֗ים
(banim)
zonen
רֹֽכְבִים֙
(rokhevim)
rijdend
עַל
(al)
op
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
עֲיָרִ֔ים
(ayarim)
ezelsveulens
וּשְׁלֹשִׁ֥ים
(usheloshim)
en dertig
עֲיָרִ֖ים
(ayarim)
steden
לָהֶ֑ם
(lahem)
zij hadden
לָהֶ֞ם
(lahem)
zij
יִקְרְא֣וּ
(yiqreu)
worden genoemd
חַוֺּ֣ת
(chavot)
Chavvot
יָאִ֗יר
(yair)
Jaïr
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chavvot-Jaïr (‘tentdorpen van Jaïr’) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië.
De precieze ligging is onzeker.
Zie Num. 32:41 en Deut. 3:14.
Uitleg
In het Hebreeuws klinken ‘ezelsveulens’ (עֲיָרִים, ayarim) en ‘steden’ (עָרִים, arim) bijna gelijk.
Dat is een woordspeling.
Dertig zonen op dertig ezelsveulens: dat is een teken van aanzien.
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘zij hadden’ twee keer na elkaar.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kamon ligt in Gilead.
De precieze plek is onzeker.
Israël verlaat Yahweh opnieuw
6De zonen van Israël deden opnieuw wat slecht was in de ogen van Yahweh. Zij dienden de Baäls en de Astarten, de goden van Aram, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de zonen van Ammon en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten Yahweh en dienden Hem niet.
וַיֹּסִ֣פוּ
(vayosifu)
en voegden toe
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַע֮
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעַבְד֣וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִ֣ים
(habealim)
de Baäls
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעַשְׁתָּר֡וֹת
(haashtarot)
de Astarten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
אֲרָם֩
(aram)
Aram
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de goden van
צִיד֜וֹן
(tsidon)
Sidon
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּעַזְב֥וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲבָדֽוּהוּ
(avaduhu)
dienden zij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
De Baäls en de Astarten zijn de goden van Kanaän (Richt. 2:13).
Daarna noemt de tekst de goden van zes volken om Israël heen.
Dit zijn alle volken die het in de eerstvolgende verzen bedreigen.
8In dat jaar verbrijzelden en verpletterden zij de zonen van Israël, 18 jaar lang. Dat deden zij met alle zonen van Israël aan de overkant van de Jordaan, in het land van de Amorieten, in Gilead.
וַֽיִּרְעֲצ֤וּ
(vayiratsu)
en zij verbrijzelden
וַיְרֹֽצְצוּ֙
(vayrotsetsu)
en zij verpletterden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַהִ֑יא
(hahi)
dat
שְׁמֹנֶ֨ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֜ה
(esre)
tien
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּגִּלְעָֽד
(bagilad)
in Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
‘Aan de overkant van de Jordaan’ is het land ten oosten van de rivier, Gilead (nu Jordanië).
Uitleg
רָעַץ (ra’ats), ‘verbrijzelen’, en רָצַץ (ratsats), ‘verpletteren’: twee werkwoorden met bijna dezelfde klank en betekenis.
Het getal 18 jaar geldt voor de onderdrukking van de stammen aan de oostkant van de Jordaan.
18Het volk, de oversten van Gilead, zeiden tegen elkaar: „Wie is de man die als eerste de strijd tegen de zonen van Ammon begint? Hij wordt het hoofd van alle inwoners van Gilead.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
שָׂרֵ֤י
(sarei)
de oversten van
גִלְעָד֙
(gilad)
Gilead
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
מִ֣י
(mi)
wie
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָחֵ֔ל
(yachel)
begint
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
te strijden
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
tegen de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
לְרֹ֔אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
לְכֹ֖ל
(lekhol)
over alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
גִלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’: de leider van heel Gilead.
Zie Richt. 11:8–11, waar Jefta inderdaad hoofd wordt.