Elohim Bijbel

Richteren 10

123456789101112131415161718192021

Tola en Jaïr, de noodkreet van Israël en het leger van Ammon

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Tola, de rechter

1Na Abimelech stond Tola op om Israël te redden. Hij was de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issachar. Hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en stond op
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
na
אֲבִימֶ֜לֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
לְהוֹשִׁ֣יעַ
(lehoshia)
om te redden
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
תּוֹלָ֧ע
(tola)
Tola
בֶּן
(ben)
de zoon van
פּוּאָ֛ה
(pua)
Pua
בֶּן
(ben)
de zoon van
דּוֹד֖וֹ
(dodo)
Dodo
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשָּׂשכָ֑ר
(yisashkhar)
Issachar
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בְּשָׁמִ֖יר
(beshamir)
in Samir
בְּהַ֥ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Samir ligt in het bergland van Efraïm.

De precieze ligging is onzeker; er is ook een stad Samir in het bergland van Juda (Joz. 15:48).

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

תּוֹלָע (Tola’), ‘Tola’: de naam betekent ‘worm’ of ‘scharlaken’.

Tola was een man uit Issachar, maar hij woonde in het bergland van Efraïm.

דּוֹדוֹ (Dodo), ‘Dodo’: wij lezen dit als een eigennaam. Het woord kan ook ‘zijn oom’ betekenen.

2Hij was 23 jaar rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir.
וַיִּשְׁפֹּט֙
(vayishpot)
en hij was rechter over
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וְשָׁלֹ֖שׁ
(veshalosh)
en drie
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
וַיִּקָּבֵ֥ר
(vayiqaver)
en hij werd begraven
בְּשָׁמִֽיר
(beshamir)
in Samir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁפַט (shafat), ‘rechter zijn’: een rechter in dit boek is een leider die Israël redt en recht spreekt (Richt. 2:16–18).

Wij vertalen steeds ‘rechter zijn over’.

Jaïr, de rechter

3Na hem stond Jaïr, de Gileadiet, op. Hij was 22 jaar rechter over Israël.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
na hem
יָאִ֖יר
(yair)
Jaïr
הַגִּלְעָדִ֑י
(hagiladi)
de Gileadiet
וַיִּשְׁפֹּט֙
(vayishpot)
en hij was rechter over
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וּשְׁתַּ֖יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij had dertig zonen, die op dertig ezelsveulens reden. Zij hadden dertig steden. Die worden tot op de dag van vandaag Chavvot-Jaïr genoemd. Zij liggen in het land Gilead.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij had
ל֞וֹ
(lo)
hij
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
בָּנִ֗ים
(banim)
zonen
רֹֽכְבִים֙
(rokhevim)
rijdend
עַל
(al)
op
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
עֲיָרִ֔ים
(ayarim)
ezelsveulens
וּשְׁלֹשִׁ֥ים
(usheloshim)
en dertig
עֲיָרִ֖ים
(ayarim)
steden
לָהֶ֑ם
(lahem)
zij hadden
לָהֶ֞ם
(lahem)
zij
יִקְרְא֣וּ
(yiqreu)
worden genoemd
חַוֺּ֣ת
(chavot)
Chavvot
יָאִ֗יר
(yair)
Jaïr
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chavvot-Jaïr (‘tentdorpen van Jaïr’) lag in Gilead, ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië.

De precieze ligging is onzeker.

Zie Num. 32:41 en Deut. 3:14.

Uitleg

In het Hebreeuws klinken ‘ezelsveulens’ (עֲיָרִים, ayarim) en ‘steden’ (עָרִים, arim) bijna gelijk.

Dat is een woordspeling.

Dertig zonen op dertig ezelsveulens: dat is een teken van aanzien.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘zij hadden’ twee keer na elkaar.

Wij lezen één keer.

5Jaïr stierf en werd begraven in Kamon.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en hij stierf
יָאִ֔יר
(yair)
Jaïr
וַיִּקָּבֵ֖ר
(vayiqaver)
en hij werd begraven
בְּקָמֽוֹן
(beqamon)
in Kamon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kamon ligt in Gilead.

De precieze plek is onzeker.

Israël verlaat Yahweh opnieuw

6De zonen van Israël deden opnieuw wat slecht was in de ogen van Yahweh. Zij dienden de Baäls en de Astarten, de goden van Aram, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de zonen van Ammon en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten Yahweh en dienden Hem niet.
וַיֹּסִ֣פוּ
(vayosifu)
en voegden toe
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַע֮
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּעַבְד֣וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִ֣ים
(habealim)
de Baäls
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעַשְׁתָּר֡וֹת
(haashtarot)
de Astarten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
אֲרָם֩
(aram)
Aram
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
de goden van
צִיד֜וֹן
(tsidon)
Sidon
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de goden van
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּעַזְב֥וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲבָדֽוּהוּ
(avaduhu)
dienden zij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

De Baäls en de Astarten zijn de goden van Kanaän (Richt. 2:13).

Daarna noemt de tekst de goden van zes volken om Israël heen.

Dit zijn alle volken die het in de eerstvolgende verzen bedreigen.

7De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen en in de hand van de zonen van Ammon.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
de toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַֽיִּמְכְּרֵם֙
(vayimkerem)
en Hij verkocht hen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּבְיַ֖ד
(uveyad)
en in de hand van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

מָכַר (makar), ‘verkopen’: Yahweh geeft Israël aan een vijand, zoals in Richt. 2:14; 3:8 en 4:2.

8In dat jaar verbrijzelden en verpletterden zij de zonen van Israël, 18 jaar lang. Dat deden zij met alle zonen van Israël aan de overkant van de Jordaan, in het land van de Amorieten, in Gilead.
וַֽיִּרְעֲצ֤וּ
(vayiratsu)
en zij verbrijzelden
וַיְרֹֽצְצוּ֙
(vayrotsetsu)
en zij verpletterden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּשָּׁנָ֖ה
(bashana)
in het jaar
הַהִ֑יא
(hahi)
dat
שְׁמֹנֶ֨ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֜ה
(esre)
tien
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בַּגִּלְעָֽד
(bagilad)
in Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘Aan de overkant van de Jordaan’ is het land ten oosten van de rivier, Gilead (nu Jordanië).

Uitleg

רָעַץ (ra’ats), ‘verbrijzelen’, en רָצַץ (ratsats), ‘verpletteren’: twee werkwoorden met bijna dezelfde klank en betekenis.

Het getal 18 jaar geldt voor de onderdrukking van de stammen aan de oostkant van de Jordaan.

9De zonen van Ammon trokken ook over de Jordaan om te strijden tegen Juda, tegen Benjamin en tegen het huis van Efraïm. Israël kwam in grote nood.
וַיַּעַבְר֤וּ
(vayaavru)
en trokken over
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּוֹן֙
(amon)
Ammon
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
לְהִלָּחֵ֛ם
(lehilachem)
om te strijden
גַּם
(gam)
ook
בִּיהוּדָ֥ה
(bihuda)
tegen Juda
וּבְבִנְיָמִ֖ין
(uvevinyamin)
en tegen Benjamin
וּבְבֵ֣ית
(uveveit)
en tegen het huis van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וַתֵּ֥צֶר
(vatetser)
en het werd benauwd
לְיִשְׂרָאֵ֖ל
(leyisrael)
voor Israël
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

De zonen van Ammon trekken nu ook naar het westen over de Jordaan.

Zij vallen dus ook Juda, Benjamin en Efraïm aan.

Israël roept om hulp

10Toen riepen de zonen van Israël om hulp tot Yahweh: „Wij hebben tegen U gezondigd, want wij hebben onze Elohim verlaten en de Baäls gediend.”
וַֽיִּזְעֲקוּ֙
(vayizaqu)
en zij riepen om hulp
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
חָטָ֣אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen U
וְכִ֤י
(vekhi)
en want
עָזַ֨בְנוּ֙
(azavnu)
wij hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וַֽנַּעֲבֹ֖ד
(vanaavod)
en wij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִֽים
(habealim)
de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זָעַק (za’aq), ‘om hulp roepen’: een noodkreet (za’aqah).

Dit is het begin van het volgende gesprek met Yahweh.

11Yahweh zei tegen de zonen van Israël: „Heb Ik jullie niet gered van Egypte, van de Amorieten, van de zonen van Ammon en van de Filistijnen?
וַ֥יֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֲלֹ֤א
(halo)
is het niet
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
van Egypte
וּמִן
(umin)
en van
הָ֣אֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
וּמִן
(umin)
en van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
וּמִן
(umin)
en van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

Vers 11 heeft in het Hebreeuws geen werkwoord: ‘Niet van Egypte en van de Amorieten...?’.

Wij vullen ‘Heb Ik jullie niet gered’ aan uit vers 12 (‘en Ik redde jullie’).

Rood: Yahweh zelf spreekt (vers 11–14).

12De Sidoniërs, Amalek en Maon hebben jullie onderdrukt. Jullie riepen om hulp tot Mij en Ik redde jullie uit hun hand.
וְצִידוֹנִ֤ים
(vetsidonim)
en de Sidoniërs
וַֽעֲמָלֵק֙
(vaamaleq)
en Amalek
וּמָע֔וֹן
(umaon)
en Maon
לָחֲצ֖וּ
(lachatsu)
onderdrukten
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וַתִּצְעֲק֣וּ
(vatitsaqu)
en jullie riepen om hulp
אֵלַ֔י
(elay)
tot Mij
וָאוֹשִׁ֥יעָה
(vaoshia)
en Ik redde
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדָֽם
(miyadam)
uit hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Maon: Maon wordt gezocht bij Tell Ma'in, ten zuiden van Hebron.

Uitleg

Sidon is hier de naam voor de Feniciërs aan de kust.

Amalek is het volk uit de Negev (Exod. 17:8–16).

Lezing

Het Hebreeuws zegt hier ‘Maon’.

Maon is een volk of streek in het zuiden, bij Edom (nu Ma’an in Jordanië; onzeker).

De Griekse vertaling heeft ‘Midian’.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

13Maar jullie hebben Mij verlaten en andere goden gediend. Daarom zal Ik jullie niet weer redden.
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
עֲזַבְתֶּ֣ם
(azavtem)
hebben verlaten
אוֹתִ֔י
(oti)
Mij
וַתַּעַבְד֖וּ
(vataavdu)
en jullie dienden
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
לָכֵ֥ן
(lakhen)
daarom
לֹֽא
(lo)
niet
אוֹסִ֖יף
(osif)
zal Ik toevoegen
לְהוֹשִׁ֥יעַ
(lehoshia)
om te redden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Ga en roep om hulp tot de goden die jullie hebben gekozen. Laat die jullie redden in de tijd van jullie nood.”
לְכ֗וּ
(lekhu)
gaat
וְזַֽעֲקוּ֙
(vezaaqu)
en roept om hulp
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de goden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּחַרְתֶּ֖ם
(bechartem)
jullie hebben gekozen
בָּ֑ם
(bam)
in hen
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
יוֹשִׁ֥יעוּ
(yoshiu)
laten redden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
jullie
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
צָרַתְכֶֽם
(tsaratkhem)
jullie nood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier bijna spottend: laat de goden die jullie hebben gekozen, jullie maar redden.

Vergelijk Deut. 32:37–38.

15De zonen van Israël zeiden tegen Yahweh: „Wij hebben gezondigd. Doe met ons alles wat goed is in Uw ogen. Maar red ons toch, op deze dag.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חָטָ֔אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
עֲשֵׂה
(ase)
doe
אַתָּ֣ה
(ata)
U
לָ֔נוּ
(lanu)
met ons
כְּכָל
(kekhal)
zoals alles
הַטּ֖וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
אַ֛ךְ
(akh)
maar
הַצִּילֵ֥נוּ
(hatsilenu)
red ons
נָ֖א
(na)
toch
הַיּ֥וֹם
(hayom)
op de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zij haalden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden Yahweh. Toen kon Hij het lijden van Israël niet langer verdragen.
וַיָּסִ֜ירוּ
(vayasiru)
en zij verwijderden
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de goden van
הַנֵּכָר֙
(hanekhar)
het vreemde
מִקִּרְבָּ֔ם
(miqirbam)
uit hun midden
וַיַּעַבְד֖וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּקְצַ֥ר
(vatiqtsar)
en werd ongeduldig
נַפְשׁ֖וֹ
(nafsho)
Zijn ziel
בַּעֲמַ֥ל
(baamal)
door de last van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתִּקְצַר נַפְשׁוֹ (vatiqtsar nafsho), ‘zijn ziel werd ongeduldig’: letterlijk ‘zijn ziel werd kort’.

Wij vertalen ‘Hij kon het lijden van Israël niet langer verdragen’.

Vergelijk Num. 21:4, waar het over het volk gaat.

עָמָל (amal), ‘last’: moeite, zware arbeid, lijden.

Ammon en Israël leggen zich neer

17De zonen van Ammon werden opgeroepen en legerden zich in Gilead. De zonen van Israël kwamen bijeen en legerden zich bij Mizpa.
וַיִּצָּֽעֲקוּ֙
(vayitsaaqu)
en zij werden opgeroepen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בַּגִּלְעָ֑ד
(bagilad)
in Gilead
וַיֵּאָֽסְפוּ֙
(vayeasefu)
en kwamen bijeen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mizpa in Gilead is niet hetzelfde als Mizpa in Benjamin.

De ligging in Gilead is onzeker; mogelijk lag het in het noorden van het huidige Jordanië.

Zie Richt. 11:11 en 11:29.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Lezing

וַיִּצָּעֲקוּ (vayyitsa’aqu), ‘werden opgeroepen’: dezelfde stam als ‘om hulp roepen’.

Hier gaat het om een oproep tot de wapens.

Het kan ook ‘riepen’ betekenen.

18Het volk, de oversten van Gilead, zeiden tegen elkaar: „Wie is de man die als eerste de strijd tegen de zonen van Ammon begint? Hij wordt het hoofd van alle inwoners van Gilead.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
שָׂרֵ֤י
(sarei)
de oversten van
גִלְעָד֙
(gilad)
Gilead
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
מִ֣י
(mi)
wie
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָחֵ֔ל
(yachel)
begint
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
te strijden
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
tegen de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
hij zal zijn
לְרֹ֔אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
לְכֹ֖ל
(lekhol)
over alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
גִלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

רֹאשׁ (rosh), ‘hoofd’: de leider van heel Gilead.

Zie Richt. 11:8–11, waar Jefta inderdaad hoofd wordt.