Elohim Bijbel

2 Koningen 16

12345678910111213141516171819202122232425

Achaz van Juda: het altaar uit Damascus

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Achaz, koning van Juda

1In het zeventiende jaar van Pekach, de zoon van Remalja, werd Achaz, de zoon van Jotam, koning van Juda.
בִּשְׁנַת֙
(bishnat)
in het jaar van
שְׁבַֽע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְפֶ֖קַח
(lefeqach)
van Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֑הוּ
(remalyahu)
Remalja
מָלַ֛ךְ
(malakh)
werd koning
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹתָ֖ם
(yotam)
Jotam
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָחָז (Achaz), ‘Achaz’: de zoon van Jotam (2 Kon. 15:32–38).

De oorlog van Rezin en Pekach tegen hem staat ook in Jes. 7:1–9 en 2 Kron. 28:5–8.

Pekach staat in 2 Kon. 15:25–31.

2Achaz was 20 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van Yahweh, zijn Elohim, zoals David, zijn vader, had gedaan.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אָחָ֣ז
(achaz)
Achaz
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed hij
הַיָּשָׁ֗ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֛י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֖יו
(elohav)
zijn Elohim
כְּדָוִ֥ד
(kedavid)
zoals David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Leeftijd en regeringsduur geven wij letterlijk zoals in de Masoretische tekst.

Zie ook 2 Kron. 28:1.

3Hij liep op de weg van de koningen van Israël. Hij liet zelfs zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven.
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּדֶ֖רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְגַ֤ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
הֶעֱבִ֣יר
(heevir)
liet doorgaan
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
door het vuur
כְּתֹֽעֲבוֹת֙
(ketoavot)
naar de gruwelen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הוֹרִ֤ישׁ
(horish)
verdreef
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶעֱבִיר בָּאֵשׁ (he’evir ba’esh), ‘door het vuur laten gaan’: een kind aan een afgod wijden, met vuur.

Het is verboden in Lev. 18:21 en Deut. 18:10.

תּוֹעֲבוֹת (to’evot), ‘gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt (Deut. 18:9). De volken die Yahweh verdreef, zijn de volken van Kanaän.

4Hij bracht offers en liet offerrook opgaan op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.
וַיְזַבֵּ֧חַ
(vayzabeach)
en offerde
וַיְקַטֵּ֛ר
(vayqater)
en liet offerrook opgaan
בַּבָּמ֖וֹת
(babamot)
op de hoogten
וְעַל
(veal)
en op
הַגְּבָע֑וֹת
(hagevaot)
de heuvels
וְתַ֖חַת
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָֽן
(raanan)
groene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergtoppen, vaak met altaar en gewijde stenen.

Yahweh had ze verboden (Deut. 12:2–3).

קִטֵּר (qitter), ‘in rook laten opgaan’: het vuur laten branden zodat de rook opstijgt. Wij vertalen ‘offerrook laten opgaan’.

Rezin en Pekach trekken tegen Jeruzalem op

5Toen trokken Rezin, de koning van Aram, en Pekach, de zoon van Remalja, de koning van Israël, op naar Jeruzalem om te strijden. Zij sloten Achaz in, maar zij konden geen strijd leveren.
אָ֣ז
(az)
toen
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
trok op
רְצִ֣ין
(retsin)
Rezin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲ֠רָם
(aram)
Aram
וּפֶ֨קַח
(ufeqach)
en Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֧הוּ
(remalyahu)
Remalja
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
om te strijden
וַיָּצֻ֨רוּ֙
(vayatsuru)
en zij sloten in
עַל
(al)
tegen
אָחָ֔ז
(achaz)
Achaz
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכְל֖וּ
(yakhelu)
konden zij
לְהִלָּחֵֽם
(lehilachem)
strijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וְלֹא יָכְלוּ לְהִלָּחֵם (velo yakhelu lehillachem), letterlijk ‘en zij konden niet strijden’.

De betekenis is: zij konden Achaz en de stad niet overweldigen.

Wij vertalen ‘zij konden geen strijd leveren’.

Zie ook Jes. 7:1 en 2 Kron. 28:5–8.

6In die tijd bracht Rezin, de koning van Aram, Elat terug aan Aram. Hij verdreef de Judeeërs uit Elat. Edomieten kwamen naar Elat en gingen daar wonen, tot op de dag van vandaag.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
הֵ֠שִׁיב
(heshiv)
bracht terug
רְצִ֨ין
(retsin)
Rezin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֤ם
(aram)
Aram
אֶת
(et)
(obj.)
אֵילַת֙
(eilat)
Elat
לַֽאֲרָ֔ם
(laaram)
aan Aram
וַיְנַשֵּׁ֥ל
(vaynashel)
en verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְהוּדִ֖ים
(hayhudim)
de Judeeërs
מֵֽאֵיל֑וֹת
(meeilot)
uit Elot
וַֽאֲדוֹמִים֙
(vaadomim)
en Edomieten
בָּ֣אוּ
(bau)
kwamen
אֵילַ֔ת
(eilat)
naar Elat
וַיֵּ֣שְׁבוּ
(vayeshevu)
en woonden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat.

Uitleg

Elat (אֵילַת, Eilat) lag aan de noordpunt van de Golf van Akaba, bij het huidige Eilat (Israël) en Akaba (Jordanië).

De juiste plek van het oude Elat is onzeker.

Zie ook 1 Kon. 9:26 en 2 Kon. 14:22.

In dit vers staat Elat eerst als אֵילַת (Eilat) en daarna als אֵילוֹת (Eilot). Het is dezelfde plaats.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Arameeën’ (וארמים), het qere heeft ‘Edomieten’ (וַאֲדוֹמִים).

In het Hebreeuws lijken de letters ד (dalet) en ר (resh) sterk op elkaar.

Wij volgen het qere.

Achaz vraagt hulp aan Assyrië

7Achaz stuurde boden naar Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië, met de woorden: „Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en red mij uit de hand van de koning van Aram en uit de hand van de koning van Israël. Zij staan tegen mij op.”
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en stuurde
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
מַלְאָכִ֗ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
תִּ֠גְלַת
(tiglat)
Tiglat
פְּלֶ֤סֶר
(peleser)
Pileser
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
וּבִנְךָ֖
(uvinkha)
en uw zoon
אָ֑נִי
(ani)
ik
עֲלֵ֨ה
(ale)
ga omhoog
וְהוֹשִׁעֵ֜נִי
(vehoshieni)
en red mij
מִכַּ֣ף
(mikaf)
uit de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֗ם
(aram)
Aram
וּמִכַּף֙
(umikaf)
en uit de hand van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַקּוֹמִ֖ים
(haqomim)
die opstaan
עָלָֽי
(alay)
tegen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

תִּגְלַת פִּלְסֶר (Tiglat-Pileser), ‘Tiglat-Pileser’: koning van Assyrië.

Hij komt ook voor in 2 Kon. 15:19, 29.

In 1 Kron. 5:6, 26 en 2 Kron. 28:20 staat de vorm Tiglat-Pilneser (תִּלְּגַת פִּלְנֶאסֶר); het is dezelfde koning.

עַבְדְּךָ וּבִנְךָ (avdekha uvinkha), ‘uw dienaar en uw zoon’: Achaz stelt zich onder de macht van de Assyrische koning, als vazal.

8Achaz nam het zilver en het goud. Dat was te vinden in het huis van Yahweh en in de schatkamers van het huis van de koning. Hij stuurde het als geschenk naar de koning van Assyrië.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֣סֶף
(hakesef)
het zilver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזָּהָ֗ב
(hazahav)
het goud
הַנִּמְצָא֙
(hanimtsa)
dat gevonden werd
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְאֹֽצְר֖וֹת
(uveotserot)
en in de schatkamers van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en stuurde
לְמֶֽלֶךְ
(lemelekh)
naar de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
שֹֽׁחַד
(shochad)
een geschenk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

שֹׁחַד (shochad), ‘geschenk’: hier een betaling om de steun van de koning te kopen.

Vergelijk 1 Kon. 15:18–19, waar Asa hetzelfde doet.

9De koning van Assyrië luisterde naar hem. De koning van Assyrië trok op naar Damascus, nam de stad in en voerde de inwoners weg naar Kir. Rezin doodde hij.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en luisterde
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיַּעַל֩
(vayaal)
en trok op
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֤וּר
(ashur)
Assyrië
אֶל
(el)
naar
דַּמֶּ֨שֶׂק֙
(dameseq)
Damascus
וַֽיִּתְפְּשֶׂ֔הָ
(vayitpeseha)
en nam het in
וַיַּגְלֶ֖הָ
(vayagleha)
en voerde weg
קִ֑ירָה
(qira)
naar Kir
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רְצִ֖ין
(retsin)
Rezin
הֵמִֽית
(hemit)
doodde hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

Damascus (דַּמֶּשֶׂק) is de hoofdstad van Aram, het huidige Damascus (Syrië).

Kir (קִיר) ligt waarschijnlijk in Mesopotamië of Elam; de ligging is onzeker.

Zie ook Amos 1:5.

Het Hebreeuws noemt geen voorwerp bij ‘weggevoerd’. Wij vullen ‘de inwoners’ aan.

Het altaar uit Damascus

10Koning Achaz ging naar Damascus om Tiglat-Pileser, de koning van Assyrië, te ontmoeten. Daar zag hij het altaar dat in Damascus stond. Koning Achaz stuurde aan de priester Uria een afbeelding van het altaar en een model ervan, voor de hele uitvoering.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֡ז
(achaz)
Achaz
לִ֠קְרַאת
(liqrat)
om te ontmoeten
תִּגְלַ֨ת
(tiglat)
Tiglat
פִּלְאֶ֤סֶר
(pileser)
Pileser
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁוּר֙
(ashur)
Assyrië
דּוּמֶּ֔שֶׂק
(dumeseq)
naar Damascus
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּדַמָּ֑שֶׂק
(bedamaseq)
in Damascus
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
אֶל
(el)
naar
אוּרִיָּ֣ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
דְּמ֧וּת
(demut)
de afbeelding van
הַמִּזְבֵּ֛חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּבְנִית֖וֹ
(tavnito)
zijn model
לְכָֽל
(lekhal)
voor heel
מַעֲשֵֽׂהוּ
(maasehu)
zijn uitvoering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

דְּמוּת (demut), ‘afbeelding’, en תַּבְנִית (tavnit), ‘model’: tavnit is ook het woord voor het voorbeeld van de tabernakel in Exod. 25:9.

De priester Uria (אוּרִיָּה) is een andere man dan Uria de Hethiet (2 Sam. 11).

11De priester Uria bouwde het altaar. Hij deed alles zoals koning Achaz het uit Damascus had gestuurd. Zo deed de priester Uria, totdat koning Achaz uit Damascus kwam.
וַיִּ֛בֶן
(vayiven)
en bouwde
אוּרִיָּ֥ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
כְּכֹ֣ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁלַח֩
(shalach)
stuurde
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
מִדַּמֶּ֗שֶׂק
(midameseq)
uit Damascus
כֵּ֤ן
(ken)
zo
עָשָׂה֙
(asa)
deed
אוּרִיָּ֣ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
עַד
(ad)
tot
בּ֥וֹא
(bo)
het komen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֖ז
(achaz)
Achaz
מִדַּמָּֽשֶׂק
(midamaseq)
uit Damascus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

12Koning Achaz kwam uit Damascus en zag het altaar. De koning ging naar het altaar toe en klom erop.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
מִדַּמֶּ֔שֶׂק
(midameseq)
uit Damascus
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַיִּקְרַ֥ב
(vayiqrav)
en naderde
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
tot
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en ging omhoog
עָלָֽיו
(alav)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

De koning klimt zelf op het altaar om offers te brengen.

Dat deed ook Jerobeam (1 Kon. 12:33).

13Hij liet zijn brandoffer en zijn graanoffer in rook opgaan. Hij goot zijn plengoffer uit en sprenkelde het bloed van zijn vredeoffers op het altaar.
וַיַּקְטֵ֤ר
(vayaqter)
en liet in rook opgaan
אֶת
(et)
(obj.)
עֹֽלָתוֹ֙
(olato)
zijn brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִנְחָת֔וֹ
(minchato)
zijn graanoffer
וַיַּסֵּ֖ךְ
(vayasekh)
en goot uit
אֶת
(et)
(obj.)
נִסְכּ֑וֹ
(nisko)
zijn plengoffer
וַיִּזְרֹ֛ק
(vayizroq)
en sprenkelde
אֶת
(et)
(obj.)
דַּֽם
(dam)
het bloed van
הַשְּׁלָמִ֥ים
(hashelamim)
de vredeoffers
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֖וֹ
(lo)
van hem
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vier offers: het brandoffer (עֹלָה, olah; Lev. 1), het graanoffer (מִנְחָה, minchah; Lev. 2), het plengoffer (נֶסֶךְ, nesech; Num. 15:5) en het vredeoffer (שְׁלָמִים, shelamim; Lev. 3).

14Het koperen altaar stond voor het aangezicht van Yahweh. Dat verplaatste hij van de voorkant van het huis, van tussen het nieuwe altaar en het huis van Yahweh. Hij zette het aan de noordzijde van het nieuwe altaar.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְבַּ֣ח
(hamizbach)
het altaar
הַנְּחֹשֶׁת֮
(hanechoshet)
het koperen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּקְרֵ֗ב
(vayaqrev)
en liet naderen
מֵאֵת֙
(meet)
van voor
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
מִבֵּין֙
(mibein)
van tussen
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וּמִבֵּ֖ין
(umibein)
en van tussen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en zette
אֹת֛וֹ
(oto)
het
עַל
(al)
op
יֶ֥רֶךְ
(yerekh)
de zijde van
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
צָפֽוֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het koperen altaar is het altaar van Salomo (1 Kon. 8:64; 2 Kron. 4:1).

Achaz zet het opzij voor het nieuwe altaar.

Lezing

Het Hebreeuws zegt twee keer ‘het altaar’ (hamizbeach).

Wij lezen dat als het nieuwe altaar, dat Uria naar het model uit Damascus had gebouwd, en voegen daarom ‘nieuwe’ toe.

15Koning Achaz gaf de priester Uria dit bevel. „Laat op het grote altaar het brandoffer van de morgen en het graanoffer van de avond in rook opgaan. Doe dat ook met het brandoffer van de koning en zijn graanoffer. Doe dat ook met het brandoffer van heel het volk van het land, hun graanoffer en hun plengoffers. Sprenkel er al het bloed van het brandoffer en al het bloed van het slachtoffer op. Het koperen altaar zal voor mij zijn, om te raadplegen.”
וַיְצַוֶּ֣ה
(vaytsave)
en gebood
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָ֠חָז
(achaz)
Achaz
אֶת
(et)
(obj.)
אוּרִיָּ֨ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
עַ֣ל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֣חַ
(hamizbeach)
het altaar
הַגָּד֡וֹל
(hagadol)
het grote
הַקְטֵ֣ר
(haqter)
laat in rook opgaan
אֶת
(et)
(obj.)
עֹֽלַת
(olat)
het brandoffer van
הַבֹּקֶר֩
(haboqer)
de morgen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִנְחַ֨ת
(minchat)
het graanoffer van
הָעֶ֜רֶב
(haerev)
de avond
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹלַ֧ת
(olat)
het brandoffer van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִנְחָת֗וֹ
(minchato)
zijn graanoffer
וְ֠אֵת
(veet)
en (obj.)
עֹלַ֞ת
(olat)
het brandoffer van
כָּל
(kal)
heel
עַ֤ם
(am)
het volk van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
וּמִנְחָתָ֣ם
(uminchatam)
en hun graanoffer
וְנִסְכֵּיהֶ֔ם
(veniskeihem)
en hun plengoffers
וְכָל
(vekhal)
en al
דַּ֥ם
(dam)
het bloed van
עֹלָ֛ה
(ola)
brandoffer
וְכָל
(vekhal)
en al
דַּם
(dam)
het bloed van
זֶ֖בַח
(zevach)
slachtoffer
עָלָ֣יו
(alav)
daarop
תִּזְרֹ֑ק
(tizroq)
sprenkel
וּמִזְבַּ֧ח
(umizbach)
en het altaar
הַנְּחֹ֛שֶׁת
(hanechoshet)
het koperen
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֖י
(li)
voor mij
לְבַקֵּֽר
(levaqer)
om te raadplegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De dagelijkse offers staan in Exod. 29:38–42 en Num. 28:3–8.

Hier noemt de tekst het brandoffer ’s morgens en het graanoffer ’s avonds.

Lezing

לְבַקֵּר (levaqqer), ‘om te raadplegen’: de betekenis is onzeker.

Het werkwoord kan ‘onderzoeken’, ‘uitzoeken’ of ‘raadplegen’ betekenen (vergelijk Ps. 27:4).

Het Hebreeuws zegt niet wat Achaz hiermee wil doen.

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘en hij gebood hem’ (ויצוהו), het qere ‘en hij gebood’. De betekenis is gelijk.

16De priester Uria deed alles wat koning Achaz hem had geboden.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
אוּרִיָּ֣ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
gebood
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָֽז
(achaz)
Achaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Achaz verandert het huis van Yahweh

17Koning Achaz hakte de panelen van de onderstellen af en nam het wasbekken ervan weg. Hij haalde ook de zee van de koperen runderen die eronder stonden naar beneden en zette haar op een plaveisel van stenen.
וַיְקַצֵּץ֩
(vayqatsets)
en hakte af
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּסְגְּר֣וֹת
(hamisgerot)
de panelen
הַמְּכֹנ֗וֹת
(hamekhonot)
van de onderstellen
וַיָּ֤סַר
(vayasar)
en nam weg
מֵֽעֲלֵיהֶם֙
(mealeihem)
van hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכִּיֹּ֔ר
(hakiyor)
het wasbekken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
הוֹרִ֔ד
(horid)
haalde hij omlaag
מֵעַ֛ל
(meal)
van boven
הַבָּקָ֥ר
(habaqar)
de runderen
הַנְּחֹ֖שֶׁת
(hanechoshet)
de koperen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תַּחְתֶּ֑יהָ
(tachteiha)
onder haar
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en zette
אֹת֔וֹ
(oto)
haar
עַ֖ל
(al)
op
מַרְצֶ֥פֶת
(martsefet)
een plaveisel van
אֲבָנִֽים
(avanim)
stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De panelen van de onderstellen, het wasbekken en de zee zijn de koperen werken van Salomo (1 Kon. 7:23–39).

De zee stond op twaalf koperen runderen (1 Kon. 7:25).

Het Hebreeuws zegt niet waarom Achaz ze wegneemt.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft vóór ‘de zee’ ‘en’ en het voorwerpsteken (ואת); het qere leest alleen אֶת.

De betekenis is gelijk.

Wij vertalen de geschreven vorm met ‘ook’.

18De overdekte plaats voor de sabbat, die zij in het huis hadden gebouwd, verplaatste hij bij het huis van Yahweh. Ook de buitenste ingang van de koning verplaatste hij, vanwege de koning van Assyrië.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מוּסַ֨ךְ
(musakh)
de overdekte plaats van
הַשַּׁבָּ֜ת
(hashabat)
de sabbat
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּנ֣וּ
(banu)
zij bouwden
בַבַּ֗יִת
(babayit)
in het huis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְב֤וֹא
(mevo)
de ingang van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַֽחִיצ֔וֹנָה
(hachitsona)
de buitenste
הֵסֵ֖ב
(hesev)
verplaatste hij
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Lezing

מוּסַךְ (musakh), ‘overdekte plaats’: dit woord komt alleen hier voor.

Het geschreven woord (ketiv) heeft מיסך (meisakh).

Wij vertalen naar de stam סכך (sakakh), ‘bedekken’.

Wat het precies was, is onzeker.

הֵסֵב בֵּית יְהוָה (hesev beit Yahweh): het werkwoord betekent ‘draaien, verplaatsen’. De zin kan betekenen dat hij het uit het huis van Yahweh weghaalde, of dat hij het in het huis van Yahweh veranderde. Wij vertalen neutraal ‘verplaatste hij bij het huis van Yahweh’.

Het einde van Achaz

19De rest van de geschiedenis van Achaz en wat hij deed: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Juda?
וְיֶ֛תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
אָחָ֖ז
(achaz)
Achaz
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
deed hij
הֲלֹא
(halo)
is niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
voor de koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divrei hayyamim), letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’.

Wij vertalen ‘dagboek’: een hofkroniek van de koningen van Juda.

Het is niet het bijbelboek Kronieken.

Zie 1 Kon. 14:19.

20Achaz ging liggen bij zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag neer
אָחָז֙
(achaz)
Achaz
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֥ר
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
חִזְקִיָּ֥הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חִזְקִיָּהוּ (Chizkiyyahu), ‘Hizkia’: de naam betekent ‘Yahweh maakt sterk’.

2 Kron. 28:27 vertelt dat Achaz in Jeruzalem werd begraven, maar niet in de graven van de koningen van Israël.