Elohim Bijbel

1 Samuël 15

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul en Amalek: Yahweh verwerpt Saul als koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Samuël stuurt Saul tegen Amalek

1Samuël zei tegen Saul: „Mij heeft Yahweh gestuurd om je te zalven tot koning over Zijn volk, over Israël. Luister nu naar de stem van de woorden van Yahweh.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֹתִ֨י
(oti)
mij
שָׁלַ֤ח
(shalach)
heeft gestuurd
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִמְשָׁחֳךָ֣
(limshachokha)
om je te zalven
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
עַמּ֖וֹ
(amo)
Zijn volk
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
שְׁמַ֔ע
(shema)
luister
לְק֖וֹל
(leqol)
naar de stem van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Samuël herinnert Saul eraan dat Yahweh hem heeft gezalfd (1 Sam. 10:1).

Het woord ‘stem’ (קוֹל, qol) is hier het sleutelwoord van het hoofdstuk: luisteren naar de stem van Yahweh (15:1, 19, 20, 22, 24).

2Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Ik zal afrekenen met wat Amalek Israël heeft aangedaan. Hij stelde zich tegen hen op onderweg, toen zij uit Egypte optrokken.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
פָּקַ֕דְתִּי
(paqadti)
ik reken af
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֥ה
(asa)
deed
עֲמָלֵ֖ק
(amaleq)
Amalek
לְיִשְׂרָאֵ֑ל
(leyisrael)
aan Israël
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
שָׂ֥ם
(sam)
stelde zich op
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
onderweg
בַּעֲלֹת֖וֹ
(baaloto)
toen zij optrokken
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

פָּקַדְתִּי (paqadti), ‘Ik reken af’: letterlijk ‘Ik heb mijn aandacht gericht op’.

Het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘bezoeken’, ‘nazien’ en ook ‘straffen’.

Hier gaat het om het straffen van wat Amalek deed.

De aanval van Amalek staat in Exod. 17:8–16. Zie ook Deut. 25:17–19. Samuël citeert hier Yahweh van de legermachten. De woorden staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

3Ga nu, versla Amalek en spreek de ban uit over alles wat van hem is. Spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.’”
עַתָּה֩
(ata)
nu
לֵ֨ךְ
(lekh)
ga
וְהִכִּֽיתָ֜ה
(vehikita)
en versla
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָלֵ֗ק
(amaleq)
Amalek
וְהַֽחֲרַמְתֶּם֙
(vehacharamtem)
en spreek de ban uit over
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
ל֔וֹ
(lo)
van hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַחְמֹ֖ל
(tachmol)
spaar
עָלָ֑יו
(alav)
hem
וְהֵמַתָּ֞ה
(vehemata)
en dood
מֵאִ֣ישׁ
(meish)
man
עַד
(ad)
tot
אִשָּׁ֗ה
(isha)
vrouw
מֵֽעֹלֵל֙
(meolel)
kind
וְעַד
(vead)
en tot
יוֹנֵ֔ק
(yoneq)
zuigeling
מִשּׁ֣וֹר
(mishor)
rund
וְעַד
(vead)
en tot
שֶׂ֔ה
(se)
schaap
מִגָּמָ֖ל
(migamal)
kameel
וְעַד
(vead)
en tot
חֲמֽוֹר
(chamor)
ezel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd en niet voor eigen gebruik mag dienen.

Het woord הֶחֱרִים (hecherim) betekent ‘met de ban slaan’, zoals in Deut. 20:17.

Saul verslaat Amalek

4Saul riep het volk op en telde hen in Telaim: 200.000 man te voet, en daarbij 10.000 man uit Juda.
וַיְשַׁמַּ֤ע
(vayshama)
en riep op
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיִּפְקְדֵם֙
(vayifqedem)
en telde hen
בַּטְּלָאִ֔ים
(batelaim)
in Telaim
מָאתַ֥יִם
(matayim)
tweehonderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
רַגְלִ֑י
(ragli)
te voet
וַעֲשֶׂ֥רֶת
(vaaseret)
en tien
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Telaim of Telem lag in het zuiden van Juda, in de Negev.

De juiste plek is niet bekend.

Uitleg

וַיְשַׁמַּע (wayyeshamma), ‘riep op’: letterlijk ‘liet horen’.

Saul riep het volk bijeen met een oproep.

Lezing

בַּטְּלָאִים (battela’im): wij lezen dit als de plaatsnaam Telaim, misschien dezelfde als Telem in Joz. 15:24.

Het woord betekent ook ‘lammeren’; dan zou Saul het volk ‘bij de lammeren’ hebben geteld, naar het aantal lammeren.

De betekenis is onzeker.

5Saul kwam bij de stad van Amalek en lag op de loer in het dal.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
עַד
(ad)
tot
עִ֣יר
(ir)
de stad van
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
וַיָּ֖רֶב
(vayarev)
en lag op de loer
בַּנָּֽחַל
(banachal)
in het dal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De stad van Amalek is niet bij naam genoemd.

De Amalekieten leefden in de Negev en op de Sinaï (Num. 13:29).

De juiste plek is onzeker.

Zie ookNum 13:29
6Saul zei tegen de Kenieten: „Ga, trek weg, kom weg uit het midden van de Amalekieten. Anders vaag ik jullie met hen weg. Want jullie hebben trouw bewezen aan alle zonen van Israël, toen zij uit Egypte optrokken.” Toen trokken de Kenieten weg uit het midden van Amalek.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אֶֽל
(el)
tegen
הַקֵּינִ֡י
(haqeini)
de Keniet
לְכוּ֩
(lekhu)
ga
סֻּ֨רוּ
(suru)
trek weg
רְד֜וּ
(redu)
kom af
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
עֲמָלֵקִ֗י
(amaleqi)
de Amalekiet
פֶּן
(pen)
opdat niet
אֹֽסִפְךָ֙
(osifkha)
ik jullie wegvaag
עִמּ֔וֹ
(imo)
met hem
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
עָשִׂ֤יתָה
(asita)
hebt bewezen
חֶ֨סֶד֙
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּעֲלוֹתָ֖ם
(baalotam)
toen zij optrokken
מִמִּצְרָ֑יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיָּ֥סַר
(vayasar)
en trok weg
קֵינִ֖י
(qeini)
de Keniet
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
עֲמָלֵֽק
(amaleq)
Amalek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הַקֵּינִי (haqqeni), ‘de Keniet’: de Kenieten waren verwant aan Mozes’ schoonfamilie (Richt. 1:16).

Zij woonden tussen de Amalekieten, in de Negev.

Het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud; wij vertalen het als meervoud.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: de Kenieten hadden Israël eerder gesteund (zie Num. 10:29–32).

7Saul versloeg Amalek, van Chavila tot waar je bij Sur komt, dat tegenover Egypte ligt.
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en versloeg
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
מֵֽחֲוִילָה֙
(mechavila)
van Chavila
בּוֹאֲךָ֣
(boakha)
toen je komt
שׁ֔וּר
(shur)
Sur
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chavila is onzeker; het lag ergens in het zuiden of oosten van Kanaän.

Sur is een woestijngebied ten oosten van Egypte, aan de weg naar Egypte (Exod. 15:22; Gen. 16:7).

Dezelfde woorden ‘van Chavila tot Sur, tegenover Egypte’ staan in Gen. 25:18.

8Hij nam Agag, de koning van Amalek, levend gevangen. Heel het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard.
וַיִּתְפֹּ֛שׂ
(vayitpos)
en nam gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲגַ֥ג
(agag)
Agag
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
עֲמָלֵ֖ק
(amaleq)
Amalek
חָ֑י
(chay)
levend
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הֶחֱרִ֥ים
(hecherim)
sloeg hij met de ban
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְפִי חֶרֶב (lefi cherev), ‘met de scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘naar de mond van het zwaard’.

Wij vertalen zoals in Joz. 6:21.

9Maar Saul en het volk spaarden Agag. Ook spaarden zij het beste van de schapen, de runderen, de dieren van de tweede worp, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden hen niet met de ban slaan. Maar al het goed dat verachtelijk en waardeloos was, sloegen zij met de ban.
וַיַּחְמֹל֩
(vayachmol)
en spaarde
שָׁא֨וּל
(shaul)
Saul
וְהָעָ֜ם
(vehaam)
en het volk
עַל
(al)
over
אֲגָ֗ג
(agag)
Agag
וְעַל
(veal)
en over
מֵיטַ֣ב
(meitav)
het beste van
הַצֹּאן֩
(hatson)
de schapen
וְהַבָּקָ֨ר
(vehabaqar)
en de runderen
וְהַמִּשְׁנִ֤ים
(vehamishnim)
en de tweede worp
וְעַל
(veal)
en over
הַכָּרִים֙
(hakarim)
de lammeren
וְעַל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alles
הַטּ֔וֹב
(hatov)
wat goed was
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָב֖וּ
(avu)
wilden zij
הַחֲרִימָ֑ם
(hacharimam)
hen met de ban slaan
וְכָל
(vekhal)
en al
הַמְּלָאכָ֛ה
(hamelakha)
het goed
נְמִבְזָ֥ה
(nemivza)
verachtelijk
וְנָמֵ֖ס
(venames)
en waardeloos
אֹתָ֥הּ
(otah)
dat
הֶחֱרִֽימוּ
(hecherimu)
sloegen zij met de ban
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמִּשְׁנִים (hammishnim): ‘de tweede’ – waarschijnlijk dieren van de tweede worp of van de tweede klasse.

De betekenis is niet zeker.

הַכָּרִים (hakkarim) zijn rammen of jonge schapen.

Wij vertalen ‘lammeren’.

מְלָאכָה (melacha), ‘goed’: letterlijk ‘werk’. Hier gaat het om het bezit, de buit.

Yahweh heeft spijt dat Hij Saul koning maakte

10Het woord van Yahweh kwam tot Samuël. Hij zei:
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden van Yahweh in 15:11 staan rood.

In 15:2–3 en 15:18 citeert Samuël Yahweh.

Die woorden staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

11„Het spijt Mij dat Ik Saul koning heb gemaakt. Want hij heeft zich van Mij afgekeerd en Mijn woorden niet uitgevoerd.” Samuël werd boos en riep de hele nacht tot Yahweh.
נִחַ֗מְתִּי
(nichamti)
het spijt Mij
כִּֽי
(ki)
dat
הִמְלַ֤כְתִּי
(himlakhti)
Ik koning maakte
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
כִּֽי
(ki)
want
שָׁב֙
(shav)
hij is teruggekeerd
מֵאַֽחֲרַ֔י
(meacharay)
van achter Mij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּבָרַ֖י
(devaray)
Mijn woorden
לֹ֣א
(lo)
niet
הֵקִ֑ים
(heqim)
heeft hij uitgevoerd
וַיִּ֨חַר֙
(vayichar)
en het ontstak
לִשְׁמוּאֵ֔ל
(lishmuel)
voor Samuël
וַיִּזְעַ֥ק
(vayizaq)
en hij riep
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
heel
הַלָּֽיְלָה
(halayela)
de nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Het spijt Mij’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent ‘spijt hebben’ of ‘zich bedroeven’.

Het staat ook in 15:29 en 15:35.

Wij houden steeds hetzelfde woord.

In 15:29 staat het in de ontkenning.

שָׁב מֵאַחֲרַי (sjav me-acharay), ‘hij heeft zich van Mij afgekeerd’: letterlijk ‘hij is teruggekeerd van achter Mij’, dus: hij volgt Mij niet meer.

12Samuël stond vroeg op om Saul in de morgen te ontmoeten. Men vertelde Samuël: „Saul is naar Karmel gekomen. En zie, hij heeft voor zichzelf een gedenkteken opgericht. Daarna is hij omgedraaid, verder getrokken en afgedaald naar Gilgal.”
וַיַּשְׁכֵּ֧ם
(vayashkem)
en stond vroeg op
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
לִקְרַ֥את
(liqrat)
om te ontmoeten
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיֻּגַּ֨ד
(vayugad)
en men vertelde
לִשְׁמוּאֵ֜ל
(lishmuel)
aan Samuël
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
בָּֽא
(ba)
is gekomen
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
הַכַּרְמֶ֨לָה֙
(hakarmela)
naar Karmel
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
מַצִּ֥יב
(matsiv)
richt op
לוֹ֙
(lo)
voor zich
יָ֔ד
(yad)
een hand
וַיִּסֹּב֙
(vayisov)
en draaide om
וַֽיַּעֲבֹ֔ר
(vayaavor)
en trok verder
וַיֵּ֖רֶד
(vayered)
en daalde af
הַגִּלְגָּֽל
(hagilgal)
naar Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Karmel ligt in Juda, bij het huidige Khirbet el-Kermel, ongeveer 12 kilometer ten zuiden van Hebron (Joz. 15:55).

De berg Karmel bij de kust heeft dezelfde naam.

Gilgal ligt in het Jordaandal bij Jericho.

Uitleg

יָד (yad), ‘hand’: een gedenkteken of zuil.

Saul richtte voor zichzelf een gedenkteken op.

Samuël ontmoet Saul in Gilgal

13Samuël kwam bij Saul. Saul zei tegen hem: „Gezegend ben jij door Yahweh. Ik heb het woord van Yahweh uitgevoerd.”
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tegen hem
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
אַתָּה֙
(ata)
jij
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
door Yahweh
הֲקִימֹ֖תִי
(haqimoti)
ik heb uitgevoerd
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרוּךְ (baruch), ‘gezegend’: Saul spreekt een zegen over Samuël uit.

Hij zegt direct dat hij het woord van Yahweh heeft uitgevoerd.

14Samuël zei: „Wat is dan dit geluid van schapen in mijn oren, en het geluid van runderen dat ik hoor?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וּמֶ֛ה
(ume)
en wat
קֽוֹל
(qol)
het geluid van
הַצֹּ֥אן
(hatson)
de schapen
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
בְּאָזְנָ֑י
(beazenay)
in mijn oren
וְק֣וֹל
(veqol)
en het geluid van
הַבָּקָ֔ר
(habaqar)
de runderen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
שֹׁמֵֽעַ
(shomea)
hoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Saul zei: „Van de Amalekieten hebben zij ze gebracht. Want het volk spaarde het beste van de schapen en de runderen, om aan Yahweh, jouw Elohim, te offeren. De rest hebben wij met de ban geslagen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
מֵעֲמָלֵקִ֣י
(meamaleqi)
van de Amalekiet
הֱבִיא֗וּם
(hevium)
hebben zij ze gebracht
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
חָמַ֤ל
(chamal)
spaarde
הָעָם֙
(haam)
het volk
עַל
(al)
over
מֵיטַ֤ב
(meitav)
het beste van
הַצֹּאן֙
(hatson)
de schapen
וְהַבָּקָ֔ר
(vehabaqar)
en de runderen
לְמַ֥עַן
(lemaan)
om
זְבֹ֖חַ
(zevoach)
te offeren
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיּוֹתֵ֖ר
(hayoter)
de rest
הֶחֱרַֽמְנוּ
(hecheramnu)
hebben wij met de ban geslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Saul zegt ‘Yahweh, jouw Elohim’ (ook in 15:21 en 15:30).

Hij noemt Yahweh de Elohim van Samuël.

Het Hebreeuws zegt niet ‘mijn Elohim’.

16Samuël zei tegen Saul: „Houd op! Laat mij je vertellen wat Yahweh vannacht tegen mij heeft gesproken.” Hij zei tegen hem: „Spreek.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הֶ֚רֶף
(heref)
houd op
וְאַגִּ֣ידָה
(veagida)
en laat mij vertellen
לְּךָ֔
(lekha)
je
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֖י
(elay)
tegen mij
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
vannacht
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֖וֹ
(lo)
tegen hem
דַּבֵּֽר
(daber)
spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Samuël zei: „Ook al was je klein in je eigen ogen: ben je niet het hoofd van de stammen van Israël? Yahweh heeft je tot koning over Israël gezalfd.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
הֲל֗וֹא
(halo)
is het niet
אִם
(im)
als
קָטֹ֤ן
(qaton)
klein
אַתָּה֙
(ata)
jij
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in je ogen
רֹ֛אשׁ
(rosh)
hoofd van
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אָ֑תָּה
(ata)
jij
וַיִּמְשָׁחֲךָ֧
(vayimshachakha)
en zalfde je
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Yahweh stuurde je op weg en zei: ‘Ga, spreek de ban uit over de zondaars, over Amalek. Voer oorlog tegen hen, totdat zij zijn vernietigd.’
וַיִּשְׁלָחֲךָ֥
(vayishlachakha)
en stuurde je
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּדָ֑רֶךְ
(bedarekh)
op weg
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
וְהַחֲרַמְתָּ֞ה
(vehacharamta)
en spreek de ban uit over
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽחַטָּאִים֙
(hachataim)
de zondaars
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
וְנִלְחַמְתָּ֣
(venilchamta)
en voer oorlog
ב֔וֹ
(bo)
tegen hen
עַ֥ד
(ad)
totdat
כַּלּוֹתָ֖ם
(kalotam)
zij zijn vernietigd
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Samuël citeert wat Yahweh Saul liet zeggen.

Dat staat zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Het gaat om dezelfde opdracht als in 15:3.

19Waarom heb je dan niet geluisterd naar de stem van Yahweh? Waarom stortte je je op de buit en deed je wat kwaad is in de ogen van Yahweh?”
וְלָ֥מָּה
(velama)
en waarom
לֹא
(lo)
niet
שָׁמַ֖עְתָּ
(shamata)
luisterde je
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתַּ֨עַט֙
(vataat)
en stortte je
אֶל
(el)
op
הַשָּׁלָ֔ל
(hashalal)
de buit
וַתַּ֥עַשׂ
(vataas)
en deed je
הָרַ֖ע
(hara)
wat kwaad is
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Saul zei tegen Samuël: „Ik heb toch geluisterd naar de stem van Yahweh! Ik ben gegaan op de weg waarop Yahweh mij heeft gestuurd. Ik heb Agag, de koning van Amalek, gebracht en Amalek met de ban geslagen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
toch
שָׁמַ֨עְתִּי֙
(shamati)
heb ik geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֵלֵ֕ךְ
(vaelekh)
en ben ik gegaan
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאָבִ֗יא
(vaavi)
en bracht ik
אֶת
(et)
(obj.)
אֲגַג֙
(agag)
Agag
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמָלֵ֖ק
(amaleq)
Amalek
הֶחֱרַֽמְתִּי
(hecheramti)
heb ik met de ban geslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲשֶׁר (asjer): hier met de betekenis ‘toch’ of ‘ja’: Saul bevestigt dat hij luisterde.

21Maar het volk nam van de buit schapen en runderen, het beste van wat onder de ban viel. Zij wilden dat offeren aan Yahweh, jouw Elohim, in Gilgal.”
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
הָעָ֧ם
(haam)
het volk
מֵהַשָּׁלָ֛ל
(mehashalal)
van de buit
צֹ֥אן
(tson)
schapen
וּבָקָ֖ר
(uvaqar)
en runderen
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
het beste van
הַחֵ֑רֶם
(hacherem)
wat onder de ban viel
לִזְבֹּ֛חַ
(lizboach)
om te offeren
לַֽיהוָ֥ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
בַּגִּלְגָּֽל
(bagilgal)
in Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

„Luisteren is beter dan een slachtoffer”

22Samuël zei: „Heeft Yahweh evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers als in het luisteren naar de stem van Yahweh? Zie, luisteren is beter dan een slachtoffer, aandachtig horen beter dan het vet van rammen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
הַחֵ֤פֶץ
(hachefets)
heeft behagen
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
Yahweh
בְּעֹל֣וֹת
(beolot)
in brandoffers
וּזְבָחִ֔ים
(uzevachim)
en slachtoffers
כִּשְׁמֹ֖עַ
(kishmoa)
als in het luisteren
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
שְׁמֹ֨עַ֙
(shemoa)
luisteren
מִזֶּ֣בַח
(mizevach)
is beter dan een slachtoffer
ט֔וֹב
(tov)
goed
לְהַקְשִׁ֖יב
(lehaqshiv)
aandachtig horen
מֵחֵ֥לֶב
(mechelev)
dan het vet van
אֵילִֽים
(eilim)
rammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמֹעַ (sjemoa), ‘luisteren’, en לְהַקְשִׁיב (lehaqsjiv), ‘aandachtig horen’: gehoorzaamheid wordt hier gesteld tegenover offeren.

Zie ook Hos. 6:6.

23Want weerspannigheid is de zonde van waarzeggerij, en eigenzinnigheid is ongerechtigheid en terafim. Omdat je het woord van Yahweh hebt verworpen, heeft Hij jou verworpen als koning.”
כִּ֤י
(ki)
want
חַטַּאת
(chatat)
zonde van
קֶ֨סֶם֙
(qesem)
waarzeggerij
מֶ֔רִי
(meri)
weerspannigheid
וְאָ֥וֶן
(veaven)
en ongerechtigheid
וּתְרָפִ֖ים
(uterafim)
en terafim
הַפְצַ֑ר
(haftsar)
eigenzinnigheid
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
מָאַ֨סְתָּ֙
(maasta)
je hebt verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְאָסְךָ֖
(vayimasekha)
en heeft jou verworpen
מִמֶּֽלֶךְ
(mimelekh)
als koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: verboden in Deut. 18:10.

אָוֶן (aven), ‘ongerechtigheid’: onrecht of afgoderij.

תְּרָפִים (terafim): huisgoden (Gen. 31:19).

Saul erkent zijn zonde

24Saul zei tegen Samuël: „Ik heb gezondigd. Want ik heb het bevel van Yahweh en jouw woorden overtreden. Ik was bang voor het volk en luisterde naar hun stem.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tegen
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
חָטָ֔אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
כִּֽי
(ki)
want
עָבַ֥רְתִּי
(avarti)
ik heb overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
פִּֽי
(pi)
het bevel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּבָרֶ֑יךָ
(devareikha)
jouw woorden
כִּ֤י
(ki)
want
יָרֵ֨אתִי֙
(yareti)
ik was bang
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וָאֶשְׁמַ֖ע
(vaeshma)
en luisterde
בְּקוֹלָֽם
(beqolam)
naar hun stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘het bevel van Yahweh’: letterlijk ‘de mond van Yahweh’.

25Maar vergeef nu toch mijn zonde. Keer met mij terug, dan zal ik mij neerbuigen voor Yahweh.”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
שָׂ֥א
(sa)
vergeef
נָ֖א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
חַטָּאתִ֑י
(chatati)
mijn zonde
וְשׁ֣וּב
(veshuv)
en keer terug
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
וְאֶֽשְׁתַּחֲוֶ֖ה
(veeshtachave)
en ik zal mij neerbuigen
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂא (sa), ‘vergeef’: van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’.

‘Een zonde dragen’ betekent hier: haar wegnemen, vergeven.

Zie ookEx 10:17
26Samuël zei tegen Saul: „Ik keer niet met je terug. Want je hebt het woord van Yahweh verworpen, en Yahweh heeft jou verworpen, zodat je geen koning meer bent over Israël.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
לֹ֥א
(lo)
niet
אָשׁ֖וּב
(ashuv)
keer ik terug
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
כִּ֤י
(ki)
want
מָאַ֨סְתָּה֙
(maasta)
je hebt verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְאָסְךָ֣
(vayimasekha)
en heeft verworpen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִהְי֥וֹת
(mihyot)
dat je bent
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Samuël draaide zich om om weg te gaan. Toen greep Saul de slip van zijn mantel, en die scheurde.
וַיִּסֹּ֥ב
(vayisov)
en draaide zich om
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
לָלֶ֑כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וַיַּחֲזֵ֥ק
(vayachazeq)
en greep
בִּכְנַף
(bikhnaf)
de slip van
מְעִיל֖וֹ
(meilo)
zijn mantel
וַיִּקָּרַֽע
(vayiqara)
en die scheurde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעִיל (me’il), ‘mantel’: een lang bovenkleed, ook van Samuël (1 Sam. 2:19).

Lezing

In het Hebreeuws staat geen naam bij ‘greep’.

Wij lezen Saul als onderwerp en noemen hem erbij.

Dat past bij 15:28: de gescheurde mantel is een teken voor het koningschap van Saul.

Het kan ook zijn dat Samuël zijn eigen mantel greep.

Het Hebreeuws laat dit open.

28Samuël zei tegen hem: „Yahweh heeft het koningschap over Israël vandaag van je afgescheurd. Hij heeft het gegeven aan je naaste, die beter is dan jij.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tegen hem
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
קָרַ֨ע
(qara)
heeft gescheurd
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַמְלְכ֧וּת
(mamlekhut)
het koningschap van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מֵעָלֶ֖יךָ
(mealeikha)
van je weg
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וּנְתָנָ֕הּ
(unetanah)
en heeft het gegeven
לְרֵעֲךָ֖
(lereakha)
aan je naaste
הַטּ֥וֹב
(hatov)
die beter is
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
dan jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַמְלְכוּת (mamlechut), ‘koningschap’: een zeldzame vorm van het woord voor ‘koninkrijk’.

Zie ook 1 Sam. 13:14.

29Ook liegt de Standvastige van Israël niet en heeft Hij geen spijt. Want Hij is geen mens, dat Hij spijt zou hebben.”
וְגַם֙
(vegam)
en ook
נֵ֣צַח
(netsach)
de Standvastige van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
יְשַׁקֵּ֖ר
(yeshaqer)
liegt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִנָּחֵ֑ם
(yinachem)
heeft spijt
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
אָדָ֛ם
(adam)
mens
ה֖וּא
(hu)
Hij
לְהִנָּחֵֽם
(lehinachem)
om spijt te hebben
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵצַח (netsach), ‘de Standvastige’: het woord betekent ‘duur’, ‘blijvend’ en ook ‘overwinning’.

Het is hier een titel van Yahweh.

De betekenis is niet helemaal zeker.

נָחַם (nacham), ‘spijt hebben’: hetzelfde werkwoord als in 15:11 en 15:35. Hier staat het in de ontkenning: Hij heeft geen spijt, want Hij is geen mens.

30Hij zei: „Ik heb gezondigd. Eer mij toch voor de oudsten van mijn volk en voor Israël. Keer met mij terug, dan zal ik mij neerbuigen voor Yahweh, jouw Elohim.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
חָטָ֔אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
כַּבְּדֵ֥נִי
(kabedeni)
eer mij
נָ֛א
(na)
toch
נֶ֥גֶד
(neged)
voor
זִקְנֵֽי
(ziqnei)
de oudsten van
עַמִּ֖י
(ami)
mijn volk
וְנֶ֣גֶד
(veneged)
en voor
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְשׁ֣וּב
(veshuv)
en keer terug
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
וְהִֽשְׁתַּחֲוֵ֖יתִי
(vehishtachaveiti)
en ik zal mij neerbuigen
לַֽיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Samuël keerde terug, achter Saul aan, en Saul boog zich neer voor Yahweh.
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיִּשְׁתַּ֥חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Agag wordt gedood

32Samuël zei: „Breng Agag, de koning van Amalek, bij mij.” Agag ging onbezorgd naar hem toe. Agag zei: „Waarlijk, de bitterheid van de dood is geweken.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
הַגִּ֤ישׁוּ
(hagishu)
breng hier
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
אֶת
(et)
(obj.)
אֲגַג֙
(agag)
Agag
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
אֲגַ֖ג
(agag)
Agag
מַעֲדַנֹּ֑ת
(maadanot)
onbezorgd
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲגָ֔ג
(agag)
Agag
אָכֵ֖ן
(akhen)
waarlijk
סָ֥ר
(sar)
is geweken
מַר
(mar)
de bitterheid van
הַמָּֽוֶת
(hamavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲדַנֹּת (ma’adannot): een zeldzaam woord.

Het kan ‘onbezorgd’, ‘vrolijk’ of ‘in boeien’ betekenen.

De betekenis is niet zeker.

Wij kiezen ‘onbezorgd’.

33Samuël zei: „Zoals jouw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zo zal jouw moeder kinderloos worden onder de vrouwen.” En Samuël hakte Agag in stukken voor het aangezicht van Yahweh in Gilgal.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
שִׁכְּלָ֤ה
(shikela)
heeft kinderloos gemaakt
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
חַרְבֶּ֔ךָ
(charbekha)
jouw zwaard
כֵּן
(ken)
zo
תִּשְׁכַּ֥ל
(tishkal)
zal kinderloos worden
מִנָּשִׁ֖ים
(minashim)
onder de vrouwen
אִמֶּ֑ךָ
(imekha)
jouw moeder
וַיְשַׁסֵּ֨ף
(vayshasef)
en hakte in stukken
שְׁמוּאֵ֧ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
אֲגָ֛ג
(agag)
Agag
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּגִּלְגָּֽל
(bagilgal)
in Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שִׁסֵּף (sjissef), ‘in stukken hakken’: een woord dat alleen hier voorkomt.

Het gaat om doden door hakken.

Samuël en Saul gaan uiteen

34Samuël ging naar Rama. Saul ging op naar zijn huis, naar Gibea van Saul.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
הָרָמָ֑תָה
(haramata)
naar Rama
וְשָׁא֛וּל
(veshaul)
en Saul
עָלָ֥ה
(ala)
ging op
אֶל
(el)
naar
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
גִּבְעַ֥ת
(givat)
Gibea van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama (Ramataim-Zofim, 1 Sam. 1:1) lag in het bergland van Efraïm, ten noorden van Jeruzalem.

De juiste plek is onzeker.

Gibea van Saul is Gibea in Benjamin, waarschijnlijk Tell el-Ful.

35Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood, want Samuël rouwde om Saul. En Yahweh had spijt dat Hij Saul koning over Israël had gemaakt.
וְלֹא
(velo)
en niet
יָסַ֨ף
(yasaf)
voegde toe
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
לִרְא֤וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
עַד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag van
מוֹת֔וֹ
(moto)
zijn dood
כִּֽי
(ki)
want
הִתְאַבֵּ֥ל
(hitabel)
rouwde
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
om
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
נִחָ֔ם
(nicham)
had spijt
כִּֽי
(ki)
dat
הִמְלִ֥יךְ
(himlikh)
Hij koning maakte
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָאָה (ra’a), ‘zien’: het gaat om ontmoeten.

In 1 Sam. 19:22–24 is Saul wel in de buurt van Samuël.

Wij vertalen letterlijk.