Elohim Bijbel

Exodus 20

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De Tien Woorden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Tien Woorden

1Elohim sprak al deze woorden:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de ‘Tien Woorden’ (Deut. 4:13; 10:4).

De telling verschilt per traditie: in de joodse telling is vers 2 het eerste woord, andere tradities rekenen vers 3–6 als één woord of splitsen vers 17.

2„Ik ben Yahweh, je Elohim, die jou uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heb geleid.
אָֽנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
הוֹצֵאתִ֛יךָ
(hotsetikha)
heb uitgeleid jou
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
עֲבָדִֽים
(avadim)
slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het eerste woord begint met wie Yahweh is en wat Hij gedaan heeft, vóór er geboden volgen.

Dit gedeelte staat ook in Deut. 5:6–21, met enkele verschillen.

3Je zult geen andere goden hebben voor Mijn aangezicht.
לֹֽ֣א
(lo)
niet
יִהְיֶֽה
(yihye)
zullen zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֖ים
(acherim)
andere
עַל
(al)
voor
פָּנָֽיַ
(panaya)
Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל־פָּנָי (al-panai) is letterlijk ‘over Mijn aangezicht’, dus ‘naast Mij’ of ‘in Mijn tegenwoordigheid’.

4Je zult geen gesneden beeld voor jezelf maken, en geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel is, of op de aarde beneden, of in het water onder de aarde.
לֹֽ֣א
(lo)
niet
תַֽעֲשֶׂ֨ה
(taase)
zul je maken
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
פֶ֨סֶל֙
(pesel)
gesneden beeld
וְכָל
(vekhal)
en elke
תְּמוּנָ֔ה
(temuna)
afbeelding
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
van wat
בַּשָּׁמַ֨יִם֙
(bashamayim)
in de hemel
מִמַּ֔עַל
(mimaal)
boven
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en van wat
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
op de aarde
מִתָּ֑חַת
(mitachat)
beneden
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en van wat
בַּמַּ֖יִם
(bamayim)
in het water
מִתַּ֥חַת
(mitachat)
onder
לָאָֽרֶץ
(laarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Je zult je niet voor hen neerbuigen en hen niet dienen. Want Ik, Yahweh, je Elohim, ben een na-ijverige El, die de schuld van de vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en het vierde geslacht van hen die Mij haten,
לֹֽא
(lo)
niet
תִשְׁתַּחֲוֶ֥ה
(tishtachave)
zul je buigen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָעָבְדֵ֑ם
(taavedem)
dien hen
כִּ֣י
(ki)
want
אָֽנֹכִ֞י
(anokhi)
Ik
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
אֵ֣ל
(el)
El
קַנָּ֔א
(qana)
na-ijverig
פֹּ֠קֵד
(poqed)
bezoekend
עֲוֺ֨ן
(avon)
schuld van
אָבֹ֧ת
(avot)
vaderen
עַל
(al)
over
בָּנִ֛ים
(banim)
kinderen
עַל
(al)
over
שִׁלֵּשִׁ֥ים
(shileshim)
derden
וְעַל
(veal)
en over
רִבֵּעִ֖ים
(ribeim)
vierden
לְשֹׂנְאָֽי
(lesoneay)
die Mij haten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַנָּא (qanna), ‘na-ijverig’, wil zeggen dat Yahweh geen deling van trouw duldt.

De ‘derde en vierde generatie’ zijn de nakomelingen die in één huishouden leefden.

6maar die trouw bewijst aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden houden.
וְעֹ֥שֶׂה
(veose)
en bewijzend
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
לַאֲלָפִ֑ים
(laalafim)
aan duizenden
לְאֹהֲבַ֖י
(leohavay)
aan wie Mij liefhebben
וּלְשֹׁמְרֵ֥י
(uleshomerei)
en aan wie houden
מִצְוֺתָֽי
(mitsvotay)
Mijn geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, is trouwe, verbondsmatige liefde.

7Je zult de naam van Yahweh, je Elohim, niet ijdel gebruiken, want Yahweh laat niet ongestraft wie Zijn naam ijdel gebruikt.
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשָּׂ֛א
(tisa)
zul je dragen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לַשָּׁ֑וְא
(lashave)
tot ijdelheid
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יְנַקֶּה֙
(yenaqe)
laat ongestraft
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wie
יִשָּׂ֥א
(yisa)
draagt
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
Zijn naam
לַשָּֽׁוְא
(lashave)
tot ijdelheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַשָּׁוְא (lashaw’) betekent ‘tot ijdelheid’: voor een leeg, nutteloos of vals doel.

8Gedenk de sabbatdag, om die te heiligen.
זָכ֛וֹר
(zakhor)
gedenk
אֶת
(et)
(obj.)
י֥וֹם
(yom)
dag van
הַשַּׁבָּ֖ת
(hashabat)
de sabbat
לְקַדְּשֽׁוֹ
(leqadesho)
om hem te heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zes dagen mag je werken en al je werk doen,
שֵׁ֤שֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִים֙
(yamim)
dagen
תַּֽעֲבֹ֔ד
(taavod)
zul je werken
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en doen
כָּל
(kal)
al
מְלַאכְתֶּֽךָ
(melakhtekha)
je werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10maar de zevende dag is een sabbat voor Yahweh, je Elohim. Dan mag je geen enkel werk doen, jij niet, je zoon niet, je dochter niet, je dienaar niet, je dienares niet, je vee niet en de vreemdeling die binnen je poorten is niet.
וְי֨וֹם֙
(veyom)
en dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
שַׁבָּ֖ת
(shabat)
sabbat
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לֹֽ֣א
(lo)
niet
תַעֲשֶׂ֨ה
(taase)
zul je doen
כָל
(kal)
enig
מְלָאכָ֜ה
(melakha)
werk
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וּבִנְךָֽ֣
(uvinkha)
en je zoon
וּבִתֶּ֗ךָ
(uvitekha)
en je dochter
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
je dienaar
וַאֲמָֽתְךָ֙
(vaamatekha)
en je dienares
וּבְהֶמְתֶּ֔ךָ
(uvehemtekha)
en je vee
וְגֵרְךָ֖
(vegerekha)
en je vreemdeling
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶֽיךָ
(bishareikha)
binnen je poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Want in zes dagen heeft Yahweh de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat erin is. En op de zevende dag heeft Hij gerust. Daarom heeft Yahweh de sabbatdag gezegend en geheiligd.
כִּ֣י
(ki)
want
שֵֽׁשֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִים֩
(yamim)
dagen
עָשָׂ֨ה
(asa)
maakte
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּ֔ם
(bam)
daarin
וַיָּ֖נַח
(vayanach)
en rustte
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֑י
(hashevii)
de zevende
עַל
(al)
op grond
כֵּ֗ן
(ken)
hiervan
בֵּרַ֧ךְ
(berakh)
zegende
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
י֥וֹם
(yom)
dag van
הַשַּׁבָּ֖ת
(hashabat)
de sabbat
וַֽיְקַדְּשֵֽׁהוּ
(vayqadeshehu)
en heiligde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De sabbat wordt hier gegrond in de schepping; vergelijk Gen. 2:2–3.

12Eer je vader en je moeder, opdat je lang leeft in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft.
כַּבֵּ֥ד
(kabed)
eer
אֶת
(et)
(obj.)
אָבִ֖יךָ
(avikha)
je vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִמֶּ֑ךָ
(imekha)
je moeder
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
יַאֲרִכ֣וּן
(yaarikhun)
lang worden
יָמֶ֔יךָ
(yameikha)
je dagen
עַ֚ל
(al)
op
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֲדָמָה (ha’adamah) is ‘de grond’; hier is het beloofde land bedoeld.

Zie ook Ef. 6:2–3.

13Je zult niet moorden.
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּרְצָֽח
(tirtsach)
zul je moorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָצַח (ratsach) betekent ‘moorden’, het onrechtmatig doden van een mens; het is een ander woord dan voor oorlog of rechtspraak.

14Je zult geen overspel plegen.
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּנְאָֽף
(tinaf)
zul je overspel plegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Je zult niet stelen.
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּגְנֹֽב
(tignov)
zul je stelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Je zult tegen je naaste geen valse getuigenis afleggen.
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲנֶ֥ה
(taane)
zul je getuigen
בְרֵעֲךָ֖
(bereakha)
tegen je naaste
עֵ֥ד
(ed)
als getuige
שָֽׁקֶר
(shaqer)
vals
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Je zult het huis van je naaste niet begeren. Je zult de vrouw van je naaste niet begeren, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets wat van je naaste is.”
לֹ֥א
(lo)
niet
תַחְמֹ֖ד
(tachmod)
zul je begeren
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
רֵעֶ֑ךָ
(reekha)
je naaste
לֹֽא
(lo)
niet
תַחְמֹ֞ד
(tachmod)
zul je begeren
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
רֵעֶ֗ךָ
(reekha)
je naaste
וְעַבְדּ֤וֹ
(veavdo)
en zijn dienaar
וַאֲמָתוֹ֙
(vaamato)
en zijn dienares
וְשׁוֹר֣וֹ
(veshoro)
en zijn os
וַחֲמֹר֔וֹ
(vachamoro)
en zijn ezel
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לְרֵעֶֽךָ
(lereekha)
van je naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De angst van het volk

18Heel het volk zag de donderslagen en de fakkels, het hoorngeluid en de rokende berg. Toen het volk dat zag, beefde het en bleef op een afstand staan.
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֩
(haam)
het volk
רֹאִ֨ים
(roim)
ziende
אֶת
(et)
(obj.)
הַקּוֹלֹ֜ת
(haqolot)
de donderslagen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַלַּפִּידִ֗ם
(halapidim)
de fakkels
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
הַשֹּׁפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
עָשֵׁ֑ן
(ashen)
rokend
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en zag
הָעָם֙
(haam)
het volk
וַיָּנֻ֔עוּ
(vayanuu)
en beefden
וַיַּֽעַמְד֖וּ
(vayaamdu)
en stonden
מֵֽרָחֹֽק
(merachoq)
op afstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקּוֹלֹת (haqolot), ‘de stemmen’, is hier ‘de donderslagen’ (vergelijk 19:16).

Zie ook Deut. 5:22–27; Hebr. 12:18–21.

19Zij zeiden tot Mozes: „Spreek jij met ons, dan zullen wij luisteren; maar laat Elohim niet met ons spreken, anders sterven wij.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
דַּבֵּר
(daber)
spreek
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
עִמָּ֖נוּ
(imanu)
met ons
וְנִשְׁמָ֑עָה
(venishmaa)
en wij zullen horen
וְאַל
(veal)
en niet
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
laat spreken
עִמָּ֛נוּ
(imanu)
met ons
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
פֶּן
(pen)
opdat niet
נָמֽוּת
(namut)
wij sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Mozes zei tot het volk: „Wees niet bang. Want Elohim is gekomen om jullie op de proef te stellen, en opdat de vrees voor Hem jullie voor ogen staat, zodat jullie niet zondigen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעָם֮
(haam)
het volk
אַל
(al)
niet
תִּירָאוּ֒
(tirau)
vrees
כִּ֗י
(ki)
want
לְבַֽעֲבוּר֙
(levaavur)
om
נַסּ֣וֹת
(nasot)
op de proef te stellen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
בָּ֖א
(ba)
is gekomen
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וּבַעֲב֗וּר
(uvaavur)
en opdat
תִּהְיֶ֧ה
(tihye)
zal zijn
יִרְאָת֛וֹ
(yirato)
Zijn vrees
עַל
(al)
op
פְּנֵיכֶ֖ם
(peneikhem)
jullie gezicht
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
תֶחֱטָֽאוּ
(techetau)
jullie zondigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Het volk bleef op een afstand staan, maar Mozes naderde de donkere wolk waar Elohim was.
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stond
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מֵרָחֹ֑ק
(merachoq)
op afstand
וּמֹשֶׁה֙
(umoshe)
en Mozes
נִגַּ֣שׁ
(nigash)
naderde
אֶל
(el)
tot
הָֽעֲרָפֶ֔ל
(haarafel)
de donkere wolk
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעֲרָפֶל (ha’arafel) is de donkere wolk waarin Yahweh Zich verbergt (vergelijk Deut. 4:11; 5:22).

Regels voor het altaar

22Yahweh zei tot Mozes: „Zo moet je tot de zonen van Israël zeggen: ‘Jullie hebben zelf gezien dat Ik vanuit de hemel met jullie heb gesproken.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמַ֖ר
(tomar)
zul je zeggen
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
רְאִיתֶ֔ם
(reitem)
hebben gezien
כִּ֚י
(ki)
dat
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik sprak
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Jullie zullen naast Mij geen goden van zilver maken, en goden van goud zullen jullie niet voor jullie maken.
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֖וּן
(taasun)
zullen jullie maken
אִתִּ֑י
(iti)
bij Mij
אֱלֹ֤הֵי
(elohei)
goden van
כֶ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
וֵאלֹהֵ֣י
(velohei)
en goden van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
לֹ֥א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֖וּ
(taasu)
zullen jullie maken
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Een altaar van aarde moet je voor Mij maken, en daarop zul je je brandoffers en je vredeoffers slachten, je kleinvee en je runderen. Op elke plaats waar Ik Mijn naam laat gedenken, kom Ik tot je en zegen Ik je.
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
altaar van
אֲדָמָה֮
(adama)
aarde
תַּעֲשֶׂה
(taase)
zul je maken
לִּי֒
(li)
voor Mij
וְזָבַחְתָּ֣
(vezavachta)
en slacht
עָלָ֗יו
(alav)
daarop
אֶת
(et)
(obj.)
עֹלֹתֶ֨יךָ֙
(oloteikha)
je brandoffers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלָמֶ֔יךָ
(shelameikha)
je vredeoffers
אֶת
(et)
(obj.)
צֹֽאנְךָ֖
(tsonkha)
je kleinvee
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּקָרֶ֑ךָ
(beqarekha)
je runderen
בְּכָל
(bekhal)
op elke
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
אַזְכִּ֣יר
(azkir)
Ik laat gedenken
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֔י
(shemi)
Mijn naam
אָב֥וֹא
(avo)
zal Ik komen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot jou
וּבֵרַכְתִּֽיךָ
(uverakhtikha)
en zal je zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het altaar is eenvoudig van aarde.

Yahweh belooft Zijn aanwezigheid op elke plek waar Hij Zijn naam laat gedenken.

25Als je voor Mij een altaar van stenen maakt, bouw het dan niet van behouwen steen. Want als je er je gereedschap over zwaait, ontwijd je het.
וְאִם
(veim)
en als
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
altaar van
אֲבָנִים֙
(avanim)
stenen
תַּֽעֲשֶׂה
(taase)
zul je maken
לִּ֔י
(li)
voor Mij
לֹֽא
(lo)
niet
תִבְנֶ֥ה
(tivne)
zul je bouwen
אֶתְהֶ֖ן
(ethen)
ze
גָּזִ֑ית
(gazit)
behouwen
כִּ֧י
(ki)
want
חַרְבְּךָ֛
(charbekha)
je gereedschap
הֵנַ֥פְתָּ
(henafta)
heb je geheven
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erover
וַתְּחַֽלְלֶֽהָ
(vatechalleha)
en ontwijd je het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְבְּךָ (charbecha) is letterlijk ‘je zwaard’; hier is gereedschap van metaal bedoeld.

26Je zult ook niet langs treden naar Mijn altaar opgaan, zodat je naaktheid er niet op wordt ontbloot.’”
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַעֲלֶ֥ה
(taale)
zul je opgaan
בְמַעֲלֹ֖ת
(bemaalot)
langs treden
עַֽל
(al)
op
מִזְבְּחִ֑י
(mizbechi)
Mijn altaar
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
opdat
לֹֽא
(lo)
niet
תִגָּלֶ֥ה
(tigale)
wordt ontbloot
עֶרְוָתְךָ֖
(ervatekha)
je naaktheid
עָלָֽיו
(alav)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Treden zijn trappen; bij een trap zou de naaktheid van wie opgaat zichtbaar kunnen worden.

Zie ook 28:42–43.