Elohim Bijbel

Sefanja 3

123

Wee de opstandige stad; Yahweh in haar midden en de overgeblevenen die Hij verzamelt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee de opstandige stad

1Wee de opstandige en bezoedelde, de onderdrukkende stad!
ה֥וֹי
(hoy)
wee
מֹרְאָ֖ה
(morea)
de opstandige
וְנִגְאָלָ֑ה
(venigala)
en bezoedelde
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
הַיּוֹנָֽה
(hayona)
de onderdrukkende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֹרְאָה (mor’ah), ‘de opstandige’: van het werkwoord marah, ‘in opstand komen’.

נִגְאָלָה (nig’alah), ‘bezoedelde’: dit hoort bij een ander werkwoord ga’al, ‘bezoedelen’, en niet bij ga’al ‘verlossen’. Het is dus het tegenovergestelde van verlost.

הַיּוֹנָה (hayonah), ‘de onderdrukkende’: van het werkwoord yanah, ‘onderdrukken’. Hetzelfde woord kan ook ‘duif’ zijn; wij lezen hier ‘de onderdrukkende’. Welke stad bedoeld wordt, staat er niet; uit vers 14–16 blijkt dat het Jeruzalem is.

2Zij heeft niet geluisterd naar een stem. Zij heeft geen tucht aangenomen. Op Yahweh heeft zij niet vertrouwd. Tot haar Elohim is zij niet genaderd.
לֹ֤א
(lo)
niet
שָֽׁמְעָה֙
(shamea)
heeft zij geluisterd
בְּק֔וֹל
(beqol)
naar een stem
לֹ֥א
(lo)
niet
לָקְחָ֖ה
(laqecha)
heeft zij aangenomen
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
op Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
בָטָ֔חָה
(batacha)
heeft zij vertrouwd
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהֶ֖יהָ
(eloheiha)
haar Elohim
לֹ֥א
(lo)
niet
קָרֵֽבָה
(qareva)
is zij genaderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderwijs en terechtwijzing.

Zie ook Spr. 1:2.

3Haar oversten in haar midden zijn brullende leeuwen. Haar rechters zijn avondwolven; zij laten voor de morgen niets over om aan te knagen.
שָׂרֶ֣יהָ
(sareiha)
haar oversten
בְקִרְבָּ֔הּ
(beqirbah)
in haar midden
אֲרָי֖וֹת
(arayot)
leeuwen
שֹֽׁאֲגִ֑ים
(shoagim)
brullende
שֹׁפְטֶ֨יהָ֙
(shofeteiha)
haar rechters
זְאֵ֣בֵי
(zeevei)
wolven van
עֶ֔רֶב
(erev)
de avond
לֹ֥א
(lo)
niet
גָרְמ֖וּ
(garemu)
zij knagen
לַבֹּֽקֶר
(laboqer)
tot de morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרֶיהָ (sareiha), ‘haar oversten’ en שֹׁפְטֶיהָ (shoftehah), ‘haar rechters’: de leiders en de rechters van de stad.

לֹא גָרְמוּ לַבֹּקֶר (lo garmu laboqer), ‘zij laten voor de morgen niets over om aan te knagen’: letterlijk ‘zij knagen niet tot de morgen’. Het werkwoord garam betekent ‘de botten afknagen’. De wolven eten alles op, zodat er ’s morgens niets over is.

4Haar profeten zijn roekeloos, mannen van trouweloosheid. Haar priesters ontheiligen het heilige en doen geweld aan de wet.
נְבִיאֶ֨יהָ֙
(nevieiha)
haar profeten
פֹּֽחֲזִ֔ים
(pochazim)
roekeloos
אַנְשֵׁ֖י
(anshei)
mannen van
בֹּֽגְד֑וֹת
(bogedot)
trouweloosheid
כֹּהֲנֶ֨יהָ֙
(kohaneiha)
haar priesters
חִלְּלוּ
(chilelu)
hebben ontheiligd
קֹ֔דֶשׁ
(qodesh)
het heilige
חָמְס֖וּ
(chamesu)
hebben geweld aangedaan
תּוֹרָֽה
(tora)
de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֹּחֲזִים (pochazim), ‘roekeloos’: het woord komt zelden voor en betekent iets als ‘lichtzinnig’ of ‘onbezonnen’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

בֹּגְדוֹת (bogedot), ‘trouweloosheid’: ontrouw en verraad.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs en richtlijn. De priesters hadden de taak de wet te onderwijzen.

חָמְסוּ תוֹרָה (chamsu torah), ‘zij doen geweld aan de wet’: zij verdraaien haar. Het werkwoord hangt samen met חָמָס (chamas), ‘geweld’ (1:9).

Yahweh is rechtvaardig in haar midden

5Yahweh is rechtvaardig in haar midden. Hij doet geen onrecht. Morgen na morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht; het ontbreekt niet. Maar de onrechtvaardige kent geen schaamte.
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צַדִּיק֙
(tsadiq)
rechtvaardig
בְּקִרְבָּ֔הּ
(beqirbah)
in haar midden
לֹ֥א
(lo)
niet
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
doet
עַוְלָ֑ה
(avla)
onrecht
בַּבֹּ֨קֶר
(baboqer)
morgen na
בַּבֹּ֜קֶר
(baboqer)
morgen
מִשְׁפָּט֨וֹ
(mishpato)
Zijn recht
יִתֵּ֤ן
(yiten)
geeft Hij
לָאוֹר֙
(laor)
aan het licht
לֹ֣א
(lo)
niet
נֶעְדָּ֔ר
(nedar)
ontbreekt het
וְלֹֽא
(velo)
maar niet
יוֹדֵ֥עַ
(yodea)
kent
עַוָּ֖ל
(aval)
de onrechtvaardige
בֹּֽשֶׁת
(boshet)
schaamte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּבֹּקֶר בַּבֹּקֶר (baboqer baboqer), ‘morgen na morgen’: elke morgen opnieuw.

עַוָּל (avval), ‘de onrechtvaardige’: de man die onrecht doet. Het is verwant aan עַוְלָה (avlah), ‘onrecht’, eerder in dit vers.

Ik heb volken uitgeroeid

6„Ik heb volken uitgeroeid; hun hoektorens liggen woest. Ik heb hun straten verwoest, zodat niemand er langs gaat. Hun steden zijn leeggemaakt, zonder iemand, zonder bewoner.
הִכְרַ֣תִּי
(hikhrati)
Ik heb uitgeroeid
גוֹיִ֗ם
(goyim)
volken
נָשַׁ֨מּוּ֙
(nashamu)
liggen woest
פִּנּוֹתָ֔ם
(pinotam)
hun hoektorens
הֶחֱרַ֥בְתִּי
(hecheravti)
Ik heb verwoest
חֽוּצוֹתָ֖ם
(chutsotam)
hun straten
מִבְּלִ֣י
(mibeli)
zodat zonder
עוֹבֵ֑ר
(over)
voorbijganger
נִצְדּ֧וּ
(nitsdu)
zijn leeggemaakt
עָרֵיהֶ֛ם
(areihem)
hun steden
מִבְּלִי
(mibeli)
zonder
אִ֖ישׁ
(ish)
mens
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
יוֹשֵֽׁב
(yoshev)
bewoner
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּנּוֹתָם (pinnotam), ‘hun hoektorens’: zoals in 1:16.

נִצְדּוּ (nitsdu), ‘zijn leeggemaakt’: het werkwoord is zeldzaam. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘zijn verwoest’ betekenen.

7Ik zei: ‘Voorzeker zul je Mij vrezen en tucht aannemen. Haar woonplaats wordt niet uitgeroeid, naar alles wat Ik over haar heb bepaald.’ Maar zij stonden vroeg op en maakten al hun daden verdorven.
אָמַ֜רְתִּי
(amarti)
Ik zei
אַךְ
(akh)
voorzeker
תִּירְאִ֤י
(tirei)
zul je vrezen
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
תִּקְחִ֣י
(tiqchi)
zul je aannemen
מוּסָ֔ר
(musar)
tucht
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִכָּרֵ֣ת
(yikaret)
zal worden uitgeroeid
מְעוֹנָ֔הּ
(meonah)
haar woonplaats
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
פָּקַ֖דְתִּי
(paqadti)
Ik heb bepaald
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
over haar
אָכֵן֙
(akhen)
maar
הִשְׁכִּ֣ימוּ
(hishkimu)
zij stonden vroeg op
הִשְׁחִ֔יתוּ
(hishchitu)
zij maakten verdorven
כֹּ֖ל
(kol)
al
עֲלִילוֹתָֽם
(alilotam)
hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws wisselt tussen ‘je’ (de stad wordt direct aangesproken) en ‘haar’ (er wordt over haar gesproken).

Wij laten dat zo.

פָּקַדְתִּי עָלֶיהָ (paqadti aleiha), ‘Ik heb over haar bepaald’: het werkwoord paqad al kan ‘straffen’ betekenen (zoals in 1:8) en ook ‘aanstellen’ of ‘opleggen’. De zin is moeilijk. Wij vertalen ‘bepaald’.

הִשְׁכִּימוּ (hishkimu), ‘zij stonden vroeg op’: een beeld voor ijver. Hier zetten zij zich met zorg in voor verdorven daden.

Wacht op Mij

8Wacht daarom op Mij, godsspraak van Yahweh, tot de dag dat Ik opsta voor de prooi. Want Mijn recht is de volken te verzamelen en de koninkrijken bijeen te brengen. Mijn verontwaardiging stort Ik over hen uit, heel de gloed van Mijn toorn. Want in het vuur van Mijn ijver wordt heel de aarde verteerd.
לָכֵ֤ן
(lakhen)
daarom
חַכּוּ
(chaku)
wacht
לִי֙
(li)
op Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְי֖וֹם
(leyom)
tot de dag
קוּמִ֣י
(qumi)
dat Ik opsta
לְעַ֑ד
(lead)
voor de prooi
כִּ֣י
(ki)
want
מִשְׁפָּטִי֩
(mishpati)
Mijn recht
לֶאֱסֹ֨ף
(leesof)
is om te verzamelen
גּוֹיִ֜ם
(goyim)
volken
לְקָבְצִ֣י
(leqavetsi)
om bijeen te brengen
מַמְלָכ֗וֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
לִשְׁפֹּ֨ךְ
(lishpokh)
om uit te storten
עֲלֵיהֶ֤ם
(aleihem)
over hen
זַעְמִי֙
(zami)
Mijn verontwaardiging
כֹּ֚ל
(kol)
heel
חֲר֣וֹן
(charon)
de gloed van
אַפִּ֔י
(api)
Mijn toorn
כִּ֚י
(ki)
want
בְּאֵ֣שׁ
(beesh)
in het vuur van
קִנְאָתִ֔י
(qinati)
Mijn ijver
תֵּאָכֵ֖ל
(teakhel)
wordt verteerd
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het slot van dit vers lijkt op het slot van 1:18: ‘in het vuur van Mijn ijver wordt heel de aarde verteerd’.

מִשְׁפָּטִי (mishpati), ‘Mijn recht’: de uitspraak waarmee Yahweh de volken oordeelt.

Lezing

לְעַד (le’ad): de klinkers geven עַד (ad), ‘prooi’ (zoals in Gen. 49:27).

Dezelfde medeklinkers kunnen ook gelezen worden als לְעֵד (le’ed), ‘als getuige’.

Sommige oude vertalingen lezen anders dan de Hebreeuwse klinkers.

Wij volgen de klinkers: ‘voor de prooi’.

Een zuivere taal voor de volken

9Want dan geef Ik de volken een zuivere taal, zodat zij allen de naam van Yahweh aanroepen en Hem dienen met één schouder.
כִּֽי
(ki)
want
אָ֛ז
(az)
dan
אֶהְפֹּ֥ךְ
(ehpokh)
zal Ik geven
אֶל
(el)
aan
עַמִּ֖ים
(amim)
de volken
שָׂפָ֣ה
(safa)
een lip
בְרוּרָ֑ה
(berura)
zuivere
לִקְרֹ֤א
(liqro)
om aan te roepen
כֻלָּם֙
(kulam)
allen
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעָבְד֖וֹ
(leavedo)
om Hem te dienen
שְׁכֶ֥ם
(shekhem)
met een schouder
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂפָה בְרוּרָה (safah berurah), ‘een zuivere taal’: שָׂפָה (safah) betekent ‘lip’ en ‘taal’.

Vergelijk Gen. 11:1, waar de mensen ‘één taal’ (שָׂפָה אֶחָת, safah echat) hebben.

Het werkwoord הָפַךְ (hafakh) betekent ‘omkeren’ en ‘veranderen’; wij vertalen ‘geven’.

שְׁכֶם אֶחָד (shekhem echad), ‘met één schouder’: letterlijk. Het beeld is: allen dragen samen dezelfde last, dus eendrachtig.

10Van over de rivieren van Kush zullen Mijn aanbidders, de dochter van Mijn verstrooiden, Mijn graanoffer brengen.
מֵעֵ֖בֶר
(meever)
van over
לְנַֽהֲרֵי
(lenaharei)
de rivieren van
כ֑וּשׁ
(kush)
Kush
עֲתָרַי֙
(ataray)
Mijn aanbidders
בַּת
(bat)
de dochter van
פוּצַ֔י
(putsay)
Mijn verstrooiden
יוֹבִל֖וּן
(yovilun)
zullen brengen
מִנְחָתִֽי
(minchati)
Mijn graanoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Uitleg

עֲתָרַי (atarai), ‘Mijn aanbidders’: het woord hangt samen met een werkwoord dat ‘smeken’ en ‘bidden’ betekent.

De betekenis is niet helemaal zeker.

בַּת פּוּצַי (bat putsai), ‘de dochter van Mijn verstrooiden’: de verstrooide mensen van Yahweh, als één geheel genoemd. Het kan ook gaan om ‘Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden’.

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: ook een gave in het algemeen.

כּוּשׁ (Kush): een land ver in het zuiden, ten zuiden van Egypte. Zie ook 2:12.

11Op die dag zul je je niet schamen voor al je daden waarmee je tegen Mij in opstand kwam. Want dan verwijder Ik uit je midden je trotse jubelaars. Je zult niet meer hoogmoedig zijn op Mijn heilige berg.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
לֹ֤א
(lo)
niet
תֵב֨וֹשִׁי֙
(tevoshi)
zul je je schamen
מִכֹּ֣ל
(mikol)
vanwege alle
עֲלִילֹתַ֔יִךְ
(alilotayikh)
je daden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
פָּשַׁ֖עַתְּ
(pashaat)
je in opstand kwam
בִּ֑י
(bi)
tegen Mij
כִּי
(ki)
want
אָ֣ז
(az)
dan
אָסִ֣יר
(asir)
zal Ik verwijderen
מִקִּרְבֵּ֗ךְ
(miqirbekh)
uit je midden
עַלִּיזֵי֙
(alizei)
de jubelaars van
גַּאֲוָתֵ֔ךְ
(gaavatekh)
je trots
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תוֹסִ֧פִי
(tosifi)
zul je opnieuw
לְגָבְהָ֛ה
(legaveha)
hoogmoedig zijn
ע֖וֹד
(od)
meer
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg van
קָדְשִֽׁי
(qadeshi)
Mijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: Sion, waar Yahweh woont (Joël 2:1).

עַלִּיזֵי גַּאֲוָתֵךְ (alizei ga’avatekh), ‘je trotse jubelaars’: letterlijk ‘de jubelaars van je trots’; mensen die zich in hun trots verheugen.

12Ik zal in je midden een ellendig en gering volk laten overblijven. Zij zullen hun toevlucht zoeken in de naam van Yahweh.
וְהִשְׁאַרְתִּ֣י
(vehisharti)
en Ik zal laten overblijven
בְקִרְבֵּ֔ךְ
(beqirbekh)
in je midden
עַ֥ם
(am)
een volk
עָנִ֖י
(ani)
ellendig
וָדָ֑ל
(vadal)
en gering
וְחָס֖וּ
(vechasu)
en zij zullen toevlucht zoeken
בְּשֵׁ֥ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָנִי וָדָל (ani vadal), ‘ellendig en gering’: mensen die arm en weinig invloedrijk zijn.

וְחָסוּ (vechasu), ‘en zij zullen toevlucht zoeken’: schuilen in de naam van Yahweh, zoals je schuilt bij een beschermer.

13De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen en geen leugen spreken. In hun mond wordt geen tong van bedrog gevonden. Want zij zullen weiden en neerliggen, en niemand zal hen schrik aanjagen.”
שְׁאֵרִ֨ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
יַעֲשׂ֤וּ
(yaasu)
zullen doen
עַוְלָה֙
(avla)
onrecht
וְלֹא
(velo)
en niet
יְדַבְּר֣וּ
(yedaberu)
zullen spreken
כָזָ֔ב
(kazav)
leugen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִמָּצֵ֥א
(yimatse)
zal worden gevonden
בְּפִיהֶ֖ם
(befihem)
in hun mond
לְשׁ֣וֹן
(leshon)
een tong van
תַּרְמִ֑ית
(tarmit)
bedrog
כִּֽי
(ki)
want
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
יִרְע֥וּ
(yiru)
zullen weiden
וְרָבְצ֖וּ
(veravetsu)
en neerliggen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִֽיד
(macharid)
die schrik aanjaagt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De toespraak van Yahweh gaat hier door.

Het vers beschrijft de overgeblevenen in de derde persoon, zoals ook in vers 12 gebeurt (‘de naam van Yahweh’).

לְשׁוֹן תַּרְמִית (leshon tarmit), ‘een tong van bedrog’: een tong die bedriegt.

Jubel, Dochter Sion

14Jubel, Dochter Sion! Juich luid, Israël! Wees blij en verheug je met heel je hart, Dochter Jeruzalem.
רָנִּי֙
(rani)
jubel
בַּת
(bat)
dochter van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
הָרִ֖יעוּ
(hariu)
juich luid
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
שִׂמְחִ֤י
(simchi)
wees blij
וְעָלְזִי֙
(vealezi)
en verheug je
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לֵ֔ב
(lev)
het hart
בַּ֖ת
(bat)
dochter van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: een beeld voor Jeruzalem en haar inwoners.

Zo ook ‘Dochter Jeruzalem’.

רָנִּי (ronni), ‘jubel’ en הָרִיעוּ (hari’u), ‘juich luid’: kreten van vreugde, zoals bij een koning die de stad binnentrekt.

15Yahweh heeft de vonnissen over jou weggenomen. Hij heeft je vijand verwijderd. De koning van Israël, Yahweh, is in je midden. Je zult geen kwaad meer vrezen.
הֵסִ֤יר
(hesir)
heeft weggenomen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁפָּטַ֔יִךְ
(mishpatayikh)
de vonnissen over jou
פִּנָּ֖ה
(pina)
heeft verwijderd
אֹֽיְבֵ֑ךְ
(oyevekh)
je vijand
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּקִרְבֵּ֔ךְ
(beqirbekh)
in je midden
לֹא
(lo)
niet
תִֽירְאִ֥י
(tirei)
zul je vrezen
רָ֖ע
(ra)
kwaad
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּטַיִךְ (mishpatayikh), ‘de vonnissen over jou’: het woord mishpat, ‘recht’, betekent hier de uitspraken die tegen de stad waren gedaan.

פִּנָּה (pinnah), ‘Hij heeft verwijderd’: het werkwoord betekent letterlijk ‘opruimen’.

מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh Yisra’el), ‘de koning van Israël’: Yahweh is hier de koning.

16Op die dag zal tegen Jeruzalem worden gezegd: „Wees niet bang, Sion! Laat je handen niet verslappen.”
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יֵאָמֵ֥ר
(yeamer)
zal worden gezegd
לִירֽוּשָׁלִַ֖ם
(lirushaliam)
tegen Jeruzalem
אַל
(al)
niet
תִּירָ֑אִי
(tirai)
wees bang
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
אַל
(al)
niet
יִרְפּ֥וּ
(yirpu)
laat verslappen
יָדָֽיִךְ
(yadayikh)
je handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אַל יִרְפּוּ יָדָיִךְ (al yirpu yadayikh), ‘laat je handen niet verslappen’: wees niet moedeloos.

17Yahweh, je Elohim, is in je midden, een held die redt. Hij verheugt Zich over jou met blijdschap. Hij zwijgt in Zijn liefde. Hij jubelt over jou met gejuich.
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֛יִךְ
(elohayikh)
je Elohim
בְּקִרְבֵּ֖ך
(beqirbekh)
in je midden
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
een held
יוֹשִׁ֑יעַ
(yoshia)
die redt
יָשִׂ֨ישׂ
(yasis)
Hij verheugt Zich
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
over jou
בְּשִׂמְחָ֗ה
(besimcha)
met blijdschap
יַחֲרִישׁ֙
(yacharish)
Hij zwijgt
בְּאַ֣הֲבָת֔וֹ
(beahavato)
in Zijn liefde
יָגִ֥יל
(yagil)
Hij jubelt
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over jou
בְּרִנָּֽה
(berina)
met gejuich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹר יוֹשִׁיעַ (gibbor yoshia), ‘een held die redt’: Yahweh is de redder.

יַחֲרִישׁ בְּאַהֲבָתוֹ (yacharish be’ahavato), ‘Hij zwijgt in Zijn liefde’: Hij is stil van liefde. Het Hebreeuws is hier kort.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Hij vernieuwt Zijn liefde’ (met een andere medeklinker).

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

Ik keer jullie lot

18„Hen die bedroefd zijn om de samenkomst, heb Ik verzameld. Zij waren van jou. Een last op haar was de smaad.
נוּגֵ֧י
(nugei)
de bedroefden
מִמּוֹעֵ֛ד
(mimoed)
om de samenkomst
אָסַ֖פְתִּי
(asafti)
Ik heb verzameld
מִמֵּ֣ךְ
(mimekh)
van jou
הָי֑וּ
(hayu)
zij waren
מַשְׂאֵ֥ת
(maset)
een last
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
op haar
חֶרְפָּֽה
(cherpa)
smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is in het Hebreeuws kort en moeilijk.

De woorden zijn: נוּגֵי מִמּוֹעֵד אָסַפְתִּי מִמֵּךְ הָיוּ מַשְׂאֵת עָלֶיהָ חֶרְפָּה (nugei mimmo’ed asafti mimmekh hayu masset aleiha cherpah).

נוּגֵי (nugei), ‘die bedroefd zijn’: mensen die om iets treuren. מוֹעֵד (mo’ed), ‘samenkomst’: een vastgestelde tijd, vooral een feest; zie Hos. 9:5.

Lezing

Verschillende lezingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld: ‘Hen die bedroefd zijn, ver van de samenkomst, heb Ik van jou verzameld; zij waren een last en een smaad voor haar.’

Wij houden de volgorde van het Hebreeuws aan en vertalen ‘van jou’ als ‘zij waren van jou’.

De betekenis is onzeker.

19Zie, in die tijd reken Ik af met allen die jou onderdrukken. Ik zal redden wie hinkt en verzamelen wie verdreven is. Ik maak hen tot lof en tot een naam in heel de aarde waar hun schaamte was.
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
reken af
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
met allen
מְעַנַּ֖יִךְ
(meanayikh)
die jou onderdrukken
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
וְהוֹשַׁעְתִּ֣י
(vehoshati)
en Ik zal redden
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּלֵעָ֗ה
(hatsolea)
wie hinkt
וְהַנִּדָּחָה֙
(vehanidacha)
en wie verdreven is
אֲקַבֵּ֔ץ
(aqabets)
zal Ik verzamelen
וְשַׂמְתִּים֙
(vesamtim)
en Ik zal hen maken
לִתְהִלָּ֣ה
(lithila)
tot lof
וּלְשֵׁ֔ם
(uleshem)
en tot naam
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
בָּשְׁתָּֽם
(bashtam)
hun schaamte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹשֶׂה אֶת (oseh et), ‘afrekenen met’: letterlijk ‘doen met’.

הַצֹּלֵעָה (hatsole’ah), ‘wie hinkt’: de lamme of kreupele. Dit beeld staat voor de zwakken van het volk.

בָּשְׁתָּם (boshtam), ‘hun schaamte’: de plaats van hun schaamte wordt de plaats van hun roem.

20In die tijd breng Ik jullie binnen, en in de tijd dat Ik jullie bijeenbreng. Want Ik maak jullie tot een naam en tot lof onder alle volken van de aarde, wanneer Ik voor jullie ogen jullie lot keer, zegt Yahweh.”
בָּעֵ֤ת
(baet)
in de tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
אָבִ֣יא
(avi)
Ik zal brengen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וּבָעֵ֖ת
(uvaet)
en in de tijd
קַבְּצִ֣י
(qabetsi)
dat Ik bijeenbreng
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
כִּֽי
(ki)
want
אֶתֵּ֨ן
(eten)
Ik zal maken
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
tot een naam
וְלִתְהִלָּ֗ה
(velithila)
en tot lof
בְּכֹל֙
(bekhol)
onder alle
עַמֵּ֣י
(amei)
volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּשׁוּבִ֧י
(beshuvi)
wanneer Ik keer
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁבוּתֵיכֶ֛ם
(shevuteikhem)
jullie lot
לְעֵינֵיכֶ֖ם
(leeineikhem)
voor jullie ogen
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: ‘het lot keren’ betekent herstel (zie Joël 4:1 en Sef. 2:7).

אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: hier sluit de toespraak van Yahweh af. Zij begon in vers 18; eerder sprak Yahweh in de verzen 6–13.