Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aäron en zijn zonen tot priesters
1Laat Aäron, je broer, tot je naderen, en zijn zonen met hem, uit de zonen van Israël, om Mij als priesters te dienen: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron.
וְאַתָּ֡ה
(veata)
en jij
הַקְרֵ֣ב
(haqrev)
laat naderen
אֵלֶיךָ֩
(eleikha)
tot jou
אֶת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֜יךָ
(achikha)
je broer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
מִתּ֛וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִ֑י
(li)
voor Mij
אַהֲרֹ֕ן
(aharon)
Aäron
נָדָ֧ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֛וּא
(vaavihu)
en Abihu
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
וְאִיתָמָ֖ר
(veitamar)
en Itamar
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Aäron en zijn zonen worden uit het volk genomen als priesters.
Nadab en Abihu sterven later (Lev. 10:1–2); Eleazar en Itamar volgen hen op (Num. 3:4).
3Spreek tot alle vakkundige mensen die Ik met een geest van wijsheid heb vervuld. Laat hen de kleren van Aäron maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester dient.
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תְּדַבֵּר֙
(tedaber)
zult spreken
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
חַכְמֵי
(chakhmei)
wijzen van
לֵ֔ב
(lev)
hart
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִלֵּאתִ֖יו
(miletiv)
Ik heb vervuld
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְעָשׂ֞וּ
(veasu)
en zij zullen maken
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֧י
(bigdei)
kleren van
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
לְקַדְּשׁ֖וֹ
(leqadesho)
om hem te heiligen
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַכְמֵי־לֵב (chakme-lev), ‘wijzen van hart’, zijn vakkundige mensen, met inzicht en vaardigheid.
4Dit zijn de kleren die zij moeten maken: een borstplaat, een efod, een mantel, een geruit onderkleed, een tulband en een gordel. Zij moeten heilige kleren maken voor Aäron, je broer, en voor zijn zonen, zodat hij Mij als priester dient.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit zijn
הַבְּגָדִ֜ים
(habegadim)
de kleren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יַעֲשׂ֗וּ
(yaasu)
zij zullen maken
חֹ֤שֶׁן
(choshen)
borstplaat
וְאֵפוֹד֙
(veefod)
en efod
וּמְעִ֔יל
(umeil)
en mantel
וּכְתֹ֥נֶת
(ukhetonet)
en onderkleed van
תַּשְׁבֵּ֖ץ
(tashbets)
geruit weefsel
מִצְנֶ֣פֶת
(mitsnefet)
tulband
וְאַבְנֵ֑ט
(veavnet)
en gordel
וְעָשׂ֨וּ
(veasu)
en zij zullen maken
בִגְדֵי
(bigdei)
kleren van
קֹ֜דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
לְאַהֲרֹ֥ן
(leaharon)
voor Aäron
אָחִ֛יךָ
(achikha)
je broer
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹשֶׁן (choshen) is de borstplaat; אֵפוֹד (efod) een schort- of schouderkleed; מְעִיל (me‘il) een mantel; כְּתֹנֶת תַּשְׁבֵּץ (ketonet tashbets) een geruit of geweven onderkleed; מִצְנֶפֶת (mitsnefet) een tulband; אַבְנֵט (avnet) een gordel.
8De kunstig geweven band van zijn efod, die erop zit, moet van hetzelfde werk zijn en eruit voortkomen: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.
וְחֵ֤שֶׁב
(vecheshev)
en de kunstig geweven band van
אֲפֻדָּתוֹ֙
(afudato)
zijn efod
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
כְּמַעֲשֵׂ֖הוּ
(kemaasehu)
gelijk aan zijn werk
מִמֶּ֣נּוּ
(mimenu)
uit hem
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
תְּכֵ֧לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
מָשְׁזָֽר
(mashezar)
getweernd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵשֶׁב (cheshev) is de kunstig geweven band van de efod.
11Als werk van een steensnijder, als gravures van een zegel, moet je de twee stenen graveren met de namen van de zonen van Israël. Zet ze vast in gouden kassen.
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
חָרַשׁ֮
(charash)
een bewerker van
אֶבֶן֒
(even)
steen
פִּתּוּחֵ֣י
(pituchei)
gravures van
חֹתָ֗ם
(chotam)
zegel
תְּפַתַּח֙
(tefatach)
zul je graveren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
de twee
הָאֲבָנִ֔ים
(haavanim)
stenen
עַל
(al)
over
שְׁמֹ֖ת
(shemot)
namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מֻסַבֹּ֛ת
(musabot)
omgeven
מִשְׁבְּצ֥וֹת
(mishbetsot)
met kassen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zet de twee stenen op de schouderstukken van de efod als gedachtenisstenen voor de zonen van Israël. Aäron draagt hun namen voor het aangezicht van Yahweh op zijn twee schouders, tot gedachtenis.
וְשַׂמְתָּ֞
(vesamta)
en zet
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
de twee
הָאֲבָנִ֗ים
(haavanim)
stenen
עַ֚ל
(al)
op
כִּתְפֹ֣ת
(kitfot)
schouderstukken van
הָֽאֵפֹ֔ד
(haefod)
de efod
אַבְנֵ֥י
(avnei)
stenen van
זִכָּרֹ֖ן
(zikaron)
gedachtenis
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְנָשָׂא֩
(venasa)
en zal dragen
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוֹתָ֜ם
(shemotam)
hun namen
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
כְתֵפָ֖יו
(ketefav)
zijn schouders
לְזִכָּרֹֽן
(lezikaron)
tot gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De namen van de stammen worden op de schouders van de priester gedragen: Aäron draagt Israël voor Yahweh.
15Maak de borstplaat van het oordeel, als werk van een vakman. Maak hem zoals het werk van de efod: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.
וְעָשִׂ֜יתָ
(veasita)
en maak
חֹ֤שֶׁן
(choshen)
borstplaat van
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
oordeel
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
חֹשֵׁ֔ב
(choshev)
een vakman
כְּמַעֲשֵׂ֥ה
(kemaase)
zoals het werk van
אֵפֹ֖ד
(efod)
efod
תַּעֲשֶׂ֑נּוּ
(taasenu)
zul je hem maken
זָ֠הָב
(zahav)
goud
תְּכֵ֨לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֜ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֧עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֛י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
מָשְׁזָ֖ר
(mashezar)
getweernd
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹשֶׁן מִשְׁפָּט (choshen mishpat), ‘borstplaat van het oordeel’: de plaats waarin de Urim en Tummim liggen (vers 30).
21De stenen moeten overeenkomen met de namen van de zonen van Israël, twaalf, naar hun namen; als zegelgravures, ieder met zijn eigen naam, voor de twaalf stammen.
וְ֠הָאֲבָנִים
(vehaavanim)
en de stenen
תִּֽהְיֶ֜יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
עַל
(al)
volgens
שְׁמֹ֧ת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
עַל
(al)
volgens
שְׁמֹתָ֑ם
(shemotam)
hun namen
פִּתּוּחֵ֤י
(pituchei)
gravures van
חוֹתָם֙
(chotam)
zegel
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
volgens
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
תִּֽהְיֶ֕יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
voor twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
שָֽׁבֶט
(shavet)
stam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Maak twee gouden ringen en zet ze aan de twee uiteinden van de borstplaat, aan de binnenrand die naar de efod gekeerd is.
וְעָשִׂ֗יתָ
(veasita)
en maak
שְׁתֵּי֙
(shetei)
twee
טַבְּע֣וֹת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְשַׂמְתָּ֣
(vesamta)
en zet
אֹתָ֔ם
(otam)
ze
עַל
(al)
aan
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
קְצ֣וֹת
(qetsot)
uiteinden van
הַחֹ֑שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
עַל
(al)
aan
שְׂפָת֕וֹ
(sefato)
zijn rand
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
אֶל
(el)
naar
עֵ֥בֶר
(ever)
de kant van
הָאֵפֹ֖ד
(haefod)
de efod
בָּֽיְתָה
(bayeta)
naar binnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Maak nog twee gouden ringen en bevestig ze aan de twee schouderstukken van de efod, onderaan, aan de voorkant, bij zijn verbinding, boven de kunstig geweven band van de efod.
וְעָשִׂיתָ֮
(veasita)
en maak
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
טַבְּע֣וֹת
(tabeot)
ringen van
זָהָב֒
(zahav)
goud
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en bevestig
אֹתָ֡ם
(otam)
ze
עַל
(al)
aan
שְׁתֵּי֩
(shetei)
twee
כִתְפ֨וֹת
(kitfot)
schouderstukken van
הָאֵפ֤וֹד
(haefod)
de efod
מִלְּמַ֨טָּה֙
(milemata)
van beneden
מִמּ֣וּל
(mimul)
tegenover
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn voorkant
לְעֻמַּ֖ת
(leumat)
tegenover
מֶחְבַּרְתּ֑וֹ
(mechbarto)
zijn verbinding
מִמַּ֕עַל
(mimaal)
van boven
לְחֵ֖שֶׁב
(lecheshev)
de band van
הָאֵפֽוֹד
(haefod)
de efod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zij moeten de borstplaat met zijn ringen vastbinden aan de ringen van de efod met een koord van blauwpurper, zodat hij boven op de kunstig geweven band van de efod blijft en niet van de efod losraakt.
וְיִרְכְּס֣וּ
(veyirkesu)
en zij zullen binden
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֠חֹשֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
מִֽטַּבְּעֹתָ֞יו
(mitabeotav)
met zijn ringen
אֶל
(el)
aan
טַבְּעֹ֤ת
(tabeot)
ringen van
הָאֵפֹד֙
(haefod)
de efod
בִּפְתִ֣יל
(biftil)
met een koord van
תְּכֵ֔לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
לִֽהְי֖וֹת
(lihyot)
zodat hij blijft
עַל
(al)
op
חֵ֣שֶׁב
(cheshev)
de band van
הָאֵפ֑וֹד
(haefod)
de efod
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִזַּ֣ח
(yizach)
losraakt
הַחֹ֔שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
הָאֵפֽוֹד
(haefod)
de efod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Aäron draagt de namen van de zonen van Israël op de borstplaat van het oordeel, op zijn hart, wanneer hij het heiligdom binnengaat, tot gedachtenis voor het aangezicht van Yahweh, voortdurend.
וְנָשָׂ֣א
(venasa)
en zal dragen
אַ֠הֲרֹן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֨וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
בְּחֹ֧שֶׁן
(bechoshen)
op de borstplaat van
הַמִּשְׁפָּ֛ט
(hamishpat)
het oordeel
עַל
(al)
op
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
בְּבֹא֣וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לְזִכָּרֹ֥ן
(lezikaron)
tot gedachtenis
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Doe in de borstplaat van het oordeel de Urim en de Tummim; ze zullen op het hart van Aäron zijn wanneer hij voor het aangezicht van Yahweh komt. Zo draagt Aäron het oordeel over de zonen van Israël voortdurend op zijn hart voor het aangezicht van Yahweh.
וְנָתַתָּ֞
(venatata)
en doe
אֶל
(el)
in
חֹ֣שֶׁן
(choshen)
de borstplaat van
הַמִּשְׁפָּ֗ט
(hamishpat)
het oordeel
אֶת
(et)
(obj.)
הָאוּרִים֙
(haurim)
de Urim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתֻּמִּ֔ים
(hatumim)
de Tummim
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen zijn
עַל
(al)
op
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
בְּבֹא֖וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָשָׂ֣א
(venasa)
en zal dragen
אַ֠הֲרֹן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֨ט
(mishpat)
het oordeel van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
op
לִבּ֛וֹ
(libo)
zijn hart
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאוּרִים וְהַתֻּמִּים (ha'urim wehatummim), ‘de Urim en de Tummim’, zijn voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd.
35Aäron moet hem dragen wanneer hij dient. Dan wordt zijn geluid gehoord wanneer hij het heiligdom binnengaat voor het aangezicht van Yahweh en wanneer hij naar buiten komt, zodat hij niet sterft.
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עַֽל
(al)
op
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לְשָׁרֵ֑ת
(lesharet)
om te dienen
וְנִשְׁמַ֣ע
(venishma)
en gehoord wordt
ק֠וֹלוֹ
(qolo)
zijn geluid
בְּבֹא֨וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֜דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְצֵאת֖וֹ
(uvetseto)
en bij zijn uitgaan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָמֽוּת
(yamut)
sterft hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Hij moet op het voorhoofd van Aäron zitten. Aäron draagt de schuld die aan de heilige gaven kleeft die de zonen van Israël heiligen, bij al hun heilige geschenken. Hij moet voortdurend op zijn voorhoofd zijn, tot welgevallen voor hen voor het aangezicht van Yahweh.
וְהָיָה֮
(vehaya)
en zal zijn
עַל
(al)
op
מֵ֣צַח
(metsach)
het voorhoofd van
אַהֲרֹן֒
(aharon)
Aäron
וְנָשָׂ֨א
(venasa)
en zal dragen
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
הַקֳּדָשִׁ֗ים
(haqodashim)
de heilige gaven
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יַקְדִּ֨ישׁוּ֙
(yaqdishu)
heiligen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְכָֽל
(lekhal)
bij alle
מַתְּנֹ֖ת
(matenot)
gaven van
קָדְשֵׁיהֶ֑ם
(qadesheihem)
hun heilige dingen
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
עַל
(al)
op
מִצְחוֹ֙
(mitscho)
zijn voorhoofd
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
לְרָצ֥וֹן
(leratson)
tot welgevallen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De plaat op het voorhoofd draagt de schuld die bij de heilige gaven kan ontstaan, zodat de gaven aanvaard worden.
43Aäron en zijn zonen moeten ze dragen wanneer zij de tent van samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heiligdom te dienen, zodat zij geen schuld op zich laden en sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor hem en voor zijn nageslacht na hem.
וְהָיוּ֩
(vehayu)
en zullen zijn
עַל
(al)
op
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
וְעַל
(veal)
en op
בָּנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
בְּבֹאָ֣ם
(bevoam)
bij hun binnenkomen
אֶל
(el)
in
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֗ד
(moed)
samenkomst
א֣וֹ
(o)
of
בְגִשְׁתָּ֤ם
(begishtam)
bij hun naderen
אֶל
(el)
tot
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
לְשָׁרֵ֣ת
(lesharet)
om te dienen
בַּקֹּ֔דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
וְלֹא
(velo)
en niet
יִשְׂא֥וּ
(yisu)
dragen zij
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
וָמֵ֑תוּ
(vametu)
en sterven zij
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָ֛ם
(olam)
eeuwigheid
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
וּלְזַרְע֥וֹ
(ulezaro)
en voor zijn nageslacht
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)