Elohim Bijbel

Exodus 28

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De kleding van de priesters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Aäron en zijn zonen tot priesters

1Laat Aäron, je broer, tot je naderen, en zijn zonen met hem, uit de zonen van Israël, om Mij als priesters te dienen: Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron.
וְאַתָּ֡ה
(veata)
en jij
הַקְרֵ֣ב
(haqrev)
laat naderen
אֵלֶיךָ֩
(eleikha)
tot jou
אֶת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֜יךָ
(achikha)
je broer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
מִתּ֛וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִ֑י
(li)
voor Mij
אַהֲרֹ֕ן
(aharon)
Aäron
נָדָ֧ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֛וּא
(vaavihu)
en Abihu
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
וְאִיתָמָ֖ר
(veitamar)
en Itamar
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron en zijn zonen worden uit het volk genomen als priesters.

Nadab en Abihu sterven later (Lev. 10:1–2); Eleazar en Itamar volgen hen op (Num. 3:4).

2Maak heilige kleren voor Aäron, je broer, tot eer en tot sieraad.
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en maak
בִגְדֵי
(bigdei)
kleren van
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
לְאַהֲרֹ֣ן
(leaharon)
voor Aäron
אָחִ֑יךָ
(achikha)
je broer
לְכָב֖וֹד
(lekhavod)
tot eer
וּלְתִפְאָֽרֶת
(uletifaret)
en tot sieraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Spreek tot alle vakkundige mensen die Ik met een geest van wijsheid heb vervuld. Laat hen de kleren van Aäron maken om hem te heiligen, zodat hij Mij als priester dient.
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תְּדַבֵּר֙
(tedaber)
zult spreken
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
חַכְמֵי
(chakhmei)
wijzen van
לֵ֔ב
(lev)
hart
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִלֵּאתִ֖יו
(miletiv)
Ik heb vervuld
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְעָשׂ֞וּ
(veasu)
en zij zullen maken
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֧י
(bigdei)
kleren van
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
לְקַדְּשׁ֖וֹ
(leqadesho)
om hem te heiligen
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַכְמֵי־לֵב (chakme-lev), ‘wijzen van hart’, zijn vakkundige mensen, met inzicht en vaardigheid.

Zie ook 31:1–6; 35:30–36:1.

4Dit zijn de kleren die zij moeten maken: een borstplaat, een efod, een mantel, een geruit onderkleed, een tulband en een gordel. Zij moeten heilige kleren maken voor Aäron, je broer, en voor zijn zonen, zodat hij Mij als priester dient.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit zijn
הַבְּגָדִ֜ים
(habegadim)
de kleren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יַעֲשׂ֗וּ
(yaasu)
zij zullen maken
חֹ֤שֶׁן
(choshen)
borstplaat
וְאֵפוֹד֙
(veefod)
en efod
וּמְעִ֔יל
(umeil)
en mantel
וּכְתֹ֥נֶת
(ukhetonet)
en onderkleed van
תַּשְׁבֵּ֖ץ
(tashbets)
geruit weefsel
מִצְנֶ֣פֶת
(mitsnefet)
tulband
וְאַבְנֵ֑ט
(veavnet)
en gordel
וְעָשׂ֨וּ
(veasu)
en zij zullen maken
בִגְדֵי
(bigdei)
kleren van
קֹ֜דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
לְאַהֲרֹ֥ן
(leaharon)
voor Aäron
אָחִ֛יךָ
(achikha)
je broer
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
לְכַהֲנוֹ
(lekhahano)
om priester te zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹשֶׁן (choshen) is de borstplaat; אֵפוֹד (efod) een schort- of schouderkleed; מְעִיל (me‘il) een mantel; כְּתֹנֶת תַּשְׁבֵּץ (ketonet tashbets) een geruit of geweven onderkleed; מִצְנֶפֶת (mitsnefet) een tulband; אַבְנֵט (avnet) een gordel.

5Zij moeten goud, blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen en fijn linnen nemen.
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
יִקְח֣וּ
(yiqchu)
zullen nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתְּכֵ֖לֶת
(hatekhelet)
het blauwpurper
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽאַרְגָּמָ֑ן
(haargaman)
het roodpurper
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תּוֹלַ֥עַת
(tolaat)
de worm van
הַשָּׁנִ֖י
(hashani)
het scharlaken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשֵּֽׁשׁ
(hashesh)
het fijn linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De efod

6Zij moeten de efod maken van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, als werk van een vakman.
וְעָשׂ֖וּ
(veasu)
en zij zullen maken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵפֹ֑ד
(haefod)
de efod
זָ֠הָב
(zahav)
goud
תְּכֵ֨לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֜ן
(veargaman)
en roodpurper
תּוֹלַ֧עַת
(tolaat)
karmozijn
שָׁנִ֛י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
מָשְׁזָ֖ר
(mashezar)
getweernd
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חֹשֵֽׁב
(choshev)
een vakman
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij krijgt twee schouderstukken die aan zijn beide uiteinden vastzitten, zodat hij verbonden wordt.
שְׁתֵּ֧י
(shetei)
twee
כְתֵפֹ֣ת
(ketefot)
schouderstukken
חֹֽבְרֹ֗ת
(choverot)
verbonden
יִֽהְיֶה
(yihye)
zullen zijn
לּ֛וֹ
(lo)
aan hem
אֶל
(el)
aan
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
קְצוֹתָ֖יו
(qetsotav)
zijn uiteinden
וְחֻבָּֽר
(vechubar)
zodat hij wordt verbonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 39:4
8De kunstig geweven band van zijn efod, die erop zit, moet van hetzelfde werk zijn en eruit voortkomen: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.
וְחֵ֤שֶׁב
(vecheshev)
en de kunstig geweven band van
אֲפֻדָּתוֹ֙
(afudato)
zijn efod
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
כְּמַעֲשֵׂ֖הוּ
(kemaasehu)
gelijk aan zijn werk
מִמֶּ֣נּוּ
(mimenu)
uit hem
יִהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
תְּכֵ֧לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
מָשְׁזָֽר
(mashezar)
getweernd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵשֶׁב (cheshev) is de kunstig geweven band van de efod.

9Neem twee onyxstenen en graveer daarin de namen van de zonen van Israël:
וְלָ֣קַחְתָּ֔
(velaqachta)
en neem
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֖י
(shetei)
twee
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
שֹׁ֑הַם
(shoham)
onyx
וּפִתַּחְתָּ֣
(ufitachta)
en graveer
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
op hen
שְׁמ֖וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁהַם (shoham) is een edelsteen, meestal vertaald als ‘onyx’; de zekere betekenis is onbekend.

10zes van hun namen op de ene steen en de namen van de zes overige op de andere steen, in de volgorde van hun geboorte.
שִׁשָּׁה֙
(shisha)
zes
מִשְּׁמֹתָ֔ם
(mishemotam)
van hun namen
עַ֖ל
(al)
op
הָאֶ֣בֶן
(haeven)
de steen
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
de ene
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁמ֞וֹת
(shemot)
namen van
הַשִּׁשָּׁ֧ה
(hashisha)
de zes
הַנּוֹתָרִ֛ים
(hanotarim)
overgeblevenen
עַל
(al)
op
הָאֶ֥בֶן
(haeven)
de steen
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
כְּתוֹלְדֹתָֽם
(ketoledotam)
volgens hun geboorte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Als werk van een steensnijder, als gravures van een zegel, moet je de twee stenen graveren met de namen van de zonen van Israël. Zet ze vast in gouden kassen.
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
חָרַשׁ֮
(charash)
een bewerker van
אֶבֶן֒
(even)
steen
פִּתּוּחֵ֣י
(pituchei)
gravures van
חֹתָ֗ם
(chotam)
zegel
תְּפַתַּח֙
(tefatach)
zul je graveren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
de twee
הָאֲבָנִ֔ים
(haavanim)
stenen
עַל
(al)
over
שְׁמֹ֖ת
(shemot)
namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מֻסַבֹּ֛ת
(musabot)
omgeven
מִשְׁבְּצ֥וֹת
(mishbetsot)
met kassen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zet de twee stenen op de schouderstukken van de efod als gedachtenisstenen voor de zonen van Israël. Aäron draagt hun namen voor het aangezicht van Yahweh op zijn twee schouders, tot gedachtenis.
וְשַׂמְתָּ֞
(vesamta)
en zet
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
de twee
הָאֲבָנִ֗ים
(haavanim)
stenen
עַ֚ל
(al)
op
כִּתְפֹ֣ת
(kitfot)
schouderstukken van
הָֽאֵפֹ֔ד
(haefod)
de efod
אַבְנֵ֥י
(avnei)
stenen van
זִכָּרֹ֖ן
(zikaron)
gedachtenis
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְנָשָׂא֩
(venasa)
en zal dragen
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוֹתָ֜ם
(shemotam)
hun namen
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
כְתֵפָ֖יו
(ketefav)
zijn schouders
לְזִכָּרֹֽן
(lezikaron)
tot gedachtenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de stammen worden op de schouders van de priester gedragen: Aäron draagt Israël voor Yahweh.

13Maak ook gouden kassen
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en maak
מִשְׁבְּצֹ֖ת
(mishbetsot)
kassen van
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14en twee kettingen van zuiver goud; als gevlochten koordwerk moet je ze maken, en bevestig de gevlochten kettingen aan de kassen.
וּשְׁתֵּ֤י
(ushtei)
en twee
שַׁרְשְׁרֹת֙
(sharsherot)
kettingen van
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֔וֹר
(tahor)
zuiver
מִגְבָּלֹ֛ת
(migbalot)
gevlochten
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
עֲבֹ֑ת
(avot)
koord
וְנָתַתָּ֛ה
(venatata)
en bevestig
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁרְשְׁרֹ֥ת
(sharsherot)
kettingen
הָעֲבֹתֹ֖ת
(haavotot)
de gevlochten
עַל
(al)
aan
הַֽמִּשְׁבְּצֹֽת
(hamishbetsot)
de kassen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De borstplaat van het oordeel

15Maak de borstplaat van het oordeel, als werk van een vakman. Maak hem zoals het werk van de efod: van goud, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en van getweernd fijn linnen.
וְעָשִׂ֜יתָ
(veasita)
en maak
חֹ֤שֶׁן
(choshen)
borstplaat van
מִשְׁפָּט֙
(mishpat)
oordeel
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
חֹשֵׁ֔ב
(choshev)
een vakman
כְּמַעֲשֵׂ֥ה
(kemaase)
zoals het werk van
אֵפֹ֖ד
(efod)
efod
תַּעֲשֶׂ֑נּוּ
(taasenu)
zul je hem maken
זָ֠הָב
(zahav)
goud
תְּכֵ֨לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֜ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֧עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֛י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
מָשְׁזָ֖ר
(mashezar)
getweernd
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
zul je maken
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹשֶׁן מִשְׁפָּט (choshen mishpat), ‘borstplaat van het oordeel’: de plaats waarin de Urim en Tummim liggen (vers 30).

16Hij moet vierkant zijn, dubbelgevouwen, een span lang en een span breed.
רָב֥וּעַ
(ravua)
vierkant
יִֽהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
כָּפ֑וּל
(kaful)
dubbelgevouwen
זֶ֥רֶת
(zeret)
een span
אָרְכּ֖וֹ
(arko)
zijn lengte
וְזֶ֥רֶת
(vezeret)
en een span
רָחְבּֽוֹ
(rachbo)
zijn breedte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een span (זֶרֶת, zeret) is de afstand van duim tot pink, ongeveer 22 cm.

17Bezet hem met vier rijen stenen: de eerste rij een karneool, een topaas en een smaragd;
וּמִלֵּאתָ֥
(umileta)
en bezet
בוֹ֙
(bo)
daarin
מִלֻּ֣אַת
(miluat)
bezetting van
אֶ֔בֶן
(even)
steen
אַרְבָּעָ֖ה
(arbaa)
vier
טוּרִ֣ים
(turim)
rijen
אָ֑בֶן
(aven)
steen
ט֗וּר
(tur)
rij
אֹ֤דֶם
(odem)
karneool
פִּטְדָה֙
(pitda)
topaas
וּבָרֶ֔קֶת
(uvareqet)
en smaragd
הַטּ֖וּר
(hatur)
de rij
הָאֶחָֽד
(haechad)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de twaalf stenen zijn niet allemaal zeker te herkennen.

Wij geven de gangbare vertaling: אֹדֶם (odem) karneool, פִּטְדָה (pitdah) topaas, בָּרֶקֶת (bareqet) smaragd; נֹפֶךְ (nofek) turkoois, סַפִּיר (sappir) saffier, יָהֲלֹם (yahalom) diamant; לֶשֶׁם (leshem) hyacint, שְׁבוֹ (shevo) agaat, אַחְלָמָה (achlamah) amethist; תַּרְשִׁישׁ (tarshish) chrysoliet, שֹׁהַם (shoham) onyx, יָשְׁפֵה (yashpeh) jaspis.

Openb. 21:19–20 noemt een verwante reeks edelstenen als funderingen van het nieuwe Jeruzalem.

18de tweede rij een turkoois, een saffier en een diamant;
וְהַטּ֖וּר
(vehatur)
en de rij
הַשֵּׁנִ֑י
(hasheni)
de tweede
נֹ֥פֶךְ
(nofekh)
turkoois
סַפִּ֖יר
(sapir)
saffier
וְיָהֲלֹֽם
(veyahalom)
en diamant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19de derde rij een hyacint, een agaat en een amethist;
וְהַטּ֖וּר
(vehatur)
en de rij
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
לֶ֥שֶׁם
(leshem)
hyacint
שְׁב֖וֹ
(shevo)
agaat
וְאַחְלָֽמָה
(veachlama)
en amethist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20de vierde rij een chrysoliet, een onyx en een jaspis; ze moeten in gouden kassen gezet worden.
וְהַטּוּר֙
(vehatur)
en de rij
הָרְבִיעִ֔י
(harevii)
de vierde
תַּרְשִׁ֥ישׁ
(tarshish)
chrysoliet
וְשֹׁ֖הַם
(veshoham)
en onyx
וְיָשְׁפֵ֑ה
(veyashefe)
en jaspis
מְשֻׁבָּצִ֥ים
(meshubatsim)
omgeven door kassen
זָהָ֛ב
(zahav)
goud
יִהְי֖וּ
(yihyu)
zullen zijn
בְּמִלּוּאֹתָֽם
(bemiluotam)
in hun inzetting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De stenen moeten overeenkomen met de namen van de zonen van Israël, twaalf, naar hun namen; als zegelgravures, ieder met zijn eigen naam, voor de twaalf stammen.
וְ֠הָאֲבָנִים
(vehaavanim)
en de stenen
תִּֽהְיֶ֜יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
עַל
(al)
volgens
שְׁמֹ֧ת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
עַל
(al)
volgens
שְׁמֹתָ֑ם
(shemotam)
hun namen
פִּתּוּחֵ֤י
(pituchei)
gravures van
חוֹתָם֙
(chotam)
zegel
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
עַל
(al)
volgens
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
תִּֽהְיֶ֕יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
לִשְׁנֵ֥י
(lishnei)
voor twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
שָֽׁבֶט
(shavet)
stam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Maak op de borstplaat kettingen van gevlochten koordwerk van zuiver goud.
וְעָשִׂ֧יתָ
(veasita)
en maak
עַל
(al)
op
הַחֹ֛שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
שַֽׁרְשֹׁ֥ת
(sharshot)
kettingen
גַּבְלֻ֖ת
(gavlut)
gevlochten
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
עֲבֹ֑ת
(avot)
koord
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
טָהֽוֹר
(tahor)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Maak op de borstplaat twee gouden ringen en bevestig de twee ringen aan de twee uiteinden van de borstplaat.
וְעָשִׂ֨יתָ֙
(veasita)
en maak
עַל
(al)
op
הַחֹ֔שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
שְׁתֵּ֖י
(shetei)
twee
טַבְּע֣וֹת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וְנָתַתָּ֗
(venatata)
en bevestig
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּי֙
(shetei)
twee
הַטַּבָּע֔וֹת
(hatabaot)
de ringen
עַל
(al)
aan
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
קְצ֥וֹת
(qetsot)
uiteinden van
הַחֹֽשֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Bevestig de twee gouden koorden aan de twee ringen aan de uiteinden van de borstplaat.
וְנָתַתָּ֗ה
(venatata)
en bevestig
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּי֙
(shetei)
twee
עֲבֹתֹ֣ת
(avotot)
koorden van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
עַל
(al)
aan
שְׁתֵּ֖י
(shetei)
twee
הַטַּבָּעֹ֑ת
(hatabaot)
de ringen
אֶל
(el)
aan
קְצ֖וֹת
(qetsot)
uiteinden van
הַחֹֽשֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De twee uiteinden van de twee koorden bevestig je aan de twee kassen, en zo bevestig je ze aan de schouderstukken van de efod, aan de voorkant.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֤י
(shetei)
twee
קְצוֹת֙
(qetsot)
uiteinden van
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
הָעֲבֹתֹ֔ת
(haavotot)
de koorden
תִּתֵּ֖ן
(titen)
zul je bevestigen
עַל
(al)
aan
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
הַֽמִּשְׁבְּצ֑וֹת
(hamishbetsot)
de kassen
וְנָתַתָּ֛ה
(venatata)
en bevestig
עַל
(al)
aan
כִּתְפ֥וֹת
(kitfot)
schouderstukken van
הָאֵפֹ֖ד
(haefod)
de efod
אֶל
(el)
naar
מ֥וּל
(mul)
de voorkant van
פָּנָֽיו
(panav)
zijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Maak twee gouden ringen en zet ze aan de twee uiteinden van de borstplaat, aan de binnenrand die naar de efod gekeerd is.
וְעָשִׂ֗יתָ
(veasita)
en maak
שְׁתֵּי֙
(shetei)
twee
טַבְּע֣וֹת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְשַׂמְתָּ֣
(vesamta)
en zet
אֹתָ֔ם
(otam)
ze
עַל
(al)
aan
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
קְצ֣וֹת
(qetsot)
uiteinden van
הַחֹ֑שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
עַל
(al)
aan
שְׂפָת֕וֹ
(sefato)
zijn rand
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
אֶל
(el)
naar
עֵ֥בֶר
(ever)
de kant van
הָאֵפֹ֖ד
(haefod)
de efod
בָּֽיְתָה
(bayeta)
naar binnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Maak nog twee gouden ringen en bevestig ze aan de twee schouderstukken van de efod, onderaan, aan de voorkant, bij zijn verbinding, boven de kunstig geweven band van de efod.
וְעָשִׂיתָ֮
(veasita)
en maak
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
טַבְּע֣וֹת
(tabeot)
ringen van
זָהָב֒
(zahav)
goud
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en bevestig
אֹתָ֡ם
(otam)
ze
עַל
(al)
aan
שְׁתֵּי֩
(shetei)
twee
כִתְפ֨וֹת
(kitfot)
schouderstukken van
הָאֵפ֤וֹד
(haefod)
de efod
מִלְּמַ֨טָּה֙
(milemata)
van beneden
מִמּ֣וּל
(mimul)
tegenover
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn voorkant
לְעֻמַּ֖ת
(leumat)
tegenover
מֶחְבַּרְתּ֑וֹ
(mechbarto)
zijn verbinding
מִמַּ֕עַל
(mimaal)
van boven
לְחֵ֖שֶׁב
(lecheshev)
de band van
הָאֵפֽוֹד
(haefod)
de efod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zij moeten de borstplaat met zijn ringen vastbinden aan de ringen van de efod met een koord van blauwpurper, zodat hij boven op de kunstig geweven band van de efod blijft en niet van de efod losraakt.
וְיִרְכְּס֣וּ
(veyirkesu)
en zij zullen binden
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֠חֹשֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
מִֽטַּבְּעֹתָ֞יו
(mitabeotav)
met zijn ringen
אֶל
(el)
aan
טַבְּעֹ֤ת
(tabeot)
ringen van
הָאֵפֹד֙
(haefod)
de efod
בִּפְתִ֣יל
(biftil)
met een koord van
תְּכֵ֔לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
לִֽהְי֖וֹת
(lihyot)
zodat hij blijft
עַל
(al)
op
חֵ֣שֶׁב
(cheshev)
de band van
הָאֵפ֑וֹד
(haefod)
de efod
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִזַּ֣ח
(yizach)
losraakt
הַחֹ֔שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
הָאֵפֽוֹד
(haefod)
de efod
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Aäron draagt de namen van de zonen van Israël op de borstplaat van het oordeel, op zijn hart, wanneer hij het heiligdom binnengaat, tot gedachtenis voor het aangezicht van Yahweh, voortdurend.
וְנָשָׂ֣א
(venasa)
en zal dragen
אַ֠הֲרֹן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֨וֹת
(shemot)
namen van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
בְּחֹ֧שֶׁן
(bechoshen)
op de borstplaat van
הַמִּשְׁפָּ֛ט
(hamishpat)
het oordeel
עַל
(al)
op
לִבּ֖וֹ
(libo)
zijn hart
בְּבֹא֣וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לְזִכָּרֹ֥ן
(lezikaron)
tot gedachtenis
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Doe in de borstplaat van het oordeel de Urim en de Tummim; ze zullen op het hart van Aäron zijn wanneer hij voor het aangezicht van Yahweh komt. Zo draagt Aäron het oordeel over de zonen van Israël voortdurend op zijn hart voor het aangezicht van Yahweh.
וְנָתַתָּ֞
(venatata)
en doe
אֶל
(el)
in
חֹ֣שֶׁן
(choshen)
de borstplaat van
הַמִּשְׁפָּ֗ט
(hamishpat)
het oordeel
אֶת
(et)
(obj.)
הָאוּרִים֙
(haurim)
de Urim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתֻּמִּ֔ים
(hatumim)
de Tummim
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en zij zullen zijn
עַל
(al)
op
לֵ֣ב
(lev)
het hart van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
בְּבֹא֖וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָשָׂ֣א
(venasa)
en zal dragen
אַ֠הֲרֹן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֨ט
(mishpat)
het oordeel van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
op
לִבּ֛וֹ
(libo)
zijn hart
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאוּרִים וְהַתֻּמִּים (ha'urim wehatummim), ‘de Urim en de Tummim’, zijn voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd.

Hoe ze eruitzagen, wordt niet gezegd.

Zie ook Num. 27:21; 1 Sam. 28:6.

De mantel

31Maak de mantel van de efod geheel van blauwpurper.
וְעָשִׂ֛יתָ
(veasita)
en maak
אֶת
(et)
(obj.)
מְעִ֥יל
(meil)
mantel van
הָאֵפ֖וֹד
(haefod)
de efod
כְּלִ֥יל
(kelil)
geheel
תְּכֵֽלֶת
(tekhelet)
blauwpurper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32In het midden moet een hoofdopening zijn, met rondom die opening een geweven rand, als de opening van een pantserhemd, zodat hij niet scheurt.
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
פִֽי
(pi)
opening van
רֹאשׁ֖וֹ
(rosho)
zijn hoofd
בְּתוֹכ֑וֹ
(betokho)
in zijn midden
שָׂפָ֡ה
(safa)
een rand
יִֽהְיֶה֩
(yihye)
zal zijn
לְפִ֨יו
(lefiv)
om zijn opening
סָבִ֜יב
(saviv)
rondom
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
אֹרֵ֗ג
(oreg)
een wever
כְּפִ֥י
(kefi)
als de opening van
תַחְרָ֛א
(tachra)
een pantser
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לּ֖וֹ
(lo)
voor hem
לֹ֥א
(lo)
niet
יִקָּרֵֽעַ
(yiqarea)
zal scheuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְרָא (tachra) is waarschijnlijk een pantserhemd of een soort lijfkleed; de betekenis is niet zeker.

33Maak aan zijn zoom granaatappels van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, rondom aan zijn zoom, en gouden belletjes daartussen, rondom:
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en maak
עַל
(al)
op
שׁוּלָ֗יו
(shulav)
zijn zomen
רִמֹּנֵי֙
(rimonei)
granaatappels van
תְּכֵ֤לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָן֙
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֣עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֔י
(shani)
scharlaken
עַל
(al)
op
שׁוּלָ֖יו
(shulav)
zijn zomen
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וּפַעֲמֹנֵ֥י
(ufaamonei)
en belletjes van
זָהָ֛ב
(zahav)
goud
בְּתוֹכָ֖ם
(betokham)
tussen hen
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Granaatappels en belletjes rondom de zoom: de belletjes laten horen dat de priester binnengaat (vers 35).

34een gouden belletje en een granaatappel, een gouden belletje en een granaatappel, rondom aan de zoom van de mantel.
פַּעֲמֹ֤ן
(paamon)
belletje
זָהָב֙
(zahav)
goud
וְרִמּ֔וֹן
(verimon)
en granaatappel
פַּֽעֲמֹ֥ן
(paamon)
belletje
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וְרִמּ֑וֹן
(verimon)
en granaatappel
עַל
(al)
op
שׁוּלֵ֥י
(shulei)
zomen van
הַמְּעִ֖יל
(hameil)
de mantel
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Aäron moet hem dragen wanneer hij dient. Dan wordt zijn geluid gehoord wanneer hij het heiligdom binnengaat voor het aangezicht van Yahweh en wanneer hij naar buiten komt, zodat hij niet sterft.
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en zal zijn
עַֽל
(al)
op
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לְשָׁרֵ֑ת
(lesharet)
om te dienen
וְנִשְׁמַ֣ע
(venishma)
en gehoord wordt
ק֠וֹלוֹ
(qolo)
zijn geluid
בְּבֹא֨וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֜דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבְצֵאת֖וֹ
(uvetseto)
en bij zijn uitgaan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָמֽוּת
(yamut)
sterft hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De gouden plaat

36Maak een plaat van zuiver goud en graveer daarin, als zegelgravure: ‘Heilig voor Yahweh.’
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en maak
צִּ֖יץ
(tsits)
plaat van
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֑וֹר
(tahor)
zuiver
וּפִתַּחְתָּ֤
(ufitachta)
en graveer
עָלָיו֙
(alav)
op haar
פִּתּוּחֵ֣י
(pituchei)
gravures van
חֹתָ֔ם
(chotam)
zegel
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִיץ (tsits) is een gouden plaat of diadeem; het opschrift ‘Heilig voor Yahweh’ staat op het voorhoofd van de hogepriester.

37Bevestig hem aan een koord van blauwpurper; het moet op de tulband zitten, aan de voorkant van de tulband.
וְשַׂמְתָּ֤
(vesamta)
en zet
אֹתוֹ֙
(oto)
haar
עַל
(al)
aan
פְּתִ֣יל
(petil)
koord van
תְּכֵ֔לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en zal zijn
עַל
(al)
op
הַמִּצְנָ֑פֶת
(hamitsnafet)
de tulband
אֶל
(el)
naar
מ֥וּל
(mul)
de voorkant van
פְּנֵֽי
(penei)
gezicht van
הַמִּצְנֶ֖פֶת
(hamitsnefet)
de tulband
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Hij moet op het voorhoofd van Aäron zitten. Aäron draagt de schuld die aan de heilige gaven kleeft die de zonen van Israël heiligen, bij al hun heilige geschenken. Hij moet voortdurend op zijn voorhoofd zijn, tot welgevallen voor hen voor het aangezicht van Yahweh.
וְהָיָה֮
(vehaya)
en zal zijn
עַל
(al)
op
מֵ֣צַח
(metsach)
het voorhoofd van
אַהֲרֹן֒
(aharon)
Aäron
וְנָשָׂ֨א
(venasa)
en zal dragen
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
הַקֳּדָשִׁ֗ים
(haqodashim)
de heilige gaven
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יַקְדִּ֨ישׁוּ֙
(yaqdishu)
heiligen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְכָֽל
(lekhal)
bij alle
מַתְּנֹ֖ת
(matenot)
gaven van
קָדְשֵׁיהֶ֑ם
(qadesheihem)
hun heilige dingen
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
עַל
(al)
op
מִצְחוֹ֙
(mitscho)
zijn voorhoofd
תָּמִ֔יד
(tamid)
voortdurend
לְרָצ֥וֹן
(leratson)
tot welgevallen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De plaat op het voorhoofd draagt de schuld die bij de heilige gaven kan ontstaan, zodat de gaven aanvaard worden.

Onderkleed, tulband en gordel

39Weef het onderkleed geruit van fijn linnen, maak een tulband van fijn linnen, en maak een gordel als werk van een borduurder.
וְשִׁבַּצְתָּ֙
(veshibatsta)
en weef geruit
הַכְּתֹ֣נֶת
(haketonet)
het onderkleed
שֵׁ֔שׁ
(shesh)
fijn linnen
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en maak
מִצְנֶ֣פֶת
(mitsnefet)
een tulband
שֵׁ֑שׁ
(shesh)
fijn linnen
וְאַבְנֵ֥ט
(veavnet)
en een gordel
תַּעֲשֶׂ֖ה
(taase)
zul je maken
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
רֹקֵֽם
(roqem)
een borduurder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 45:15
40Voor de zonen van Aäron moet je onderkleden maken, en gordels en hoofdbanden voor hen maken, tot eer en tot sieraad.
וְלִבְנֵ֤י
(velivnei)
en voor de zonen van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je maken
כֻתֳּנֹ֔ת
(kutonot)
onderkleden
וְעָשִׂ֥יתָ
(veasita)
en maak
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
אַבְנֵטִ֑ים
(avnetim)
gordels
וּמִגְבָּעוֹת֙
(umigbaot)
en hoofdbanden
תַּעֲשֶׂ֣ה
(taase)
zul je maken
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
לְכָב֖וֹד
(lekhavod)
tot eer
וּלְתִפְאָֽרֶת
(uletifaret)
en tot sieraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Kleed daarmee Aäron, je broer, en zijn zonen met hem. Zalf hen, wijd hen in en heilig hen, zodat zij Mij als priesters dienen.
וְהִלְבַּשְׁתָּ֤
(vehilbashta)
en kleed
אֹתָם֙
(otam)
hen
אֶת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
אָחִ֔יךָ
(achikha)
je broer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וּמָשַׁחְתָּ֨
(umashachta)
en zalf
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
וּמִלֵּאתָ֧
(umileta)
en vul
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָ֛ם
(yadam)
hun hand
וְקִדַּשְׁתָּ֥
(veqidashta)
en heilig
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
וְכִהֲנ֥וּ
(vekhihanu)
en zij zullen priester zijn
לִֽי
(li)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמִלֵּאתָ אֶת־יָדָם (umillita et-yadam), letterlijk ‘vul hun hand’, betekent ‘wijd hen in’: het ambt wordt hun in de hand gelegd.

Zie Lev. 8.

Onderbroeken

42Maak voor hen linnen onderbroeken om hun naaktheid te bedekken; ze moeten reiken van de heupen tot de dijen.
וַעֲשֵׂ֤ה
(vaase)
en maak
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
מִכְנְסֵי
(mikhnesei)
onderbroeken van
בָ֔ד
(bad)
linnen
לְכַסּ֖וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
עֶרְוָ֑ה
(erva)
naaktheid
מִמָּתְנַ֥יִם
(mimatenayim)
van de heupen
וְעַד
(vead)
en tot
יְרֵכַ֖יִם
(yerekhayim)
dijen
יִהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Linnen onderbroeken: zie ook 20:26, waar naaktheid bij het altaar wordt vermeden.

43Aäron en zijn zonen moeten ze dragen wanneer zij de tent van samenkomst binnengaan of het altaar naderen om in het heiligdom te dienen, zodat zij geen schuld op zich laden en sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor hem en voor zijn nageslacht na hem.
וְהָיוּ֩
(vehayu)
en zullen zijn
עַל
(al)
op
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
וְעַל
(veal)
en op
בָּנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
בְּבֹאָ֣ם
(bevoam)
bij hun binnenkomen
אֶל
(el)
in
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֗ד
(moed)
samenkomst
א֣וֹ
(o)
of
בְגִשְׁתָּ֤ם
(begishtam)
bij hun naderen
אֶל
(el)
tot
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
לְשָׁרֵ֣ת
(lesharet)
om te dienen
בַּקֹּ֔דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
וְלֹא
(velo)
en niet
יִשְׂא֥וּ
(yisu)
dragen zij
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
וָמֵ֑תוּ
(vametu)
en sterven zij
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָ֛ם
(olam)
eeuwigheid
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
וּלְזַרְע֥וֹ
(ulezaro)
en voor zijn nageslacht
אַחֲרָֽיו
(acharav)
na hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Lev. 8; 16:4.