Elohim Bijbel

Ezechiël 22

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De stad van bloed, het huis van Israël als slakken en niemand in de bres

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De stad van bloed

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„En jij, mensenkind, wil je oordelen, wil je oordelen over de stad van bloed? Maak haar al haar gruwelen bekend.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
הֲתִשְׁפֹּ֥ט
(hatishpot)
wil je oordelen
הֲתִשְׁפֹּ֖ט
(hatishpot)
wil je oordelen
אֶת
(et)
(obj.)
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַדָּמִ֑ים
(hadamim)
het bloed
וְה֣וֹדַעְתָּ֔הּ
(vehodatah)
en maak haar bekend
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבוֹתֶֽיהָ
(toavoteiha)
haar gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲתִשְׁפֹּט הֲתִשְׁפֹּט (hatishpot hatishpot), ‘wil je oordelen, wil je oordelen?’: een vraag die om een besluit vraagt.

Dezelfde vraag staat in Ezech. 20:4 en 23:36.

עִיר הַדָּמִים (ir haddamim), ‘stad van bloed’: het meervoud ‘bloeden’ staat voor vergoten bloed, bloedschuld. Zo ook Nah. 3:1.

3Zeg: ‘Zo zegt Heer Yahweh: Stad die in haar midden bloed vergiet, zodat haar tijd komt! Stad die mestgoden tegen zichzelf maakt om zich onrein te maken!
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עִ֣יר
(ir)
stad
שֹׁפֶ֥כֶת
(shofekhet)
vergietend
דָּ֛ם
(dam)
bloed
בְּתוֹכָ֖הּ
(betokhah)
in haar midden
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
עִתָּ֑הּ
(itah)
haar tijd
וְעָשְׂתָ֧ה
(veaseta)
en maakt
גִלּוּלִ֛ים
(gilulim)
mestgoden
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen zichzelf
לְטָמְאָֽה
(letamea)
om onrein te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4.

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: een spottende naam voor afgodsbeelden, waarschijnlijk verwant aan het woord voor ‘mest’. Zie ook Ezech. 6:4.

עִתָּהּ (ittah), ‘haar tijd’: de tijd van haar oordeel.

4Door je bloed dat je hebt vergoten, ben je schuldig geworden. Door je mestgoden die je hebt gemaakt, ben je onrein geworden. Je hebt je dagen dichterbij gebracht en je bent aan het einde van je jaren gekomen. Daarom maak Ik je tot een smaad voor de volken en een bespotting voor alle landen.
בְּדָמֵ֨ךְ
(bedamekh)
door je bloed
אֲשֶׁר
(asher)
dat
שָׁפַ֜כְתְּ
(shafakht)
je hebt vergoten
אָשַׁ֗מְתְּ
(ashamt)
je bent schuldig geworden
וּבְגִלּוּלַ֤יִךְ
(uvegilulayikh)
en door je mestgoden
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂית֙
(asit)
je hebt gemaakt
טָמֵ֔את
(tamet)
je bent onrein geworden
וַתַּקְרִ֣יבִי
(vataqrivi)
en je hebt dichterbij gebracht
יָמַ֔יִךְ
(yamayikh)
je dagen
וַתָּב֖וֹא
(vatavo)
en je bent gekomen
עַד
(ad)
tot
שְׁנוֹתָ֑יִךְ
(shenotayikh)
je jaren
עַל
(al)
op
כֵּ֗ן
(ken)
zo (daarom)
נְתַתִּ֤יךְ
(netatikh)
Ik heb gemaakt jou
חֶרְפָּה֙
(cherpa)
smaad
לַגּוֹיִ֔ם
(lagoyim)
voor de volken
וְקַלָּסָ֖ה
(veqalasa)
en bespotting
לְכָל
(lekhal)
voor alle
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’, en קַלָּסָה (qallasah), ‘bespotting’: twee woorden voor de spot van de volken.

5De nabije en de verre landen zullen je bespotten, jij die onrein bent van naam en vol van verwarring.
הַקְּרֹב֛וֹת
(haqerovot)
de nabije
וְהָרְחֹק֥וֹת
(veharechoqot)
en de verre
מִמֵּ֖ךְ
(mimekh)
van jou
יִתְקַלְּסוּ
(yitqalesu)
zullen bespotten
בָ֑ךְ
(bakh)
jou
טְמֵאַ֣ת
(temeat)
onrein van
הַשֵּׁ֔ם
(hashem)
de naam
רַבַּ֖ת
(rabat)
groot van
הַמְּהוּמָֽה
(hamehuma)
de verwarring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקְּרֹבוֹת וְהָרְחֹקוֹת (haqrovot veharchoqot), ‘de nabije en de verre’: beide woorden zijn vrouwelijk meervoud.

Wij vullen ‘landen’ aan uit vers 4.

טְמֵאַת הַשֵּׁם (temeat hashem), ‘onrein van naam’: haar naam is bezoedeld.

6Zie, de vorsten van Israël zijn in jou, ieder met zijn eigen kracht, om bloed te vergieten.
הִנֵּה֙
(hine)
zie
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
vorsten van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אִ֥ישׁ
(ish)
man
לִזְרֹע֖וֹ
(lizroo)
met zijn arm
הָ֣יוּ
(hayu)
zijn geweest
בָ֑ךְ
(bakh)
in jou
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
שְׁפָךְ
(shefakh)
te vergieten
דָּֽם
(dam)
bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִזְרֹעוֹ (lizro’o), ‘met zijn eigen kracht’: letterlijk ‘naar zijn arm’.

De arm staat voor macht.

7Vader en moeder hebben zij in jou geminacht. De vreemdeling hebben zij midden in je met afpersing behandeld. Wees en weduwe hebben zij in jou onderdrukt.
אָ֤ב
(av)
vader
וָאֵם֙
(vaem)
en moeder
הֵקַ֣לּוּ
(heqalu)
hebben geminacht
בָ֔ךְ
(bakh)
in jou
לַגֵּ֛ר
(lager)
de vreemdeling
עָשׂ֥וּ
(asu)
hebben gedaan
בַעֹ֖שֶׁק
(baosheq)
met afpersing
בְּתוֹכֵ֑ךְ
(betokhekh)
in je midden
יָת֥וֹם
(yatom)
wees
וְאַלְמָנָ֖ה
(vealmana)
en weduwe
ה֥וֹנוּ
(honu)
hebben onderdrukt
בָֽךְ
(bakh)
in jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers noemt de zwakken die Yahweh beschermt: de ouders, de vreemdeling, de wees en de weduwe.

Vergelijk Exod. 22:20–21 en Deut. 27:16–19.

8Mijn heilige dingen heb je veracht en Mijn sabbatten heb je ontheiligd.
קָדָשַׁ֖י
(qadashay)
Mijn heilige dingen
בָּזִ֑ית
(bazit)
je hebt veracht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
חִלָּֽלְתְּ
(chilalt)
je hebt ontheiligd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדָשַׁי (qodashai), ‘Mijn heilige dingen’: alles wat bij Yahweh’s heiligdom en dienst hoort.

Zie ook Ezech. 20:12 over de sabbatten.

9Roddelaars zijn er in jou geweest, om bloed te vergieten. Op de bergen hebben zij in jou gegeten. Schanddaden hebben zij midden in je gepleegd.
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
רָכִ֛יל
(rakhil)
roddel
הָ֥יוּ
(hayu)
zijn geweest
בָ֖ךְ
(bakh)
in jou
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
שְׁפָךְ
(shefakh)
te vergieten
דָּ֑ם
(dam)
bloed
וְאֶל
(veel)
en op
הֶֽהָרִים֙
(heharim)
de bergen
אָ֣כְלוּ
(akhelu)
hebben gegeten
בָ֔ךְ
(bakh)
in jou
זִמָּ֖ה
(zima)
schanddaad
עָשׂ֥וּ
(asu)
hebben gedaan
בְתוֹכֵֽךְ
(betokhekh)
in je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַנְשֵׁי רָכִיל (anshei rakhil), ‘roddelaars’: letterlijk ‘mannen van roddel’, zoals in Lev. 19:16.

Hier leidt de roddel tot bloedvergieten.

Op de bergen eten: offermaaltijden bij afgodsaltaren, zoals in Ezech. 18:6.

זִמָּה (zimmah), ‘schanddaad’: zoals in Lev. 18:17.

10De naaktheid van een vader hebben zij in jou ontbloot. De vrouw die onrein is door haar maandstonden hebben zij in jou geweld aangedaan.
עֶרְוַת
(ervat)
naaktheid van
אָ֖ב
(av)
vader
גִּלָּה
(gila)
heeft ontbloot
בָ֑ךְ
(bakh)
in jou
טְמֵאַ֥ת
(temeat)
onrein van
הַנִּדָּ֖ה
(hanida)
de maandstonden
עִנּוּ
(inu)
hebben geweld aangedaan
בָֽךְ
(bakh)
in jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers en de volgende noemen verboden verbintenissen.

Vergelijk Lev. 18:7–9 en 18:19.

נִדָּה (niddah), ‘maandstonden’: zie Lev. 15:19–24.

עִנּוּ (innu), ‘geweld aangedaan’: het werkwoord betekent ook ‘vernederen, onteren’, zoals in Gen. 34:2.

11De een heeft een gruwel gedaan met de vrouw van zijn naaste. Een ander heeft zijn schoondochter onrein gemaakt door een schanddaad. Weer een ander heeft in jou zijn zus, de dochter van zijn vader, geweld aangedaan.
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en een man
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
רֵעֵ֗הוּ
(reehu)
zijn naaste
עָשָׂה֙
(asa)
heeft gedaan
תּֽוֹעֵבָ֔ה
(toeva)
gruwel
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man
אֶת
(et)
(obj.)
כַּלָּת֖וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
טִמֵּ֣א
(time)
heeft onrein gemaakt
בְזִמָּ֑ה
(bezima)
met schanddaad
וְאִ֛ישׁ
(veish)
en een man
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֹת֥וֹ
(achoto)
zijn zus
בַת
(bat)
dochter van
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
עִנָּה
(ina)
heeft geweld aangedaan
בָֽךְ
(bakh)
in jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wij vertalen het herhaalde ‘een man’ met ‘de een’, ‘een ander’ en ‘weer een ander’.

Vergelijk Lev. 18:9, 18:15 en 18:20.

12Zij hebben in jou steekpenningen aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst heb je genomen, en je hebt je naasten met onderdrukking afgeperst. En Mij heb je vergeten, godsspraak van Heer Yahweh.
שֹׁ֥חַד
(shochad)
steekpenning
לָֽקְחוּ
(laqechu)
hebben genomen
בָ֖ךְ
(bakh)
in jou
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
שְׁפָךְ
(shefakh)
te vergieten
דָּ֑ם
(dam)
bloed
נֶ֧שֶׁךְ
(neshekh)
rente
וְתַרְבִּ֣ית
(vetarbit)
en winst
לָקַ֗חַתְּ
(laqachat)
je hebt genomen
וַתְּבַצְּעִ֤י
(vatevatsei)
en je hebt afgeperst
רֵעַ֨יִךְ֙
(reayikh)
je naasten
בַּעֹ֔שֶׁק
(baosheq)
met onderdrukking
וְאֹתִ֣י
(veoti)
en Mij
שָׁכַ֔חַתְּ
(shakhachat)
je hebt vergeten
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: vergelijk Exod. 23:8.

נֶשֶׁךְ וְתַרְבִּית (neshech vetarbit), ‘rente en winst’: vergelijk Lev. 25:36.

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11.

13Zie, Ik klap in Mijn handen om het oneerlijke gewin dat je hebt behaald, en om je bloed dat in je midden was.
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
הִכֵּ֣יתִי
(hikeiti)
Ik heb geslagen
כַפִּ֔י
(kapi)
Mijn handpalm
אֶל
(el)
op
בִּצְעֵ֖ךְ
(bitsekh)
je oneerlijk gewin
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשִׂ֑ית
(asit)
je hebt gedaan
וְעַ֨ל
(veal)
en op
דָּמֵ֔ךְ
(damekh)
je bloed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הָי֖וּ
(hayu)
was
בְּתוֹכֵֽךְ
(betokhekh)
in je midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִכֵּיתִי כַפִּי (hikkiti khappi), ‘Ik klap in Mijn handen’: letterlijk ‘Ik sla Mijn handpalm’.

Een gebaar van woede of afkeuring, zoals in Ezech. 21:19 en 21:22.

בֶּצַע (betsa), ‘oneerlijk gewin’: het woord staat ook in vers 27.

14Zal je hart standhouden? Zullen je handen sterk zijn in de dagen dat Ik met je afreken? Ik, Yahweh, heb gesproken en Ik zal het doen.
הֲיַעֲמֹ֤ד
(hayaamod)
zal standhouden
לִבֵּךְ֙
(libekh)
je hart
אִם
(im)
of
תֶּחֱזַ֣קְנָה
(techezaqna)
zullen sterk zijn
יָדַ֔יִךְ
(yadayikh)
je handen
לַיָּמִ֕ים
(layamim)
in de dagen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֣ה
(ose)
handel
אוֹתָ֑ךְ
(otakh)
met jou
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
וְעָשִֽׂיתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vragen in dit vers verwachten het antwoord ‘nee’: haar hart en haar handen zullen niet standhouden.

15Ik zal je onder de volken verspreiden en je over de landen verstrooien. Ik zal een einde maken aan je onreinheid, weg uit jou.
וַהֲפִיצוֹתִ֤י
(vahafitsoti)
en Ik zal verspreiden
אוֹתָךְ֙
(otakh)
jou
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וְזֵרִיתִ֖יךְ
(vezeritikh)
en Ik zal verstrooien jou
בָּאֲרָצ֑וֹת
(baaratsot)
over de landen
וַהֲתִמֹּתִ֥י
(vahatimoti)
en Ik zal een einde maken
טֻמְאָתֵ֖ךְ
(tumatekh)
je onreinheid
מִמֵּֽךְ
(mimekh)
uit jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲתִמֹּתִי (hatimmoti), ‘Ik zal een einde maken’: van het werkwoord תָּמַם (tamam), ‘voleindigd zijn’.

16Je zult door jezelf ontheiligd worden voor de ogen van de volken. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.’”
וְנִחַ֥לְתְּ
(venichalt)
en je zult ontheiligd worden
בָּ֖ךְ
(bakh)
in jou
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
גוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וְיָדַ֖עַתְּ
(veyadaat)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִחַלְתְּ (venichalt), ‘je zult ontheiligd worden’: het woord kan van חָלַל (chalal), ‘ontheiligen’, komen of van נָחַל (nachal), ‘in bezit nemen’.

Wij kiezen ‘ontheiligd worden’.

Het sluit aan bij vers 8 en 26.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het huis van Israël als slakken

17Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18„Mensenkind, het huis van Israël is voor Mij tot slakken geworden. Zij allemaal zijn koper, tin, ijzer en lood midden in de smeltoven. Slakken van zilver zijn zij geworden.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הָיוּ
(hayu)
zijn geworden
לִ֥י
(li)
voor Mij
בֵֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְסִ֑יג
(lesig)
tot slakken
כֻּלָּ֡ם
(kulam)
allemaal
נְ֠חֹשֶׁת
(nechoshet)
koper
וּבְדִ֨יל
(uvedil)
en tin
וּבַרְזֶ֤ל
(uvarzel)
en ijzer
וְעוֹפֶ֨רֶת֙
(veoferet)
en lood
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
כּ֔וּר
(kur)
oven
סִגִ֥ים
(sigim)
slakken van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
הָיֽוּ
(hayu)
zijn geworden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סִיג (sig), ‘slakken’: het afval dat bij het smelten van edel metaal bovenkomt en weggegooid wordt.

Vergelijk Jes. 1:22 en 1:25.

Het volk dat Yahweh als zilver zag, is slakken geworden.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) van ‘tot slakken’ heeft een andere klinkerletter dan de voorgelezen tekst (qere).

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

19Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Omdat jullie allemaal slakken zijn geworden, daarom, zie, verzamel Ik jullie midden in Jeruzalem.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
הֱי֥וֹת
(heyot)
worden
כֻּלְּכֶ֖ם
(kulekhem)
jullie allemaal
לְסִגִ֑ים
(lesigim)
tot slakken
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie, Ik
קֹבֵ֣ץ
(qovets)
verzamel
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
תּ֖וֹךְ
(tokh)
midden van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Hier begint een oordeelswoord in de rede van Yahweh.

De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; wat volgt, is rood.

20Men verzamelt zilver, koper, ijzer, lood en tin midden in de oven, om er vuur op te blazen en het te smelten. Zo zal Ik jullie verzamelen in Mijn toorn en in Mijn woede. Ik zal jullie neerleggen en jullie smelten.
קְבֻ֣צַת
(qevutsat)
zoals het verzamelen van
כֶּ֡סֶף
(kesef)
zilver
וּ֠נְחֹשֶׁת
(unechoshet)
en koper
וּבַרְזֶ֨ל
(uvarzel)
en ijzer
וְעוֹפֶ֤רֶת
(veoferet)
en lood
וּבְדִיל֙
(uvedil)
en tin
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹךְ
(tokh)
midden van
כּ֔וּר
(kur)
oven
לָפַֽחַת
(lafachat)
om te blazen
עָלָ֥יו
(alav)
op het
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
לְהַנְתִּ֑יךְ
(lehantikh)
om te smelten
כֵּ֤ן
(ken)
zo
אֶקְבֹּץ֙
(eqbots)
Ik zal verzamelen
בְּאַפִּ֣י
(beapi)
in Mijn toorn
וּבַחֲמָתִ֔י
(uvachamati)
en in Mijn woede
וְהִנַּחְתִּ֥י
(vehinachti)
en Ik zal neerleggen
וְהִתַּכְתִּ֖י
(vehitakhti)
en Ik zal smelten
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wij vertalen in dit hoofdstuk אַף (af) als ‘toorn’, חֵמָה (chemah) als ‘woede’, עֶבְרָה (evrah) als ‘grimmigheid’ en זַעַם (za’am) als ‘verontwaardiging’.

21Ik zal jullie bijeenbrengen en het vuur van Mijn grimmigheid op jullie blazen. Dan zullen jullie daarin gesmolten worden.
וְכִנַּסְתִּ֣י
(vekhinasti)
en Ik zal bijeenbrengen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְנָפַחְתִּ֥י
(venafachti)
en Ik zal blazen
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
op jullie
בְּאֵ֣שׁ
(beesh)
met vuur van
עֶבְרָתִ֑י
(evrati)
Mijn grimmigheid
וְנִתַּכְתֶּ֖ם
(venitakhtem)
en jullie zullen gesmolten worden
בְּתוֹכָֽהּ
(betokhah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zoals zilver midden in de oven gesmolten wordt, zo zullen jullie daarin gesmolten worden. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, Mijn woede over jullie heb uitgegoten.”
כְּהִתּ֥וּךְ
(kehitukh)
zoals het smelten van
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
כּ֔וּר
(kur)
oven
כֵּ֖ן
(ken)
zo
תֻּתְּכ֣וּ
(tutekhu)
zullen jullie gesmolten worden
בְתוֹכָ֑הּ
(betokhah)
daarin
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁפַ֥כְתִּי
(shafakhti)
heb uitgegoten
חֲמָתִ֖י
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het land zonder reiniging

23Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24„Mensenkind, zeg tegen haar: ‘Jij bent een land dat niet gereinigd is, dat op de dag van de verontwaardiging niet beregend is.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
אֱמָר
(emar)
zeg
לָ֕הּ
(lah)
tegen haar
אַ֣תְּ
(at)
jij
אֶ֔רֶץ
(erets)
land
לֹ֥א
(lo)
niet
מְטֹהָרָ֖ה
(metohara)
gereinigd
הִ֑יא
(hi)
zij
לֹ֥א
(lo)
niet
גֻשְׁמָ֖הּ
(gushmah)
beregend
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
זָֽעַם
(zaam)
verontwaardiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְטֹהָרָה (metohara), ‘gereinigd’, en גֻשְׁמָהּ (gushmah), ‘beregend’: van het woord voor ‘regen’ (geshem).

Het land is niet schoongewassen door regen.

זַעַם (za’am), ‘verontwaardiging’: de dag van Yahweh’s oordeel.

25De samenzwering van haar profeten, midden in haar, is als een brullende leeuw die prooi verscheurt. Zij verslinden zielen. Zij nemen rijkdom en kostbaarheden. Zij maken haar weduwen talrijk, midden in haar.
קֶ֤שֶׁר
(qesher)
samenzwering van
נְבִיאֶ֨יהָ֙
(nevieiha)
haar profeten
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
כַּאֲרִ֥י
(kaari)
als een leeuw
שׁוֹאֵ֖ג
(shoeg)
brullend
טֹ֣רֵֽף
(toref)
verscheurend
טָ֑רֶף
(taref)
prooi
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
zielen
אָכָ֗לוּ
(akhalu)
hebben verslonden
חֹ֤סֶן
(chosen)
rijkdom
וִיקָר֙
(viqar)
en kostbaarheid
יִקָּ֔חוּ
(yiqachu)
nemen zij
אַלְמְנוֹתֶ֖יהָ
(almenoteiha)
haar weduwen
הִרְבּ֥וּ
(hirbu)
hebben vermenigvuldigd
בְתוֹכָֽהּ
(betokhah)
in haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: een bond, een samenspanning.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de mens als levend wezen. Het woord kan ook ‘leven’ of ‘persoon’ betekenen; wij houden ‘ziel’.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

26Haar priesters doen geweld aan Mijn wet en ontheiligen Mijn heilige dingen. Zij maken geen onderscheid tussen heilig en onheilig. Zij laten niet weten wat het verschil is tussen onrein en rein. Voor Mijn sabbatten verbergen zij hun ogen, en Ik word in hun midden ontheiligd.
כֹּהֲנֶ֜יהָ
(kohaneiha)
haar priesters
חָמְס֣וּ
(chamesu)
hebben geweld gedaan aan
תוֹרָתִי֮
(torati)
Mijn wet
וַיְחַלְּל֣וּ
(vaychalelu)
en ontheiligen
קָדָשַׁי֒
(qadashay)
Mijn heilige dingen
בֵּֽין
(bein)
tussen
קֹ֤דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לְחֹל֙
(lechol)
en onheilig
לֹ֣א
(lo)
niet
הִבְדִּ֔ילוּ
(hivdilu)
maken zij onderscheid
וּבֵין
(uvein)
en tussen
הַטָּמֵ֥א
(hatame)
het onreine
לְטָה֖וֹר
(letahor)
en het reine
לֹ֣א
(lo)
niet
הוֹדִ֑יעוּ
(hodiu)
laten zij weten
וּמִשַׁבְּתוֹתַי֙
(umishabetotay)
en voor Mijn sabbatten
הֶעְלִ֣ימוּ
(helimu)
verbergen zij
עֵֽינֵיהֶ֔ם
(eineihem)
hun ogen
וָאֵחַ֖ל
(vaechal)
en Ik word ontheiligd
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

De priesters moesten het verschil tussen heilig en onheilig, onrein en rein leren; zie Lev. 10:10–11.

וָאֵחַל (va’echal), ‘en Ik word ontheiligd’: Yahweh wordt in hun midden ontheiligd.

27Haar oversten in haar midden zijn als wolven die prooi verscheuren: zij vergieten bloed en vernietigen zielen om oneerlijk gewin te behalen.
שָׂרֶ֣יהָ
(sareiha)
haar oversten
בְקִרְבָּ֔הּ
(beqirbah)
in haar midden
כִּזְאֵבִ֖ים
(kizevim)
als wolven
טֹ֣רְפֵי
(torefei)
verscheurend van
טָ֑רֶף
(taref)
prooi
לִשְׁפָּךְ
(lishpakh)
om te vergieten
דָּם֙
(dam)
bloed
לְאַבֵּ֣ד
(leabed)
om te vernietigen
נְפָשׁ֔וֹת
(nefashot)
zielen
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
בְּצֹ֥עַ
(betsoa)
te behalen
בָּֽצַע
(batsa)
winst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרֶיהָ (sareha), ‘haar oversten’: de leiders van de stad.

28En haar profeten smeren er voor hen pleisterkalk op. Zij zien leegte en waarzeggen leugen. Zij zeggen: ‘Zo zegt Heer Yahweh’, terwijl Yahweh niet heeft gesproken.
וּנְבִיאֶ֗יהָ
(unevieiha)
en haar profeten
טָח֤וּ
(tachu)
hebben besmeerd
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
תָּפֵ֔ל
(tafel)
pleisterkalk
חֹזִ֣ים
(chozim)
zienend
שָׁ֔וְא
(shave)
leegte
וְקֹסְמִ֥ים
(veqosemim)
en waarzeggend
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כָּזָ֑ב
(kazav)
leugen
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zeggend
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
דִבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טָחוּ לָהֶם תָּפֵל (tachu lahem tafel), ‘zij smeren er voor hen pleisterkalk op’: een slecht gebouwde muur wordt met kalk bestreken zodat hij sterk lijkt.

Zie Ezech. 13:10–15.

29Het volk van het land heeft afpersing gepleegd en roof begaan. De arme en de behoeftige hebben zij onderdrukt, en de vreemdeling hebben zij afgeperst zonder recht.
עַ֤ם
(am)
volk van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
עָ֣שְׁקוּ
(ashequ)
hebben gepleegd
עֹ֔שֶׁק
(osheq)
afpersing
וְגָזְל֖וּ
(vegazelu)
en hebben beroofd
גָּזֵ֑ל
(gazel)
roof
וְעָנִ֤י
(veani)
en arme
וְאֶבְיוֹן֙
(veevyon)
en behoeftige
הוֹנ֔וּ
(honu)
hebben onderdrukt
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגֵּ֥ר
(hager)
de vreemdeling
עָשְׁק֖וּ
(ashequ)
hebben afgeperst
בְּלֹ֥א
(belo)
zonder
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de bevolking van het land.

Vergelijk 2 Kon. 25:3.

Niemand in de bres

30Ik zocht onder hen een man die een muur zou bouwen. Hij moest voor Mij in de bres staan voor het land, zodat Ik het niet zou verwoesten. Maar Ik heb niemand gevonden.
וָאֲבַקֵּ֣שׁ
(vaavaqesh)
en Ik zocht
מֵהֶ֡ם
(mehem)
onder hen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
גֹּֽדֵר
(goder)
bouwend
גָּדֵר֩
(gader)
muur
וְעֹמֵ֨ד
(veomed)
en staand
בַּפֶּ֧רֶץ
(baperets)
in de bres
לְפָנַ֛י
(lefanay)
voor Mij
בְּעַ֥ד
(bead)
voor
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְבִלְתִּ֣י
(levilti)
opdat niet
שַׁחֲתָ֑הּ
(shachatah)
Ik het verwoest
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
מָצָֽאתִי
(matsati)
Ik vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het beeld is een muur met een bres.

Een man moest in de bres staan om de stad te verdedigen.

Vergelijk Ps. 106:23.

31En Ik heb Mijn verontwaardiging over hen uitgegoten. Met het vuur van Mijn grimmigheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun hoofd gebracht, godsspraak van Heer Yahweh.”
וָאֶשְׁפֹּ֤ךְ
(vaeshpokh)
en Ik goot uit
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
זַעְמִ֔י
(zami)
Mijn verontwaardiging
בְּאֵ֥שׁ
(beesh)
in het vuur van
עֶבְרָתִ֖י
(evrati)
Mijn grimmigheid
כִּלִּיתִ֑ים
(kilitim)
heb Ik hen een einde gemaakt
דַּרְכָּם֙
(darkam)
hun weg
בְּרֹאשָׁ֣ם
(berosham)
op hun hoofd
נָתַ֔תִּי
(natati)
heb Ik gebracht
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf het vorige vers staat het Hebreeuws in de verleden tijd: het oordeel wordt als al gebeurd verteld.

Wij volgen dat.