Elohim Bijbel

Deuteronomium 28

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Zegen en vloek

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zegen bij gehoorzaamheid

1Wanneer je goed luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim, en al Zijn geboden die ik je vandaag geef, houdt en doet. Dan zal Yahweh, je Elohim, je hoger stellen dan alle volken van de aarde.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
שָׁמ֤וֹעַ
(shamoa)
goed luisteren
תִּשְׁמַע֙
(tishma)
je zult luisteren
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לִשְׁמֹ֤ר
(lishmor)
om te houden
לַעֲשׂוֹת֙
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִצְוֺתָ֔יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֖
(metsavekha)
gebied je
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וּנְתָ֨נְךָ֜
(unetanekha)
en zal je maken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
je Elohim
עֶלְי֔וֹן
(elyon)
hoog
עַ֖ל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk is de zegen (vers 1–14) en de vloek (vers 15–68) bij het verbond.

Het loopt parallel met Lev. 26:3–45; vergelijk de beelden en woorden daar.

2Al deze zegeningen zullen over je komen en je inhalen, wanneer je luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim:
וּבָ֧אוּ
(uvau)
en zullen komen
עָלֶ֛יךָ
(aleikha)
over je
כָּל
(kal)
alle
הַבְּרָכ֥וֹת
(haberakhot)
de zegeningen
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
וְהִשִּׂיגֻ֑ךָ
(vehisigukha)
en zullen je inhalen
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תִשְׁמַ֔ע
(tishma)
je luistert
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Gezegend ben je in de stad en gezegend ben je op het veld.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בָּעִ֑יר
(bair)
in de stad
וּבָר֥וּךְ
(uvarukh)
en gezegend
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
op het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Gezegend is de vrucht van je schoot, de vrucht van je grond en de vrucht van je vee. Dit zijn het jong van je runderen en de jongen van je kleinvee.
בָּר֧וּךְ
(barukh)
gezegend
פְּרִֽי
(peri)
vrucht van
בִטְנְךָ֛
(bitnekha)
je schoot
וּפְרִ֥י
(uferi)
en vrucht van
אַדְמָתְךָ֖
(admatekha)
je grond
וּפְרִ֣י
(uferi)
en vrucht van
בְהֶמְתֶּ֑ךָ
(behemtekha)
je vee
שְׁגַ֥ר
(shegar)
jong van
אֲלָפֶ֖יךָ
(alafeikha)
je runderen
וְעַשְׁתְּר֥וֹת
(veashterot)
en jongen van
צֹאנֶֽךָ
(tsonekha)
je kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁגַר (sheger), ‘jong’ van de runderen, en עַשְׁתְּרוֹת (ashterot), ‘jongen’ van het kleinvee: beide woorden betekenen de nakomelingen van het vee.

Zo ook in vers 18 en 51.

5Gezegend zijn je mand en je baktrog.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
טַנְאֲךָ֖
(tanakha)
je mand
וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ
(umishartekha)
en je baktrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁאֶרֶת (mish’eret), ‘baktrog’: waarin het deeg wordt gekneed (Exod. 12:34).

Zie ookEx 12:34
6Gezegend ben je wanneer je binnenkomt en gezegend ben je wanneer je uitgaat.
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בְּבֹאֶ֑ךָ
(bevoekha)
bij je binnenkomen
וּבָר֥וּךְ
(uvarukh)
en gezegend
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בְּצֵאתֶֽךָ
(betsetekha)
bij je uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Yahweh zal je vijanden die tegen je opstaan, verslagen laten worden voor je. Langs één weg zullen ze naar je uittrekken en langs zeven wegen zullen ze voor je vluchten.
יִתֵּ֨ן
(yiten)
zal geven
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֶ֨יךָ֙
(oyeveikha)
je vijanden
הַקָּמִ֣ים
(haqamim)
die opstaan
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
tegen je
נִגָּפִ֖ים
(nigafim)
verslagen
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
langs weg
אֶחָד֙
(echad)
één
יֵצְא֣וּ
(yetseu)
zullen uittrekken
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
וּבְשִׁבְעָ֥ה
(uveshiva)
en langs zeven
דְרָכִ֖ים
(derakhim)
wegen
יָנ֥וּסוּ
(yanusu)
zullen vluchten
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh zal de zegen gebieden om bij je te zijn, in je voorraadschuren en in alles wat je ter hand neemt. Hij zal je zegenen in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft.
יְצַ֨ו
(yetsav)
zal gebieden
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אִתְּךָ֙
(itekha)
met je
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּרָכָ֔ה
(haberakha)
de zegen
בַּאֲסָמֶ֕יךָ
(baasameikha)
in je voorraadschuren
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in alles
מִשְׁלַ֣ח
(mishlach)
uitstrekken van
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
je hand
וּבֵ֣רַכְךָ֔
(uverakhkha)
en zal je zegenen
בָּאָ֕רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽךְ
(lakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲסָמִים (asamim), ‘voorraadschuren’: plaatsen waar de oogst wordt bewaard.

9Yahweh zal je voor Zich oprichten als een heilig volk, zoals Hij je gezworen heeft. Dat geldt wanneer je de geboden van Yahweh, je Elohim, houdt en in Zijn wegen wandelt.
יְקִֽימְךָ֨
(yeqimekha)
zal oprichten je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לוֹ֙
(lo)
voor Zich
לְעַ֣ם
(leam)
tot volk
קָד֔וֹשׁ
(qadosh)
heilig
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
נִֽשְׁבַּֽע
(nishba)
Hij zwoer
לָ֑ךְ
(lakh)
aan je
כִּ֣י
(ki)
want
תִשְׁמֹ֗ר
(tishmor)
je houdt
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺת֙
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְהָלַכְתָּ֖
(vehalakhta)
en je wandelt
בִּדְרָכָֽיו
(bidrakhav)
in Zijn wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Exod. 19:5–6 en Deut. 26:18–19.

10Alle volken van de aarde zullen zien dat de naam van Yahweh over je is uitgeroepen, en zij zullen bang voor je zijn.
וְרָאוּ֙
(verau)
en zullen zien
כָּל
(kal)
alle
עַמֵּ֣י
(amei)
volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֛י
(ki)
dat
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נִקְרָ֣א
(niqra)
is uitgeroepen
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
over je
וְיָֽרְא֖וּ
(veyareu)
en zullen vrezen
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
voor je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De naam van Yahweh is over je uitgeroepen’: de naam wordt over het volk uitgesproken, zoals bij de zegen in Num. 6:27.

11Yahweh zal je overvloed geven aan het goede: aan de vrucht van je schoot, de vrucht van je vee en de vrucht van je grond. Dat geldt op de grond die Yahweh aan je vaders gezworen heeft je te geven.
וְהוֹתִֽרְךָ֤
(vehotirkha)
en zal doen overvloeien je
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְטוֹבָ֔ה
(letova)
tot goed
בִּפְרִ֧י
(bifri)
in vrucht van
בִטְנְךָ֛
(bitnekha)
je schoot
וּבִפְרִ֥י
(uvifri)
en in vrucht van
בְהַמְתְּךָ֖
(behamtekha)
je vee
וּבִפְרִ֣י
(uvifri)
en in vrucht van
אַדְמָתֶ֑ךָ
(admatekha)
je grond
עַ֚ל
(al)
op
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֧ע
(nishba)
zwoer
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲבֹתֶ֖יךָ
(laavoteikha)
aan je vaders
לָ֥תֶת
(latet)
om te geven
לָֽךְ
(lakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Yahweh zal de goede schatkamer voor je openen, de hemel. Hij zal de regen van je land op zijn tijd geven en al het werk van je hand zegenen. Je zult aan veel volken lenen, maar zelf zul je niet lenen.
יִפְתַּ֣ח
(yiftach)
zal openen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לְ֠ךָ
(lekha)
voor je
אֶת
(et)
(obj.)
אוֹצָר֨וֹ
(otsaro)
Zijn schatkamer
הַטּ֜וֹב
(hatov)
de goede
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
לָתֵ֤ת
(latet)
om te geven
מְטַֽר
(metar)
regen van
אַרְצְךָ֙
(artsekha)
je land
בְּעִתּ֔וֹ
(beito)
op zijn tijd
וּלְבָרֵ֕ךְ
(ulevarekh)
en om te zegenen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מַעֲשֵׂ֣ה
(maase)
werk van
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
je hand
וְהִלְוִ֨יתָ֙
(vehilvita)
en je zult lenen
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִלְוֶֽה
(tilve)
zult lenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹצָר (otsar), ‘schatkamer’: hier de hemel, waaruit de regen komt.

Zie ook Deut. 15:6.

13Yahweh zal je tot het hoofd maken en niet tot de staart. Je zult alleen omhoog zijn en niet omlaag, wanneer je luistert naar de geboden van Yahweh, je Elohim, die ik je vandaag geef. Je moet ze houden en doen.
וּנְתָֽנְךָ֨
(unetanekha)
en zal je maken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְרֹאשׁ֙
(lerosh)
tot hoofd
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לְזָנָ֔ב
(lezanav)
tot staart
וְהָיִ֨יתָ֙
(vehayita)
en je zult zijn
רַ֣ק
(raq)
alleen
לְמַ֔עְלָה
(lemala)
omhoog
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִהְיֶ֖ה
(tihye)
je zult zijn
לְמָ֑טָּה
(lemata)
omlaag
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִשְׁמַ֞ע
(tishma)
je luistert
אֶל
(el)
naar
מִצְוֺ֣ת
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אָנֹכִ֧י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֛
(metsavekha)
gebied je
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
לִשְׁמֹ֥ר
(lishmor)
om te houden
וְלַעֲשֽׂוֹת
(velaasot)
en te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Je mag niet afwijken van alle woorden die ik je vandaag gebied, naar rechts of naar links. Je mag andere goden niet achterna gaan en ze niet dienen.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָס֗וּר
(tasur)
je zult afwijken
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַדְּבָרִים֙
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
ik
מְצַוֶּ֥ה
(metsave)
gebied
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
יָמִ֣ין
(yamin)
rechts
וּשְׂמֹ֑אול
(usemovl)
en links
לָלֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֖ים
(acherim)
andere
לְעָבְדָֽם
(leavedam)
om hen te dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vloek bij ongehoorzaamheid

15Maar als je niet luistert naar de stem van Yahweh, je Elohim. En als je niet al Zijn geboden en voorschriften, die ik je vandaag geef, houdt en doet. Dan zullen al deze vloeken over je komen en je inhalen:
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
תִשְׁמַע֙
(tishma)
je luistert
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לִשְׁמֹ֤ר
(lishmor)
om te houden
לַעֲשׂוֹת֙
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִצְוֺתָ֣יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
וְחֻקֹּתָ֔יו
(vechuqotav)
en Zijn voorschriften
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
מְצַוְּךָ֖
(metsavekha)
gebied je
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וּבָ֧אוּ
(uvau)
en zullen komen
עָלֶ֛יךָ
(aleikha)
over je
כָּל
(kal)
alle
הַקְּלָל֥וֹת
(haqelalot)
de vloeken
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
וְהִשִּׂיגֽוּךָ
(vehisigukha)
en zullen je inhalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier loopt de vloek parallel met Lev. 26:14–39: tering en koorts (Lev. 26:16), vluchten voor de vijanden (Lev. 26:17), een hemel van ijzer (Lev. 26:19), het zwaard (Lev. 26:25), het eten van het vlees van de zonen (Lev. 26:29) en de verstrooiing onder de volken (Lev. 26:33).

16Vervloekt ben je in de stad en vervloekt ben je op het veld.
אָר֥וּר
(arur)
vervloekt
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בָּעִ֑יר
(bair)
in de stad
וְאָר֥וּר
(vearur)
en vervloekt
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
op het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Vervloekt zijn je mand en je baktrog.
אָר֥וּר
(arur)
vervloekt
טַנְאֲךָ֖
(tanakha)
je mand
וּמִשְׁאַרְתֶּֽךָ
(umishartekha)
en je baktrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Vervloekt is de vrucht van je schoot en de vrucht van je grond, het jong van je runderen en de jongen van je kleinvee.
אָר֥וּר
(arur)
vervloekt
פְּרִֽי
(peri)
vrucht van
בִטְנְךָ֖
(bitnekha)
je schoot
וּפְרִ֣י
(uferi)
en vrucht van
אַדְמָתֶ֑ךָ
(admatekha)
je grond
שְׁגַ֥ר
(shegar)
jong van
אֲלָפֶ֖יךָ
(alafeikha)
je runderen
וְעַשְׁתְּר֥וֹת
(veashterot)
en jongen van
צֹאנֶֽךָ
(tsonekha)
je kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Vervloekt ben je wanneer je binnenkomt en vervloekt ben je wanneer je uitgaat.
אָר֥וּר
(arur)
vervloekt
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בְּבֹאֶ֑ךָ
(bevoekha)
bij je binnenkomen
וְאָר֥וּר
(vearur)
en vervloekt
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
בְּצֵאתֶֽךָ
(betsetekha)
bij je uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ziekte, droogte en nederlaag

20Yahweh zal de vloek, de verwarring en de bestraffing op je loslaten, in alles wat je ter hand neemt en doet. Dit duurt tot je verdelgd bent en snel omkomt. Dat komt door de slechtheid van je daden, waarmee je Mij verlaten hebt.
יְשַׁלַּ֣ח
(yeshalach)
zal zenden
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּ֠ךָ
(bekha)
in je
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּאֵרָ֤ה
(hameera)
de vloek
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּהוּמָה֙
(hamehuma)
de verwarring
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּגְעֶ֔רֶת
(hamigeret)
de bestraffing
בְּכָל
(bekhal)
in alles
מִשְׁלַ֥ח
(mishlach)
uitstrekken van
יָדְךָ֖
(yadekha)
je hand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תַּעֲשֶׂ֑ה
(taase)
je doet
עַ֣ד
(ad)
tot
הִשָּֽׁמֶדְךָ֤
(hishamedkha)
je verdelging
וְעַד
(vead)
en tot
אֲבָדְךָ֙
(avadekha)
je ondergang
מַהֵ֔ר
(maher)
snel
מִפְּנֵ֛י
(mipenei)
vanwege
רֹ֥עַ
(roa)
slechtheid van
מַֽעֲלָלֶ֖יךָ
(maalaleikha)
je daden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
עֲזַבְתָּֽנִי
(azavtani)
je Mij verliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְאֵרָה (me’erah), ‘vloek’; מְהוּמָה (mehumah), ‘verwarring’; מִגְעֶרֶת (mig’eret), ‘bestraffing’.

Lezing

Hier gaat de spreker over van Mozes naar Yahweh: ‘waarmee je Mij verlaten hebt’ (עֲזַבְתָּנִי, azavtani).

Wij volgen de Masoretische tekst en schrijven ‘Mij’ met een hoofdletter.

21Yahweh zal de pest aan je laten kleven. Dat duurt tot Hij je volledig weggenomen heeft van de grond die je ingaat om hem in bezit te nemen.
יַדְבֵּ֧ק
(yadbeq)
zal laten kleven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּךָ֖
(bekha)
aan je
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֑בֶר
(hadaver)
de pest
עַ֚ד
(ad)
tot
כַּלֹּת֣וֹ
(kaloto)
zijn volledig wegnemen
אֹֽתְךָ֔
(otekha)
je
מֵעַל֙
(meal)
van op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָא
(ba)
komt
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich verspreidt; zie ook Lev. 26:25.

22Yahweh zal je slaan met tering, koorts, ontsteking, gloeiende hitte, zwaard, korenbrand en meeldauw. Zij zullen je achtervolgen tot je omkomt.
יַכְּכָ֣ה
(yakekha)
zal slaan
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בַּשַּׁחֶ֨פֶת
(bashachefet)
met tering
וּבַקַּדַּ֜חַת
(uvaqadachat)
en met koorts
וּבַדַּלֶּ֗קֶת
(uvadaleqet)
en met ontsteking
וּבַֽחַרְחֻר֙
(uvacharchur)
en met gloeiende hitte
וּבַחֶ֔רֶב
(uvacherev)
en met zwaard
וּבַשִּׁדָּפ֖וֹן
(uvashidafon)
en met korenbrand
וּבַיֵּרָק֑וֹן
(uvayeraqon)
en met meeldauw
וּרְדָפ֖וּךָ
(uredafukha)
en zullen achtervolgen je
עַ֥ד
(ad)
tot
אָבְדֶֽךָ
(avedekha)
je ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁחֶפֶת (shachefet), ‘tering’, en קַדַּחַת (qaddachat), ‘koorts’: zoals in Lev. 26:16.

דַּלֶּקֶת (dalleqet), ‘ontsteking’; חַרְחֻר (charchur), ‘gloeiende hitte’.

שִׁדָּפוֹן (shiddafon) is ‘korenbrand’, het verschroeien van het graan, en יֵרָקוֹן (yeraqon) is ‘meeldauw’, de bleke verkleuring van het gewas; de precieze betekenis van beide woorden is niet helemaal zeker.

Lezing

בֶּחָרֶב (bechereb) lezen wij als ‘met zwaard’, zoals in Lev. 26:25.

Met andere klinkers kan het woord ‘droogte’ betekenen (בֶּחֳרֶב).

23De hemel boven je hoofd zal koper zijn en het land onder je ijzer.
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zullen zijn
שָׁמֶ֛יךָ
(shameikha)
je hemelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
boven
רֹאשְׁךָ֖
(roshkha)
je hoofd
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תַּחְתֶּ֖יךָ
(tachteikha)
onder je
בַּרְזֶֽל
(barzel)
ijzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Lev. 26:19: daar is de hemel van ijzer en het land van koper.

Hier is het omgekeerd.

24Yahweh zal van de regen van je land stof en zand maken. Uit de hemel zal het op je neerdalen, tot je verdelgd bent.
יִתֵּ֧ן
(yiten)
zal geven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מְטַ֥ר
(metar)
regen van
אַרְצְךָ֖
(artsekha)
je land
אָבָ֣ק
(avaq)
stof
וְעָפָ֑ר
(veafar)
en zand
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
יֵרֵ֣ד
(yered)
zal neerdalen
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
op je
עַ֖ד
(ad)
tot
הִשָּׁמְדָֽךְ
(hishamedakh)
je verdelging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Yahweh zal je verslagen laten worden voor je vijanden. Langs één weg zul je naar hen uittrekken en langs zeven wegen zul je voor hen vluchten. Je zult een schrikbeeld worden voor alle koninkrijken van de aarde.
יִתֶּנְךָ֨
(yitenkha)
zal je geven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
נִגָּף֮
(nigaf)
verslagen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אֹיְבֶיךָ֒
(oyeveikha)
je vijanden
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
langs weg
אֶחָד֙
(echad)
één
תֵּצֵ֣א
(tetse)
je zult uittrekken
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וּבְשִׁבְעָ֥ה
(uveshiva)
en langs zeven
דְרָכִ֖ים
(derakhim)
wegen
תָּנ֣וּס
(tanus)
je zult vluchten
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וְהָיִ֣יתָ
(vehayita)
en je zult worden
לְזַעֲוָ֔ה
(lezaava)
tot schrikbeeld
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Je lijk zal voedsel zijn voor alle vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde, en niemand zal ze wegjagen.
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
נִבְלָֽתְךָ֙
(nivlatekha)
je lijk
לְמַאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
לְכָל
(lekhal)
voor alle
ע֥וֹף
(of)
vogels van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֣ת
(ulevehemat)
en voor dier van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet is
מַחֲרִֽיד
(macharid)
wie wegjaagt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Yahweh zal je slaan met de zweer van Egypte, met gezwellen, schurft en jeuk, waarvan je niet genezen kunt worden.
יַכְּכָ֨ה
(yakekha)
zal slaan
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּשְׁחִ֤ין
(bishchin)
met zweer van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
וּבַטְּחֹרִ֔ים
(uvatechorim)
en met gezwellen
וּבַגָּרָ֖ב
(uvagarav)
en met schurft
וּבֶחָ֑רֶס
(uvechares)
en met jeuk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תוּכַ֖ל
(tukhal)
je kunt
לְהֵרָפֵֽא
(leherafe)
genezen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שְׁחִין מִצְרַיִם (shechin mitsrayim), ‘de zweer van Egypte’: de ziekte uit Exod. 9:9–11.

טְחֹרִים (techorim) zijn ‘gezwellen’; גָּרָב (garav), ‘schurft’, en חֶרֶס (cheres), ‘jeuk’; de betekenis van enkele van deze woorden is niet helemaal zeker.

28Yahweh zal je slaan met waanzin, blindheid en verbijstering van het hart.
יַכְּכָ֣ה
(yakekha)
zal slaan
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשִׁגָּע֖וֹן
(beshigaon)
met waanzin
וּבְעִוָּר֑וֹן
(uveivaron)
en met blindheid
וּבְתִמְה֖וֹן
(uvetimhon)
en met verbijstering van
לֵבָֽב
(levav)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Je zult op de middag rondtasten zoals een blinde rondtast in het donker, en je wegen zullen niet slagen. Je zult alle dagen alleen maar onderdrukt en beroofd worden, en er is niemand die redt.
וְהָיִ֜יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
מְמַשֵּׁ֣שׁ
(memashesh)
rondtastend
בַּֽצָּהֳרַ֗יִם
(batsahorayim)
op de middag
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יְמַשֵּׁ֤שׁ
(yemashesh)
rondtast
הָעִוֵּר֙
(haiver)
de blinde
בָּאֲפֵלָ֔ה
(baafela)
in het donker
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַצְלִ֖יחַ
(tatsliach)
zul je doen slagen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּרָכֶ֑יךָ
(derakheikha)
je wegen
וְהָיִ֜יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
אַ֣ךְ
(akh)
alleen maar
עָשׁ֧וּק
(ashuq)
onderdrukt
וְגָז֛וּל
(vegazul)
en beroofd
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
מוֹשִֽׁיעַ
(moshia)
redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשׁוּק (ashuq), ‘onderdrukt’, en גָּזוּל (gazul), ‘beroofd’.

Verlies van alles wat je opbouwt

30Je zult je verloven met een vrouw, maar een andere man zal bij haar liggen. Je zult een huis bouwen, maar er niet in wonen. Je zult een wijngaard planten, maar hem niet in gebruik nemen.
אִשָּׁ֣ה
(isha)
vrouw
תְאָרֵ֗שׂ
(teares)
je verloft
וְאִ֤ישׁ
(veish)
en man
אַחֵר֙
(acher)
andere
יִשְׁכָּבֶ֔נָּה
(yishkavena)
zal liggen met haar
בַּ֥יִת
(bayit)
huis
תִּבְנֶ֖ה
(tivne)
je bouwt
וְלֹא
(velo)
en niet
תֵשֵׁ֣ב
(teshev)
je zult wonen
בּ֑וֹ
(bo)
erin
כֶּ֥רֶם
(kerem)
wijngaard
תִּטַּ֖ע
(tita)
je plant
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְחַלְּלֶּֽנּוּ
(techalelenu)
je zult het in gebruik nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִלֵּל (chillel), ‘in gebruik nemen’: de vrucht van een nieuwe wijngaard werd pas na enkele jaren vrijgegeven (Deut. 20:6; Lev. 19:23–25).

Wie de wijngaard plant, mag er dus niet eens van eten.

31Je stier wordt voor je ogen geslacht, maar je zult er niet van eten. Je ezel wordt voor je gezicht geroofd en komt niet bij je terug. Je kleinvee wordt aan je vijanden gegeven, en er is niemand die je redt.
שׁוֹרְךָ֞
(shorekha)
je stier
טָב֣וּחַ
(tavuach)
geslacht
לְעֵינֶ֗יךָ
(leeineikha)
voor je ogen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֹאכַל֮
(tokhal)
je zult eten
מִמֶּנּוּ֒
(mimenu)
ervan
חֲמֹֽרְךָ֙
(chamorekha)
je ezel
גָּז֣וּל
(gazul)
geroofd
מִלְּפָנֶ֔יךָ
(milefaneikha)
van voor je
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָשׁ֖וּב
(yashuv)
zal terugkeren
לָ֑ךְ
(lakh)
naar je
צֹֽאנְךָ֙
(tsonkha)
je kleinvee
נְתֻנ֣וֹת
(netunot)
gegeven
לְאֹיְבֶ֔יךָ
(leoyeveikha)
aan je vijanden
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
לְךָ֖
(lekha)
voor je
מוֹשִֽׁיעַ
(moshia)
redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Je zonen en je dochters worden aan een ander volk gegeven. Je ogen zien het en smachten de hele dag naar hen, maar je hand heeft geen kracht.
בָּנֶ֨יךָ
(baneikha)
je zonen
וּבְנֹתֶ֜יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
נְתֻנִ֨ים
(netunim)
gegeven
לְעַ֤ם
(leam)
aan volk
אַחֵר֙
(acher)
ander
וְעֵינֶ֣יךָ
(veeineikha)
en je ogen
רֹא֔וֹת
(root)
zien
וְכָל֥וֹת
(vekhalot)
en smachten
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
naar hen
כָּל
(kal)
alle
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
לְאֵ֖ל
(leel)
tot God
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵין לְאֵל יָדֶךָ (ein le’el yadekha), letterlijk ‘er is niet tot God je hand’: een uitdrukking voor ‘je hand heeft geen kracht’.

Zie ook Gen. 31:29.

33De vrucht van je grond en al je zwoegen zal een volk eten dat je niet kent. Je zult alle dagen alleen maar onderdrukt en verpletterd worden.
פְּרִ֤י
(peri)
vrucht van
אַדְמָֽתְךָ֙
(admatekha)
je grond
וְכָל
(vekhal)
en al
יְגִ֣יעֲךָ֔
(yegiakha)
je zwoegen
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
zal eten
עַ֖ם
(am)
volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָדָ֑עְתָּ
(yadata)
je kent
וְהָיִ֗יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
רַ֛ק
(raq)
alleen maar
עָשׁ֥וּק
(ashuq)
onderdrukt
וְרָצ֖וּץ
(veratsuts)
en verpletterd
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Je zult gek worden van wat je ogen zien.
וְהָיִ֖יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
מְשֻׁגָּ֑ע
(meshuga)
waanzinnig
מִמַּרְאֵ֥ה
(mimare)
van het zicht van
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תִּרְאֶֽה
(tire)
je ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Yahweh zal je slaan met een kwaadaardige zweer op je knieën en je schenen, waarvan je niet genezen kunt worden. Dit gaat van je voetzool tot je kruin.
יַכְּכָ֨ה
(yakekha)
zal slaan
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּשְׁחִ֣ין
(bishchin)
met zweer
רָ֗ע
(ra)
kwaadaardig
עַל
(al)
op
הַבִּרְכַּ֨יִם֙
(habirkayim)
de knieën
וְעַל
(veal)
en op
הַשֹּׁקַ֔יִם
(hashoqayim)
de schenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תוּכַ֖ל
(tukhal)
je kunt
לְהֵרָפֵ֑א
(leherafe)
genezen worden
מִכַּ֥ף
(mikaf)
van de zool van
רַגְלְךָ֖
(raglekha)
je voet
וְעַ֥ד
(vead)
en tot
קָדְקֳדֶֽךָ
(qadeqodekha)
je kruin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ballingschap onder de volken

36Yahweh zal jou en de koning die je over je hebt aangesteld, wegvoeren naar een volk dat jij en je vaders niet gekend hebben. Daar zul je andere goden dienen, van hout en steen.
יוֹלֵ֨ךְ
(yolekh)
zal leiden
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹֽתְךָ֗
(otekha)
je
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
מַלְכְּךָ֙
(malkekha)
je koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תָּקִ֣ים
(taqim)
je zult aanstellen
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over je
אֶל
(el)
naar
גּ֕וֹי
(goy)
volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֖עְתָּ
(yadata)
je kent
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וַאֲבֹתֶ֑יךָ
(vaavoteikha)
en je vaders
וְעָבַ֥דְתָּ
(veavadta)
en je zult dienen
שָּׁ֛ם
(sham)
daar
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֖ים
(acherim)
andere
עֵ֥ץ
(ets)
hout
וָאָֽבֶן
(vaaven)
en steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook vers 64, waar dezelfde woorden ‘hout en steen’ staan.

37Je zult een ontzetting worden, een spreekwoord en een bijtend woord onder alle volken waarheen Yahweh je drijft.
וְהָיִ֣יתָ
(vehayita)
en je zult worden
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot ontzetting
לְמָשָׁ֖ל
(lemashal)
tot spreekwoord
וְלִשְׁנִינָ֑ה
(velishnina)
en tot bijtend woord
בְּכֹל֙
(bekhol)
onder alle
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
יְנַהֶגְךָ֥
(yenahegkha)
drijft je
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’: iets waarvoor men schrikt.

שְׁנִינָה (sheninah), ‘bijtend woord’: een scherpe spot.

38Veel zaad zul je naar het veld brengen, maar weinig zul je binnenhalen, want de sprinkhaan zal het afvreten.
זֶ֥רַע
(zera)
zaad
רַ֖ב
(rav)
veel
תּוֹצִ֣יא
(totsi)
je zult uitbrengen
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
naar het veld
וּמְעַ֣ט
(umeat)
en weinig
תֶּאֱסֹ֔ף
(teesof)
je zult inzamelen
כִּ֥י
(ki)
want
יַחְסְלֶ֖נּוּ
(yachselenu)
zal het afvreten
הָאַרְבֶּֽה
(haarbe)
de sprinkhaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Wijngaarden zul je planten en bewerken, maar wijn zul je niet drinken en niet inzamelen, want de worm zal ze opeten.
כְּרָמִ֥ים
(keramim)
wijngaarden
תִּטַּ֖ע
(tita)
je zult planten
וְעָבָ֑דְתָּ
(veavadta)
en bewerken
וְיַ֤יִן
(veyayin)
en wijn
לֹֽא
(lo)
niet
תִשְׁתֶּה֙
(tishte)
je zult drinken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֶאֱגֹ֔ר
(teegor)
je zult inzamelen
כִּ֥י
(ki)
want
תֹאכְלֶ֖נּוּ
(tokhlenu)
zal het eten
הַתֹּלָֽעַת
(hatolaat)
de worm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Olijfbomen zul je hebben in heel je gebied, maar met olie zul je je niet zalven, want je olijven vallen af.
זֵיתִ֛ים
(zeitim)
olijfbomen
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor je
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּבוּלֶ֑ךָ
(gevulekha)
je gebied
וְשֶׁ֨מֶן֙
(veshemen)
en olie
לֹ֣א
(lo)
niet
תָס֔וּךְ
(tasukh)
je zult zalven
כִּ֥י
(ki)
want
יִשַּׁ֖ל
(yishal)
zal afvallen
זֵיתֶֽךָ
(zeitekha)
je olijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Zonen en dochters zul je krijgen, maar zij zullen niet van jou blijven, want zij gaan in gevangenschap.
בָּנִ֥ים
(banim)
zonen
וּבָנ֖וֹת
(uvanot)
en dochters
תּוֹלִ֑יד
(tolid)
je zult krijgen
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
לָ֔ךְ
(lakh)
voor je
כִּ֥י
(ki)
want
יֵלְכ֖וּ
(yelekhu)
zullen gaan
בַּשֶּֽׁבִי
(bashevi)
in gevangenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Al je bomen en de vrucht van je grond zal het gonzende ongedierte in bezit nemen.
כָּל
(kal)
al
עֵצְךָ֖
(etsekha)
je bomen
וּפְרִ֣י
(uferi)
en vrucht van
אַדְמָתֶ֑ךָ
(admatekha)
je grond
יְיָרֵ֖שׁ
(yeyaresh)
zal in bezit nemen
הַצְּלָצַֽל
(hatselatsal)
het gonzende ongedierte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְלָצַל (tselatsal), ‘gonzend ongedierte’: een insect dat in zwermen komt, mogelijk een soort sprinkhaan of krekel; de betekenis is niet helemaal zeker.

43De vreemdeling in je midden zal steeds hoger boven je komen, en jij zult steeds lager zakken.
הַגֵּר֙
(hager)
de vreemdeling
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּקִרְבְּךָ֔
(beqirbekha)
in je midden
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
zal opkomen
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
boven je
מַ֣עְלָה
(mala)
omhoog
מָּ֑עְלָה
(maela)
omhoog
וְאַתָּ֥ה
(veata)
en jij
תֵרֵ֖ד
(tered)
zult dalen
מַ֥טָּה
(mata)
omlaag
מָּֽטָּה
(mata)
omlaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Hij zal aan jou lenen, maar jij zult niet aan hem lenen. Hij zal het hoofd zijn en jij de staart.
ה֣וּא
(hu)
hij
יַלְוְךָ֔
(yalvekha)
zal lenen aan je
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לֹ֣א
(lo)
niet
תַלְוֶ֑נּוּ
(talvenu)
zult lenen aan hem
ה֚וּא
(hu)
hij
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לְרֹ֔אשׁ
(lerosh)
tot hoofd
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
zult zijn
לְזָנָֽב
(lezanav)
tot staart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Al deze vloeken zullen over je komen, je achtervolgen en je inhalen, tot je verdelgd bent. Want je hebt niet geluisterd naar de stem van Yahweh, je Elohim, om Zijn geboden en voorschriften te houden die Hij je geboden heeft.
וּבָ֨אוּ
(uvau)
en zullen komen
עָלֶ֜יךָ
(aleikha)
over je
כָּל
(kal)
alle
הַקְּלָל֣וֹת
(haqelalot)
de vloeken
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
וּרְדָפ֨וּךָ֙
(uredafukha)
en zullen je achtervolgen
וְהִשִּׂיג֔וּךָ
(vehisigukha)
en zullen je inhalen
עַ֖ד
(ad)
tot
הִשָּֽׁמְדָ֑ךְ
(hishamedakh)
je verdelging
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֗עְתָּ
(shamata)
je luisterde
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לִשְׁמֹ֛ר
(lishmor)
om te houden
מִצְוֺתָ֥יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
וְחֻקֹּתָ֖יו
(vechuqotav)
en Zijn voorschriften
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּֽךְ
(tsivakh)
Hij je gebood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Zij zullen een teken en een wonder zijn aan jou en aan je nageslacht, voor altijd.
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zullen zijn
בְךָ֔
(bekha)
in je
לְא֖וֹת
(leot)
tot teken
וּלְמוֹפֵ֑ת
(ulemofet)
en tot wonder
וּֽבְזַרְעֲךָ֖
(uvezarakha)
en in je nageslacht
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een vijand van ver

47Omdat je Yahweh, je Elohim, niet gediend hebt met vreugde en met een blij hart, bij overvloed van alles,
תַּ֗חַת
(tachat)
in plaats van
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
עָבַ֨דְתָּ֙
(avadta)
je diende
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
וּבְט֣וּב
(uvetuv)
en met goedheid van
לֵבָ֑ב
(levav)
hart
מֵרֹ֖ב
(merov)
uit overvloed van
כֹּֽל
(kol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48zul je je vijanden dienen die Yahweh tegen je zal sturen, in honger, in dorst, in naaktheid en in gebrek aan alles. Hij zal een ijzeren juk op je nek leggen, tot Hij je verdelgd heeft.
וְעָבַדְתָּ֣
(veavadta)
en je zult dienen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֶ֗יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יְשַׁלְּחֶ֤נּוּ
(yeshalechenu)
zal zenden hen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֔ךְ
(bakh)
tegen je
בְּרָעָ֧ב
(beraav)
in honger
וּבְצָמָ֛א
(uvetsama)
en in dorst
וּבְעֵירֹ֖ם
(uveeirom)
en in naaktheid
וּבְחֹ֣סֶר
(uvechoser)
en in gebrek aan
כֹּ֑ל
(kol)
alles
וְנָתַ֞ן
(venatan)
en zal leggen
עֹ֤ל
(ol)
juk van
בַּרְזֶל֙
(barzel)
ijzer
עַל
(al)
op
צַוָּארֶ֔ךָ
(tsavarekha)
je nek
עַ֥ד
(ad)
tot
הִשְׁמִיד֖וֹ
(hishmido)
zijn verdelgen
אֹתָֽךְ
(otakh)
je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Yahweh zal van ver een volk tegen je opheffen, van het einde van de aarde, zoals een arend neerstrijkt. Dat is een volk wiens taal je niet verstaat,
יִשָּׂ֣א
(yisa)
zal opheffen
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
עָלֶ֨יךָ
(aleikha)
tegen je
גּ֤וֹי
(goy)
volk
מֵרָחוֹק֙
(merachoq)
van ver
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
van het einde van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יִדְאֶ֖ה
(yide)
neerstrijkt
הַנָּ֑שֶׁר
(hanasher)
de arend
גּ֕וֹי
(goy)
volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
תִשְׁמַ֖ע
(tishma)
je verstaat
לְשֹׁנֽוֹ
(leshono)
zijn taal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50een volk met een onverbiddelijk gezicht, dat geen ontzag heeft voor een oude en geen gunst bewijst aan een jongen.
גּ֖וֹי
(goy)
volk
עַ֣ז
(az)
onverbiddelijk van
פָּנִ֑ים
(panim)
gezicht
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׂ֤א
(yisa)
zal verheffen
פָנִים֙
(panim)
gezicht
לְזָקֵ֔ן
(lezaqen)
voor een oude
וְנַ֖עַר
(venaar)
en jongen
לֹ֥א
(lo)
niet
יָחֹֽן
(yachon)
zal gunst bewijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51Het zal de vrucht van je vee en de vrucht van je grond opeten, tot je verdelgd bent. Het laat je geen graan, nieuwe wijn of olie over, geen jong van je runderen en geen jongen van je kleinvee. Dat duurt tot het je heeft laten omkomen.
וְ֠אָכַל
(veakhal)
en zal eten
פְּרִ֨י
(peri)
vrucht van
בְהֶמְתְּךָ֥
(behemtekha)
je vee
וּפְרִֽי
(uferi)
en vrucht van
אַדְמָתְךָ֮
(admatekha)
je grond
עַ֣ד
(ad)
tot
הִשָּֽׁמְדָךְ֒
(hishamedakh)
je verdelging
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יַשְׁאִ֜יר
(yashir)
zal overlaten
לְךָ֗
(lekha)
aan je
דָּגָן֙
(dagan)
graan
תִּיר֣וֹשׁ
(tirosh)
nieuwe wijn
וְיִצְהָ֔ר
(veyitshar)
en olie
שְׁגַ֥ר
(shegar)
jong van
אֲלָפֶ֖יךָ
(alafeikha)
je runderen
וְעַשְׁתְּרֹ֣ת
(veashterot)
en jongen van
צֹאנֶ֑ךָ
(tsonekha)
je kleinvee
עַ֥ד
(ad)
tot
הַאֲבִיד֖וֹ
(haavido)
zijn laten omkomen
אֹתָֽךְ
(otakh)
je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Het zal je benauwen in al je poorten, tot je hoge en versterkte muren, waarop je vertrouwt, in heel je land vallen. Het zal je benauwen in al je poorten, in heel het land dat Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft.
וְהֵצַ֨ר
(vehetsar)
en zal benauwen
לְךָ֜
(lekha)
je
בְּכָל
(bekhal)
in al
שְׁעָרֶ֗יךָ
(sheareikha)
je poorten
עַ֣ד
(ad)
tot
רֶ֤דֶת
(redet)
het vallen van
חֹמֹתֶ֨יךָ֙
(chomoteikha)
je muren
הַגְּבֹה֣וֹת
(hagevohot)
de hoge
וְהַבְּצֻר֔וֹת
(vehabetsurot)
en de versterkte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
בֹּטֵ֥חַ
(boteach)
vertrouwt
בָּהֵ֖ן
(bahen)
op hen
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אַרְצֶ֑ךָ
(artsekha)
je land
וְהֵצַ֤ר
(vehetsar)
en zal benauwen
לְךָ֙
(lekha)
je
בְּכָל
(bekhal)
in al
שְׁעָרֶ֔יךָ
(sheareikha)
je poorten
בְּכָ֨ל
(bekhal)
in heel
אַרְצְךָ֔
(artsekha)
je land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֛ן
(natan)
gaf
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לָֽךְ
(lakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁעָרִים (she’arim), ‘poorten’: de poorten van de steden, dus de steden zelf.

Wij houden ‘poorten’ omdat het woord in vers 52–57 steeds terugkomt.

Honger in de belegering

53Je zult de vrucht van je schoot eten, het vlees van je zonen en je dochters die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. Dat gebeurt in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt.
וְאָכַלְתָּ֣
(veakhalta)
en je zult eten
פְרִֽי
(peri)
vrucht van
בִטְנְךָ֗
(bitnekha)
je schoot
בְּשַׂ֤ר
(besar)
vlees van
בָּנֶ֨יךָ֙
(baneikha)
je zonen
וּבְנֹתֶ֔יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָֽתַן
(natan)
gaf
לְךָ֖
(lekha)
aan je
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּמָצוֹר֙
(bematsor)
in belegering
וּבְמָצ֔וֹק
(uvematsoq)
en in benauwdheid
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
יָצִ֥יק
(yatsiq)
benauwt
לְךָ֖
(lekha)
aan je
אֹיְבֶֽךָ
(oyevekha)
je vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Lev. 26:29 en 2 Kon. 6:28–29.

54De man onder jou is zachtaardig en heel verwend. Hij zal zijn broer, de vrouw in zijn armen en de rest van zijn zonen die hij nog heeft, niets gunnen.
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
הָרַ֣ךְ
(harakh)
de zachtaardige
בְּךָ֔
(bekha)
onder je
וְהֶעָנֹ֖ג
(veheanog)
en de verwende
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
תֵּרַ֨ע
(tera)
zal kwaad zijn
עֵינ֤וֹ
(eino)
zijn oog
בְאָחִיו֙
(beachiv)
tegen zijn broer
וּבְאֵ֣שֶׁת
(uveeshet)
en tegen de vrouw van
חֵיק֔וֹ
(cheiqo)
zijn arm
וּבְיֶ֥תֶר
(uveyeter)
en tegen de rest van
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יוֹתִֽיר
(yotir)
hij laat overblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֵּרַע עֵינוֹ (tera eino), letterlijk ‘zijn oog is kwaad’ tegen iemand: hij gunt hem niets.

Zo ook in vers 56.

Wij vertalen ‘niets gunnen’.

55Hij geeft aan niemand van hen iets van het vlees van zijn zonen dat hij eet. Want hem is niets overgebleven, in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt in al je poorten.
מִתֵּ֣ת
(mitet)
van geven
לְאַחַ֣ד
(leachad)
aan één
מֵהֶ֗ם
(mehem)
van hen
מִבְּשַׂ֤ר
(mibesar)
van vlees van
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יֹאכֵ֔ל
(yokhel)
hij eet
מִבְּלִ֥י
(mibeli)
omdat niet
הִשְׁאִֽיר
(hishir)
overblijven
ל֖וֹ
(lo)
hem
כֹּ֑ל
(kol)
alles
בְּמָצוֹר֙
(bematsor)
in belegering
וּבְמָצ֔וֹק
(uvematsoq)
en in benauwdheid
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
יָצִ֥יק
(yatsiq)
benauwt
לְךָ֛
(lekha)
je
אֹיִבְךָ֖
(oyivkha)
je vijand
בְּכָל
(bekhal)
in al
שְׁעָרֶֽיךָ
(sheareikha)
je poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
56De zachtaardige en verwende vrouw onder jou heeft het niet gewaagd haar voetzool op de grond te zetten uit verwendheid en zachtheid. Zij zal de man in haar armen, haar zoon en haar dochter niets gunnen,
הָרַכָּ֨ה
(haraka)
de zachtaardige
בְךָ֜
(bekha)
onder je
וְהָעֲנֻגָּ֗ה
(vehaanuga)
en de verwende
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
נִסְּתָ֤ה
(niseta)
heeft gewaagd
כַף
(kaf)
zool van
רַגְלָהּ֙
(raglah)
haar voet
הַצֵּ֣ג
(hatseg)
te zetten
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de grond
מֵהִתְעַנֵּ֖ג
(mehitaneg)
uit verwendheid
וּמֵרֹ֑ךְ
(umerokh)
en zachtheid
תֵּרַ֤ע
(tera)
zal kwaad zijn
עֵינָהּ֙
(einah)
haar oog
בְּאִ֣ישׁ
(beish)
tegen de man van
חֵיקָ֔הּ
(cheiqah)
haar arm
וּבִבְנָ֖הּ
(uvivnah)
en tegen haar zoon
וּבְבִתָּֽהּ
(uvevitah)
en tegen haar dochter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵיק (cheq), ‘arm, schoot’: de vrouw ‘in zijn armen’ is de vrouw van wie hij houdt.

57ook niet de nageboorte die tussen haar voeten uitkomt, en niet de kinderen die zij baart. Want zij zal ze in het geheim opeten, bij gebrek aan alles. Dat gebeurt in de belegering en in de benauwdheid waarmee je vijand je benauwt in je poorten.
וּֽבְשִׁלְיָתָ֞הּ
(uveshilyatah)
en tegen haar nageboorte
הַיּוֹצֵ֣ת
(hayotset)
die uitkomt
מִבֵּ֣ין
(mibein)
van tussen
רַגְלֶ֗יהָ
(ragleiha)
haar voeten
וּבְבָנֶ֨יהָ֙
(uvevaneiha)
en tegen haar zonen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תֵּלֵ֔ד
(teled)
zij baart
כִּֽי
(ki)
want
תֹאכְלֵ֥ם
(tokhlem)
zij zal ze eten
בְּחֹֽסֶר
(bechoser)
bij gebrek aan
כֹּ֖ל
(kol)
alles
בַּסָּ֑תֶר
(basater)
in het geheim
בְּמָצוֹר֙
(bematsor)
in belegering
וּבְמָצ֔וֹק
(uvematsoq)
en in benauwdheid
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
יָצִ֥יק
(yatsiq)
benauwt
לְךָ֛
(lekha)
je
אֹיִבְךָ֖
(oyivkha)
je vijand
בִּשְׁעָרֶֽיךָ
(bishareikha)
in je poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Alle plagen van Egypte

58Als je alle woorden van deze wet, die in dit boek geschreven staan, niet houdt en doet. En deze eerbiedwaardige en ontzagwekkende Naam, Yahweh, je Elohim, niet vreest,
אִם
(im)
als
לֹ֨א
(lo)
niet
תִשְׁמֹ֜ר
(tishmor)
je houdt
לַעֲשׂ֗וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֣ה
(hatora)
de wet
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
הַכְּתוּבִ֖ים
(haketuvim)
die geschreven zijn
בַּסֵּ֣פֶר
(basefer)
in het boek
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
לְ֠יִרְאָה
(leyira)
om te vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֵּׁ֞ם
(hashem)
de Naam
הַנִּכְבָּ֤ד
(hanikhbad)
de eerbiedwaardige
וְהַנּוֹרָא֙
(vehanora)
en de ontzagwekkende
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’.

Het boek van deze wet is het boek van Mozes (Deut. 31:24–26).

שֵׁם נִכְבָּד (shem nikbad), ‘eerbiedwaardige Naam’: de Naam is Yahweh.

59Dan zal Yahweh je plagen en de plagen van je nageslacht buitengewoon zwaar maken: grote en aanhoudende plagen, en kwade en aanhoudende ziekten.
וְהִפְלָ֤א
(vehifla)
en zal buitengewoon maken
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מַכֹּ֣תְךָ֔
(makotekha)
je plagen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
מַכּ֣וֹת
(makot)
plagen van
זַרְעֶ֑ךָ
(zarekha)
je nageslacht
מַכּ֤וֹת
(makot)
plagen
גְּדֹלוֹת֙
(gedolot)
grote
וְנֶ֣אֱמָנ֔וֹת
(veneemanot)
en aanhoudende
וָחֳלָיִ֥ם
(vacholayim)
en ziekten
רָעִ֖ים
(raim)
kwade
וְנֶאֱמָנִֽים
(veneemanim)
en aanhoudende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִפְלִיא (hifli), ‘buitengewoon maken’: iets wonderlijks, uitzonderlijks.

נֶאֱמָנוֹת (ne’emanot), ‘aanhoudend’: letterlijk ‘betrouwbaar’, dat wil zeggen: ze blijven.

60Hij zal alle ziekten van Egypte, waarvoor je bang was, op je terugbrengen, en ze zullen aan je blijven kleven.
וְהֵשִׁ֣יב
(veheshiv)
en zal terugbrengen
בְּךָ֗
(bekha)
op je
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מַדְוֵ֣ה
(madve)
ziekten van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarvoor
יָגֹ֖רְתָּ
(yagorta)
je bang was
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
vanwege hen
וְדָבְק֖וּ
(vedavequ)
en zullen kleven
בָּֽךְ
(bakh)
aan je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מַדְוֵה (madveh), ‘ziekte’.

Vergelijk Exod. 15:26, waar Yahweh belooft dat Hij de ziekten van Egypte niet zal brengen als Israël luistert.

61Ook elke ziekte en elke plaag die niet geschreven staat in het boek van deze wet, zal Yahweh over je brengen, tot je verdelgd bent.
גַּ֤ם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
alle
חֳלִי֙
(choli)
ziekte
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַכָּ֔ה
(maka)
plaag
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
כָת֔וּב
(katuv)
geschreven is
בְּסֵ֖פֶר
(besefer)
in het boek van
הַתּוֹרָ֣ה
(hatora)
de wet
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
יַעְלֵ֤ם
(yalem)
zal doen opkomen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over je
עַ֖ד
(ad)
tot
הִשָּׁמְדָֽךְ
(hishamedakh)
je verdelging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
62Jullie zullen met weinig mannen overblijven, jullie die zo talrijk waren als de sterren van de hemel. Want jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, jullie Elohim.
וְנִשְׁאַרְתֶּם֙
(venishartem)
en jullie zullen overblijven
בִּמְתֵ֣י
(bimtei)
met mannen van
מְעָ֔ט
(meat)
weinig
תַּ֚חַת
(tachat)
in plaats van
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֱיִיתֶ֔ם
(heyitem)
jullie waren
כְּכוֹכְבֵ֥י
(kekhokhevei)
als sterren van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמַ֔עְתָּ
(shamata)
je luisterde
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Gen. 22:17 en Deut. 10:22: de sterren van de hemel in menigte.

Verstrooid onder de volken

63Zoals Yahweh zich over jullie verheugde om jullie goed te doen en jullie talrijk te maken. Zo zal Yahweh zich over jullie verheugen om jullie te laten omkomen en jullie te verdelgen. Jullie zullen weggerukt worden van de grond die jullie ingaan om hem in bezit te nemen.
וְ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
שָׂ֨שׂ
(sas)
zich verheugde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
over jullie
לְהֵיטִ֣יב
(leheitiv)
om goed te doen aan
אֶתְכֶם֮
(etkhem)
jullie
וּלְהַרְבּ֣וֹת
(uleharbot)
en om te vermenigvuldigen
אֶתְכֶם֒
(etkhem)
jullie
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יָשִׂ֤ישׂ
(yasis)
zal zich verheugen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
לְהַאֲבִ֥יד
(lehaavid)
om te laten omkomen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
וּלְהַשְׁמִ֣יד
(ulehashmid)
en om te verdelgen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וְנִסַּחְתֶּם֙
(venisachtem)
en jullie zullen weggerukt worden
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָא
(ba)
komt
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לְרִשְׁתָּֽהּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׂוּשׂ (sus), ‘zich verheugen’: dezelfde Yahweh die Zich verheugde over het goede, ‘verheugt’ Zich nu over het oordeel.

Het Hebreeuws gebruikt hetzelfde werkwoord voor beide.

64Yahweh zal je verstrooien onder alle volken, van het ene einde van de aarde tot het andere einde van de aarde. Daar zul je andere goden dienen, die jij en je vaders niet gekend hebben, van hout en steen.
וֶהֱפִֽיצְךָ֤
(vehefitsekha)
en zal verstrooien je
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
van het einde van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעַד
(vead)
en tot
קְצֵ֣ה
(qetse)
het einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעָבַ֨דְתָּ
(veavadta)
en je zult dienen
שָּׁ֜ם
(sham)
daar
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֗ים
(acherim)
andere
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֛עְתָּ
(yadata)
je kende
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
וַאֲבֹתֶ֖יךָ
(vaavoteikha)
en je vaders
עֵ֥ץ
(ets)
hout
וָאָֽבֶן
(vaaven)
en steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Lev. 26:33.

65Onder die volken zul je geen rust vinden, en er zal geen rustplaats zijn voor je voetzool. Yahweh zal je daar een bevend hart geven, smachtende ogen en een kwijnende ziel.
וּבַגּוֹיִ֤ם
(uvagoyim)
en onder de volken
הָהֵם֙
(hahem)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
תַרְגִּ֔יעַ
(targia)
zul je rust vinden
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מָנ֖וֹחַ
(manoach)
rustplaats
לְכַף
(lekhaf)
voor de zool van
רַגְלֶ֑ךָ
(raglekha)
je voet
וְנָתַן֩
(venatan)
en zal geven
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֥
(lekha)
aan je
שָׁם֙
(sham)
daar
לֵ֣ב
(lev)
hart
רַגָּ֔ז
(ragaz)
bevend
וְכִלְי֥וֹן
(vekhilyon)
en smachten van
עֵינַ֖יִם
(einayim)
ogen
וְדַֽאֲב֥וֹן
(vedaavon)
en kwijnen van
נָֽפֶשׁ
(nafesh)
ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
66Je leven zal voor je hangen, in het onzekere. Je zult dag en nacht bang zijn en niet zeker zijn van je leven.
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zullen zijn
חַיֶּ֔יךָ
(chayeikha)
je leven
תְּלֻאִ֥ים
(teluim)
hangend
לְךָ֖
(lekha)
voor je
מִנֶּ֑גֶד
(mineged)
vanuit tegenover
וּפָֽחַדְתָּ֙
(ufachadta)
en je zult vrezen
לַ֣יְלָה
(layla)
nacht
וְיוֹמָ֔ם
(veyomam)
en dag
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַאֲמִ֖ין
(taamin)
je zult zeker zijn
בְּחַיֶּֽיךָ
(bechayeikha)
van je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּלֻאִים לְךָ מִנֶּגֶד (tel’uim lekha minneged), letterlijk ‘hangend voor je tegenover’.

Het beeld is dat het leven aan een draad hangt.

Wij vertalen ‘voor je hangen, in het onzekere’.

67’s Morgens zul je zeggen: „Was het maar avond!” en ’s avonds zul je zeggen: „Was het maar morgen!” Dat zeg je vanwege de angst van je hart waarmee je bang bent en vanwege wat je ogen zien.
בַּבֹּ֤קֶר
(baboqer)
in de morgen
תֹּאמַר֙
(tomar)
zul je zeggen
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geeft
עֶ֔רֶב
(erev)
avond
וּבָעֶ֥רֶב
(uvaerev)
en in de avond
תֹּאמַ֖ר
(tomar)
zul je zeggen
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֣ן
(yiten)
geeft
בֹּ֑קֶר
(boqer)
morgen
מִפַּ֤חַד
(mipachad)
vanwege de angst van
לְבָֽבְךָ֙
(levavekha)
je hart
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּפְחָ֔ד
(tifchad)
je vreest
וּמִמַּרְאֵ֥ה
(umimare)
en vanwege het zicht van
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תִּרְאֶֽה
(tire)
je ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
68Yahweh zal je met schepen naar Egypte terugbrengen, op de weg waarover Ik tegen je gezegd heb: „Je zult hem niet meer zien.” Daar zul je jezelf aan je vijanden verkopen als slaven en slavinnen, maar er is niemand die koopt.
וֶֽהֱשִֽׁיבְךָ֨
(veheshivekha)
en zal terugbrengen je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
מִצְרַיִם֮
(mitsrayim)
naar Egypte
בָּאֳנִיּוֹת֒
(baoniyot)
in schepen
בַּדֶּ֨רֶךְ֙
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָמַ֣רְתִּֽי
(amarti)
Ik zei
לְךָ֔
(lekha)
tot je
לֹא
(lo)
niet
תֹסִ֥יף
(tosif)
je zult toevoegen
ע֖וֹד
(od)
nog
לִרְאֹתָ֑הּ
(lirotah)
om hem te zien
וְהִתְמַכַּרְתֶּ֨ם
(vehitmakartem)
en jullie zullen jezelf verkopen
שָׁ֧ם
(sham)
daar
לְאֹיְבֶ֛יךָ
(leoyeveikha)
aan je vijanden
לַעֲבָדִ֥ים
(laavadim)
als slaven
וְלִשְׁפָח֖וֹת
(velishfachot)
en als slavinnen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
קֹנֶֽה
(qone)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שִׁפְחָה (shifchah), ‘slavin’.

Lezing

Hier spreekt Yahweh in de eerste persoon: ‘waarover Ik tegen je gezegd heb’ (Exod. 14:13; Deut. 17:16).

De spreker (Mozes) haalt het woord van Yahweh aan.

Wij schrijven ‘Ik’ met een hoofdletter.

Het aangehaalde woord zelf, ‘Je zult hem niet meer zien’, is een volledige zin van Yahweh en staat rood.

Het verbond in Moab

69Dit zijn de woorden van het verbond dat Yahweh Mozes gebood te sluiten met de zonen van Israël in het land Moab. Dit komt naast het verbond dat Hij met hen gesloten had in Horeb.
אֵלֶּה֩
(ele)
dit zijn
דִבְרֵ֨י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֜ית
(haberit)
het verbond
אֲֽשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
לִכְרֹ֛ת
(likhrot)
om te sluiten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
מִלְּבַ֣ד
(milevad)
naast
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּרַ֥ת
(karat)
Hij sloot
אִתָּ֖ם
(itam)
met hen
בְּחֹרֵֽב
(bechorev)
in Horeb
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Moab ligt oostelijk van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Horeb is de berg van de wetgeving (Sinaï); de ligging is niet zeker.

Uitleg

Dit vers is in veel Bijbels het eerste vers van hoofdstuk 29.

In de Hebreeuwse tekst hoort het bij hoofdstuk 28.

Het verbond in Moab is een aanvulling op het verbond van Horeb (Exod. 24).