Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De woorden van Nehemia
1De woorden van Nehemia, de zoon van Chakalja. Het was in de maand Kislev, in het twintigste jaar. Ik was in Sjoesjan, de burcht.
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
נְחֶמְיָ֖ה
(nechemya)
Nehemia
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲכַלְיָ֑ה
(chakhalya)
Chakalja
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
בְחֹֽדֶשׁ
(bechodesh)
in de maand
כִּסְלֵיו֙
(kisleiv)
Kislev
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
עֶשְׂרִ֔ים
(esrim)
twintig
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
הָיִ֖יתִי
(hayiti)
was
בְּשׁוּשַׁ֥ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָֽה
(habira)
de burcht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
דִּבְרֵי נְחֶמְיָה (divre Nechemyah), ‘de woorden van Nehemia’: de naam betekent ‘Yahweh troost’.
Ook de profetenboeken openen vaak met ‘de woorden van …’ (zoals Jer. 1:1 en Amos 1:1).
כִּסְלֵו (Kislev) is de negende maand van de Joodse kalender, ongeveer november–december. Het ‘twintigste jaar’ is het twintigste regeringsjaar van koning Artachsasta (zie 2:1).
שׁוּשַׁן הַבִּירָה (Shushan habirah), ‘Sjoesjan, de burcht’: Sjoesjan (Susa) was een hoofdstad van het Perzische rijk; ‘de burcht’ is het koninklijk paleiscomplex. Het Hebreeuws geeft hier geen koning; de naam volgt in 2:1.
2Chanani, een van mijn broers, kwam, hij en enkele mannen uit Juda. Ik vroeg hun naar de Joden die ontkomen waren, de overgeblevenen uit de gevangenschap, en naar Jeruzalem.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
חֲנָ֜נִי
(chanani)
Chanani
אֶחָ֧ד
(echad)
een
מֵאַחַ֛י
(meachay)
van mijn broers
ה֥וּא
(hu)
hij
וַאֲנָשִׁ֖ים
(vaanashim)
en mannen
מִֽיהוּדָ֑ה
(mihuda)
uit Juda
וָאֶשְׁאָלֵ֞ם
(vaeshalem)
en ik vroeg hen
עַל
(al)
over
הַיְּהוּדִ֧ים
(hayehudim)
de Joden
הַפְּלֵיטָ֛ה
(hapeleita)
de ontkomenen
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
נִשְׁאֲר֥וּ
(nisharu)
waren overgebleven
מִן
(min)
uit
הַשֶּׁ֖בִי
(hashevi)
de gevangenschap
וְעַל
(veal)
en over
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֲנָנִי (Chanani), ‘Chanani’: een van Nehemia’s ‘broers’.
Het woord ‘broer’ (אָח, ach) kan ook een stamverwant betekenen.
In Neh. 7:2 krijgt een Chanani een leidende taak in Jeruzalem; of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
הַפְּלֵיטָה (hapeletah), ‘de ontkomenen’: wie aan de ondergang van Jeruzalem en de ballingschap is ontkomen. Zij zijn de ‘overgeblevenen’ van vers 3.
3Zij zeiden tegen mij: „De overgeblevenen uit de gevangenschap, daar in de provincie, verkeren in grote ellende en schande. De muur van Jeruzalem is doorbroken en haar poorten zijn met vuur verbrand.”
וַיֹּאמְרוּ֮
(vayomru)
en zij zeiden
לִי֒
(li)
tot mij
הַֽנִּשְׁאָרִ֞ים
(hanisharim)
de overgeblevenen
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
נִשְׁאֲר֤וּ
(nisharu)
zijn overgebleven
מִן
(min)
uit
הַשְּׁבִי֙
(hashevi)
de gevangenschap
שָׁ֣ם
(sham)
daar
בַּמְּדִינָ֔ה
(bamedina)
in de provincie
בְּרָעָ֥ה
(beraa)
in ellende
גְדֹלָ֖ה
(gedola)
grote
וּבְחֶרְפָּ֑ה
(uvecherpa)
en in schande
וְחוֹמַ֤ת
(vechomat)
en de muur van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
מְפֹרָ֔צֶת
(meforatset)
is doorbroken
וּשְׁעָרֶ֖יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
נִצְּת֥וּ
(nitsetu)
zijn in brand gestoken
בָאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הַמְּדִינָה (hamedinah), ‘de provincie’: Juda was een provincie van het Perzische rijk.
חֲרֻפָּה (cherpah), ‘schande’: een woord voor smaad en spot. Het komt terug in 2:17, 3:36 (NL 4:4) en 5:9.
מְפֹרָצֶת (meforatset), ‘doorbroken’: de muur heeft bressen. Dit is dezelfde toestand als in 2 Kon. 25:10; de muur was door de Chaldeeën afgebroken.
4Toen ik deze woorden hoorde, ging ik zitten en huilde. Ik rouwde dagenlang. Ik vastte en bad voor het aangezicht van de Elohim van de hemel.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כְּשָׁמְעִ֣י
(keshamei)
toen ik hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
יָשַׁ֨בְתִּי֙
(yashavti)
ging ik zitten
וָֽאֶבְכֶּ֔ה
(vaevke)
en huilde ik
וָאֶתְאַבְּלָ֖ה
(vaetabela)
en rouwde ik
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וָֽאֱהִ֥י
(vaehi)
en ik was
צָם֙
(tsam)
vastend
וּמִתְפַּלֵּ֔ל
(umitpalel)
en biddend
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וָאֶתְאַבְּלָה (va’etabbelah), ‘ik rouwde’: Nehemia’s rouw duurt dagen en gaat gepaard met vasten en gebed.
אֱלֹהֵי הַשָּׁמַיִם (Elohe hashamayim), ‘de Elohim van de hemel’: deze naam staat ook in Gen. 24:7, Ezra 1:2 en Jona 1:9. Wij vertalen steeds ‘Elohim’.
5Ik zei: „Ach, Yahweh, Elohim van de hemel, de grote en ontzagwekkende El. Hij bewaart het verbond en de trouw voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden bewaren.
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
אָֽנָּ֤א
(ana)
ach
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
הָאֵ֥ל
(hael)
de El
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
grote
וְהַנּוֹרָ֑א
(vehanora)
en ontzagwekkende
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die bewaart
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
וָחֶ֔סֶד
(vachesed)
en trouw
לְאֹהֲבָ֖יו
(leohavav)
voor wie Hem liefhebben
וּלְשֹׁמְרֵ֥י
(uleshomerei)
en voor wie bewaren
מִצְוֺתָֽיו
(mitsvotav)
Zijn geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָנָּא (anna), ‘ach’: een dringend smeekwoord, zoals in Gen. 50:17 en Ps. 118:25.
הָאֵל הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא (ha’el hagadol vehanora), ‘de grote en ontzagwekkende El’: zoals in Deut. 7:21 en 10:17.
וְחֶסֶד (vechesed), ‘en trouw’: chesed is de verbondstrouw van Yahweh. Wij vertalen steeds ‘trouw’. De formule ‘die het verbond en de trouw bewaart’ staat ook in Deut. 7:9 en 1 Kon. 8:23.
6Laat Uw oor toch opmerkzaam zijn en Uw ogen geopend, om te luisteren naar het gebed van Uw knecht. Dat bid ik nu voor Uw aangezicht, dag en nacht, voor de zonen van Israël, Uw knechten. Ik belijd de zonden van de zonen van Israël, die wij tegen U hebben begaan. Ook ik en het huis van mijn vader hebben gezondigd.
תְּהִ֣י
(tehi)
laat zijn
נָ֣א
(na)
toch
אָזְנְךָֽ
(azenekha)
Uw oor
קַשֶּׁ֣בֶת
(qashevet)
opmerkzaam
וְֽעֵינֶ֪יךָ
(veeineikha)
en Uw ogen
פְתֻוּח֟וֹת
(petuuchot)
geopend
לִשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
om te horen
אֶל
(el)
naar
תְּפִלַּ֣ת
(tefilat)
het gebed van
עַבְדְּךָ֡
(avdekha)
Uw knecht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָנֹכִי֩
(anokhi)
ik
מִתְפַּלֵּ֨ל
(mitpalel)
bid
לְפָנֶ֤יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
יוֹמָ֣ם
(yomam)
overdag
וָלַ֔יְלָה
(valayla)
en 's nachts
עַל
(al)
voor
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עֲבָדֶ֑יךָ
(avadeikha)
Uw knechten
וּמִתְוַדֶּ֗ה
(umitvade)
en ik belijd
עַל
(al)
over
חַטֹּ֤אות
(chatovt)
de zonden van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָטָ֣אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen U
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
חָטָֽאנוּ
(chatanu)
hebben gezondigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּמִתְוַדֶּה (umitvaddeh), ‘ik belijd’: Nehemia belijdt de zonden van het volk en rekent zichzelf en zijn familie erbij.
7Wij hebben zeer verkeerd tegen U gehandeld. Wij hebben de geboden, de voorschriften en de rechtsregels niet bewaard die U aan Mozes, Uw knecht, hebt opgedragen.
חֲבֹ֖ל
(chavol)
zeer verkeerd
חָבַ֣לְנוּ
(chavalnu)
hebben wij gehandeld
לָ֑ךְ
(lakh)
tegen U
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמַ֣רְנוּ
(shamarnu)
hebben wij bewaard
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְוֺ֗ת
(hamitsvot)
de geboden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽחֻקִּים֙
(hachuqim)
de voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּשְׁפָּטִ֔ים
(hamishpatim)
de rechtsregels
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֖יתָ
(tsivita)
U hebt opgedragen
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
Uw knecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲבֹל חָבַלְנוּ (chavol chavalnu), ‘zeer verkeerd hebben wij gehandeld’: het werkwoord חָבַל (chaval) betekent ‘verderven’ of ‘verkeerd handelen’.
Het Hebreeuws verdubbelt het werkwoord, om het nadruk te geven.
Wij vertalen mitsvot ‘geboden’, chuqqim ‘voorschriften’ en mishpatim ‘rechtsregels’, zoals in 1 Kon. 2:3.
9Maar jullie zullen naar Mij terugkeren. Jullie zullen Mijn geboden bewaren en doen. Als jullie verstrooiden aan het einde van de hemel zijn, zal Ik hen vandaar verzamelen. Ik zal hen brengen naar de plaats die Ik gekozen heb om Mijn naam daar te laten wonen.’
וְשַׁבְתֶּ֣ם
(veshavtem)
en jullie zullen terugkeren
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
וּשְׁמַרְתֶּם֙
(ushemartem)
en jullie zullen bewaren
מִצְוֺתַ֔י
(mitsvotay)
Mijn geboden
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
אִם
(im)
als
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
נִֽדַּחֲכֶ֜ם
(nidachakhem)
jullie verstrooiden
בִּקְצֵ֤ה
(biqtse)
aan het einde van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
מִשָּׁ֣ם
(misham)
vandaar
אֲקַבְּצֵ֔ם
(aqabetsem)
zal Ik hen verzamelen
וַהֲבִֽיאוֹתִים֙
(vahaviotim)
en Ik zal hen brengen
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֔רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
לְשַׁכֵּ֥ן
(leshaken)
om te laten wonen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִדַּחֲכֶם (niddachakhem), ‘jullie verstrooiden’: letterlijk ‘jullie weggedrevenen’, iedereen die verstrooid is.
לְשַׁכֵּן אֶת־שְׁמִי שָׁם (leshakken et shemi sham), ‘om Mijn naam daar te laten wonen’: de plaats die Yahweh gekozen heeft is Jeruzalem met de tempel (zoals Deut. 12:11).
10Zij zijn Uw knechten en Uw volk, dat U met Uw grote kracht en Uw sterke hand hebt vrijgekocht.
וְהֵ֥ם
(vehem)
en zij
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
Uw knechten
וְעַמֶּ֑ךָ
(veamekha)
en Uw volk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
פָּדִ֨יתָ֙
(padita)
U hebt vrijgekocht
בְּכֹחֲךָ֣
(bekhochakha)
met Uw kracht
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
grote
וּבְיָדְךָ֖
(uveyadekha)
en met Uw hand
הַחֲזָקָֽה
(hachazaqa)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּדִיתָ (padita), ‘U hebt vrijgekocht’: pada is ‘vrijkopen’, zoals bij de uittocht (Deut. 9:26).
בְּכֹחֲךָ הַגָּדוֹל וּבְיָדְךָ הַחֲזָקָה (bekochakha hagadol uveyadkha hachazaqah), ‘met Uw grote kracht en Uw sterke hand’: zoals in Exod. 32:11 en Deut. 9:29.
11Ach, Heer, laat Uw oor toch opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knecht. Laat Uw oor ook opmerkzaam zijn op het gebed van Uw knechten, die er behagen in hebben Uw naam te vrezen. Laat het Uw knecht vandaag toch gelukken en geef hem ontferming voor het aangezicht van deze man.” Ik was de wijnschenker van de koning.
אָנָּ֣א
(ana)
ach
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
Heer
תְּהִ֣י
(tehi)
laat zijn
נָ֣א
(na)
toch
אָזְנְךָֽ
(azenekha)
Uw oor
קַ֠שֶּׁבֶת
(qashevet)
opmerkzaam
אֶל
(el)
naar
תְּפִלַּ֨ת
(tefilat)
het gebed van
עַבְדְּךָ֜
(avdekha)
Uw knecht
וְאֶל
(veel)
en naar
תְּפִלַּ֣ת
(tefilat)
het gebed van
עֲבָדֶ֗יךָ
(avadeikha)
Uw knechten
הַֽחֲפֵצִים֙
(hachafetsim)
die behagen hebben
לְיִרְאָ֣ה
(leyira)
om te vrezen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
Uw naam
וְהַצְלִֽיחָה
(vehatslicha)
en laat gelukken
נָּ֤א
(na)
toch
לְעַבְדְּךָ֙
(leavdekha)
aan Uw knecht
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
וּתְנֵ֣הוּ
(utenehu)
en geef hem
לְרַחֲמִ֔ים
(lerachamim)
tot ontferming
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַאֲנִ֛י
(vaani)
en ik
הָיִ֥יתִי
(hayiti)
was
מַשְׁקֶ֖ה
(mashqe)
schenker van
לַמֶּֽלֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’: hier staat het woord ‘Heer’ zonder Yahweh, als aanspreking.
Wij vertalen ‘Heer’.
רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: ook ‘erbarmen’. Nehemia bidt dat de koning hem welgezind zal zijn.
מַשְׁקֶה (mashqeh), ‘wijnschenker’: de man die de koning de beker aanreikt. Het was een vertrouwenspost aan het hof. Deze zin sluit het gebed af en leidt hoofdstuk 2 in.