Elohim Bijbel

Numeri 17

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De vuurpannen, de plaag en de staf van Aäron

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vuurpannen worden altaarbekleding

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk volgt de Hebreeuwse telling: Num. 17:1–15 is in Engelse Bijbels Num. 16:36–50, en Num. 17:16–28 is daar Num. 17:1–13.

2„Zeg tegen Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de vuurpannen uit de brand moet halen. Het vuur moet hij ver weg strooien, want de pannen zijn heilig geworden.
אֱמֹ֨ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tot
אֶלְעָזָ֜ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְיָרֵ֤ם
(veyarem)
en laat hem opnemen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּחְתֹּת֙
(hamachtot)
de vuurpannen
מִבֵּ֣ין
(mibein)
uit het midden van
הַשְּׂרֵפָ֔ה
(haserefa)
de brand
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
זְרֵה
(zere)
strooi
הָ֑לְאָה
(halea)
ver weg
כִּ֖י
(ki)
want
קָדֵֽשׁוּ
(qadeshu)
zij zijn heilig geworden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het is Eleazar en niet Aäron die de vuurpannen opneemt.

Aäron is de hogepriester en mag niet bij een lijk komen (Lev. 21:10–11).

3De vuurpannen van deze zondaars, die hun eigen leven verspeeld hebben: men moet er uitgehamerde platen van maken als bekleding voor het altaar. Want zij hebben ze voor het aangezicht van Yahweh gebracht, en zo zijn ze heilig geworden. Ze moeten een teken zijn voor de zonen van Israël.”
אֵ֡ת
(et)
(obj.)
מַחְתּוֹת֩
(machtot)
de vuurpannen van
הַֽחַטָּאִ֨ים
(hachataim)
de zondaars
הָאֵ֜לֶּה
(haele)
deze
בְּנַפְשֹׁתָ֗ם
(benafshotam)
met hun levens
וְעָשׂ֨וּ
(veasu)
en zij zullen maken
אֹתָ֜ם
(otam)
ze
רִקֻּעֵ֤י
(riquei)
uitgehamerde platen van
פַחִים֙
(pachim)
platen
צִפּ֣וּי
(tsipuy)
bekleding
לַמִּזְבֵּ֔חַ
(lamizbeach)
voor het altaar
כִּֽי
(ki)
want
הִקְרִיבֻ֥ם
(hiqrivum)
zij brachten ze
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּקְדָּ֑שׁוּ
(vayiqdashu)
en zij werden heilig
וְיִֽהְי֥וּ
(veyihyu)
en zij zullen zijn
לְא֖וֹת
(leot)
tot een teken
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנַפְשֹׁתָם (benafshotam), ‘met hun levens’: letterlijk ‘in hun levens’.

Zij hebben hun zonde met hun leven betaald.

Wij vertalen ‘die hun eigen leven verspeeld hebben’.

4Eleazar, de priester, nam de koperen vuurpannen die de verbrande mannen gebracht hadden, en men hamerde ze tot platen als bekleding voor het altaar.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מַחְתּ֣וֹת
(machtot)
de vuurpannen van
הַנְּחֹ֔שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִקְרִ֖יבוּ
(hiqrivu)
brachten
הַשְּׂרֻפִ֑ים
(haserufim)
de verbrandenen
וַֽיְרַקְּע֖וּם
(vayraqeum)
en men hamerde ze
צִפּ֥וּי
(tsipuy)
bekleding
לַמִּזְבֵּֽחַ
(lamizbeach)
voor het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Het was een gedachtenis voor de zonen van Israël. Zo zou geen vreemde man, die niet van het nageslacht van Aäron is, naderen om wierook te laten opgaan voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou niet worden zoals Korach en zijn aanhang, zoals Yahweh door Mozes tot hem gesproken had.
זִכָּר֞וֹן
(zikaron)
gedachtenis
לִבְנֵ֣י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לְ֠מַעַן
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יִקְרַ֜ב
(yiqrav)
nadert
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
זָ֗ר
(zar)
vreemd
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
מִזֶּ֤רַע
(mizera)
van het nageslacht van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
ה֔וּא
(hu)
hij is
לְהַקְטִ֥יר
(lehaqtir)
om in rook te laten opgaan
קְטֹ֖רֶת
(qetoret)
wierook
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
hij zal worden
כְקֹ֨רַח֙
(keqorach)
zoals Korach
וְכַ֣עֲדָת֔וֹ
(vekhaadato)
en zoals zijn aanhang
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֧ר
(diber)
sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לֽוֹ
(lo)
tot hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִכָּרוֹן (zikkaron), ‘gedachtenis’: iets dat herinnert.

זָר (zar), ‘vreemde’: iemand die niet tot de priesters hoort, zoals in Exod. 29:33.

De plaag onder het volk

6De volgende dag morde heel de gemeenschap van de zonen van Israël tegen Mozes en Aäron. Zij zeiden: „Jullie hebben het volk van Yahweh gedood!”
וַיִּלֹּ֜נוּ
(vayilonu)
en zij morden
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִֽמָּחֳרָ֔ת
(mimachorat)
de volgende dag
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְעַֽל
(veal)
en tegen
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
הֲמִתֶּ֖ם
(hamitem)
hebben gedood
אֶת
(et)
(obj.)
עַ֥ם
(am)
het volk van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gebeurt de dag nadat de grond Korach, Datan en Abiram heeft opgeslokt (Num. 16:32).

Het volk geeft nu Mozes en Aäron de schuld.

7Toen de gemeenschap zich tegen Mozes en Aäron verzamelde, keken zij naar de tent van samenkomst. En zie: de wolk had hem bedekt en de heerlijkheid van Yahweh verscheen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
בְּהִקָּהֵ֤ל
(behiqahel)
toen zich verzamelde
הָֽעֵדָה֙
(haeda)
de gemeenschap
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְעַֽל
(veal)
en tegen
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
וַיִּפְנוּ֙
(vayifnu)
en zij wendden zich
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
כִסָּ֖הוּ
(kisahu)
had hem bedekt
הֶעָנָ֑ן
(heanan)
de wolk
וַיֵּרָ֖א
(vayera)
en verscheen
כְּב֥וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde heerlijkheid van Yahweh verscheen ook in Num. 16:19.

8Mozes en Aäron kwamen voor de tent van samenkomst.
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwamen
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֖י
(penei)
de voorkant van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10„Ga weg uit het midden van deze gemeenschap, dan zal Ik hen in een oogwenk vernietigen.” Zij wierpen zich op hun gezicht neer.
הֵרֹ֗מּוּ
(heromu)
ga weg
מִתּוֹךְ֙
(mitokh)
uit het midden van
הָעֵדָ֣ה
(haeda)
de gemeenschap
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וַאֲכַלֶּ֥ה
(vaakhale)
en Ik zal vernietigen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
כְּרָ֑גַע
(keraga)
in een oogwenk
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en zij vielen
עַל
(al)
op
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵרֹמּוּ (heromu), ‘ga weg’: letterlijk ‘hef jullie op, maak jullie los’.

Bijna dezelfde woorden stonden in Num. 16:21.

11Mozes zei tegen Aäron: „Neem de vuurpan, doe er vuur op van het altaar en leg er wierook op. Ga snel naar de gemeenschap om verzoening voor hen te doen. Want de toorn is van het aangezicht van Yahweh uitgegaan, de plaag is begonnen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
קַ֣ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֠מַּחְתָּה
(hamachta)
de vuurpan
וְתֶן
(veten)
en doe
עָלֶ֨יהָ
(aleiha)
daarop
אֵ֜שׁ
(esh)
vuur
מֵעַ֤ל
(meal)
van op
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
וְשִׂ֣ים
(vesim)
en leg
קְטֹ֔רֶת
(qetoret)
wierook
וְהוֹלֵ֧ךְ
(veholekh)
en ga
מְהֵרָ֛ה
(mehera)
snel
אֶל
(el)
naar
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
וְכַפֵּ֣ר
(vekhaper)
en doe verzoening
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
יָצָ֥א
(yatsa)
is uitgegaan
הַקֶּ֛צֶף
(haqetsef)
de toorn
מִלִּפְנֵ֥י
(milifnei)
van het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵחֵ֥ל
(hechel)
is begonnen
הַנָּֽגֶף
(hanagef)
de plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶצֶף (qetsef), ‘toorn’: woede die tot straf leidt.

נֶגֶף (negef), ‘plaag’: een slag, zoals in Exod. 12:13.

12Aäron nam de vuurpan zoals Mozes gezegd had en rende midden in de vergadering. En zie: de plaag was begonnen onder het volk. Hij legde de wierook erop en deed verzoening voor het volk.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיָּ֨רָץ֙
(vayarats)
en rende
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹך
(tokh)
het midden van
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
הֵחֵ֥ל
(hechel)
is begonnen
הַנֶּ֖גֶף
(hanegef)
de plaag
בָּעָ֑ם
(baam)
onder het volk
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en hij gaf
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַקְּטֹ֔רֶת
(haqetoret)
de wierook
וַיְכַפֵּ֖ר
(vaykhaper)
en hij deed verzoening
עַל
(al)
voor
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij gaf de wierook’.

Wij vertalen ‘legde de wierook erop’, op het vuur in de vuurpan (vers 11).

13Hij ging staan tussen de doden en de levenden, en de plaag werd gestopt.
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en hij ging staan
בֵּֽין
(bein)
tussen
הַמֵּתִ֖ים
(hametim)
de doden
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַֽחַיִּ֑ים
(hachayim)
de levenden
וַתֵּעָצַ֖ר
(vateatsar)
en werd gestopt
הַמַּגֵּפָֽה
(hamagefa)
de plaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron staat tussen de doden en de levenden en doet verzoening met wierook: zo houdt de plaag op.

Het woord ‘plaag’ is hier מַגֵּפָה (maggefah), zoals in Num. 14:37.

14Er waren 14.700 doden door de plaag, behalve de doden vanwege Korach.
וַיִּהְי֗וּ
(vayihyu)
en waren
הַמֵּתִים֙
(hametim)
de doden
בַּמַּגֵּפָ֔ה
(bamagefa)
door de plaag
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַ֣ע
(usheva)
en zeven
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
מִלְּבַ֥ד
(milevad)
behalve
הַמֵּתִ֖ים
(hametim)
de doden
עַל
(al)
vanwege
דְּבַר
(devar)
de zaak van
קֹֽרַח
(qorach)
Korach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Aäron ging terug naar Mozes bij de ingang van de tent van samenkomst. De plaag was gestopt.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶל
(el)
naar
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
וְהַמַּגֵּפָ֖ה
(vehamagefa)
en de plaag
נֶעֱצָֽרָה
(neetsara)
was gestopt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De staven van de stammen

16Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17„Spreek tot de zonen van Israël en neem van hen een staf per vaderhuis, van al hun leiders volgens hun vaderhuizen: 12 staven. Schrijf ieders naam op zijn staf.
דַּבֵּ֣ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְקַ֣ח
(veqach)
en neem
מֵֽאִתָּ֡ם
(meitam)
van hen
מַטֶּ֣ה
(mate)
een staf
מַטֶּה֩
(mate)
een staf
לְבֵ֨ית
(leveit)
per huis van
אָ֜ב
(av)
vader
מֵאֵ֤ת
(meet)
van
כָּל
(kal)
al
נְשִֽׂיאֵהֶם֙
(nesiehem)
hun leiders
לְבֵ֣ית
(leveit)
per huis van
אֲבֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaders
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
מַטּ֑וֹת
(matot)
staven
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
תִּכְתֹּ֖ב
(tikhtov)
je zult schrijven
עַל
(al)
op
מַטֵּֽהוּ
(matehu)
zijn staf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטֶּה (matteh), ‘staf’: hetzelfde woord betekent ‘stam’ (Num. 13:4).

De staf staat voor de stam.

בֵּית אָב (beit av), ‘vaderhuis’: de huishouding van de vader met zijn nakomelingen, een onderdeel van een stam (Num. 1:2).

Het zijn 12 staven. Waarschijnlijk telt Jozef met Efraïm en Manasse als één staf en telt Levi (vers 18) als aparte staf.

18De naam van Aäron moet je schrijven op de staf van Levi, want er is één staf voor het hoofd van hun vaderhuis.
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
תִּכְתֹּ֖ב
(tikhtov)
je zult schrijven
עַל
(al)
op
מַטֵּ֣ה
(mate)
de staf van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
כִּ֚י
(ki)
want
מַטֶּ֣ה
(mate)
een staf
אֶחָ֔ד
(echad)
één
לְרֹ֖אשׁ
(lerosh)
voor het hoofd van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Leg ze neer in de tent van samenkomst, voor het getuigenis, waar Ik jullie ontmoet.
וְהִנַּחְתָּ֖ם
(vehinachtam)
en leg ze neer
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָֽעֵד֔וּת
(haedut)
het getuigenis
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waar
אִוָּעֵ֥ד
(ivaed)
Ik mij ontmoet
לָכֶ֖ם
(lakhem)
met jullie
שָֽׁמָּה
(shama)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Voor het getuigenis’: voor de ark van het getuigenis, waar Yahweh Mozes ontmoet (Exod. 25:22; 30:36).

20De man die Ik kies, van hem zal de staf uitlopen. Zo zal Ik het morren van de zonen van Israël van Mij af doen bedaren, het morren waarmee zij tegen jullie morren.”
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֶבְחַר
(evchar)
Ik kies
בּ֖וֹ
(bo)
hem
מַטֵּ֣הוּ
(matehu)
zijn staf
יִפְרָ֑ח
(yifrach)
zal uitlopen
וַהֲשִׁכֹּתִ֣י
(vahashikoti)
en Ik zal doen bedaren
מֵֽעָלַ֗י
(mealay)
van Mij af
אֶת
(et)
(obj.)
תְּלֻנּוֹת֙
(telunot)
het morren van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
dat
הֵ֥ם
(hem)
zij
מַלִּינִ֖ם
(malinim)
morrend
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
tegen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Mozes sprak tot de zonen van Israël. Al hun leiders gaven hem een staf, een staf per leider, per vaderhuis: 12 staven. De staf van Aäron lag tussen hun staven.
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתְּנ֣וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֵלָ֣יו
(elav)
hem
כָּֽל
(kal)
al
נְשִֽׂיאֵיהֶ֡ם
(nesieihem)
hun leiders
מַטֶּה֩
(mate)
een staf
לְנָשִׂ֨יא
(lenasi)
per leider
אֶחָ֜ד
(echad)
één
מַטֶּ֨ה
(mate)
een staf
לְנָשִׂ֤יא
(lenasi)
per leider
אֶחָד֙
(echad)
één
לְבֵ֣ית
(leveit)
per huis van
אֲבֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaders
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
מַטּ֑וֹת
(matot)
staven
וּמַטֵּ֥ה
(umate)
en de staf van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
מַטּוֹתָֽם
(matotam)
hun staven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Mozes legde de staven neer voor het aangezicht van Yahweh, in de tent van het getuigenis.
וַיַּנַּ֥ח
(vayanach)
en legde neer
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּטֹּ֖ת
(hamatot)
de staven
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֹ֖הֶל
(beohel)
in de tent van
הָעֵדֻֽת
(haedut)
het getuigenis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Aärons staf loopt uit

23De volgende dag ging Mozes de tent van het getuigenis in. En zie: de staf van Aäron, voor het huis van Levi, was uitgelopen. Er waren knoppen uitgekomen, er bloeide bloesem en er rijpten amandelen.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
de volgende dag
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
הָעֵד֔וּת
(haedut)
het getuigenis
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
פָּרַ֥ח
(parach)
was uitgelopen
מַטֵּֽה
(mate)
de staf van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
וַיֹּ֤צֵֽא
(vayotse)
en bracht voort
פֶ֨רַח֙
(perach)
knoppen
וַיָּ֣צֵֽץ
(vayatsets)
en liet bloeien
צִ֔יץ
(tsits)
bloesem
וַיִּגְמֹ֖ל
(vayigmol)
en liet rijpen
שְׁקֵדִֽים
(sheqedim)
amandelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁקֵדִים (shqedim), ‘amandelen’: in één nacht gebeurt wat normaal maanden duurt: knoppen, bloesem en rijpe vruchten.

24Mozes bracht alle staven van voor het aangezicht van Yahweh naar alle zonen van Israël. Zij zagen ze en namen ieder zijn staf.
וַיֹּצֵ֨א
(vayotse)
en bracht uit
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַמַּטֹּת֙
(hamatot)
de staven
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּרְא֥וּ
(vayiru)
en zij zagen
וַיִּקְח֖וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מַטֵּֽהוּ
(matehu)
zijn staf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Yahweh zei tegen Mozes: „Breng de staf van Aäron terug voor het getuigenis, om bewaard te worden als teken voor de rebelse zonen. Zo maak je een einde aan hun morren tegen Mij, zodat zij niet sterven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הָשֵׁ֞ב
(hashev)
breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֵּ֤ה
(mate)
de staf van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָעֵד֔וּת
(haedut)
het getuigenis
לְמִשְׁמֶ֥רֶת
(lemishmeret)
om bewaard te worden
לְא֖וֹת
(leot)
tot een teken
לִבְנֵי
(livnei)
voor de zonen van
מֶ֑רִי
(meri)
opstand
וּתְכַ֧ל
(utekhal)
en maak een einde
תְּלוּנֹּתָ֛ם
(telunotam)
hun morren
מֵעָלַ֖י
(mealay)
van Mij af
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָמֻֽתוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי־מֶרִי (benei meri), ‘rebelse zonen’: letterlijk ‘zonen van opstand’.

Hebreeën 9:4 noemt de staf van Aäron bij de voorwerpen in de ark; volgens dit vers staat hij ervoor, bij het getuigenis.

26Mozes deed het; zoals Yahweh hem geboden had, zo deed hij.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשָֽׂה
(asa)
deed hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De angst van het volk

27De zonen van Israël zeiden tegen Mozes: „Zie, wij sterven, wij gaan verloren, wij gaan allemaal verloren!
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הֵ֥ן
(hen)
zie
גָּוַ֛עְנוּ
(gavanu)
wij sterven
אָבַ֖דְנוּ
(avadnu)
wij gaan verloren
כֻּלָּ֥נוּ
(kulanu)
wij allen
אָבָֽדְנוּ
(avadenu)
wij gaan verloren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Iedereen die dichterbij komt, die de tabernakel van Yahweh nadert, sterft. Is het dan met ons gedaan? Moeten we allemaal sterven?”
כֹּ֣ל
(kol)
elke
הַקָּרֵ֧ב
(haqarev)
die dichterbij komt
הַקָּרֵ֛ב
(haqarev)
die dichterbij komt
אֶל
(el)
naar
מִשְׁכַּ֥ן
(mishkan)
de tabernakel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יָמ֑וּת
(yamut)
sterft
הַאִ֥ם
(haim)
is het dat
תַּ֖מְנוּ
(tamnu)
wij ten einde zijn
לִגְוֺֽעַ
(ligvoa)
om te sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De angst van het volk gaat over de tabernakel: wie te dicht bij de heilige plaats komt, sterft.

Dat brengt Yahweh in Num. 18 op een regeling voor de dienst van priesters en Levieten.