Na Jozua: Juda en de stammen trekken op, maar verdrijven de Kanaänieten niet overal
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Israël vraagt Yahweh wie als eerste optrekt
1Na de dood van Jozua vroegen de zonen van Israël aan Yahweh: „Wie van ons moet het eerst optrekken tegen de Kanaänieten, om tegen hen te strijden?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי֙
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
de dood van
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַֽיִּשְׁאֲלוּ֙
(vayishalu)
en zij vroegen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מִ֣י
(mi)
wie
יַעֲלֶה
(yaale)
zal optrekken
לָּ֧נוּ
(lanu)
voor ons
אֶל
(el)
naar
הַֽכְּנַעֲנִ֛י
(hakenaani)
de Kanaäniet
בַּתְּחִלָּ֖ה
(batechila)
in het begin
לְהִלָּ֥חֶם
(lehilachem)
om te strijden
בּֽוֹ
(bo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit boek sluit aan op Joz. 24:29–31: Jozua is gestorven en het volk heeft zijn erfdeel ontvangen.
Het Hebreeuws noemt hier ‘de Kanaäniet’ in het enkelvoud; wij vertalen ‘de Kanaänieten’, het hele volk.
Dat Juda als eerste optrekt past bij Num. 2:9 en Num. 10:14, waar Juda als eerste opbreekt.
3Juda zei tegen zijn broer Simeon: „Trek met mij op naar mijn lot. Dan strijden wij tegen de Kanaänieten. Dan ga ik ook met jou mee naar jouw lot.” Simeon ging met hem mee.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
לְשִׁמְע֨וֹן
(leshimon)
tegen Simeon
אָחִ֜יו
(achiv)
zijn broer
עֲלֵ֧ה
(ale)
trek op
אִתִּ֣י
(iti)
met mij
בְגוֹרָלִ֗י
(begorali)
in mijn lot
וְנִֽלָּחֲמָה֙
(venilachama)
en laten wij strijden
בַּֽכְּנַעֲנִ֔י
(bakenaani)
tegen de Kanaäniet
וְהָלַכְתִּ֧י
(vehalakhti)
en ik zal gaan
גַם
(gam)
ook
אֲנִ֛י
(ani)
ik
אִתְּךָ֖
(itekha)
met jou
בְּגוֹרָלֶ֑ךָ
(begoralekha)
in jouw lot
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹרָל (goral), ‘lot’: het gebied dat bij de loting aan een stam viel.
Het gebied van Simeon lag binnen dat van Juda (Joz. 19:1–9).
5In Bezek vonden zij Adoni-Bezek. Zij streden tegen hem en versloegen de Kanaänieten en de Perizzieten.
וַֽ֠יִּמְצְאוּ
(vayimtseu)
en zij vonden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
Adoni
בֶ֨זֶק֙
(bezeq)
Bezek
בְּבֶ֔זֶק
(bevezeq)
in Bezek
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en zij versloegen
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפְּרִזִּֽי
(haperizi)
de Perizziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bezek (ligging onzeker): Bezek wordt gezocht bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Sichem.
Dit is niet zeker.
Uitleg
אֲדֹנִי בֶזֶק (Adoni-Bezeq), ‘heer van Bezek’: een naam of een titel van de koning van Bezek.
6Adoni-Bezek vluchtte. Zij achtervolgden hem, grepen hem en hakten de duimen van zijn handen en de grote tenen van zijn voeten af.
וַיָּ֨נָס֙
(vayanas)
en vluchtte
אֲדֹ֣נִי
(adoni)
Adoni
בֶ֔זֶק
(bezeq)
Bezek
וַֽיִּרְדְּפ֖וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
achter hem
וַיֹּאחֲז֣וּ
(vayochazu)
en zij grepen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וַֽיְקַצְּצ֔וּ
(vayqatsetsu)
en zij hakten af
אֶת
(et)
(obj.)
בְּהֹנ֥וֹת
(behonot)
de duimen van
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
וְרַגְלָֽיו
(veraglav)
en zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּהֹנוֹת (behonot), ‘duimen en grote tenen’: Het woord wordt gebruikt voor de duim van de hand en de grote teen van de voet.
Wie die kwijt was, kon geen wapens vasthouden en niet goed lopen.
7Adoni-Bezek zei: „Zeventig koningen, van wie de duimen van hun handen en voeten waren afgehakt, raapten onder mijn tafel op. Zoals ik heb gedaan, zo heeft Elohim mij vergolden.” Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲדֹֽנִי
(adoni)
Adoni
בֶ֗זֶק
(bezeq)
Bezek
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
מְלָכִ֡ים
(melakhim)
koningen
בְּֽהֹנוֹת֩
(behonot)
de duimen van
יְדֵיהֶ֨ם
(yedeihem)
hun handen
וְרַגְלֵיהֶ֜ם
(veragleihem)
en hun voeten
מְקֻצָּצִ֗ים
(mequtsatsim)
afgehakt
הָי֤וּ
(hayu)
waren
מְלַקְּטִים֙
(melaqetim)
opraapten
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שֻׁלְחָנִ֔י
(shulchani)
mijn tafel
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כֵּ֥ן
(ken)
zo
שִׁלַּם
(shilam)
heeft vergolden
לִ֖י
(li)
mij
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיְבִיאֻ֥הוּ
(vayviuhu)
en zij brachten hem
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en hij stierf
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jeruzalem ligt in het bergland van Juda, op de grens met Benjamin (Israël).
Zie ook vers 8 en vers 21.
Uitleg
Wat de koningen onder de tafel ‘opraapten’, staat er niet bij.
Het gaat waarschijnlijk om resten van het eten.
Het werkwoord שָׁלַם (shalam), ‘vergelden’, betekent: terugbetalen wat iemand heeft gedaan.
15Zij zei tegen hem: „Geef mij een zegen. Want je hebt mij het land van de Negev gegeven. Geef mij ook bronnen van water.” Kaleb gaf haar de bovenste bronnen en de onderste bronnen.
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zij zei
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
הָֽבָה
(hava)
geef
לִּ֣י
(li)
mij
בְרָכָ֗ה
(berakha)
een zegen
כִּ֣י
(ki)
want
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הַנֶּ֨גֶב֙
(hanegev)
de Negev
נְתַתָּ֔נִי
(netatani)
heb je mij gegeven
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en geef
לִ֖י
(li)
mij
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
bronnen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
לָ֣הּ
(lah)
haar
כָּלֵ֗ב
(kalev)
Kaleb
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
de bronnen van
עִלִּ֔ית
(ilit)
boven
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
גֻּלֹּ֥ת
(gulot)
de bronnen van
תַּחְתִּֽית
(tachtit)
beneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Uitleg
בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier is het een geschenk.
Wij houden het woord ‘zegen’ vast.
גֻּלֹּת מָיִם (gulloth mayim), ‘bronnen van water’: letterlijk ‘kommen van water’.
Het land in de Negev is droog; zonder bronnen heeft het weinig waarde.
16De zonen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken op uit de stad van de palmen. Zij gingen met de zonen van Juda naar de woestijn van Juda, in de Negev bij Arad. Zij gingen er bij het volk wonen.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
קֵינִי֩
(qeini)
de Keniet
חֹתֵ֨ן
(choten)
schoonvader van
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
עָל֨וּ
(alu)
trokken op
מֵעִ֤יר
(meir)
uit de stad van
הַתְּמָרִים֙
(hatemarim)
de palmen
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מִדְבַּ֣ר
(midbar)
woestijn van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּנֶ֣גֶב
(benegev)
in de Negev van
עֲרָ֑ד
(arad)
Arad
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
אֶת
(et)
bij
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
‘De stad van de palmen’ is Jericho (Deut. 34:3).
Arad ligt in de Negev, ongeveer 50 km ten zuiden van Hebron (Tel Arad, Israël).
Het Hebreeuws zegt ‘de Negev van Arad’.
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘Keniet’ (enkelvoud) en daarna ‘hij ging en hij woonde’.
Wij lezen het als een verzamelnaam voor de Kenieten en vertalen met ‘zij’.
Zie Num. 10:29 voor Chobab, de schoonvader van Mozes.
21De Jebusieten die in Jeruzalem woonden, verdreven de zonen van Benjamin niet. De Jebusieten wonen tot op deze dag samen met de zonen van Benjamin in Jeruzalem.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woonde
יְרֽוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לֹ֥א
(lo)
niet
הוֹרִ֖ישׁוּ
(horishu)
verdreven
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וַיֵּ֨שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
הַיְבוּסִ֜י
(hayvusi)
de Jebusiet
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Zie vers 8.
De Jebusieten bleven in Jeruzalem wonen.
Pas David neemt de burcht later in (2 Sam. 5:6–9).
‘Tot op deze dag’ betekent: tot de tijd van de schrijver van dit boek.
27Manasse verdreef de bewoners van Bet-Sean en zijn dochtersteden niet. Ook niet die van Taänak en zijn dochtersteden, van Dor en zijn dochtersteden, van Jibleam en zijn dochtersteden en van Megiddo en zijn dochtersteden. De Kanaänieten waren vastbesloten in dit land te blijven wonen.
וְלֹא
(velo)
en niet
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
מְנַשֶּׁ֗ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
Bet
שְׁאָ֣ן
(shean)
Sean
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶיהָ֮
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּעְנַ֣ךְ
(tanakh)
Taänak
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶיהָ֒
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
de inwoners van
ד֜וֹר
(dor)
Dor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֗יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de inwoners van
יִבְלְעָם֙
(yivleam)
Jibleam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶ֔יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
מְגִדּ֖וֹ
(megido)
Megiddo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וַיּ֨וֹאֶל֙
(vayoel)
en was vastbesloten
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaäniet
לָשֶׁ֖בֶת
(lashevet)
om te wonen
בָּאָ֥רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Sean ligt bij Tell el-Husn in het Beisan-dal (Israël).
Taänak ligt bij Tel Taanach (Westelijke Jordaanoever).
Dor ligt bij Tel Dor aan de kust (Israël).
Jibleam ligt bij Khirbet Bel’ame (Westelijke Jordaanoever).
Megiddo ligt bij Tel Megiddo (Israël).
Dit zijn waarschijnlijke ligplaatsen.
Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.
Uitleg
בְּנוֹת (banot), ‘dochters’: dorpen die bij een grotere stad horen.
Wij vertalen ‘dochtersteden’.
Het Hebreeuws zegt: ‘Manasse verdreef Bet-Sean niet’.
Wij voegen ‘de bewoners van’ toe, want die worden bedoeld.
33Naftali verdreef de inwoners van Bet-Semes en de inwoners van Bet-Anat niet. Hij woonde midden onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. De inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat werden dwangarbeiders voor hen.
נַפְתָּלִ֗י
(naftali)
Naftali
לֹֽא
(lo)
niet
הוֹרִ֞ישׁ
(horish)
verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de inwoners van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
Semes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
בֵית
(beit)
Bet
עֲנָ֔ת
(anat)
Anat
וַיֵּ֕שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְיֹשְׁבֵ֤י
(veyoshevei)
en de inwoners van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
Semes
וּבֵ֣ית
(uveit)
en Bet
עֲנָ֔ת
(anat)
Anat
הָי֥וּ
(hayu)
waren
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Semes (in Naftali) en Bet-Anat liggen in Galilea.
35De Amorieten waren vastbesloten te blijven wonen op de berg Cheres, in Ajalon en in Saälbim. Toen werd de hand van het huis van Jozef zwaar. De Amorieten werden dwangarbeiders.
וַיּ֤וֹאֶל
(vayoel)
en was vastbesloten
הָֽאֱמֹרִי֙
(haemori)
de Amoriet
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
בְּהַר
(behar)
op de berg
חֶ֔רֶס
(cheres)
Cheres
בְּאַיָּל֖וֹן
(beayalon)
in Ajalon
וּבְשַֽׁעַלְבִ֑ים
(uveshaalvim)
en in Saälbim
וַתִּכְבַּד֙
(vatikhbad)
en werd zwaar
יַ֣ד
(yad)
de hand van
בֵּית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij werden
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ajalon ligt bij Yalo, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
De berg Cheres en Saälbim zijn onzeker; Saälbim ligt waarschijnlijk in de buurt van Ajalon.