Elohim Bijbel

Richteren 1

123456789101112131415161718192021

Na Jozua: Juda en de stammen trekken op, maar verdrijven de Kanaänieten niet overal

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Israël vraagt Yahweh wie als eerste optrekt

1Na de dood van Jozua vroegen de zonen van Israël aan Yahweh: „Wie van ons moet het eerst optrekken tegen de Kanaänieten, om tegen hen te strijden?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
אַחֲרֵי֙
(acharei)
na
מ֣וֹת
(mot)
de dood van
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַֽיִּשְׁאֲלוּ֙
(vayishalu)
en zij vroegen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מִ֣י
(mi)
wie
יַעֲלֶה
(yaale)
zal optrekken
לָּ֧נוּ
(lanu)
voor ons
אֶל
(el)
naar
הַֽכְּנַעֲנִ֛י
(hakenaani)
de Kanaäniet
בַּתְּחִלָּ֖ה
(batechila)
in het begin
לְהִלָּ֥חֶם
(lehilachem)
om te strijden
בּֽוֹ
(bo)
tegen hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit boek sluit aan op Joz. 24:29–31: Jozua is gestorven en het volk heeft zijn erfdeel ontvangen.

Het Hebreeuws noemt hier ‘de Kanaäniet’ in het enkelvoud; wij vertalen ‘de Kanaänieten’, het hele volk.

Dat Juda als eerste optrekt past bij Num. 2:9 en Num. 10:14, waar Juda als eerste opbreekt.

2Yahweh zei: „Juda moet optrekken. Zie, Ik heb het land in zijn hand gegeven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
יַעֲלֶ֑ה
(yaale)
zal optrekken
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Juda zei tegen zijn broer Simeon: „Trek met mij op naar mijn lot. Dan strijden wij tegen de Kanaänieten. Dan ga ik ook met jou mee naar jouw lot.” Simeon ging met hem mee.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
לְשִׁמְע֨וֹן
(leshimon)
tegen Simeon
אָחִ֜יו
(achiv)
zijn broer
עֲלֵ֧ה
(ale)
trek op
אִתִּ֣י
(iti)
met mij
בְגוֹרָלִ֗י
(begorali)
in mijn lot
וְנִֽלָּחֲמָה֙
(venilachama)
en laten wij strijden
בַּֽכְּנַעֲנִ֔י
(bakenaani)
tegen de Kanaäniet
וְהָלַכְתִּ֧י
(vehalakhti)
en ik zal gaan
גַם
(gam)
ook
אֲנִ֛י
(ani)
ik
אִתְּךָ֖
(itekha)
met jou
בְּגוֹרָלֶ֑ךָ
(begoralekha)
in jouw lot
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
שִׁמְעֽוֹן
(shimon)
Simeon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹרָל (goral), ‘lot’: het gebied dat bij de loting aan een stam viel.

Het gebied van Simeon lag binnen dat van Juda (Joz. 19:1–9).

Daarom gaan Juda en Simeon samen op.

Adoni-Bezek

4Juda trok op. Yahweh gaf de Kanaänieten en de Perizzieten in hun hand. Zij versloegen in Bezek 10.000 man.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en trok op
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיִּתֵּ֧ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַכְּנַעֲנִ֥י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַפְּרִזִּ֖י
(vehaperizi)
en de Perizziet
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
in hun hand
וַיַּכּ֣וּם
(vayakum)
en zij versloegen hen
בְּבֶ֔זֶק
(bevezeq)
in Bezek
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bezek ligt waarschijnlijk bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Sichem (Westelijke Jordaanoever).

Dit is niet zeker.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘tien duizend man’.

Wij schrijven 10.000.

5In Bezek vonden zij Adoni-Bezek. Zij streden tegen hem en versloegen de Kanaänieten en de Perizzieten.
וַֽ֠יִּמְצְאוּ
(vayimtseu)
en zij vonden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
Adoni
בֶ֨זֶק֙
(bezeq)
Bezek
בְּבֶ֔זֶק
(bevezeq)
in Bezek
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en zij versloegen
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפְּרִזִּֽי
(haperizi)
de Perizziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bezek (ligging onzeker): Bezek wordt gezocht bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Sichem.

Dit is niet zeker.

Uitleg

אֲדֹנִי בֶזֶק (Adoni-Bezeq), ‘heer van Bezek’: een naam of een titel van de koning van Bezek.

6Adoni-Bezek vluchtte. Zij achtervolgden hem, grepen hem en hakten de duimen van zijn handen en de grote tenen van zijn voeten af.
וַיָּ֨נָס֙
(vayanas)
en vluchtte
אֲדֹ֣נִי
(adoni)
Adoni
בֶ֔זֶק
(bezeq)
Bezek
וַֽיִּרְדְּפ֖וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
אַחֲרָ֑יו
(acharav)
achter hem
וַיֹּאחֲז֣וּ
(vayochazu)
en zij grepen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וַֽיְקַצְּצ֔וּ
(vayqatsetsu)
en zij hakten af
אֶת
(et)
(obj.)
בְּהֹנ֥וֹת
(behonot)
de duimen van
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
וְרַגְלָֽיו
(veraglav)
en zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהֹנוֹת (behonot), ‘duimen en grote tenen’: Het woord wordt gebruikt voor de duim van de hand en de grote teen van de voet.

Wie die kwijt was, kon geen wapens vasthouden en niet goed lopen.

7Adoni-Bezek zei: „Zeventig koningen, van wie de duimen van hun handen en voeten waren afgehakt, raapten onder mijn tafel op. Zoals ik heb gedaan, zo heeft Elohim mij vergolden.” Zij brachten hem naar Jeruzalem en daar stierf hij.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲדֹֽנִי
(adoni)
Adoni
בֶ֗זֶק
(bezeq)
Bezek
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
מְלָכִ֡ים
(melakhim)
koningen
בְּֽהֹנוֹת֩
(behonot)
de duimen van
יְדֵיהֶ֨ם
(yedeihem)
hun handen
וְרַגְלֵיהֶ֜ם
(veragleihem)
en hun voeten
מְקֻצָּצִ֗ים
(mequtsatsim)
afgehakt
הָי֤וּ
(hayu)
waren
מְלַקְּטִים֙
(melaqetim)
opraapten
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שֻׁלְחָנִ֔י
(shulchani)
mijn tafel
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כֵּ֥ן
(ken)
zo
שִׁלַּם
(shilam)
heeft vergolden
לִ֖י
(li)
mij
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיְבִיאֻ֥הוּ
(vayviuhu)
en zij brachten hem
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en hij stierf
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jeruzalem ligt in het bergland van Juda, op de grens met Benjamin (Israël).

Zie ook vers 8 en vers 21.

Uitleg

Wat de koningen onder de tafel ‘opraapten’, staat er niet bij.

Het gaat waarschijnlijk om resten van het eten.

Het werkwoord שָׁלַם (shalam), ‘vergelden’, betekent: terugbetalen wat iemand heeft gedaan.

Adoni-Bezek ziet hierin de hand van Elohim.

Jeruzalem, Hebron en Debir

8De zonen van Juda streden tegen Jeruzalem en namen de stad in. Zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard. De stad staken zij in brand.
וַיִּלָּחֲמ֤וּ
(vayilachamu)
en zij streden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
tegen Jeruzalem
וַיִּלְכְּד֣וּ
(vayilkedu)
en zij namen in
אוֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וַיַּכּ֖וּהָ
(vayakuha)
en zij sloegen haar
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
שִׁלְּח֥וּ
(shilechu)
zij zonden
בָאֵֽשׁ
(baesh)
in vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vers 8 vertelt dat Juda Jeruzalem inneemt en in brand steekt.

Vers 21 zegt dat de Jebusieten er nog steeds wonen.

Beide kunnen waar zijn: de stad werd ingenomen, maar de Jebusieten bleven in de burcht of kwamen later terug.

Zie ook 2 Sam. 5:6–9.

9Daarna gingen de zonen van Juda naar beneden om te strijden tegen de Kanaänieten. Die woonden in het bergland, in de Negev en in de Sefela.
וְאַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
יָֽרְדוּ֙
(yaredu)
gingen naar beneden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
בַּֽכְּנַעֲנִ֑י
(bakenaani)
tegen de Kanaäniet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
wonend in
הָהָ֔ר
(hahar)
het bergland
וְהַנֶּ֖גֶב
(vehanegev)
en de Negev
וְהַשְּׁפֵלָֽה
(vehashefela)
en de Sefela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.

10Juda trok tegen de Kanaänieten die in Hebron woonden. Hebron heette vroeger Kirjat-Arba. Zij versloegen Sjesai, Achiman en Talmai.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַיּוֹשֵׁ֣ב
(hayoshev)
die woonde
בְּחֶבְר֔וֹן
(bechevron)
in Hebron
וְשֵׁם
(veshem)
en de naam van
חֶבְר֥וֹן
(chevron)
Hebron
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
אַרְבַּ֑ע
(arba)
Arba
וַיַּכּ֛וּ
(vayaku)
en zij versloegen
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁשַׁ֥י
(sheshay)
Sjesai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲחִימַ֖ן
(achiman)
Achiman
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּלְמָֽי
(talmay)
Talmai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

Kirjat-Arba is de oude naam (Gen. 23:2).

Uitleg

Sjesai, Achiman en Talmai zijn de drie nakomelingen van Anak die ook in Num. 13:22 en Joz. 15:14 voorkomen.

11Vandaar trok hij tegen de inwoners van Debir. Debir heette vroeger Kirjat-Sefer.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
אֶל
(el)
naar
יוֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
de inwoners van
דְּבִ֑יר
(devir)
Debir
וְשֵׁם
(veshem)
en de naam van
דְּבִ֥יר
(devir)
Debir
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
קִרְיַת
(qiryat)
Kirjat
סֵֽפֶר
(sefer)
Sefer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Debir ligt waarschijnlijk bij Khirbet Rabud, ongeveer 20 km ten zuidwesten van Hebron (Westelijke Jordaanoever).

De ligging is onzeker.

Uitleg

קִרְיַת־סֵפֶר (Qiryat-Sefer), ‘stad van het boek’ of ‘stad van de schrijver’.

Het woord ‘Sefer’ komt ook in Joz. 15:15 voor.

12Kaleb zei: „Wie Kirjat-Sefer verslaat en inneemt, hem geef ik mijn dochter Aksa als vrouw.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
כָּלֵ֔ב
(kalev)
Kaleb
אֲשֶׁר
(asher)
wie
יַכֶּ֥ה
(yake)
verslaat
אֶת
(et)
(obj.)
קִרְיַת
(qiryat)
Kirjat
סֵ֖פֶר
(sefer)
Sefer
וּלְכָדָ֑הּ
(ulekhadah)
en inneemt het
וְנָתַ֥תִּי
(venatati)
en ik zal geven
ל֛וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
עַכְסָ֥ה
(akhsa)
Aksa
בִתִּ֖י
(biti)
mijn dochter
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
als vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Debir (ligging onzeker): Debir (Kirjat-Sefer) wordt gezocht bij Khirbet Rabud, ten zuidwesten van Hebron.

Dit is niet geheel zeker.

Uitleg

עַכְסָה (Aksa), een vrouwennaam.

Vers 12–15 komen bijna woordelijk overeen met Joz. 15:16–19.

13Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam de stad in. Kaleb gaf hem zijn dochter Aksa als vrouw.
וַֽיִּלְכְּדָהּ֙
(vayilkedah)
en nam in
עָתְנִיאֵ֣ל
(ateniel)
Otniël
בֶּן
(ben)
zoon van
קְנַ֔ז
(qenaz)
Kenaz
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
כָלֵ֖ב
(kalev)
Kaleb
הַקָּטֹ֣ן
(haqaton)
de jongere
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
dan hij
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
ל֛וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
עַכְסָ֥ה
(akhsa)
Aksa
בִתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
als vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘de jongere dan hij’.

Dat kan horen bij Otniël (jonger dan Kaleb) of bij Kenaz.

Wij vertalen: Otniël is de jongere broer van Kaleb.

Kaleb heet elders ‘de Kenizziet’ (Num. 32:12), dus Kenaz is de stamvader van zijn familie.

14Toen zij bij hem kwam, zette zij hem aan om aan haar vader een veld te vragen. Zij steeg van de ezel. Kaleb vroeg haar: „Wat is er met je?”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּבוֹאָ֗הּ
(bevoah)
bij haar komen
וַתְּסִיתֵ֨הוּ֙
(vatesitehu)
en zij zette hem aan
לִשְׁא֤וֹל
(lishol)
om te vragen
מֵֽאֵת
(meet)
van
אָבִ֨יהָ֙
(aviha)
haar vader
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וַתִּצְנַ֖ח
(vatitsnach)
en zij steeg neer
מֵעַ֣ל
(meal)
van
הַחֲמ֑וֹר
(hachamor)
de ezel
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֥הּ
(lah)
tot haar
כָּלֵ֖ב
(kalev)
Kaleb
מַה
(ma)
wat
לָּֽךְ
(lakh)
is er met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָנַח (tsanach), ‘afdalen’: het werkwoord komt maar een paar keer voor.

Hier gaat het om van een ezel stappen of glijden.

Wij vertalen ‘zij steeg af’.

Lezing

Wij volgen hier de Masoretische tekst: zij zette hem aan (de man) om het veld te vragen.

In de Septuaginta staat dat hij haar aanzette.

Dat is een andere lezing van dat ene woord.

15Zij zei tegen hem: „Geef mij een zegen. Want je hebt mij het land van de Negev gegeven. Geef mij ook bronnen van water.” Kaleb gaf haar de bovenste bronnen en de onderste bronnen.
וַתֹּ֨אמֶר
(vatomer)
en zij zei
ל֜וֹ
(lo)
tot hem
הָֽבָה
(hava)
geef
לִּ֣י
(li)
mij
בְרָכָ֗ה
(berakha)
een zegen
כִּ֣י
(ki)
want
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הַנֶּ֨גֶב֙
(hanegev)
de Negev
נְתַתָּ֔נִי
(netatani)
heb je mij gegeven
וְנָתַתָּ֥ה
(venatata)
en geef
לִ֖י
(li)
mij
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
bronnen van
מָ֑יִם
(mayim)
water
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
לָ֣הּ
(lah)
haar
כָּלֵ֗ב
(kalev)
Kaleb
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
גֻּלֹּ֣ת
(gulot)
de bronnen van
עִלִּ֔ית
(ilit)
boven
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
גֻּלֹּ֥ת
(gulot)
de bronnen van
תַּחְתִּֽית
(tachtit)
beneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: hier is het een geschenk.

Wij houden het woord ‘zegen’ vast.

גֻּלֹּת מָיִם (gulloth mayim), ‘bronnen van water’: letterlijk ‘kommen van water’.

Het land in de Negev is droog; zonder bronnen heeft het weinig waarde.

De Kenieten en Chorma

16De zonen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken op uit de stad van de palmen. Zij gingen met de zonen van Juda naar de woestijn van Juda, in de Negev bij Arad. Zij gingen er bij het volk wonen.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
קֵינִי֩
(qeini)
de Keniet
חֹתֵ֨ן
(choten)
schoonvader van
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
עָל֨וּ
(alu)
trokken op
מֵעִ֤יר
(meir)
uit de stad van
הַתְּמָרִים֙
(hatemarim)
de palmen
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מִדְבַּ֣ר
(midbar)
woestijn van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּנֶ֣גֶב
(benegev)
in de Negev van
עֲרָ֑ד
(arad)
Arad
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
אֶת
(et)
bij
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘De stad van de palmen’ is Jericho (Deut. 34:3).

Arad ligt in de Negev, ongeveer 50 km ten zuiden van Hebron (Tel Arad, Israël).

Het Hebreeuws zegt ‘de Negev van Arad’.

Lezing

Het Hebreeuws heeft ‘Keniet’ (enkelvoud) en daarna ‘hij ging en hij woonde’.

Wij lezen het als een verzamelnaam voor de Kenieten en vertalen met ‘zij’.

Zie Num. 10:29 voor Chobab, de schoonvader van Mozes.

17Juda ging met zijn broer Simeon. Zij versloegen de Kanaänieten die in Zefat woonden. Zij wijdden de stad aan de ban. Men noemde de stad Chorma.
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
met
שִׁמְע֣וֹן
(shimon)
Simeon
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
וַיַּכּ֕וּ
(vayaku)
en zij versloegen
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woonde
צְפַ֑ת
(tsefat)
Zefat
וַיַּחֲרִ֣ימוּ
(vayacharimu)
en zij wijdden aan de ban
אוֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁם
(shem)
de naam van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
חָרְמָֽה
(charema)
Chorma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zefat en Chorma liggen in het zuiden van Juda, in de Negev.

De ligging is onzeker.

Chorma betekent ‘ban’ (verwijderen om te wijden).

Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wijden aan Yahweh door te vernietigen.

De naam Chorma staat ook in Num. 21:1–3.

18Juda nam Gaza in met zijn gebied, Askelon met zijn gebied en Ekron met zijn gebied.
וַיִּלְכֹּ֤ד
(vayilkod)
en nam in
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(obj.)
עַזָּ֣ה
(aza)
Gaza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלָ֔הּ
(gevulah)
haar gebied
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַשְׁקְל֖וֹן
(ashqelon)
Askelon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלָ֑הּ
(gevulah)
haar gebied
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֶקְר֖וֹן
(eqron)
Ekron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלָֽהּ
(gevulah)
haar gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gaza, Askelon en Ekron zijn steden van de Filistijnen aan de kust, in het zuidwesten van Israël.

Gaza ligt in de huidige Gazastrook, Askelon bij Ashkelon (Israël) en Ekron waarschijnlijk bij Tel Miqne (Israël).

Lezing

In een deel van de Septuaginta-handschriften staat dat Juda deze steden niet innam.

De Masoretische tekst zegt dat hij ze innam.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Wat Juda niet verdreef

19Yahweh was met Juda. Juda nam het bergland in bezit. Maar de inwoners van het dal verdreef hij niet, want zij hadden ijzeren strijdwagens.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en was
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶתּ
(et)
met
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֖רֶשׁ
(vayoresh)
en hij nam in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָ֑ר
(hahar)
het bergland
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
לְהוֹרִישׁ֙
(lehorish)
om te verdrijven
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
הָעֵ֔מֶק
(haemeq)
het dal
כִּי
(ki)
want
רֶ֥כֶב
(rekhev)
strijdwagens van
בַּרְזֶ֖ל
(barzel)
ijzer
לָהֶֽם
(lahem)
hadden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘want niet om te verdrijven de inwoners van het dal’.

Dit zegt niet dat hij het niet kon.

Wij houden de tekst zoals hij staat: Juda verdreef hen niet, want zij hadden ijzeren strijdwagens.

20Zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes had gesproken. Kaleb verdreef daaruit de drie zonen van Anak.
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij gaven
לְכָלֵב֙
(lekhalev)
aan Kaleb
אֶת
(et)
(obj.)
חֶבְר֔וֹן
(chevron)
Hebron
כַּֽאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
had gesproken
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיּ֣וֹרֶשׁ
(vayoresh)
en hij verdreef
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹשָׁ֖ה
(shelosha)
drie
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הָעֲנָֽק
(haanaq)
Anak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

De gift van Hebron aan Kaleb gebeurde in Joz. 14:6–15 en Joz. 15:13–14.

De drie ‘zonen van Anak’ zijn Sjesai, Achiman en Talmai (vers 10).

21De Jebusieten die in Jeruzalem woonden, verdreven de zonen van Benjamin niet. De Jebusieten wonen tot op deze dag samen met de zonen van Benjamin in Jeruzalem.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיְבוּסִי֙
(hayvusi)
de Jebusiet
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woonde
יְרֽוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לֹ֥א
(lo)
niet
הוֹרִ֖ישׁוּ
(horishu)
verdreven
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וַיֵּ֨שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
הַיְבוּסִ֜י
(hayvusi)
de Jebusiet
אֶת
(et)
met
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie vers 8.

De Jebusieten bleven in Jeruzalem wonen.

Pas David neemt de burcht later in (2 Sam. 5:6–9).

‘Tot op deze dag’ betekent: tot de tijd van de schrijver van dit boek.

Het huis van Jozef neemt Betel in

22Ook het huis van Jozef trok op naar Betel. Yahweh was met hen.
וַיַּעֲל֧וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
בֵית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֛ף
(yosef)
Jozef
גַּם
(gam)
ook
הֵ֖ם
(hem)
zij
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עִמָּֽם
(imam)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

23Het huis van Jozef liet Betel verkennen. Vroeger heette de stad Luz.
וַיָּתִ֥ירוּ
(vayatiru)
en zij lieten verkennen
בֵית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֖ף
(yosef)
Jozef
בְּבֵֽית
(beveit)
Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְשֵׁם
(veshem)
en de naam van
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
לֽוּז
(luz)
Luz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel ligt ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem (Beitin, Westelijke Jordaanoever).

De oude naam Luz staat in Gen. 28:19.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij lieten verkennen’.

Het gaat om mannen die het huis van Jozef erop uitstuurde.

24De verkenners zagen een man uit de stad komen. Zij zeiden tegen hem: „Laat ons toch zien waar je de stad binnengaat. Dan bewijzen wij je trouw.”
וַיִּרְאוּ֙
(vayiru)
en zij zagen
הַשֹּׁ֣מְרִ֔ים
(hashomerim)
de verkenners
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
יוֹצֵ֣א
(yotse)
die uitkwam
מִן
(min)
uit
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
הַרְאֵ֤נוּ
(harenu)
laat ons zien
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
מְב֣וֹא
(mevo)
de ingang van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְעָשִׂ֥ינוּ
(veasinu)
en wij zullen doen
עִמְּךָ֖
(imekha)
met jou
חָֽסֶד
(chased)
trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁמְרִים (shomerim), ‘wachters’: mannen die de stad in de gaten hielden.

Wij vertalen ‘verkenners’, omdat zij in vers 23 de stad verkennen.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: wij bewijzen jou trouw als jij ons helpt.

25Hij liet hun zien waar je de stad binnengaat. Zij sloegen de stad met de scherpte van het zwaard. Maar de man en heel zijn familie lieten zij gaan.
וַיַּרְאֵם֙
(vayarem)
en hij liet hen zien
אֶת
(et)
(obj.)
מְב֣וֹא
(mevo)
de ingang van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
מִשְׁפַּחְתּ֖וֹ
(mishpachto)
zijn familie
שִׁלֵּֽחוּ
(shilechu)
zij lieten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De man ging naar het land van de Hethieten. Hij bouwde een stad en noemde haar Luz. Dat is haar naam tot op deze dag.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֶ֖רֶץ
(erets)
naar het land van
הַחִתִּ֑ים
(hachitim)
de Hethieten
וַיִּ֣בֶן
(vayiven)
en bouwde
עִ֗יר
(ir)
een stad
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en noemde
שְׁמָהּ֙
(shemah)
haar naam
ל֔וּז
(luz)
Luz
ה֣וּא
(hu)
dat is
שְׁמָ֔הּ
(shemah)
haar naam
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land van de Hethieten ligt in het noorden.

De plaats van het nieuwe Luz is niet bekend.

Uitleg

De man bouwt een nieuwe stad en geeft haar de oude naam, ver buiten Israël.

De stammen die de Kanaänieten niet verdreven

27Manasse verdreef de bewoners van Bet-Sean en zijn dochtersteden niet. Ook niet die van Taänak en zijn dochtersteden, van Dor en zijn dochtersteden, van Jibleam en zijn dochtersteden en van Megiddo en zijn dochtersteden. De Kanaänieten waren vastbesloten in dit land te blijven wonen.
וְלֹא
(velo)
en niet
הוֹרִ֣ישׁ
(horish)
verdreef
מְנַשֶּׁ֗ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּית
(beit)
Bet
שְׁאָ֣ן
(shean)
Sean
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶיהָ֮
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּעְנַ֣ךְ
(tanakh)
Taänak
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶיהָ֒
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
de inwoners van
ד֜וֹר
(dor)
Dor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֗יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de inwoners van
יִבְלְעָם֙
(yivleam)
Jibleam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶ֔יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
מְגִדּ֖וֹ
(megido)
Megiddo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dochtersteden
וַיּ֨וֹאֶל֙
(vayoel)
en was vastbesloten
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaäniet
לָשֶׁ֖בֶת
(lashevet)
om te wonen
בָּאָ֥רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Sean ligt bij Tell el-Husn in het Beisan-dal (Israël).

Taänak ligt bij Tel Taanach (Westelijke Jordaanoever).

Dor ligt bij Tel Dor aan de kust (Israël).

Jibleam ligt bij Khirbet Bel’ame (Westelijke Jordaanoever).

Megiddo ligt bij Tel Megiddo (Israël).

Dit zijn waarschijnlijke ligplaatsen.

Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.

Uitleg

בְּנוֹת (banot), ‘dochters’: dorpen die bij een grotere stad horen.

Wij vertalen ‘dochtersteden’.

Het Hebreeuws zegt: ‘Manasse verdreef Bet-Sean niet’.

Wij voegen ‘de bewoners van’ toe, want die worden bedoeld.

28Toen Israël sterk werd, legde het de Kanaänieten dwangarbeid op. Maar verdrijven deed het hen niet.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּֽי
(ki)
toen
חָזַ֣ק
(chazaq)
sterk werd
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
לָמַ֑ס
(lamas)
tot dwangarbeid
וְהוֹרֵ֖ישׁ
(vehoreish)
en verdrijven
לֹ֥א
(lo)
niet
הוֹרִישֽׁוֹ
(horisho)
verdreef hij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַס (mas), ‘dwangarbeid’: arbeid die het volk gedwongen moest doen, zoals in Exod. 1:11.

Het Hebreeuws gebruikt een werkwoord met nadruk: ‘verdrijven, niet verdreef hij’.

Zie ookEx 1:11
29Efraïm verdreef de Kanaänieten niet die in Gezer woonden. De Kanaänieten bleven midden onder hen in Gezer wonen.
וְאֶפְרַ֨יִם֙
(veefrayim)
en Efraïm
לֹ֣א
(lo)
niet
הוֹרִ֔ישׁ
(horish)
verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַיּוֹשֵׁ֣ב
(hayoshev)
die woonde
בְּגָ֑זֶר
(begazer)
in Gezer
וַיֵּ֧שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
הַֽכְּנַעֲנִ֛י
(hakenaani)
de Kanaäniet
בְּקִרְבּ֖וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
בְּגָֽזֶר
(begazer)
in Gezer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gezer ligt bij Tel Gezer, ongeveer 30 km ten westen van Jeruzalem (Israël).

Dit is zeker.

30Zebulon verdreef de inwoners van Kitron en de inwoners van Nahalol niet. De Kanaänieten bleven midden onder hen wonen. Zij werden dwangarbeiders.
זְבוּלֻ֗ן
(zevulun)
Zebulon
לֹ֤א
(lo)
niet
הוֹרִישׁ֙
(horish)
verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
קִטְר֔וֹן
(qitron)
Kitron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
de inwoners van
נַהֲלֹ֑ל
(nahalol)
Nahalol
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
בְּקִרְבּ֔וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
וַיִּֽהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij werden
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kitron en Nahalol liggen in het gebied van Zebulon, in Galilea.

De precieze ligging is onzeker.

Zie ookJoz 19:15
31Aser verdreef de inwoners van Akko niet. Ook niet die van Sidon, Achlab, Achzib, Chelba, Afik en Rechob.
אָשֵׁ֗ר
(asher)
Aser
לֹ֤א
(lo)
niet
הוֹרִישׁ֙
(horish)
verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
עַכּ֔וֹ
(ako)
Akko
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יוֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
de inwoners van
צִיד֑וֹן
(tsidon)
Sidon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחְלָ֤ב
(achlav)
Achlab
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַכְזִיב֙
(akhziv)
Achzib
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבָּ֔ה
(chelba)
Chelba
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲפִ֖יק
(afiq)
Afik
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רְחֹֽב
(rechov)
Rechob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Akko ligt bij Tel Akko aan de kust (Israël).

Sidon ligt bij het huidige Saïda (Libanon).

Achzib ligt bij Tell el-Beida (Israël, aan de kust).

Afik ligt waarschijnlijk bij Tel Afek, ten oosten van Akko.

De ligging van Achlab, Chelba en Rechob is onzeker.

32De Aseriërs woonden midden onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. Want zij hadden hen niet verdreven.
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en woonde
הָאָ֣שֵׁרִ֔י
(haasheri)
de Aseriet
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֖י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
הוֹרִישֽׁוֹ
(horisho)
verdreven zij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Naftali verdreef de inwoners van Bet-Semes en de inwoners van Bet-Anat niet. Hij woonde midden onder de Kanaänieten, de bewoners van het land. De inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat werden dwangarbeiders voor hen.
נַפְתָּלִ֗י
(naftali)
Naftali
לֹֽא
(lo)
niet
הוֹרִ֞ישׁ
(horish)
verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de inwoners van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
Semes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
בֵית
(beit)
Bet
עֲנָ֔ת
(anat)
Anat
וַיֵּ֕שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הַֽכְּנַעֲנִ֖י
(hakenaani)
de Kanaäniet
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְיֹשְׁבֵ֤י
(veyoshevei)
en de inwoners van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
Semes
וּבֵ֣ית
(uveit)
en Bet
עֲנָ֔ת
(anat)
Anat
הָי֥וּ
(hayu)
waren
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Semes (in Naftali) en Bet-Anat liggen in Galilea.

Hun ligging is onzeker.

Er is ook een Bet-Semes in Juda.

34De Amorieten drongen de zonen van Dan terug naar het bergland. Zij lieten hen niet afdalen naar het dal.
וַיִּלְחֲצ֧וּ
(vayilchatsu)
en zij drongen terug
הָאֱמֹרִ֛י
(haemori)
de Amoriet
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֖ן
(dan)
Dan
הָהָ֑רָה
(hahara)
naar het bergland
כִּי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
נְתָנ֖וֹ
(netano)
lieten zij toe
לָרֶ֥דֶת
(laredet)
af te dalen
לָעֵֽמֶק
(laemeq)
naar het dal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zonen van Dan krijgen later een ander gebied in het noorden (Richt. 18).

35De Amorieten waren vastbesloten te blijven wonen op de berg Cheres, in Ajalon en in Saälbim. Toen werd de hand van het huis van Jozef zwaar. De Amorieten werden dwangarbeiders.
וַיּ֤וֹאֶל
(vayoel)
en was vastbesloten
הָֽאֱמֹרִי֙
(haemori)
de Amoriet
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om te wonen
בְּהַר
(behar)
op de berg
חֶ֔רֶס
(cheres)
Cheres
בְּאַיָּל֖וֹן
(beayalon)
in Ajalon
וּבְשַֽׁעַלְבִ֑ים
(uveshaalvim)
en in Saälbim
וַתִּכְבַּד֙
(vatikhbad)
en werd zwaar
יַ֣ד
(yad)
de hand van
בֵּית
(beit)
het huis van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij werden
לָמַֽס
(lamas)
tot dwangarbeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ajalon ligt bij Yalo, ten noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

De berg Cheres en Saälbim zijn onzeker; Saälbim ligt waarschijnlijk in de buurt van Ajalon.

36De grens van de Amorieten liep van de klim van Akrabbim, vanaf de Sela, en verder omhoog.
וּגְבוּל֙
(ugevul)
en de grens van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
מִֽמַּעֲלֵ֖ה
(mimaale)
vanaf de klim van
עַקְרַבִּ֑ים
(aqrabim)
Akrabbim
מֵהַסֶּ֖לַע
(mehasela)
vanaf de Sela
וָמָֽעְלָה
(vamaela)
en omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De klim van Akrabbim (‘Schorpioenenklim’) is een pas in het zuiden van Juda (Num. 34:4).

De Sela (‘de rots’) is onzeker; dit kan een plaats in Edom zijn.

Zie Klim van Akrabbim: De klim van Akrabbim lag in het zuiden van de grens van Kanaän, ten zuidwesten van de Dode Zee.

De precieze plaats is niet zeker.