Het licht van de wereld, de waarheid die vrijmaakt en Yeshua en Abraham
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het licht van de wereld
12Opnieuw sprak Yeshua tot hen en zei: „Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.”
Πάλιν
(Palin)
opnieuw
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
ὁ
(ho)
wie
ἀκολουθῶν
(akolouthon)
volgt
ἐμοὶ
(emoi)
Mij
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
περιπατήσῃ
(peripatese)
zal wandelen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
σκοτίᾳ
(skotia)
duisternis
ἀλλ’
(all’)
maar
ἕξει
(hexei)
zal hebben
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
τῆς
(tes)
van het
ζωῆς
(zoes)
leven
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben’, met een omschrijving: ‘het licht van de wereld’.
Vergelijk Jes. 42:6 en 49:6 (‘een licht voor de volken’) en Ps. 27:1 (‘Yahweh is mijn licht’).
Vergelijk Matt. 5:14 (‘Jullie zijn het licht van de wereld’). περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zo vertalen wij het in beeldspraak; in 7:1 is het ‘rondtrekken’.
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de verzen 7:53–8:11, die in de oudste handschriften ontbreken; wij vertalen ze niet.
14Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Ook al getuig Ik over Mijzelf, Mijn getuigenis is waar. Want Ik weet waar Ik vandaan gekomen ben en waar Ik heen ga. Maar jullie weten niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heen ga.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Κἂν
(Kan)
ook al
ἐγὼ
(ego)
Ik
μαρτυρῶ
(martyro)
getuig
περὶ
(peri)
over
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
ἀληθής
(alethes)
waar
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
μαρτυρία
(martyria)
getuigenis
μου
(mou)
Mijn
ὅτι
(hoti)
want
οἶδα
(oida)
Ik weet
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἦλθον
(elthon)
Ik kwam
καὶ
(kai)
en
ποῦ
(pou)
waarheen
ὑπάγω
(hypago)
Ik ga
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἔρχομαι
(erchomai)
Ik kom
ἢ
(e)
of
ποῦ
(pou)
waarheen
ὑπάγω
(hypago)
Ik ga
Bron: SBLGNT
15Jullie oordelen naar het vlees. Ik oordeel niemand.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
κατὰ
(kata)
naar
τὴν
(ten)
het
σάρκα
(sarka)
vlees
κρίνετε
(krinete)
oordelen
ἐγὼ
(ego)
Ik
οὐ
(ou)
niet
κρίνω
(krino)
oordeel
οὐδένα
(oudena)
niemand
Bron: SBLGNT
Uitleg
σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens zoals hij is.
‘Naar het vlees oordelen’ is oordelen naar de menselijke maatstaf, naar wat men ziet; vergelijk 7:24.
16Maar ook als Ik oordeel, is Mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader die Mij gestuurd heeft.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
κρίνω
(krino)
oordeel
δὲ
(de)
maar
ἐγώ
(ego)
Ik
ἡ
(he)
het
κρίσις
(krisis)
oordeel
ἡ
(he)
het
ἐμὴ
(eme)
Mijn
ἀληθινή
(alethine)
waarachtig
ἐστιν
(estin)
is
ὅτι
(hoti)
omdat
μόνος
(monos)
alleen
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben Ik
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐγὼ
(ego)
Ik
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πέμψας
(pempsas)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
πατήρ
(pater)
Vader
Bron: SBLGNT
17Ook in jullie wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
νόμῳ
(nomo)
wet
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
de
ὑμετέρῳ
(hymetero)
jullie
γέγραπται
(gegraptai)
staat geschreven
ὅτι
(hoti)
dat
δύο
(dyo)
twee
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἡ
(he)
de
μαρτυρία
(martyria)
getuigenis
ἀληθής
(alethes)
waar
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘Jullie wet’: Yeshua noemt de wet van Mozes hier ‘jullie wet’.
Het gebod over twee getuigen staat in Deut. 17:6 en 19:15.
18Ik ben het die over Mijzelf getuig, en de Vader die Mij gestuurd heeft, getuigt over Mij.”
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
ὁ
(ho)
die
μαρτυρῶν
(martyron)
getuigt
περὶ
(peri)
over
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
καὶ
(kai)
en
μαρτυρεῖ
(martyrei)
getuigt
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
ὁ
(ho)
de
πέμψας
(pempsas)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
πατήρ
(pater)
Vader
Bron: SBLGNT
19Zij zeiden dus tegen Hem: „Waar is Uw Vader?” Yeshua antwoordde: „Jullie kennen noch Mij noch Mijn Vader. Als jullie Mij kenden, zouden jullie ook Mijn Vader kennen.”
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ποῦ
(Pou)
waar
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
σου
(sou)
Uw
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὔτε
(Oute)
noch
ἐμὲ
(eme)
Mij
οἴδατε
(oidate)
kennen jullie
οὔτε
(oute)
noch
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
μου
(mou)
Mijn
εἰ
(ei)
als
ἐμὲ
(eme)
Mij
ᾔδειτε
(edeite)
jullie kenden
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
μου
(mou)
Mijn
ἂν
(an)
zou
ᾔδειτε
(edeite)
jullie kenden
Bron: SBLGNT
20Deze woorden sprak Hij in de schatkamer, terwijl Hij onderwees in de tempel. En niemand greep Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.
ταῦτα
(tauta)
deze
τὰ
(ta)
de
ῥήματα
(rhemata)
woorden
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak Hij
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
γαζοφυλακίῳ
(gazophylakio)
schatkamer
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐπίασεν
(epiasen)
greep
αὐτόν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
omdat
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἐληλύθει
(elelythei)
was gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
γαζοφυλάκιον (gazophylakion), ‘schatkamer’: een deel van het tempelterrein waar giften werden bewaard; zie ook Mark. 12:41. ὥρα (hora), ‘uur’: zie 7:30.
21Hij zei dus opnieuw tegen hen: „Ik ga heen, en jullie zullen Mij zoeken, en jullie zullen in jullie zonde sterven. Waar Ik heen ga, kunnen jullie niet komen.”
Εἶπεν
(Eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
πάλιν
(palin)
opnieuw
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἐγὼ
(Ego)
Ik
ὑπάγω
(hypago)
ga heen
καὶ
(kai)
en
ζητήσετέ
(zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἁμαρτίᾳ
(hamartia)
zonde
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἀποθανεῖσθε
(apothaneisthe)
jullie zullen sterven
ὅπου
(hopou)
waar
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑπάγω
(hypago)
ga heen
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὑπάγω (hypago), ‘heengaan’: zie ook 7:33–34. ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’: hier staat het enkelvoud, in vers 24 het meervoud ‘zonden’.
25Zij zeiden dus tegen Hem: „Wie bent U?” Yeshua zei tegen hen: „Wat zeg Ik jullie eigenlijk al van het begin af?
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Σὺ
(Sy)
U
τίς
(tis)
wie
εἶ
(ei)
bent
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τὴν
(Ten)
het
ἀρχὴν
(archen)
begin
ὅ
(ho)
wat
τι
(ti)
(iets)
καὶ
(kai)
ook
λαλῶ
(lalo)
Ik spreek
ὑμῖν
(hymin)
tot jullie
Bron: SBLGNT
Lezing
Dit is een moeilijke zin.
Wij volgen de interpunctie van de SBLGNT en lezen hem als een vraag.
Andere lezingen zijn bijvoorbeeld: ‘Wat Ik jullie al van het begin af zeg’ (een uitspraak) en ‘Van het begin af ben Ik wat Ik jullie zeg’.
26Ik heb veel over jullie te zeggen en te oordelen. Maar Hij die Mij gestuurd heeft, is waar, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat spreek Ik tot de wereld.”
πολλὰ
(polla)
veel
ἔχω
(echo)
heb Ik
περὶ
(peri)
over
ὑμῶν
(hymon)
jullie
λαλεῖν
(lalein)
te spreken
καὶ
(kai)
en
κρίνειν
(krinein)
te oordelen
ἀλλ’
(all’)
maar
ὁ
(ho)
de
πέμψας
(pempsas)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
ἀληθής
(alethes)
waar
ἐστιν
(estin)
is
κἀγὼ
(kago)
en Ik
ἃ
(ha)
wat
ἤκουσα
(ekousa)
Ik hoorde
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ταῦτα
(tauta)
dit
λαλῶ
(lalo)
spreek Ik
εἰς
(eis)
tot
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
Bron: SBLGNT
27Zij begrepen niet dat Hij hun over de Vader sprak.
οὐκ
(ouk)
niet
ἔγνωσαν
(egnosan)
begrepen zij
ὅτι
(hoti)
dat
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ἔλεγεν
(elegen)
Hij sprak
Bron: SBLGNT
28Yeshua zei dus: „Wanneer jullie de Mensenzoon verhoogd hebben, dan zullen jullie weten dat Ik ben en dat Ik niets uit Mijzelf doe. Maar zoals de Vader Mij geleerd heeft, spreek Ik dit.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὅταν
(Hotan)
wanneer
ὑψώσητε
(hypsosete)
jullie verhoogd hebben
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
τότε
(tote)
dan
γνώσεσθε
(gnosesthe)
jullie zullen weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
καὶ
(kai)
en
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
ποιῶ
(poio)
doe Ik
οὐδέν
(ouden)
niets
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθὼς
(kathos)
zoals
ἐδίδαξέν
(edidaxen)
heeft geleerd
με
(me)
Mij
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
ταῦτα
(tauta)
dit
λαλῶ
(lalo)
spreek Ik
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: de naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash).
Letterlijk betekent het ‘zoon van de mens’.
Wij schrijven overal ‘de Mensenzoon’.
ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: het kan ook ‘omhoogheffen’ en ‘verheffen, eren’ betekenen. Zie ook 3:14 en 12:32–34.
36Als de Zoon jullie dus vrijmaakt, zullen jullie echt vrij zijn.
ἐὰν
(ean)
als
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐλευθερώσῃ
(eleutherose)
vrijmaakt
ὄντως
(ontos)
echt
ἐλεύθεροι
(eleutheroi)
vrij
ἔσεσθε
(esesthe)
jullie zullen zijn
Bron: SBLGNT
37Ik weet dat jullie nageslacht van Abraham zijn. Maar jullie proberen Mij te doden, omdat Mijn woord geen plaats heeft in jullie.
οἶδα
(oida)
Ik weet
ὅτι
(hoti)
dat
σπέρμα
(sperma)
nageslacht
Ἀβραάμ
(Abraam)
van Abraham
ἐστε
(este)
jullie zijn
ἀλλὰ
(alla)
maar
ζητεῖτέ
(zeteite)
jullie proberen
με
(me)
Mij
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
ὅτι
(hoti)
omdat
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
ὁ
(ho)
het
ἐμὸς
(emos)
Mijn
οὐ
(ou)
geen
χωρεῖ
(chorei)
plaats heeft
ἐν
(en)
in
ὑμῖν
(hymin)
jullie
Bron: SBLGNT
38Ik spreek wat Ik bij de Vader gezien heb, en jullie doen dus wat jullie van de vader gehoord hebben.”
ἃ
(ha)
wat
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἑώρακα
(heoraka)
heb gezien
παρὰ
(para)
bij
τῷ
(to)
de
πατρὶ
(patri)
Vader
λαλῶ
(lalo)
spreek
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὖν
(oun)
dus
ἃ
(ha)
wat
ἠκούσατε
(ekousate)
jullie hoorden
παρὰ
(para)
van
τοῦ
(tou)
de
πατρὸς
(patros)
vader
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
Bron: SBLGNT
Lezing
In sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) staat ‘bij Mijn Vader’, ‘bij jullie vader’ en ‘gezien hebben’.
De SBLGNT heeft ‘bij de Vader’, ‘van de vader’ en ‘gehoord hebben’.
Wij schrijven ‘de vader’ met kleine letter, in tegenstelling tot ‘de Vader’; vergelijk 8:41 en 8:44.
Kinderen van Abraham en van de duivel
39Zij antwoordden en zeiden tegen Hem: „Onze vader is Abraham.” Yeshua zei tegen hen: „Als jullie kinderen van Abraham zijn, zouden jullie de werken van Abraham doen.
Ἀπεκρίθησαν
(Apekrithesan)
antwoordden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ὁ
(Ho)
de
πατὴρ
(pater)
vader
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἀβραάμ
(Abraam)
Abraham
ἐστιν
(estin)
is
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Εἰ
(Ei)
als
τέκνα
(tekna)
kinderen
τοῦ
(tou)
van
Ἀβραάμ
(Abraam)
Abraham
ἐστε
(este)
jullie zijn
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
τοῦ
(tou)
van
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ἐποιεῖτε
(epoieite)
deden jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Matt. 3:9; Luc. 3:8.
Lezing
Het Grieks van de SBLGNT heeft een mengvorm: ‘Als jullie kinderen van Abraham zijn, deden jullie de werken van Abraham’.
In sommige handschriften staat een gewone onwerkelijke voorwaarde: ‘als jullie kinderen van Abraham waren, zouden jullie de werken van Abraham doen’.
40Maar nu proberen jullie Mij te doden, een mens die jullie de waarheid gesproken heeft, de waarheid die Ik van Elohim gehoord heb. Dat heeft Abraham niet gedaan.
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
ζητεῖτέ
(zeteite)
jullie proberen
με
(me)
Mij
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ὃς
(hos)
die
τὴν
(ten)
de
ἀλήθειαν
(aletheian)
waarheid
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
λελάληκα
(lelaleka)
heb gesproken
ἣν
(hen)
die
ἤκουσα
(ekousa)
Ik hoorde
παρὰ
(para)
van
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦτο
(touto)
dit
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
οὐκ
(ouk)
niet
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Bron: SBLGNT
41Jullie doen de werken van jullie vader.” Zij zeiden tegen Hem: „Wij zijn niet uit hoererij geboren. Wij hebben één Vader: Elohim.”
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ποιεῖτε
(poieite)
doen
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ἡμεῖς
(Hemeis)
wij
ἐκ
(ek)
uit
πορνείας
(porneias)
hoererij
οὐ
(ou)
niet
γεγεννήμεθα
(gegennemetha)
zijn geboren
ἕνα
(hena)
één
πατέρα
(patera)
Vader
ἔχομεν
(echomen)
hebben wij
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
πορνεία (porneia), ‘hoererij’: ontucht.
In de profeten wordt ook afgoderij ‘hoererij’ genoemd (bijvoorbeeld Hos. 1:2).
‘Eén Vader, Elohim’: vergelijk Deut. 32:6 en Mal. 2:10.
42Yeshua zei tegen hen: „Als Elohim jullie Vader was, zouden jullie Mij liefhebben. Want Ik ben uit Elohim uitgegaan en Ik ben gekomen. Ik ben immers ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Εἰ
(Ei)
als
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
πατὴρ
(pater)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἦν
(en)
was
ἠγαπᾶτε
(egapate)
zouden liefhebben
ἂν
(an)
zou
ἐμέ
(eme)
Mij
ἐγὼ
(ego)
Ik
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐξῆλθον
(exelthon)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἥκω
(heko)
ben gekomen
οὐδὲ
(oude)
ook niet
γὰρ
(gar)
want
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
ἐλήλυθα
(elelytha)
ben gekomen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐκεῖνός
(ekeinos)
Hij
με
(me)
Mij
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
heeft gezonden
Bron: SBLGNT
43Waarom begrijpen jullie Mijn spraak niet? Omdat jullie Mijn woord niet kunnen horen.
διὰ
(dia)
waarom
τί
(ti)
(waarom)
τὴν
(ten)
de
λαλιὰν
(lalian)
spraak
τὴν
(ten)
de
ἐμὴν
(emen)
Mijn
οὐ
(ou)
niet
γινώσκετε
(ginoskete)
begrijpen jullie
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
jullie kunnen
ἀκούειν
(akouein)
horen
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τὸν
(ton)
het
ἐμόν
(emon)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
λαλιά (lalia), ‘spraak’: wat iemand zegt en hoe hij het zegt.
44Jullie zijn van de vader, de duivel, en jullie willen de verlangens van jullie vader doen. Die was een mensenmoordenaar van het begin af en staat niet in de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader ervan.
52De Joden zeiden tegen Hem: „Nu weten wij dat U een demon hebt. Abraham is gestorven, en de profeten ook. En U zegt: ‘Als iemand Mijn woord bewaart, zal hij de dood voor eeuwig niet proeven’.
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
Νῦν
(Nyn)
nu
ἐγνώκαμεν
(egnokamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
δαιμόνιον
(daimonion)
demon
ἔχεις
(echeis)
U hebt
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
καὶ
(kai)
en
σὺ
(sy)
U
λέγεις
(legeis)
zegt
Ἐάν
(Ean)
als
τις
(tis)
iemand
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
μου
(mou)
Mijn
τηρήσῃ
(terese)
bewaart
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
γεύσηται
(geusetai)
zal proeven
θανάτου
(thanatou)
dood
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘De dood proeven’ (γεύομαι θανάτου, geuomai thanatou) is een uitdrukking voor sterven; zie Matt. 16:28.
De Joden halen Yeshua’s woorden uit vers 51 aan, maar met een ander werkwoord: ‘proeven’ in plaats van ‘zien’.
53Bent U soms groter dan onze vader Abraham, die gestorven is? De profeten zijn ook gestorven. Wie maakt U van Uzelf?”
μὴ
(me)
toch niet
σὺ
(sy)
U
μείζων
(meizon)
groter
εἶ
(ei)
bent
τοῦ
(tou)
dan de
πατρὸς
(patros)
vader
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἀβραάμ
(Abraam)
Abraham
ὅστις
(hostis)
die
ἀπέθανεν
(apethanen)
stierf
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
ἀπέθανον
(apethanon)
stierven
τίνα
(tina)
wie
σεαυτὸν
(seauton)
Uzelf
ποιεῖς
(poieis)
maakt U
Bron: SBLGNT
54Yeshua antwoordde: „Als Ik Mijzelf verheerlijk, is Mijn heerlijkheid niets. Mijn Vader is het die Mij verheerlijkt, van wie jullie zeggen dat Hij onze Elohim is.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐὰν
(Ean)
als
ἐγὼ
(ego)
Ik
δοξάσω
(doxaso)
verheerlijk
ἐμαυτόν
(emauton)
Mijzelf
ἡ
(he)
de
δόξα
(doxa)
heerlijkheid
μου
(mou)
Mijn
οὐδέν
(ouden)
niets
ἐστιν
(estin)
is
ἔστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
die
πατήρ
(pater)
Vader
μου
(mou)
Mijn
ὁ
(ho)
die
δοξάζων
(doxazon)
verheerlijkt
με
(me)
Mij
ὃν
(hon)
van wie
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
λέγετε
(legete)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
θεὸς
(theos)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Lezing
In sommige handschriften (zoals de Textus Receptus) staat ‘jullie Elohim’ in plaats van ‘onze Elohim’.
55En jullie kennen Hem niet, maar Ik ken Hem. En als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn, net als jullie. Maar Ik ken Hem en Ik bewaar Zijn woord.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐγνώκατε
(egnokate)
kennen jullie
αὐτόν
(auton)
Hem
ἐγὼ
(ego)
Ik
δὲ
(de)
maar
οἶδα
(oida)
ken
αὐτόν
(auton)
Hem
κἂν
(kan)
en als
εἴπω
(eipo)
Ik zeg
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ken
αὐτόν
(auton)
Hem
ἔσομαι
(esomai)
zal Ik zijn
ὅμοιος
(homoios)
gelijk
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ψεύστης
(pseustes)
leugenaar
ἀλλὰ
(alla)
maar
οἶδα
(oida)
ken Ik
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τηρῶ
(tero)
bewaar
Bron: SBLGNT
56Abraham, jullie vader, juichte dat hij Mijn dag zou zien. Hij zag die dag en verheugde zich.”
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἠγαλλιάσατο
(egalliasato)
juichte
ἵνα
(hina)
opdat
ἴδῃ
(ide)
hij zag
τὴν
(ten)
de
ἡμέραν
(hemeran)
dag
τὴν
(ten)
de
ἐμήν
(emen)
Mijn
καὶ
(kai)
en
εἶδεν
(eiden)
zag hij
καὶ
(kai)
en
ἐχάρη
(echare)
verheugde zich
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘juichen’: luid blij zijn.
‘Mijn dag’ is de dag van Yeshua; het Grieks zegt niet wanneer of hoe Abraham die zag.
57De Joden zeiden dus tegen Hem: „U bent nog geen 50 jaar oud, en U hebt Abraham gezien?”
εἶπον
(eipon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Πεντήκοντα
(Pentekonta)
50
ἔτη
(ete)
jaren
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἔχεις
(echeis)
U hebt
καὶ
(kai)
en
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ἑώρακας
(heorakas)
U hebt gezien
Bron: SBLGNT
58Yeshua zei tegen hen: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: voordat Abraham ontstond, ben Ik.”
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
πρὶν
(prin)
voordat
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
γενέσθαι
(genesthai)
ontstond
ἐγὼ
(ego)
Ik
εἰμί
(eimi)
ben
Bron: SBLGNT
Uitleg
γίνομαι (ginomai), ‘worden, ontstaan, tot bestaan komen’: Abraham ‘ontstond’ (verleden tijd), maar Yeshua zegt ‘Ik ben’ (tegenwoordige tijd). ἐγώ εἰμι (ego eimi): zie 8:24; vergelijk Exod. 3:14.