2 Tessalonicenzen 2
De dag van de Heer, de man van de wetteloosheid, en de uitverkiezing tot redding
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De dag van de Heer is er nog niet
παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’, zie 1 Tess. 2:19. ἐπισυναγωγή (episynagoge), ‘verzameling’: het bijeenkomen bij de Heer; vergelijk 1 Tess. 4:17 en Matt. 24:31, waar de uitverkorenen bijeengebracht worden. ὑπέρ (hyper), ‘over’: ‘met het oog op, over’.
De zin loopt door in vers 2.
Zie ook 1 Tess. 4:15–17; Matt. 24:31.
σαλεύω (saleuo), ‘schudden’: heen en weer schudden; νοῦς (nous), ‘verstand’. θροέομαι (throeomai), ‘in paniek raken’: verontrust worden. πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: een uiting die aan de Geest wordt toegeschreven, bijvoorbeeld een profetie. ὡς δι’ ἡμῶν (hos di hemon), ‘alsof door ons’: dit kan bij geest, woord én brief horen; wij vertalen ‘alsof die van ons komt’. ἐνέστηκεν (enesteken), ‘is aangebroken’: het Griekse werkwoord betekent ‘is aanwezig, is gekomen’. ἡμέρα τοῦ κυρίου (hemera tou kyriou), ‘de dag van de Heer’: de uitdrukking neemt ‘de dag van Yahweh’ uit de profeten over voor Yeshua; zie 1 Tess. 5:2.
De Griekse zin loopt door vanaf vers 1 en is erg lang; wij hebben hem gesplitst en voegen daarbij ‘Laat dat niet gebeuren’ toe voor het Griekse μήτε … μήτε … μήτε (‘noch … noch … noch’).
Zie ook 1 Tess. 5:2; Joël 2:1; Amos 5:18.
De man van de wetteloosheid
De Griekse zin breekt af: ‘want als niet eerst de afval komt en …’ ontbreekt een slot.
Wij vullen ‘die dag komt niet’ aan. ἐξαπατάω (exapatao), ‘misleiden’. ἀποστασία (apostasia), ‘afval’: afvalligheid of opstand. ἄνθρωπος τῆς ἀνομίας (anthropos tes anomias), ‘de man van de wetteloosheid’: ἀνομία (anomia) is ‘zonder wet’, het ontbreken van de wet.
‘Zoon van het verderf’: een Hebreeuwse manier om te zeggen ‘bestemd voor het verderf’; hetzelfde staat in Joh. 17:12 van Judas.
Zie ook Joh. 17:12; Matt. 24:15; Dan. 9:27; Dan. 11:36.
Voor ‘wetteloosheid’ (ἀνομίας, anomias) verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
ἀντίκειμαι (antikeimai), ‘zich verzetten’; ὑπεραίρομαι (hyperairomai), ‘zich verheffen’: vergelijk Dan. 11:36, ‘hij verheft en vergroot zich boven elke god’, en Ezech. 28:2, waar de vorst van Tyrus zegt: ‘Ik ben een El’. θεός (theos), ‘god’: in ‘alles wat een god genoemd wordt’ schrijven wij ‘god’ met kleine letter, omdat het om alles gaat wat als goddelijk geldt.
In ‘dat hij Elohim is’ heeft het Grieks θεός zonder lidwoord; wij schrijven ‘Elohim’.
De zin is lang; wij hebben hem na ‘verering is’ gesplitst, daarom staat er ‘Zo gaat hij’ voor het Griekse ὥστε (hoste), ‘zodat’. σέβασμα (sebasma), ‘voorwerp van verering’. ναός (naos), ‘heiligdom’.
De tekst zegt niet welk heiligdom bedoeld is. ἀποδείκνυμι (apodeiknymi), ‘laten zien’: tonen, voorstellen.
Zie ook Dan. 11:36; Ezech. 28:2.
ἔλεγον (elegon), ‘zei ik’: hier zegt Paulus ‘ik’ in plaats van ‘wij’, zoals in 1 Tess. 2:18.
Hand. 17:2 noemt drie sabbatten in Tessalonica.
Zie ook Hand. 17:1–10.
τὸ κατέχον (to katechon), ‘wat weerhoudt’: onzijdig; κατέχω (katecho), ‘weerhouden’: tegenhouden, vasthouden (zie 1 Tess. 5:21, waar wij ‘vasthouden’ gebruiken).
De tekst zegt niet wat of wie dit is; de Tessalonicenzen wisten het (‘jullie weten’).
Wij vertalen letterlijk.
μυστήριον (mysterion), ‘geheimenis’: iets verborgens dat bekend wordt gemaakt. ὁ κατέχων (ho katechon), ‘hij die weerhoudt’: mannelijk, tegenover het onzijdige van vers 6. ἐκ μέσου γένηται (ek mesou genetai), ‘uit het midden verdwenen is’: letterlijk ‘uit het midden wordt’.
De Griekse zin is kort en zonder werkwoord bij ‘alleen’; wij laten die kortheid staan en melden niet wie hem wegneemt, want dat zegt de tekst niet.
ἄνομος (anomos), ‘wetteloze’: de man van de wetteloosheid uit vers 3. ἀναιρέω (anaireo), ‘doden’. πνεῦμα (pneuma), ‘adem’: vergelijk Jes. 11:4, ‘met de adem van zijn lippen zal hij de goddeloze doden’. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’: zoals in Gal. 3:17. ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: het zichtbaar worden in glans. παρουσία (parousia), ‘komst’: zie vers 1.
Zie ook Jes. 11:4; Gal. 3:17.
οὗ (hou), ‘wiens’: wij schrijven ‘diens’, om verwarring met de Heer te vermijden; het gaat om de wetteloze. κατ’ ἐνέργειαν (kat energeian), ‘volgens de werking’: naar de werkzame kracht van Satan. σημεῖον (semeion), ‘teken’; τέρας (teras), ‘wonder’. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: zie 1 Tess. 2:18.
‘Van leugen’ (ψεύδους, pseudous; het Grieks heeft geen lidwoord) kan bij ‘tekenen en wonderen’ horen of bij alles.
Over tekenen en wonderen van valse profeten: zie Deut. 13:2–4 (NL 13:1–3) en Matt. 24:24.
Zie ook Matt. 24:24; Deut. 13:2–4.
ἀπάτη (apate), ‘verleiding’: bedrog; ἀδικία (adikia), ‘onrecht’. ἀπόλλυμι (apollymi), ‘verloren gaan’.
‘De liefde voor de waarheid’: het Grieks heeft ‘de liefde van de waarheid’.
ἐνέργεια πλάνης (energeia planes), ‘werking van dwaling’: een werkende kracht die tot dwaling leidt.
Het Grieks zegt dat Elohim dit stuurt.
Vergelijk 1 Kon. 22:22–23, waar Yahweh een leugengeest geeft in de mond van profeten, en Ezech. 14:9.
De zin loopt door in vers 12.
Zie ook 1 Kon. 22:22–23; Ezech. 14:9.
κρίνω (krino), ‘oordelen’. εὐδοκέω (eudokeo), ‘behagen hebben’: dit is hetzelfde woord als in 1 Tess. 2:8 en 3:1, daar ‘bereid zijn’; hier is het ‘behagen scheppen in’.
Uitverkoren tot redding
ἀπαρχή (aparche), ‘eersteling’: het eerste deel van de oogst. ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’. πνεῦμα (pneuma): wij lezen ‘de Geest’ (van Elohim); het Grieks kan ook ‘geest’ betekenen. ἁγιασμῷ πνεύματος staat letterlijk als ‘heiliging van (de) Geest’; wij schrijven ‘door de Geest’. ὑπὸ κυρίου (hypo kyriou), ‘door de Heer’: Yeshua; in 1 Tess. 1:4 staat ‘door Elohim’. ἀδελφοί: zie 1:3.
Voor ‘eersteling’ (ἀπαρχήν, aparchen) verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
καλέω (kaleo), ‘roepen’. περιποίησις (peripoiesis), ‘verwerving’: het verkrijgen; zie 1 Tess. 5:9. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’. εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’.
Zie ook 1 Tess. 5:9.
Blijf vaststaan
στήκω (steko), ‘vaststaan’: zie 1 Tess. 3:8. κρατέω (krateo), ‘vasthouden’. παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat is doorgegeven en onderwezen.
Zij zijn onderwezen ‘door een woord’ (mondeling) of ‘door een brief’.
παράκλησις (paraklesis), ‘bemoediging’: ook ‘troost, aansporing’, zie 1 Tess. 2:3. ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’.
De werkwoordsvorm in vers 17 staat in het enkelvoud bij twee onderwerpen, de Heer Yeshua en Elohim, zoals in 1 Tess. 3:11. ὁ ἀγαπήσας (ho agapesas), ‘die ons heeft liefgehad’, en δούς (dous), ‘gegeven heeft’, staan in het enkelvoud en horen dus bij Elohim, de Vader.
De Griekse zin loopt door in vers 17.
Zie ook 1 Tess. 3:11.
παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’; στηρίζω (sterizo), ‘versterken’: zie 1 Tess. 3:2.