Jakobus 5
Tegen de rijken, geduld tot de komst van de Heer, gebed en terugbrengen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tegen de rijken
Ἄγε νῦν (age nyn), ‘kom nu’: zie 4:13. ὀλολύζω (ololyzo), ‘luid jammeren’: de klacht bij een ramp; vergelijk Jes. 13:6, ‘Jammer, want de dag van Yahweh is nabij’. ταλαιπωρία (talaipooria), ‘ellende’: hoort bij ταλαιπωρέω in 4:9.
Zie ook Jes. 13:6.
σήπω (sepo), ‘verrotten’, en σητόβρωτος (setobrotos), ‘door de mot aangevreten’: rijkdom bestond in voorraden en kleding.
Vergelijk Matt. 6:19.
Zie ook Matt. 6:19.
ἰός (ios), ‘roest’: hetzelfde woord betekent in 3:8 ‘gif’. εἰς μαρτύριον ὑμῖν (eis martyrion hymin): de datief kan ‘voor jullie’ of ‘tegen jullie’ betekenen; hier past ‘tegen’.
ὡς πῦρ (hos pyr), ‘als vuur’: de SBLGNT zet er een punt voor, zodat het bij het volgende hoort (‘als vuur hebben jullie schatten verzameld’). Wij verbinden het met het voorgaande: de roest eet jullie vlees op als vuur. ἐν ἐσχάταις ἡμέραις (en eschatais hemerais), ‘in de laatste dagen’: de tijd waarin het oordeel nabij is.
Σαβαώθ (Sabaoth) is de Griekse weergave van het Hebreeuwse צְבָאוֹת (tsevaot), ‘legers, legermachten’.
Wij schrijven ‘Yahweh van de legermachten’, zoals in Jes. 1:9.
In Jes. 5:9 staat dezelfde naam bij een eed: ‘In mijn oren heeft Yahweh van de legermachten gezworen’.
Het loon van de dagloner mocht niet worden achtergehouden; zie Lev. 19:13 en Deut. 24:14–15, waar de arbeider tot Yahweh roept. κράζω (krazo), ‘schreeuwen’; βοή (boe), ‘kreet’.
Zie ook Jes. 1:9; Jes. 5:9; Lev. 19:13; Deut. 24:14–15.
τρυφάω (tryfao), ‘in weelde leven’, en σπαταλάω (spatalao), ‘uitbundig genieten’. ἐθρέψατε (ethrepsate), ‘voeden’: de harten zijn vetgemest, zoals vee vóór de slacht.
‘Een dag van slachting’ is beeld van het oordeel; vergelijk Jer. 12:3, ‘Zet hen apart voor de dag van het doden’.
Zie ook Jer. 12:3.
δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’: de tekst zegt niet wie; het kan elke rechtvaardige zijn, zoals de arme arbeider. ἀντιτάσσεται (antitassetai), ‘zich verzetten’: hetzelfde werkwoord als in 4:6, waar Elohim zich tegen de hoogmoedigen verzet.
De SBLGNT zet een vraagteken: ‘Verzet hij zich niet tegen jullie?’ Zonder vraagteken is het een mededeling: ‘Hij verzet zich niet tegen jullie.’ Het onderwerp (de rechtvaardige of Elohim) is dan niet zeker.
Geduld tot de komst van de Heer
παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’; het woord voor de komst van een koning.
Het staat ook in Matt. 24:3 voor de komst van de Heer.
κύριος (kyrios): ‘de Heer’ is hier Yeshua. γεωργός (georgos), ‘boer’. πρόϊμον καὶ ὄψιμον (proimon kai opsimon), ‘de vroege en de late’: het woord ‘regen’ staat niet in de SBLGNT, maar wordt bedoeld; vergelijk Deut. 11:14, ‘de vroege en de late regen’.
Zie ook Matt. 24:3; Deut. 11:14.
στηρίζω (sterizo), ‘versterken’. ἤγγικεν (engiken), ‘is nabij gekomen’: het werkwoord uit Matt. 3:2.
στενάζω (stenazo), ‘zuchten, kreunen’: hier klagen over elkaar.
‘De rechter staat voor de deuren’: vergelijk Matt. 24:33, ‘nabij, voor de deur’.
Zie ook Matt. 24:33.
ὑπόδειγμα (hypodeigma), ‘voorbeeld’. κακοπαθία (kakopathia), ‘lijden’: kwalijke behandeling. κύριος (kyrios): ‘in de naam van Yahweh’ is de gewone formule voor wie namens Elohim spreekt.
μακαρίζω (makarizo), ‘gelukkig prijzen’.
Job: zie Job 1:21–22; 2:10; 42:10–12.
Het woord ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’, is hetzelfde als in 1:3–4.
τὸ τέλος κυρίου (to telos kyriou), letterlijk ‘het einde van Yahweh’: de afloop die Yahweh gaf; vergelijk Job 42:10, waar Yahweh Jobs lot keert. πολύσπλαγχνος (polysplanchnos), ‘vol ontferming’: letterlijk ‘rijk aan innerlijk medelijden’. οἰκτίρμων (oiktirmon), ‘barmhartig’: vergelijk Ps. 103:8 en Exod. 34:6, ‘barmhartig en genadig’.
Zie ook Job 1:21–22; Job 2:10; Job 42:10; Ps. 103:8; Exod. 34:6.
Niet zweren
Yeshua zegt hetzelfde in Matt. 5:34–37. ὀμνύω (omnyo), ‘zweren’, ὅρκος (horkos), ‘eed’. ὑπὸ κρίσιν (hypo krisin), ‘onder het oordeel’: onder oordeel vallen, veroordeeld worden.
Zie ook Matt. 5:34–37.
Voor de slotwoorden ‘onder het oordeel’ verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
Lijden, ziekte en gebed
κακοπαθέω (kakopatheo), ‘lijden’. εὐθυμέω (euthymeo), ‘opgewekt zijn’. ψάλλω (psallo), ‘een lofzang zingen’: letterlijk ‘aan de snaren trekken’, dus zingen met begeleiding.
πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderlingen’: zo vertalen wij het ook in Handelingen. ἀσθενέω (astheneo), ‘ziek zijn’: letterlijk ‘zwak zijn’. ἀλείφω (aleifo), ‘zalven’: met olie insmeren; vergelijk Mark. 6:13. ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’.
τοῦ κυρίου (tou kyriou), ‘van de Heer’: wij schrijven ‘de Heer’ en bedoelen Yeshua; het Grieks zegt het niet uitdrukkelijk.
Zie ook Mark. 6:13; Hand. 15:2.
σῴζω (sozo), ‘redden’: ook ‘genezen’; hier gaat het om de zieke. ἐγείρω (egeiro), ‘oprichten’: ook ‘opwekken’. κάμνω (kamno), ‘ziek zijn, uitgeput zijn’. εὐχή (euche), ‘gebed’: ook ‘gelofte’.
ἐξομολογέω (exomologeo), ‘belijden’: hardop erkennen. ἁμαρτία (hamartia) is ‘zonde’; wij schrijven ‘zonden’.
Voor ‘de zonden’ verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
ἐνεργουμένη (energoumene), ‘werkzaam’: dit deelwoord kan ook ‘krachtig werkend’ betekenen, of ‘wanneer het in werking wordt gezet’.
ὁμοιοπαθής (homoiopathes), ‘van dezelfde aard’: zo vertalen wij het ook in Hand. 14:15. προσευχῇ προσηύξατο (proseuche proseuxato), letterlijk ‘bad met gebed’: een Hebreeuwse wending voor ‘bad vurig’.
De droogte kondigt Elia aan in 1 Kon. 17:1; een gebed staat daar niet bij.
De duur van drie jaar en zes maanden noemt ook Luc. 4:25; in 1 Kon. 18:1 komt de regen ‘in het derde jaar’.
Zie ook 1 Kon. 17:1; 1 Kon. 18:1; Luc. 4:25.
Elia bidt op de Karmel en de regen komt: 1 Kon. 18:42–45. ἐβλάστησεν (eblastesen), ‘liet spruiten’: de aarde laat haar gewas uitlopen.
Zie ook 1 Kon. 18:42; 1 Kon. 18:45.
Wie afdwaalt terugbrengen
ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘terugbrengen’: ook ‘omkeren, zich bekeren’.
De zin begint in vers 19 met ‘als’ en loopt door in vers 20.
ψυχὴν αὐτοῦ (psychen autou), ‘zijn ziel’: de ziel van de teruggebrachte zondaar, of van degene die hem terugbrengt; het Grieks laat dat open.
Wij houden ‘zijn ziel’.
‘Een menigte zonden bedekken’ is een beeld uit Spr. 10:12, ‘liefde bedekt alle overtredingen’.
De brief eindigt hier zonder slotgroet.
Het ‘dan’ aan het begin is ons toegevoegd om vers 19 en 20 aan elkaar te knopen.
Zie ook Spr. 10:12.