Het volk vraagt Jeremia te bidden; Yahweh waarschuwt tegen Egypte
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk vraagt Jeremia te bidden
1Alle legeroversten, Jochanan, de zoon van Kareach, Jezanja, de zoon van Hosjaja, en heel het volk, van klein tot groot, kwamen dichterbij.
וַֽיִּגְּשׁוּ֙
(vayigeshu)
en zij kwamen dichterbij
כָּל
(kal)
alle
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַחֲיָלִ֔ים
(hachayalim)
de troepen
וְיֽוֹחָנָן֙
(veyochanan)
en Jochanan
בֶּן
(ben)
zoon van
קָרֵ֔חַ
(qareach)
Kareach
וִֽיזַנְיָ֖ה
(vizanya)
en Jezanja
בֶּן
(ben)
zoon van
הוֹשַֽׁעְיָ֑ה
(hoshaya)
Hosjaja
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מִקָּטֹ֥ן
(miqaton)
van klein
וְעַד
(vead)
en tot
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jochanan was een van de legeroversten uit Mizpa (40:8, 13).
Jezanja is waarschijnlijk dezelfde man als in 40:8, maar daar heet hij ‘zoon van de Maächatiet’.
Hier heet hij ‘zoon van Hosjaja’.
In 43:2 staat in plaats van Jezanja de naam Azarja, ook ‘zoon van Hosjaja’.
2Zij zeiden tegen de profeet Jeremia: „Laat onze smeekbede toch voor je aangezicht neerkomen. Bid voor ons tot Yahweh, jouw Elohim, voor al deze overgeblevenen. Want wij zijn maar met weinigen overgebleven van velen, zoals je ogen ons zien.
וַיֹּאמְר֞וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
תִּפָּל
(tipal)
laat vallen
נָ֤א
(na)
toch
תְחִנָּתֵ֨נוּ֙
(techinatenu)
onze smeekbede
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
וְהִתְפַּלֵּ֤ל
(vehitpalel)
en bid
בַּעֲדֵ֨נוּ֙
(baadenu)
voor ons
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
בְּעַ֖ד
(bead)
voor
כָּל
(kal)
heel
הַשְּׁאֵרִ֣ית
(hasheerit)
de overgeblevenen
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
כִּֽי
(ki)
want
נִשְׁאַ֤רְנוּ
(nisharnu)
wij zijn overgebleven
מְעַט֙
(meat)
weinigen
מֵֽהַרְבֵּ֔ה
(meharbe)
van velen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עֵינֶ֖יךָ
(eineikha)
je ogen
רֹא֥וֹת
(root)
zien
אֹתָֽנוּ
(otanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּפָּל־נָא תְחִנָּתֵנוּ לְפָנֶיךָ (tippol-na techinnatenu lefanekha), ‘laat onze smeekbede toch voor je aangezicht neerkomen’: letterlijk ‘laat onze smeekbede vallen’.
Het is een vaste uitdrukking voor een gebed dat men voorlegt.
Zie ook Jer. 36:7 en 37:20.
Zij zeggen ‘Yahweh, jouw Elohim’. Pas in vers 6 zeggen zij ‘onze Elohim’.
4De profeet Jeremia zei tegen hen: „Ik heb het gehoord. Zie, ik ga bidden tot Yahweh, jullie Elohim, zoals jullie gezegd hebben. Elk woord waarmee Yahweh jullie antwoordt, zal ik jullie vertellen. Ik zal niets voor jullie achterhouden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
יִרְמְיָ֤הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
שָׁמַ֔עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
הִנְנִ֧י
(hinni)
zie mij
מִתְפַּלֵּ֛ל
(mitpalel)
biddend
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
כְּדִבְרֵיכֶ֑ם
(kedivreikhem)
volgens jullie woorden
וְֽהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָּֽל
(kal)
elk
הַדָּבָר֩
(hadavar)
woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יַעֲנֶ֨ה
(yaane)
zal antwoorden
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אַגִּ֣יד
(agid)
ik zal vertellen
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
לֹֽא
(lo)
niet
אֶמְנַ֥ע
(emna)
ik zal achterhouden
מִכֶּ֖ם
(mikem)
van jullie
דָּבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַגִּיד לָכֶם (aggid lakhem), ‘ik zal jullie vertellen’, en לֹא אֶמְנַע (lo emna), ‘ik zal niets achterhouden’: Jeremia belooft het hele antwoord door te geven.
5Zij zeiden tegen Jeremia: „Moge Yahweh een ware en betrouwbare getuige tegen ons zijn, als wij niet precies zo doen als het woord dat Yahweh, jouw Elohim, ons door jou stuurt.
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
אָמְר֣וּ
(ameru)
zeiden
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֔נוּ
(banu)
tegen ons
לְעֵ֖ד
(leed)
een getuige van
אֱמֶ֣ת
(emet)
waarheid
וְנֶאֱמָ֑ן
(veneeman)
en betrouwbaar
אִם
(im)
als
לֹ֡א
(lo)
niet
כְּֽכָל
(kekhal)
volgens al
הַ֠דָּבָר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִֽשְׁלָחֲךָ֜
(yishlachakha)
zal sturen jou
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
naar ons
כֵּ֥ן
(ken)
zo
נַעֲשֶֽׂה
(naase)
wij zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵד אֱמֶת וְנֶאֱמָן (ed emet veneeman), ‘een ware en betrouwbare getuige’: letterlijk ‘een getuige van waarheid en betrouwbaar’.
Het is een eed: zij roepen Yahweh als getuige aan.
6Of het goed is of slecht: wij zullen luisteren naar de stem van Yahweh, onze Elohim, naar wie wij jou sturen. Zo gaat het ons goed. Want wij zullen luisteren naar de stem van Yahweh, onze Elohim.”
אִם
(im)
of
ט֣וֹב
(tov)
goed
וְאִם
(veim)
en of
רָ֔ע
(ra)
slecht
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
naar wie
אֲנַ֜חְנוּ
(anachnu)
wij
שֹׁלְחִ֥ים
(sholechim)
sturen
אֹתְךָ֛
(otekha)
jou
אֵלָ֖יו
(elav)
naar Hem
נִשְׁמָ֑ע
(nishma)
zullen wij luisteren
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִֽיטַב
(yitav)
het goed gaat
לָ֔נוּ
(lanu)
met ons
כִּ֣י
(ki)
want
נִשְׁמַ֔ע
(nishma)
wij zullen luisteren
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zij beloven te luisteren, of het antwoord nu goed of slecht is.
Zie 43:1–4 voor wat zij daarna deden.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is אנו (anu), ‘wij’; het qere is אֲנַחְנוּ (anachnu), ‘wij’.
10„Als jullie echt in dit land blijven wonen, zal Ik jullie bouwen en niet afbreken. Ik zal jullie planten en niet uitrukken. Want Ik heb Mij het kwaad laten rouwen dat Ik jullie heb aangedaan.
אִם
(im)
als
שׁ֤וֹב
(shov)
echt
תֵּֽשְׁבוּ֙
(teshevu)
jullie blijven wonen
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וּבָנִ֤יתִי
(uvaniti)
en Ik zal bouwen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶהֱרֹ֔ס
(eheros)
Ik zal afbreken
וְנָטַעְתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal planten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶתּ֑וֹשׁ
(etosh)
Ik zal uitrukken
כִּ֤י
(ki)
want
נִחַ֨מְתִּי֙
(nichamti)
Ik heb Mij laten rouwen
אֶל
(el)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik heb gedaan
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּבָנִיתִי … וְנָטַעְתִּי (uvanitti … venata’ti), ‘Ik zal jullie opbouwen … Ik zal jullie planten’, tegenover ‘afbreken’ en ‘uitrukken’: dezelfde werkwoorden als in Jer. 1:10, 24:6, 31:28 en 45:4.
נִחַמְתִּי (nichamti), ‘Ik heb Mij laten rouwen’: Yahweh laat Zich het kwaad rouwen. Zo ook in Jona 3:10 en Joël 2:13.
11Wees niet bang voor de koning van Babel, voor wie jullie bang zijn. Wees niet bang voor hem, godsspraak van Yahweh. Want Ik ben met jullie, om jullie te redden en om jullie uit zijn hand te bevrijden.
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֗וּ
(tireu)
wees bang
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
voor
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
יְרֵאִ֖ים
(yereim)
bang zijn
מִפָּנָ֑יו
(mipanav)
voor hem
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֤וּ
(tireu)
wees bang
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
voor hem
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
אִתְּכֶ֣ם
(itekhem)
met jullie
אָ֔נִי
(ani)
Ik
לְהוֹשִׁ֧יעַ
(lehoshia)
om te redden
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
וּלְהַצִּ֥יל
(ulehatsil)
en om te bevrijden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיָּדֽוֹ
(miyado)
uit zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.
לְהוֹשִׁיעַ (lehoshia), ‘redden’, en לְהַצִּיל (lehatsil), ‘bevrijden’: twee werkwoorden naast elkaar. Wij vertalen ze vast: hoshia is ‘redden’ en hitsil is ‘bevrijden’.
14en zeggen: ‘Nee, want wij gaan naar het land Egypte. Daar zien wij geen oorlog, horen wij geen klank van de ramshoorn en hebben wij geen honger naar brood. Daar blijven wij wonen.’”
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
לֹ֚א
(lo)
nee
כִּ֣י
(ki)
maar
אֶ֤רֶץ
(erets)
naar het land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
נָב֔וֹא
(navo)
zullen wij gaan
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
לֹֽא
(lo)
niet
נִרְאֶה֙
(nire)
wij zullen zien
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
וְק֥וֹל
(veqol)
en de klank van
שׁוֹפָ֖ר
(shofar)
ramshoorn
לֹ֣א
(lo)
niet
נִשְׁמָ֑ע
(nishma)
wij zullen horen
וְלַלֶּ֥חֶם
(velalechem)
en naar brood
לֹֽא
(lo)
niet
נִרְעָ֖ב
(nirav)
wij zullen hongeren
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
נֵשֵֽׁב
(neshev)
zullen wij blijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: het signaal van oorlog.
Het volk wil in Egypte wonen waar geen oorlog en geen honger is.
15Hoor daarom nu het woord van Yahweh, overgeblevenen van Juda. Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Als jullie echt je gezicht richten om naar Egypte te komen en jullie gaan daar wonen,
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overgeblevenen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
als
אַ֠תֶּם
(atem)
jullie
שׂ֣וֹם
(som)
stellen
תְּשִׂמ֤וּן
(tesimun)
zullen jullie stellen
פְּנֵיכֶם֙
(peneikhem)
jullie gezicht
לָבֹ֣א
(lavo)
om te komen
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
וּבָאתֶ֖ם
(uvatem)
en jullie komen
לָג֥וּר
(lagur)
om te wonen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שׁוֹם תְּשִׂמוּן פְּנֵיכֶם (som tesimun penekhem), ‘jullie richten werkelijk je gezicht’: letterlijk ‘jullie zetten je gezicht’.
Het werkwoord wordt herhaald voor nadruk.
שְׁאֵרִית יְהוּדָה (she’erit Yehudah), ‘overgeblevenen van Juda’: zie 40:11.
Vanaf hier, tot en met vers 18, spreekt Yahweh weer zelf: de zinnen staan rood.
16dan zal het zwaard waar jullie bang voor zijn, jullie daar inhalen in het land Egypte. De honger waarover jullie ongerust zijn, zal jullie daar in Egypte blijven achtervolgen. Daar zullen jullie sterven.
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en zal zijn
הַחֶ֗רֶב
(hacherev)
het zwaard
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
יְרֵאִ֣ים
(yereim)
bang zijn
מִמֶּ֔נָּה
(mimena)
ervoor
שָׁ֛ם
(sham)
daar
תַּשִּׂ֥יג
(tasig)
zal inhalen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהָרָעָ֞ב
(veharaav)
en de honger
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
דֹּאֲגִ֣ים
(doagim)
ongerust zijn
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
erover
שָׁ֣ם
(sham)
daar
יִדְבַּ֧ק
(yidbaq)
zal kleven
אַחֲרֵיכֶ֛ם
(achareikhem)
achter jullie
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
in Egypte
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
תָּמֻֽתוּ
(tamutu)
zullen jullie sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
יִדְבַּק אַחֲרֵיכֶם (yidbaq acharekhem), ‘zal achter jullie aan kleven’: de honger blijft als een schaduw bij hen.
17Alle mannen die hun gezicht richten om naar Egypte te komen en daar te wonen, zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest. Er zal voor hen geen overlevende of ontkomene zijn vanwege het onheil dat Ik over hen breng.”
וְיִֽהְי֣וּ
(veyihyu)
en zij zullen zijn
כָל
(kal)
alle
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֨מוּ
(samu)
hebben gericht
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵיהֶ֜ם
(peneihem)
hun gezicht
לָב֤וֹא
(lavo)
om te komen
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
naar Egypte
לָג֣וּר
(lagur)
om te wonen
שָׁ֔ם
(sham)
daar
יָמ֕וּתוּ
(yamutu)
zij zullen sterven
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בָּרָעָ֣ב
(baraav)
door de honger
וּבַדָּ֑בֶר
(uvadaver)
en door de pest
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
שָׂרִ֣יד
(sarid)
overlevende
וּפָלִ֔יט
(ufalit)
en ontkomene
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
breng
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’, en פָּלִיט (palit), ‘ontkomene’: twee woorden voor wie een ramp overleeft.
Hetzelfde paar staat in 44:14.
דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een ziekte die zich snel verspreidt. De drie rampen zwaard, honger en pest komen vaak samen voor (Jer. 14:12; 21:7, 9; 24:10; 27:8, 13).
18Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Zoals Mijn toorn en Mijn woede zijn uitgegoten over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn woede over jullie worden uitgegoten wanneer jullie in Egypte komen. Jullie zullen worden tot een vervloeking, een ontzetting, een vloek en een smaad. Jullie zullen deze plaats niet meer zien.”
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֮
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
נִתַּ֨ךְ
(nitakh)
is uitgegoten
אַפִּ֜י
(api)
Mijn toorn
וַחֲמָתִ֗י
(vachamati)
en Mijn woede
עַל
(al)
over
יֹֽשְׁבֵי֙
(yoshevei)
de inwoners van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
כֵּ֣ן
(ken)
zo
תִּתַּ֤ךְ
(titakh)
zal worden uitgegoten
חֲמָתִי֙
(chamati)
Mijn woede
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
בְּבֹאֲכֶ֖ם
(bevoakhem)
wanneer jullie komen
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
in Egypte
וִהְיִיתֶ֞ם
(vihyitem)
en jullie zullen worden
לְאָלָ֤ה
(leala)
tot een vervloeking
וּלְשַׁמָּה֙
(uleshama)
en tot ontzetting
וְלִקְלָלָ֣ה
(veliqlala)
en tot een vloek
וּלְחֶרְפָּ֔ה
(ulecherpa)
en tot smaad
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִרְא֣וּ
(tiru)
zullen jullie zien
ע֔וֹד
(od)
meer
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
אָלָה (alah), ‘vervloeking’; שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’; קְלָלָה (qelalah), ‘vloek’; חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: vier woorden voor een plaats of volk dat als voorbeeld van een vloek dient.
Zie ook 44:12, 22 en 49:13.
אַפִּי וַחֲמָתִי (appi vachamati), ‘Mijn toorn en Mijn woede’: zoals in Jer. 7:20.
20Want jullie hebben jezelf misleid. Jullie hebben mij immers naar Yahweh, jullie Elohim, gestuurd. Jullie zeiden: ‘Bid voor ons tot Yahweh, onze Elohim. Vertel ons alles wat Yahweh, onze Elohim, zal zeggen. Dan zullen wij het doen.’
כִּ֣י
(ki)
want
הִתְעֵיתֶם֮
(hiteitem)
jullie hebben misleid
בְּנַפְשֽׁוֹתֵיכֶם֒
(benafshoteikhem)
jezelf
כִּֽי
(ki)
want
אַתֶּ֞ם
(atem)
jullie
שְׁלַחְתֶּ֣ם
(shelachtem)
hebben gestuurd
אֹתִ֗י
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶם֙
(eloheikhem)
jullie Elohim
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הִתְפַּלֵּ֣ל
(hitpalel)
bid
בַּעֲדֵ֔נוּ
(baadenu)
voor ons
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וּכְכֹל֩
(ukhekhol)
en volgens alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יֹאמַ֜ר
(yomar)
zal zeggen
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֛ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
כֵּ֥ן
(ken)
zo
הַגֶּד
(haged)
vertel
לָ֖נוּ
(lanu)
ons
וְעָשִֽׂינוּ
(veasinu)
en wij zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְעֵיתֶם בְּנַפְשׁוֹתֵיכֶם (hit’item benafshotekhem), ‘jullie hebben jezelf misleid’: letterlijk ‘jullie hebben jullie levens laten dwalen’.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is התעתים (hit’etim), het qere is הִתְעֵיתֶם (hit’item), ‘jullie hebben misleid’.
Beide vormen zijn van het werkwoord ‘dwalen, doen dwalen’.
21Ik heb het jullie vandaag verteld. Maar jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, jullie Elohim, noch naar alles waarmee Hij mij naar jullie heeft gestuurd.
וָאַגִּ֥ד
(vaagid)
en ik heb verteld
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֗ם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שְׁלָחַ֥נִי
(shelachani)
Hij heeft gestuurd mij
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
naar jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)