Elohim Bijbel

Johannes 13

123456789101112131415161718192021

De voetwassing, de aankondiging van de overlevering en het nieuwe gebod

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De voetwassing

1Vóór het Pesachfeest wist Yeshua dat Zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader. Hij had de Zijnen die in de wereld waren, liefgehad, en had hen lief tot het einde.
Πρὸ
(Pro)
vóór
δὲ
(de)
maar
τῆς
(tes)
het
ἑορτῆς
(heortes)
feest
τοῦ
(tou)
van het
πάσχα
(pascha)
Pesach
εἰδὼς
(eidos)
wetend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
ἦλθεν
(elthen)
gekomen was
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
ἵνα
(hina)
opdat
μεταβῇ
(metabe)
Hij zou overgaan
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
κόσμου
(kosmou)
wereld
τούτου
(toutou)
deze
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
ἀγαπήσας
(agapesas)
liefgehad hebbend
τοὺς
(tous)
de
ἰδίους
(idious)
Zijnen
τοὺς
(tous)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
εἰς
(eis)
tot
τέλος
(telos)
einde
ἠγάπησεν
(egapesen)
had lief
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πάσχα (pascha), ‘Pesach’.

Het Grieks zegt dat dit gebeurt ‘vóór het feest van het Pesach’.

In Matt. 26:17–20 en Mark. 14:12–17 is dit maal het Pesach-maal zelf.

Hoe de verhalen zich tot elkaar verhouden, is niet zeker; zie ook Joh. 18:28 en 19:14.

ὥρα (hora), ‘uur’: het bepaalde tijdstip. Zie ook Joh. 17:1, waar Yeshua zegt dat het uur gekomen is.

οἱ ἴδιοι (hoi idioi), ‘de Zijnen’: letterlijk ‘de eigen mensen’; het gaat hier om de leerlingen met wie Hij aan tafel ligt. Vergelijk Joh. 1:11.

εἰς τέλος (eis telos), ‘tot het einde’: τέλος kan ook ‘uiterste’ betekenen; het Grieks laat beide toe.

2Tijdens een maaltijd had de duivel al in het hart gelegd dat Judas, de zoon van Simon Iskariot, Hem zou overleveren.
καὶ
(kai)
en
δείπνου
(deipnou)
maaltijd
γινομένου
(ginomenou)
gebeurend
τοῦ
(tou)
de
διαβόλου
(diabolou)
duivel
ἤδη
(ede)
al
βεβληκότος
(beblekotos)
gelegd hebbend
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
καρδίαν
(kardian)
hart
ἵνα
(hina)
dat
παραδοῖ
(paradoi)
zou overleveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
Σίμωνος
(Simonos)
van Simon
Ἰσκαριώτου
(Iskariotou)
Iskariot
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάβολος (diabolos), ‘duivel’: zie Matt. 4:1.

Het Grieks heeft ‘Judas van Simon Iskariot’. Wij vullen ‘de zoon’ aan; ‘Iskariot’ staat in het Grieks bij Simon, zoals ook in 13:26 en Joh. 6:71. Het Grieks noemt niet van wie het hart is.

Lezing

Sommige handschriften hebben γενομένου (genomenou), ‘toen een maaltijd gekomen was’; wij volgen de SBLGNT: γινομένου (ginomenou), ‘tijdens een maaltijd’.

3Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven, en dat Hij van Elohim was uitgegaan en naar Elohim heenging.
εἰδὼς
(eidos)
wetend
ὅτι
(hoti)
dat
πάντα
(panta)
alles
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
καὶ
(kai)
en
ὅτι
(hoti)
dat
ἀπὸ
(apo)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐξῆλθεν
(exelthen)
uitging
καὶ
(kai)
en
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
θεὸν
(theon)
Elohim
ὑπάγει
(hypagei)
heenging
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑπάγω (hypago), ‘heengaan’: dit woord staat voor het weggaan van Yeshua in 13:3, 13:33, 13:36, 14:4–5 en 14:28. πορεύομαι (poreuomai), ‘gaan’, staat in 14:2–3, 14:12 en 14:28.

4Hij stond op van de maaltijd, legde Zijn kleren neer, nam een handdoek en bond die om Zich heen.
ἐγείρεται
(egeiretai)
staat op
ἐκ
(ek)
van
τοῦ
(tou)
de
δείπνου
(deipnou)
maaltijd
καὶ
(kai)
en
τίθησιν
(tithesin)
legt neer
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
λέντιον
(lention)
handdoek
διέζωσεν
(diezosen)
bond om
ἑαυτόν
(heauton)
Zich
Bron: SBLGNT
5Daarna goot Hij water in de waskom. Hij begon de voeten van de leerlingen te wassen en ze af te drogen met de handdoek waarmee Hij Zich omgord had.
εἶτα
(eita)
daarna
βάλλει
(ballei)
goot
ὕδωρ
(hydor)
water
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
νιπτῆρα
(niptera)
waskom
καὶ
(kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
νίπτειν
(niptein)
te wassen
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
καὶ
(kai)
en
ἐκμάσσειν
(ekmassein)
af te drogen
τῷ
(to)
met de
λεντίῳ
(lentio)
handdoek
ᾧ
(ho)
waarmee
ἦν
(en)
was
διεζωσμένος
(diezosmenos)
omgord
Bron: SBLGNT
Uitleg

νιπτήρ (nipter), ‘waskom’. νίπτω (nipto), ‘wassen’: het wassen van een deel van het lichaam, zoals de voeten of de handen.

Voeten wassen was dienstwerk; vergelijk 1 Sam. 25:41, waar Abigaïl zich een dienares noemt om de voeten van de dienaren van haar heer te wassen. Zie ook Luc. 22:24–27.

6Hij kwam dus bij Simon Petrus. Die zei tegen Hem: „Heer, wast U mijn voeten?”
ἔρχεται
(erchetai)
komt
οὖν
(oun)
dus
πρὸς
(pros)
naar
Σίμωνα
(Simona)
Simon
Πέτρον
(Petron)
Petrus
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
σύ
(sy)
U
μου
(mou)
mijn
νίπτεις
(nipteis)
wast
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios), ‘Heer’: als aanspreking van Yeshua schrijven wij ‘Heer’ met een hoofdletter.

Een meester of eigenaar heet ‘heer’ met een kleine letter, zoals in 13:16.

7Yeshua antwoordde en zei tegen hem: „Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar later zul je het begrijpen.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ὃ
(Ho)
wat
ἐγὼ
(ego)
Ik
ποιῶ
(poio)
doe
σὺ
(sy)
jij
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδας
(oidas)
weet
ἄρτι
(arti)
nu
γνώσῃ
(gnose)
je zult begrijpen
δὲ
(de)
maar
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
Bron: SBLGNT
8Petrus zei tegen Hem: „U zult mijn voeten nooit wassen!” Yeshua antwoordde hem: „Als Ik je niet was, heb je geen deel aan Mij.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Οὐ
(Ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
νίψῃς
(nipses)
zult wassen
μου
(mou)
mijn
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
εἰς
(eis)
tot
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἐὰν
(Ean)
als
μὴ
(me)
niet
νίψω
(nipso)
Ik was
σε
(se)
je
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχεις
(echeis)
heb je
μέρος
(meros)
deel
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ μὴ … εἰς τὸν αἰῶνα (ou me … eis ton aiona), ‘beslist niet … tot in eeuwigheid’: wij geven het weer met ‘nooit’.

μέρος μετ’ ἐμοῦ (meros met’ emou), ‘deel met Mij’: wij geven het weer met ‘deel aan Mij’.

9Simon Petrus zei tegen Hem: „Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Κύριε
(Kyrie)
Heer
μὴ
(me)
niet
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
μου
(mou)
mijn
μόνον
(monon)
alleen
ἀλλὰ
(alla)
maar
καὶ
(kai)
ook
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
het
κεφαλήν
(kephalen)
hoofd
Bron: SBLGNT
10Yeshua zei tegen hem: „Wie gebaad is, heeft niets nodig, behalve zijn voeten te wassen. Maar hij is helemaal rein. En jullie zijn rein, maar niet allemaal.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὁ
(Ho)
wie
λελουμένος
(leloumenos)
gebaad is
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
χρείαν
(chreian)
nodig
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
νίψασθαι
(nipsasthai)
te wassen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἔστιν
(estin)
is
καθαρὸς
(katharos)
rein
ὅλος
(holos)
helemaal
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
καθαροί
(katharoi)
rein
ἐστε
(este)
zijn
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐχὶ
(ouchi)
niet
πάντες
(pantes)
allen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λούω (louo), ‘baden’, en νίπτω (nipto), ‘wassen’: het eerste gaat over het hele lichaam, het tweede over een deel ervan, zoals de voeten.

καθαρός (katharos), ‘rein’: hetzelfde woord als in 15:3.

11Want Hij wist wie Hem overleverde. Daarom zei Hij: „Niet allemaal zijn jullie rein.”
ᾔδει
(edei)
wist
γὰρ
(gar)
want
τὸν
(ton)
degene
παραδιδόντα
(paradidonta)
die overleverde
αὐτόν
(auton)
Hem
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
εἶπεν
(eipen)
zei
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐχὶ
(Ouchi)
niet
πάντες
(pantes)
allen
καθαροί
(katharoi)
rein
ἐστε
(este)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zoals in Matt. 26:2.

Zie ook Joh. 6:64 en 6:70–71.

Een voorbeeld voor de leerlingen

12Nadat Hij hun voeten had gewassen en Zijn kleren had genomen, ging Hij aan tafel liggen. Hij zei weer tegen hen: „Begrijpen jullie wat Ik voor jullie gedaan heb?
Ὅτε
(Hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἔνιψεν
(enipsen)
had gewassen
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ἔλαβεν
(elaben)
nam
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἀνέπεσεν
(anepesen)
ging aan tafel liggen
πάλιν
(palin)
weer
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Γινώσκετε
(Ginoskete)
begrijpen jullie
τί
(ti)
wat
πεποίηκα
(pepoieka)
Ik gedaan heb
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνέπεσεν (anepesen), ‘ging aan tafel liggen’: bij een maaltijd lag men op een rustbank. γινώσκω (ginosko), ‘begrijpen’: het gaat om inzicht in wat Hij gedaan heeft.

13Jullie noemen Mij ‘Leraar’ en ‘Heer’, en jullie zeggen dat terecht, want dat ben Ik.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
φωνεῖτέ
(phoneite)
noemen
με
(me)
Mij
Ὁ
(Ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
Leraar
καὶ
(kai)
en
Ὁ
(Ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
καὶ
(kai)
en
καλῶς
(kalos)
terecht
λέγετε
(legete)
zeggen jullie
εἰμὶ
(eimi)
ben Ik
γάρ
(gar)
want
Bron: SBLGNT
Uitleg

διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’, en κύριος (kyrios), ‘Heer’: beide woorden zijn hier titels voor Yeshua.

Zie ook 13:6.

14Als Ik dan, de Heer en de leraar, jullie voeten heb gewassen, dan moeten ook jullie elkaars voeten wassen.
εἰ
(ei)
als
οὖν
(oun)
dus
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἔνιψα
(enipsa)
heb gewassen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὀφείλετε
(opheilete)
moeten
ἀλλήλων
(allelon)
elkaar
νίπτειν
(niptein)
wassen
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
Bron: SBLGNT
15Want Ik heb jullie een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doen zoals Ik voor jullie gedaan heb.
ὑπόδειγμα
(hypodeigma)
voorbeeld
γὰρ
(gar)
want
ἔδωκα
(edoka)
Ik heb gegeven
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἵνα
(hina)
opdat
καθὼς
(kathos)
zoals
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐποίησα
(epoiesa)
heb gedaan
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ποιῆτε
(poiete)
doen
Bron: SBLGNT
16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: een knecht is niet groter dan zijn heer, en een apostel is niet groter dan degene die hem gestuurd heeft.
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
δοῦλος
(doulos)
knecht
μείζων
(meizon)
groter
τοῦ
(tou)
dan de
κυρίου
(kyriou)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἀπόστολος
(apostolos)
apostel
μείζων
(meizon)
groter
τοῦ
(tou)
dan de
πέμψαντος
(pempsantos)
gestuurd hebbende
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: letterlijk ‘gezondene’; het woord staat hier bij πέμψαντος (pempsantos), ‘degene die gestuurd heeft’.

Wij vertalen πέμπω (pempo) met ‘sturen’, zoals in Matteüs.

Zie ook Matt. 10:24–25; Luc. 6:40; Joh. 15:20.

17Als jullie dit weten, zijn jullie gelukkig als jullie het doen.
εἰ
(ei)
als
ταῦτα
(tauta)
dit
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
μακάριοί
(makarioi)
gelukkig
ἐστε
(este)
zijn jullie
ἐὰν
(ean)
als
ποιῆτε
(poiete)
jullie doen
αὐτά
(auta)
het
Bron: SBLGNT
18Ik heb het niet over jullie allemaal. Ik weet wie Ik uitgekozen heb. Maar dit gebeurt opdat de Schrift vervuld wordt: ‘Wie Mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij geheven.’
οὐ
(ou)
niet
περὶ
(peri)
over
πάντων
(panton)
allen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
λέγω
(lego)
Ik spreek
ἐγὼ
(ego)
Ik
οἶδα
(oida)
weet
τίνας
(tinas)
wie
ἐξελεξάμην
(exelexamen)
Ik heb uitgekozen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
ἡ
(he)
de
γραφὴ
(graphe)
Schrift
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
Ὁ
(Ho)
wie
τρώγων
(trogon)
eet
μου
(mou)
Mijn
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
ἐπῆρεν
(eperen)
heeft geheven
ἐπ’
(ep’)
tegen
ἐμὲ
(eme)
Mij
τὴν
(ten)
de
πτέρναν
(pternan)
hiel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Ps. 41:10 (NL 41:9).

Het Hebreeuws heeft ‘heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’ en noemt ook ‘op wie ik vertrouwde’; de Griekse tekst heeft ‘heeft zijn hiel tegen Mij geheven’.

ἀλλ’ ἵνα (all’ hina), ‘maar opdat’: het Grieks heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘dit gebeurt’ aan.

Zie ook Matt. 26:23–24; Mark. 14:18–21.

19Vanaf nu zeg Ik het jullie, voordat het gebeurt, zodat jullie, wanneer het gebeurt, geloven dat Ik het ben.
ἀπ’
(ap’)
vanaf
ἄρτι
(arti)
nu
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
πρὸ
(pro)
voordat
τοῦ
(tou)
het
γενέσθαι
(genesthai)
gebeurt
ἵνα
(hina)
opdat
πιστεύσητε
(pisteusete)
jullie geloven
ὅταν
(hotan)
wanneer
γένηται
(genetai)
het gebeurt
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘Ik ben het’: letterlijk ‘Ik ben’; het staat hier zonder vervolg.

Vergelijk Exod. 3:14 (‘Ik ben die Ik ben’) en Jes. 43:10 (‘Ik ben Hij’).

Het Grieks heeft bij ‘zeg Ik’ geen voorwerp; wij vullen ‘het’ aan.

20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: wie iemand ontvangt die Ik stuur, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gestuurd heeft.”
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὁ
(ho)
wie
λαμβάνων
(lambanon)
ontvangt
ἄν
(an)
wie ook
τινα
(tina)
iemand
πέμψω
(pempso)
Ik stuur
ἐμὲ
(eme)
Mij
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
ὁ
(ho)
wie
δὲ
(de)
maar
ἐμὲ
(eme)
Mij
λαμβάνων
(lambanon)
ontvangt
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
τὸν
(ton)
degene
πέμψαντά
(pempsanta)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 10:40; Luc. 10:16.

Yeshua kondigt de overlevering aan

21Nadat Yeshua dit gezegd had, werd Hij verontrust in Zijn geest. Hij getuigde en zei: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: een van jullie zal Mij overleveren.”
Ταῦτα
(Tauta)
dit
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐταράχθη
(etarachthe)
werd verontrust
τῷ
(to)
in de
πνεύματι
(pneumati)
geest
καὶ
(kai)
en
ἐμαρτύρησεν
(emartyresen)
getuigde
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
εἷς
(heis)
een
ἐξ
(ex)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
παραδώσει
(paradosei)
zal overleveren
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ταράσσω (tarasso), ‘verontrust zijn’: hetzelfde woord als in 14:1 en 14:27. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’.

Zie ook Matt. 26:21–25; Mark. 14:18–21; Luc. 22:21–23.

22De leerlingen keken elkaar aan, in verwarring over wie Hij sprak.
ἔβλεπον
(eblepon)
keken
εἰς
(eis)
naar
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἀπορούμενοι
(aporoumenoi)
in verwarring
περὶ
(peri)
over
τίνος
(tinos)
wie
λέγει
(legei)
Hij spreekt
Bron: SBLGNT
23Een van Zijn leerlingen, degene die Yeshua liefhad, lag aan tafel in de schoot van Yeshua.
ἦν
(en)
was
ἀνακείμενος
(anakeimenos)
aan tafel liggend
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
κόλπῳ
(kolpo)
schoot
τοῦ
(tou)
van
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ὃν
(hon)
die
ἠγάπα
(egapa)
liefhad
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόλπος (kolpos), ‘schoot’: bij een maaltijd lag men schuin op een rustbank, zodat het hoofd van de een dicht bij de borst van de ander kwam (zie 13:25).

Vergelijk Joh. 1:18.

De leerling die Yeshua liefhad, wordt hier niet bij naam genoemd. Zie ook Joh. 19:26; 20:2; 21:7 en 21:20.

24Simon Petrus wenkte hem daarom om te vragen wie het zou zijn over wie Hij sprak.
νεύει
(neuei)
wenkt
οὖν
(oun)
dus
τούτῳ
(touto)
hem
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
πυθέσθαι
(pythesthai)
te vragen
τίς
(tis)
wie
ἂν
(an)
zou
εἴη
(eie)
zijn
περὶ
(peri)
over
οὗ
(hou)
wie
λέγει
(legei)
Hij spreekt
Bron: SBLGNT
25Die leunde zo achterover tegen de borst van Yeshua en zei tegen Hem: „Heer, wie is het?”
ἀναπεσὼν
(anapeson)
achterover leunend
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
οὕτως
(houtos)
zo
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὸ
(to)
de
στῆθος
(stethos)
borst
τοῦ
(tou)
van
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
26Yeshua antwoordde: „Degene voor wie Ik het stuk brood indoop en aan wie Ik het geef, die is het.” Toen doopte Hij het stuk brood in en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot.
ἀποκρίνεται
(apokrinetai)
antwoordt
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐκεῖνός
(Ekeinos)
die
ἐστιν
(estin)
is
ᾧ
(ho)
voor wie
ἐγὼ
(ego)
Ik
βάψω
(bapso)
zal indopen
τὸ
(to)
het
ψωμίον
(psomion)
stuk brood
καὶ
(kai)
en
δώσω
(doso)
zal geven
αὐτῷ
(auto)
aan hem
βάψας
(bapsas)
indoopte
οὖν
(oun)
toen
τὸ
(to)
het
ψωμίον
(psomion)
stuk brood
δίδωσιν
(didosin)
geeft
Ἰούδᾳ
(Iouda)
aan Judas
Σίμωνος
(Simonos)
van Simon
Ἰσκαριώτου
(Iskariotou)
Iskariot
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψωμίον (psomion), ‘stuk brood’: een klein stuk brood, dat in de schotel gedoopt werd.

Zie ook Matt. 26:23.

Zie ookMat 26:23
27Na het stuk brood ging Satan toen in hem. Yeshua zei dus tegen hem: „Wat je doet, doe dat sneller.”
καὶ
(kai)
en
μετὰ
(meta)
na
τὸ
(to)
het
ψωμίον
(psomion)
stuk brood
τότε
(tote)
toen
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging
εἰς
(eis)
in
ἐκεῖνον
(ekeinon)
hem
ὁ
(ho)
de
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὃ
(Ho)
wat
ποιεῖς
(poieis)
je doet
ποίησον
(poieson)
doe
τάχιον
(tachion)
sneller
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’; zie Matt. 4:10.

τάχιον (tachion) is een vergrotende trap: ‘sneller’ of ‘eerder’. Wij vertalen ‘sneller’.

Zie ookMat 4:10
28Niemand van hen die aan tafel lagen, begreep waarom Hij dit tegen hem zei.
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἔγνω
(egno)
begreep
τῶν
(ton)
van
ἀνακειμένων
(anakeimenon)
die aan tafel lagen
πρὸς
(pros)
met het oog op
τί
(ti)
wat
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Bron: SBLGNT
29Sommigen dachten namelijk, omdat Judas de geldkist had, dat Yeshua tegen hem zei: „Koop wat wij nodig hebben voor het feest.” Of dat hij de armen iets moest geven.
τινὲς
(tines)
sommigen
γὰρ
(gar)
want
ἐδόκουν
(edokoun)
dachten
ἐπεὶ
(epei)
omdat
τὸ
(to)
de
γλωσσόκομον
(glossokomon)
geldkist
εἶχεν
(eichen)
had
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὅτι
(hoti)
dat
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀγόρασον
(Agorason)
koop
ὧν
(hon)
wat
χρείαν
(chreian)
nodig
ἔχομεν
(echomen)
wij hebben
εἰς
(eis)
voor
τὴν
(ten)
het
ἑορτήν
(heorten)
feest
ἢ
(e)
of
τοῖς
(tois)
aan de
πτωχοῖς
(ptochois)
armen
ἵνα
(hina)
dat
τι
(ti)
iets
δῷ
(do)
hij geeft
Bron: SBLGNT
Uitleg

γλωσσόκομον (glossokomon), ‘geldkist’: zie ook Joh. 12:6.

Wat de leerlingen zich bij Yeshua’s woorden voorstelden, zetten wij zwart: het zijn geen woorden die Hij zelf zei.

Zie ookJoh 12:6
30Toen hij het stuk brood genomen had, ging hij meteen naar buiten. Het was nacht.
λαβὼν
(labon)
nemend
οὖν
(oun)
dus
τὸ
(to)
het
ψωμίον
(psomion)
stuk brood
ἐκεῖνος
(ekeinos)
hij
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging naar buiten
εὐθύς
(euthys)
meteen
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
νύξ
(nyx)
nacht
Bron: SBLGNT

Het heengaan van Yeshua en het nieuwe gebod

31Toen hij naar buiten was gegaan, zei Yeshua: „Nu is de Mensenzoon verheerlijkt, en Elohim is in Hem verheerlijkt.
Ὅτε
(Hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἐξῆλθεν
(exelthen)
hij naar buiten ging
λέγει
(legei)
zegt
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Νῦν
(Nyn)
nu
ἐδοξάσθη
(edoxasthe)
is verheerlijkt
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
ἐδοξάσθη
(edoxasthe)
is verheerlijkt
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: eer geven en laten zien wie iemand is.

Het woord staat in 13:31–32 vijf keer; wij vertalen het overal zo.

32Als Elohim in Hem verheerlijkt is, zal Elohim ook Hem in Zichzelf verheerlijken, en Hij zal Hem meteen verheerlijken.
εἰ
(ei)
als
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
ἐδοξάσθη
(edoxasthe)
is verheerlijkt
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
δοξάσει
(doxasei)
zal verheerlijken
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐν
(en)
in
αὑτῷ
(hauto)
Zichzelf
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
δοξάσει
(doxasei)
zal verheerlijken
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
33Kinderen, nog even ben Ik bij jullie. Jullie zullen Mij zoeken. En zoals Ik tegen de Joden zei: ‘Waar Ik heen ga, kunnen jullie niet komen’, zo zeg Ik het nu ook tegen jullie.
τεκνία
(teknia)
kinderen
ἔτι
(eti)
nog
μικρὸν
(mikron)
even
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰμι
(eimi)
ben Ik
ζητήσετέ
(zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπον
(eipon)
Ik zei
τοῖς
(tois)
aan de
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
Joden
ὅτι
(hoti)
dat
Ὅπου
(Hopou)
waar
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑπάγω
(hypago)
heen ga
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
καὶ
(kai)
ook
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
λέγω
(lego)
zeg Ik
ἄρτι
(arti)
nu
Bron: SBLGNT
Uitleg

τεκνία (teknia), ‘kinderen’: een liefdevolle aanspreking in verkleinvorm.

Voor de woorden aan de Joden zie Joh. 7:33–34 en 8:21.

34Een nieuw gebod geef Ik jullie: dat jullie elkaar liefhebben. Zoals Ik jullie heb liefgehad, zo moeten ook jullie elkaar liefhebben.
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
καινὴν
(kainen)
nieuw
δίδωμι
(didomi)
geef Ik
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἵνα
(hina)
opdat
ἀγαπᾶτε
(agapate)
jullie liefhebben
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
καθὼς
(kathos)
zoals
ἠγάπησα
(egapesa)
Ik heb liefgehad
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἵνα
(hina)
opdat
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἀγαπᾶτε
(agapate)
liefhebben
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’.

Het gebod om de naaste lief te hebben staat al in Lev. 19:18; hier is de maat ‘zoals Ik jullie heb liefgehad’.

Zie ook Joh. 15:12.

De tweede ἵνα (hina) geven wij weer met ‘zo moeten ook jullie’.

35Hieraan zullen allen weten dat jullie Mijn leerlingen zijn: als jullie liefde voor elkaar hebben.”
ἐν
(en)
in
τούτῳ
(touto)
dit
γνώσονται
(gnosontai)
zullen weten
πάντες
(pantes)
allen
ὅτι
(hoti)
dat
ἐμοὶ
(emoi)
Mijn
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
ἐστε
(este)
jullie zijn
ἐὰν
(ean)
als
ἀγάπην
(agapen)
liefde
ἔχητε
(echete)
jullie hebben
ἐν
(en)
onder
ἀλλήλοις
(allelois)
elkaar
Bron: SBLGNT

Yeshua kondigt de ontkenning door Petrus aan

36Simon Petrus zei tegen Hem: „Heer, waar gaat U heen?” Yeshua antwoordde: „Waar Ik heen ga, kun je Mij nu niet volgen. Maar later zul je volgen.”
Λέγει
(Legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ποῦ
(pou)
waar
ὑπάγεις
(hypageis)
gaat U heen
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὅπου
(Hopou)
waar
ὑπάγω
(hypago)
Ik heen ga
οὐ
(ou)
niet
δύνασαί
(dynasai)
kun je
μοι
(moi)
Mij
νῦν
(nyn)
nu
ἀκολουθῆσαι
(akolouthesai)
volgen
ἀκολουθήσεις
(akoloutheseis)
je zult volgen
δὲ
(de)
maar
ὕστερον
(hysteron)
later
Bron: SBLGNT
37Petrus zei tegen Hem: „Heer, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U neerleggen.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Κύριε
(Kyrie)
Heer
διὰ
(dia)
om
τί
(ti)
wat
οὐ
(ou)
niet
δύναμαί
(dynamai)
kan ik
σοι
(soi)
U
ἀκολουθῆσαι
(akolouthesai)
volgen
ἄρτι
(arti)
nu
τὴν
(ten)
het
ψυχήν
(psychen)
leven
μου
(mou)
mijn
ὑπὲρ
(hyper)
voor
σοῦ
(sou)
U
θήσω
(theso)
zal neerleggen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’: het leven, de persoon zelf; zie ook Matt. 16:25. τίθημι (tithemi), ‘neerleggen’: hetzelfde woord als in 15:13; zie ook Joh. 10:11, 10:15 en 10:17.

38Yeshua antwoordde: „Je leven zul je voor Mij neerleggen? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: de haan zal beslist niet kraaien voordat je Mij drie keer ontkend hebt.
ἀποκρίνεται
(apokrinetai)
antwoordt
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τὴν
(Ten)
het
ψυχήν
(psychen)
leven
σου
(sou)
je
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ἐμοῦ
(emou)
Mij
θήσεις
(theseis)
zul je neerleggen
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
σοι
(soi)
je
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
φωνήσῃ
(phonese)
kraait
ἕως
(heos)
totdat
οὗ
(hou)
wanneer
ἀρνήσῃ
(arnese)
je ontkent
με
(me)
Mij
τρίς
(tris)
drie keer
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀρνέομαι (arneomai), ‘ontkennen’: in Matt. 26:34 staat de verwante vorm ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’.

Zie ook Matt. 26:33–35; Mark. 14:29–31; Luc. 22:31–34.

Yeshua’s woorden lopen zonder onderbreking door in Joh. 14:1–4.