Elohim Bijbel

Deuteronomium 12

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Eén plaats voor de eredienst: geen afgoden en wat Yahweh kiest

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Geen afgodsplaatsen in het land

1Dit zijn de voorschriften en rechtsregels die jullie moeten bewaren om te doen. In het land dat Yahweh, de Elohim van jullie vaders, jullie gegeven heeft om het in bezit te nemen. Alle dagen dat jullie op de grond leven.
אֵ֠לֶּה
(ele)
dit zijn
הַֽחֻקִּ֣ים
(hachuqim)
de voorschriften
וְהַמִּשְׁפָּטִים֮
(vehamishpatim)
en de rechtsregels
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּשְׁמְר֣וּן
(tishmerun)
jullie zullen bewaren
לַעֲשׂוֹת֒
(laasot)
om te doen
בָּאָ֕רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֶ֛יךָ
(avoteikha)
je vaders
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
לְרִשְׁתָּ֑הּ
(lerishtah)
om het in bezit te nemen
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
חַיִּ֖ים
(chayim)
levend zijn
עַל
(al)
op
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Jullie moeten alle plaatsen volledig te gronde richten waar de volken, van wie jullie het land in bezit nemen, hun goden gediend hebben. Op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke groene boom.
אַבֵּ֣ד
(abed)
volledig
תְּ֠אַבְּדוּן
(teabedun)
jullie zullen te gronde richten
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַמְּקֹמ֞וֹת
(hameqomot)
de plaatsen
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waar
עָֽבְדוּ
(avedu)
dienden
שָׁ֣ם
(sham)
daar
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
יֹרְשִׁ֥ים
(yoreshim)
in bezit nemen
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun goden
עַל
(al)
op
הֶהָרִ֤ים
(heharim)
de bergen
הָֽרָמִים֙
(haramim)
de hoge
וְעַל
(veal)
en op
הַגְּבָע֔וֹת
(hagevaot)
de heuvels
וְתַ֖חַת
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָן
(raanan)
groene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volken dienden hun goden op hoogten, heuvels en onder groene bomen.

Wij laten die plaatsen volledig te gronde richten, zoals het bevel van Exod. 34:13 voor hun altaren en beelden.

3Breek hun altaren af, sla hun gewijde stenen stuk, verbrand hun heilige palen met vuur. Hak de gesneden beelden van hun goden om en laat hun naam op die plaats omkomen.
וְנִתַּצְתֶּ֣ם
(venitatstem)
en jullie zullen afbreken
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבּחֹתָ֗ם
(mizbchotam)
hun altaren
וְשִׁבַּרְתֶּם֙
(veshibartem)
en jullie zullen stukslaan
אֶת
(et)
(obj.)
מַצֵּ֣בֹתָ֔ם
(matsevotam)
hun gewijde stenen
וַאֲשֵֽׁרֵיהֶם֙
(vaashereihem)
en hun heilige palen
תִּשְׂרְפ֣וּן
(tisrefun)
jullie zullen verbranden
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
וּפְסִילֵ֥י
(ufesilei)
en de gesneden beelden van
אֱלֹֽהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun goden
תְּגַדֵּע֑וּן
(tegadeun)
jullie zullen omhakken
וְאִבַּדְתֶּ֣ם
(veibadtem)
en jullie zullen laten omkomen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמָ֔ם
(shemam)
hun naam
מִן
(min)
van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 7:5 en Exod. 34:13.

‘Hun naam laten omkomen’: zie Deut. 7:24.

4Zo mogen jullie niet doen voor Yahweh, jullie Elohim.
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֣וּן
(taasun)
jullie zullen doen
כֵּ֔ן
(ken)
zo
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De plaats die Yahweh kiest

5Maar naar de plaats die Yahweh, jullie Elohim, uit al jullie stammen kiest, moeten jullie zoeken. Hij kiest die om daar Zijn naam te plaatsen en daar te wonen. En daarheen moeten jullie gaan.
כִּ֠י
(ki)
want
אִֽם
(im)
als
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֞וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִבְחַ֨ר
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶם֙
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִכָּל
(mikal)
uit al
שִׁבְטֵיכֶ֔ם
(shivteikhem)
jullie stammen
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te plaatsen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
לְשִׁכְנ֥וֹ
(leshikhno)
om daar te wonen
תִדְרְשׁ֖וּ
(tidreshu)
jullie zullen zoeken
וּבָ֥אתָ
(uvata)
en je zult gaan
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁכֵן (shakhen), ‘wonen’: Yahweh laat Zijn naam daar wonen.

Hetzelfde woord zit in מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’ (Exod. 25:8–9).

De plaats wordt hier niet genoemd; ze is de plaats van de eredienst voor heel Israël.

6Daarheen moeten jullie jullie brandoffers en jullie slachtoffers brengen. Jullie tienden en wat jullie met jullie hand heffen, jullie geloften en jullie vrijwillige gaven, en de eerstgeborenen van jullie runderen en jullie kleinvee.
וַהֲבֵאתֶ֣ם
(vahavetem)
en jullie zullen brengen
שָׁ֗מָּה
(shama)
daarheen
עֹלֹֽתֵיכֶם֙
(oloteikhem)
jullie brandoffers
וְזִבְחֵיכֶ֔ם
(vezivcheikhem)
en jullie slachtoffers
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מַעְשְׂרֹ֣תֵיכֶ֔ם
(maseroteikhem)
jullie tienden
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
יֶדְכֶ֑ם
(yedkhem)
jullie hand
וְנִדְרֵיכֶם֙
(venidreikhem)
en jullie geloften
וְנִדְבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(venidvoteikhem)
en jullie vrijwillige gaven
וּבְכֹרֹ֥ת
(uvekhorot)
en de eerstgeborenen van
בְּקַרְכֶ֖ם
(beqarkhem)
jullie runderen
וְצֹאנְכֶֽם
(vetsonkhem)
en jullie kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעְשְׂרֹת (ma’asrot), ‘tienden’: het tiende deel van de opbrengst, zie Lev. 27:30–32.

תְּרוּמַת יָד (terumat yad), ‘wat je met je hand heft’: de heffing, zie Deut. 12:11.

נֶדֶר (neder), ‘gelofte’, en נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: zie Lev. 7:16.

7Daar moeten jullie eten voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim. En jullie moeten jullie verblijden over alles wat jullie ondernemen, jullie en jullie huizen, waarin Yahweh, jullie Elohim, jullie gezegend heeft.
וַאֲכַלְתֶּם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
שָׁ֗ם
(sham)
daar
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וּשְׂמַחְתֶּ֗ם
(usemachtem)
en jullie zullen blij zijn
בְּכֹל֙
(bekhol)
over alles waaraan
מִשְׁלַ֣ח
(mishlach)
het uitsteken van
יֶדְכֶ֔ם
(yedkhem)
jullie hand
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
וּבָתֵּיכֶ֑ם
(uvateikhem)
en jullie huizen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
בֵּֽרַכְךָ֖
(berakhkha)
Hij zegende je
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Jullie mogen niet doen zoals wij hier vandaag allemaal doen, ieder wat goed is in zijn eigen ogen,
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֔וּן
(taasun)
jullie zullen doen
כְּ֠כֹל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
אֲנַ֧חְנוּ
(anachnu)
wij
עֹשִׂ֛ים
(osim)
doen
פֹּ֖ה
(po)
hier
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
אִ֖ישׁ
(ish)
een ieder
כָּל
(kal)
alles
הַיָּשָׁ֥ר
(hayashar)
wat goed is
בְּעֵינָֽיו
(beeinav)
in zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes zegt ‘wij’ en rekent zichzelf bij het volk dat nu nog zonder vaste plaats voor de eredienst leeft.

9want tot nu toe zijn jullie nog niet gekomen in de rust en het erfdeel dat Yahweh, jullie Elohim, jullie geeft.
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
בָּאתֶ֖ם
(batem)
jullie zijn gekomen
עַד
(ad)
tot
עָ֑תָּה
(ata)
nu
אֶל
(el)
naar
הַמְּנוּחָה֙
(hamenucha)
de rust
וְאֶל
(veel)
en naar
הַֽנַּחֲלָ֔ה
(hanachala)
het erfdeel
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽךְ
(lakh)
aan jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Jullie gaan de Jordaan over en wonen in het land dat Yahweh, jullie Elohim, jullie als erfdeel geeft. Hij geeft jullie rust van al jullie vijanden rondom, en jullie wonen in veiligheid.
וַעֲבַרְתֶּם֮
(vaavartem)
en jullie zullen oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּן֒
(hayarden)
de Jordaan
וִֽישַׁבְתֶּ֣ם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מַנְחִ֣יל
(manchil)
als erfdeel geeft
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וְהֵנִ֨יחַ
(veheniach)
en Hij geeft rust
לָכֶ֧ם
(lakhem)
aan jullie
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹיְבֵיכֶ֛ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
מִסָּבִ֖יב
(misaviv)
rondom
וִֽישַׁבְתֶּם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
בֶּֽטַח
(betach)
in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

11Dan zal er een plaats zijn die Yahweh, jullie Elohim, kiest om daar Zijn naam te laten wonen. Daarheen moeten jullie alles brengen wat ik jullie gebied. Jullie brandoffers, jullie slachtoffers, jullie tienden, wat jullie met jullie hand heffen en het beste van al jullie geloften die jullie aan Yahweh beloven.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִבְחַר֩
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֥ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
בּוֹ֙
(bo)
daarin
לְשַׁכֵּ֤ן
(leshaken)
om te laten wonen
שְׁמוֹ֙
(shemo)
Zijn naam
שָׁ֔ם
(sham)
daar
שָׁ֣מָּה
(shama)
daarheen
תָבִ֔יאוּ
(taviu)
jullie zullen brengen
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מְצַוֶּ֣ה
(metsave)
gebied
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
עוֹלֹתֵיכֶ֣ם
(oloteikhem)
jullie brandoffers
וְזִבְחֵיכֶ֗ם
(vezivcheikhem)
en jullie slachtoffers
מַעְשְׂרֹֽתֵיכֶם֙
(maseroteikhem)
jullie tienden
וּתְרֻמַ֣ת
(uterumat)
en de heffing van
יֶדְכֶ֔ם
(yedkhem)
jullie hand
וְכֹל֙
(vekhol)
en alles
מִבְחַ֣ר
(mivchar)
het beste van
נִדְרֵיכֶ֔ם
(nidreikhem)
jullie geloften
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תִּדְּר֖וּ
(tideru)
jullie zullen beloven
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Jullie verblijden je voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim. Jullie, jullie zonen en dochters, jullie dienaren en dienaressen, en de Leviet die in jullie poorten woont. Want hij heeft geen deel of erfdeel met jullie.
וּשְׂמַחְתֶּ֗ם
(usemachtem)
en jullie zullen blij zijn
לִפְנֵי֮
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶם֒
(eloheikhem)
jullie Elohim
אַתֶּ֗ם
(atem)
jullie
וּבְנֵיכֶם֙
(uveneikhem)
en jullie zonen
וּבְנֹ֣תֵיכֶ֔ם
(uvenoteikhem)
en jullie dochters
וְעַבְדֵיכֶ֖ם
(veavdeikhem)
en jullie dienaren
וְאַמְהֹתֵיכֶ֑ם
(veamhoteikhem)
en jullie dienaressen
וְהַלֵּוִי֙
(vehalevi)
en de Leviet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּשַֽׁעֲרֵיכֶ֔ם
(beshaareikhem)
in jullie poorten
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
חֵ֥לֶק
(cheleq)
deel
וְנַחֲלָ֖ה
(venachala)
en erfdeel
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁעָרִים (she’arim), ‘poorten’: de stadspoorten, dus de steden waar men woont.

Zie ook Exod. 20:10.

De Leviet heeft geen erfdeel; Yahweh is zijn erfdeel (Deut. 10:9). Daarom zorgt het volk voor hem (vers 19).

Brandoffers alleen op die plaats

13Pas op dat je je brandoffers niet brengt op elke plaats die je ziet,
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
pas op
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
פֶּֽן
(pen)
anders
תַּעֲלֶ֖ה
(taale)
je brengt op
עֹלֹתֶ֑יךָ
(oloteikha)
je brandoffers
בְּכָל
(bekhal)
op elke
מָק֖וֹם
(maqom)
plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תִּרְאֶֽה
(tire)
je ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14maar op de plaats die Yahweh kiest in een van je stammen, daar moet je je brandoffers brengen. En daar moet je alles doen wat ik je gebied.
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בַּמָּק֞וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִבְחַ֤ר
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
in een van
שְׁבָטֶ֔יךָ
(shevateikha)
je stammen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
תַּעֲלֶ֣ה
(taale)
je zult brengen op
עֹלֹתֶ֑יךָ
(oloteikha)
je brandoffers
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
תַּעֲשֶׂ֔ה
(taase)
je zult doen
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מְצַוֶּֽךָּ
(metsaveka)
gebied je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Vlees eten in je poorten

15Maar naar alle begeerte van je ziel mag je slachten en vlees eten in al je poorten. Naar de zegen die Yahweh, je Elohim, je gegeven heeft. De onreine en de reine mag ervan eten, als van de gazelle en het hert.
רַק֩
(raq)
alleen
בְּכָל
(bekhal)
in elke
אַוַּ֨ת
(avat)
begeerte van
נַפְשְׁךָ֜
(nafshekha)
je ziel
תִּזְבַּ֣ח
(tizbach)
je mag slachten
וְאָכַלְתָּ֣
(veakhalta)
en eten
בָשָׂ֗ר
(basar)
vlees
כְּבִרְכַּ֨ת
(kevirkat)
volgens de zegen van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָֽתַן
(natan)
Hij gaf
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
בְּכָל
(bekhal)
in al
שְׁעָרֶ֑יךָ
(sheareikha)
je poorten
הַטָּמֵ֤א
(hatame)
de onreine
וְהַטָּהוֹר֙
(vehatahor)
en de reine
יֹאכְלֶ֔נּוּ
(yokhlenu)
zal het eten
כַּצְּבִ֖י
(katsevi)
als de gazelle
וְכָאַיָּֽל
(vekhaayal)
en als het hert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבִי (tsevi), ‘gazelle’, en אַיָּל (ayyal), ‘hert’: dieren die men at, maar niet bracht als offer.

Wie onrein is, mag daarom ook van dit vlees eten omdat het geen heilig offervlees is.

16Alleen het bloed mag je niet eten: je moet het op de grond uitgieten als water.
רַ֥ק
(raq)
alleen
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֑לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
עַל
(al)
op
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
de grond
תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ
(tishpekhenu)
je zult het uitgieten
כַּמָּֽיִם
(kamayim)
als water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bloed wordt niet gegeten, maar uitgegoten (Gen. 9:4; Lev. 17:10–14).

17Je mag in je poorten niet eten: de tiende van je graan, je most en je olie. De eerstgeborenen van je runderen en je kleinvee, al je geloften die je aflegt, je vrijwillige gaven en wat je met je hand heft.
לֹֽא
(lo)
niet
תוּכַ֞ל
(tukhal)
je zult kunnen
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
eten
בִּשְׁעָרֶ֗יךָ
(bishareikha)
in je poorten
מַעְשַׂ֤ר
(masar)
de tiende van
דְּגָֽנְךָ֙
(deganekha)
je graan
וְתִֽירֹשְׁךָ֣
(vetiroshekha)
en je most
וְיִצְהָרֶ֔ךָ
(veyitsharekha)
en je olie
וּבְכֹרֹ֥ת
(uvekhorot)
en de eerstgeborenen van
בְּקָרְךָ֖
(beqarekha)
je runderen
וְצֹאנֶ֑ךָ
(vetsonekha)
en je kleinvee
וְכָל
(vekhal)
en alle
נְדָרֶ֨יךָ֙
(nedareikha)
je geloften
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּדֹּ֔ר
(tidor)
je zult beloven
וְנִדְבֹתֶ֖יךָ
(venidvoteikha)
en je vrijwillige gaven
וּתְרוּמַ֥ת
(uterumat)
en de heffing van
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Maar voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, moet je het eten, op de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest. Jij, je zoon en je dochter, je dienaar en je dienares en de Leviet die in je poorten woont. Je moet je verblijden voor het aangezicht van Yahweh, je Elohim, over alles wat je onderneemt.
כִּ֡י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
תֹּאכְלֶ֗נּוּ
(tokhlenu)
je zult het eten
בַּמָּקוֹם֙
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִבְחַ֜ר
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶיךָ֮
(eloheikha)
je Elohim
בּוֹ֒
(bo)
daarin
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
וּבִנְךָ֤
(uvinkha)
en je zoon
וּבִתֶּ֨ךָ֙
(uvitekha)
en je dochter
וְעַבְדְּךָ֣
(veavdekha)
en je dienaar
וַאֲמָתֶ֔ךָ
(vaamatekha)
en je dienares
וְהַלֵּוִ֖י
(vehalevi)
en de Leviet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בִּשְׁעָרֶ֑יךָ
(bishareikha)
in je poorten
וְשָׂמַחְתָּ֗
(vesamachta)
en je zult blij zijn
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
over alles waaraan
מִשְׁלַ֥ח
(mishlach)
het uitsteken van
יָדֶֽךָ
(yadekha)
je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Leviet hoort bij het offermaal: Yahweh heeft Levi een eigen deel gegeven (Num. 18:21–24).

19Pas op dat je de Leviet niet in de steek laat, al je dagen op je grond.
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
pas op
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
פֶּֽן
(pen)
anders
תַּעֲזֹ֖ב
(taazov)
je verlaat
אֶת
(et)
(obj.)
הַלֵּוִ֑י
(halevi)
de Leviet
כָּל
(kal)
alle
יָמֶ֖יךָ
(yameikha)
je dagen
עַל
(al)
op
אַדְמָתֶֽךָ
(admatekha)
je grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Wanneer Yahweh, je Elohim, je gebied vergroot, zoals Hij tegen je gesproken heeft, en je zegt: „Ik wil vlees eten.” Omdat je ziel naar vlees verlangt, mag je vlees eten naar alle begeerte van je ziel.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יַרְחִיב֩
(yarchiv)
zal verruimen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֥יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֶֽת
(et)
(obj.)
גְּבֽוּלְךָ֮
(gevulekha)
je gebied
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר
(diber)
Hij sprak
לָךְ֒
(lakh)
tot jou
וְאָמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zegt
אֹכְלָ֣ה
(okhela)
laat mij eten
בָשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּֽי
(ki)
omdat
תְאַוֶּ֥ה
(teave)
verlangt
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
je ziel
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te eten
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
בְּכָל
(bekhal)
in elke
אַוַּ֥ת
(avat)
begeerte van
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
je ziel
תֹּאכַ֥ל
(tokhal)
je mag eten
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Je gebied vergroot’ zegt dezelfde belofte als Exod. 34:24.

21Als de plaats die Yahweh, je Elohim, kiest om daar Zijn naam te plaatsen te ver van je ligt, dan mag je slachten. Dat mag van je runderen en je kleinvee dat Yahweh je gegeven heeft, zoals ik je geboden heb. En je mag in je poorten eten naar alle begeerte van je ziel.
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִרְחַ֨ק
(yirchaq)
te ver is
מִמְּךָ֜
(mimekha)
van jou
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
יִבְחַ֜ר
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶיךָ֮
(eloheikha)
je Elohim
לָשׂ֣וּם
(lasum)
om te plaatsen
שְׁמ֣וֹ
(shemo)
Zijn naam
שָׁם֒
(sham)
daar
וְזָבַחְתָּ֞
(vezavachta)
dan zul je slachten
מִבְּקָרְךָ֣
(mibeqarekha)
van je runderen
וּמִצֹּֽאנְךָ֗
(umitsonkha)
en van je kleinvee
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
צִוִּיתִ֑ךָ
(tsivitikha)
ik gebood je
וְאָֽכַלְתָּ֙
(veakhalta)
en je zult eten
בִּשְׁעָרֶ֔יךָ
(bishareikha)
in je poorten
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in elke
אַוַּ֥ת
(avat)
begeerte van
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zoals de gazelle en het hert gegeten worden, zo mag je het eten: de onreine en de reine mogen er samen van eten.
אַ֗ךְ
(akh)
maar
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יֵאָכֵ֤ל
(yeakhel)
wordt gegeten
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַצְּבִי֙
(hatsevi)
de gazelle
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣אַיָּ֔ל
(haayal)
het hert
כֵּ֖ן
(ken)
zo
תֹּאכְלֶ֑נּוּ
(tokhlenu)
je zult het eten
הַטָּמֵא֙
(hatame)
de onreine
וְהַטָּה֔וֹר
(vehatahor)
en de reine
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
יֹאכְלֶֽנּוּ
(yokhlenu)
zal het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Alleen moet je er vast op letten dat je het bloed niet eet. Want het bloed is het leven, en het leven mag je niet met het vlees eten.
רַ֣ק
(raq)
alleen
חֲזַ֗ק
(chazaq)
wees vastberaden
לְבִלְתִּי֙
(levilti)
om niet
אֲכֹ֣ל
(akhol)
te eten
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
כִּ֥י
(ki)
want
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
ה֣וּא
(hu)
het
הַנָּ֑פֶשׁ
(hanafesh)
het leven
וְלֹא
(velo)
en niet
תֹאכַ֥ל
(tokhal)
je zult eten
הַנֶּ֖פֶשׁ
(hanefesh)
het leven
עִם
(im)
met
הַבָּשָֽׂר
(habasar)
het vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven’: het woord betekent ook ‘ziel’.

Het bloed is het leven; daarom mag men het niet eten (Lev. 17:11, 14).

24Je mag het niet eten; je moet het op de grond uitgieten als water.
לֹ֖א
(lo)
niet
תֹּאכְלֶ֑נּוּ
(tokhlenu)
je zult het eten
עַל
(al)
op
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
de grond
תִּשְׁפְּכֶ֖נּוּ
(tishpekhenu)
je zult het uitgieten
כַּמָּֽיִם
(kamayim)
als water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Je mag het niet eten, zodat het goed gaat met jou en met je zonen na je. Want je doet wat goed is in de ogen van Yahweh.
לֹ֖א
(lo)
niet
תֹּאכְלֶ֑נּוּ
(tokhlenu)
je zult het eten
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
יִיטַ֤ב
(yitav)
het goed gaat
לְךָ֙
(lekha)
met jou
וּלְבָנֶ֣יךָ
(ulevaneikha)
en met je zonen
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
na je
כִּֽי
(ki)
want
תַעֲשֶׂ֥ה
(taase)
je zult doen
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
wat goed is
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De heilige gaven en de offers

26Alleen je heilige gaven, die je zult hebben, en je geloften moet je dragen en brengen naar de plaats die Yahweh kiest.
רַ֧ק
(raq)
alleen
קָֽדָשֶׁ֛יךָ
(qadasheikha)
je heilige gaven
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
וּנְדָרֶ֑יךָ
(unedareikha)
en je geloften
תִּשָּׂ֣א
(tisa)
je zult dragen
וּבָ֔אתָ
(uvata)
en je zult gaan
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִבְחַ֥ר
(yivchar)
zal kiezen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Draag je brandoffers op, het vlees en het bloed, op het altaar van Yahweh, je Elohim. Het bloed van je slachtoffers moet over het altaar van Yahweh, je Elohim, worden uitgegoten, en het vlees mag je eten.
וְעָשִׂ֤יתָ
(veasita)
en je zult opdragen
עֹלֹתֶ֨יךָ֙
(oloteikha)
je brandoffers
הַבָּשָׂ֣ר
(habasar)
het vlees
וְהַדָּ֔ם
(vehadam)
en het bloed
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֖ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְדַם
(vedam)
en het bloed van
זְבָחֶ֗יךָ
(zevacheikha)
je slachtoffers
יִשָּׁפֵךְ֙
(yishafekh)
zal worden uitgegoten
עַל
(al)
op
מִזְבַּח֙
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וְהַבָּשָׂ֖ר
(vehabasar)
en het vlees
תֹּאכֵֽל
(tokhel)
je mag eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשָׂה (asah), ‘opdragen’: een brandoffer wordt ‘gemaakt’, dat wil zeggen op het altaar opgedragen (Lev. 1:5–9).

28Bewaar en hoor al deze woorden die ik je gebied, zodat het goed gaat met jou en met je zonen na je, voor altijd. Want je doet wat goed en juist is in de ogen van Yahweh, je Elohim.
שְׁמֹ֣ר
(shemor)
bewaar
וְשָׁמַעְתָּ֗
(veshamata)
en luister
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
מְצַוֶּ֑ךָּ
(metsaveka)
gebied je
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
יִיטַ֨ב
(yitav)
het goed gaat
לְךָ֜
(lekha)
met jou
וּלְבָנֶ֤יךָ
(ulevaneikha)
en met je zonen
אַחֲרֶ֨יךָ֙
(achareikha)
na je
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
כִּ֤י
(ki)
want
תַעֲשֶׂה֙
(taase)
je zult doen
הַטּ֣וֹב
(hatov)
wat goed is
וְהַיָּשָׁ֔ר
(vehayashar)
en wat juist is
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶֽיךָ
(eloheikha)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Volg de volken niet na

29Wanneer Yahweh, je Elohim, de volken afsnijdt waar je naartoe gaat om hen voor je uit te verdrijven. En wanneer jij hen in bezit neemt en in hun land woont,
כִּֽי
(ki)
wanneer
יַכְרִית֩
(yakhrit)
zal afsnijden
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֜יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarheen
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָא
(ba)
binnengaat
שָׁ֛מָּה
(shama)
daarheen
לָרֶ֥שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מִפָּנֶ֑יךָ
(mipaneikha)
voor je uit
וְיָרַשְׁתָּ֣
(veyarashta)
en je zult in bezit nemen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְיָשַׁבְתָּ֖
(veyashavta)
en je zult wonen
בְּאַרְצָֽם
(beartsam)
in hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּרַת (karat), ‘afsnijden’: de volken worden van het land weggenomen.

Het woord staat ook in ‘een verbond sluiten’ (Deut. 7:2).

30Pas dan op dat je niet verstrikt raakt door hen te volgen nadat zij voor je uit vernietigd zijn. En pas op dat je niet naar hun goden vraagt: „Hoe dienden deze volken hun goden? Dan zal ik hetzelfde doen.”
הִשָּׁ֣מֶר
(hishamer)
pas op
לְךָ֗
(lekha)
voor jezelf
פֶּן
(pen)
anders
תִּנָּקֵשׁ֙
(tinaqesh)
je raakt verstrikt
אַחֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
na
הִשָּׁמְדָ֣ם
(hishamedam)
hun vernietiging
מִפָּנֶ֑יךָ
(mipaneikha)
voor je uit
וּפֶן
(ufen)
en anders
תִּדְרֹ֨שׁ
(tidrosh)
je vraagt
לֵֽאלֹהֵיהֶ֜ם
(leloheihem)
naar hun goden
לֵאמֹ֨ר
(lemor)
zeggende
אֵיכָ֨ה
(eikha)
hoe
יַעַבְד֜וּ
(yaavdu)
dienden
הַגּוֹיִ֤ם
(hagoyim)
de volken
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun goden
וְאֶעֱשֶׂה
(veeese)
en ik zal doen
כֵּ֖ן
(ken)
zo
גַּם
(gam)
ook
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie de goden van de volken navolgt, raakt verstrikt (vergelijk Exod. 23:33 en 34:12).

31Zo mag je niet doen voor Yahweh, je Elohim. Want alles wat een gruwel is voor Yahweh en wat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan. Zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij met vuur voor hun goden.
לֹא
(lo)
niet
תַעֲשֶׂ֣ה
(taase)
je zult doen
כֵ֔ן
(ken)
zo
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כִּי֩
(ki)
want
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבַ֨ת
(toavat)
gruwel van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׂנֵ֗א
(sane)
Hij haat
עָשׂוּ֙
(asu)
hebben zij gedaan
לֵאלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(leloheihem)
voor hun goden
כִּ֣י
(ki)
want
גַ֤ם
(gam)
ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם
(benoteihem)
hun dochters
יִשְׂרְפ֥וּ
(yisrefu)
zij verbranden
בָאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
לֵֽאלֹהֵיהֶֽם
(leloheihem)
voor hun goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verbranden van kinderen voor goden is een gruwel, zie Lev. 18:21 en 20:2–5.