Elohim Bijbel

Jeremia 15

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Zelfs Mozes en Samuël zouden niet helpen; Jeremia's klacht en Yahweh's antwoord

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zelfs Mozes en Samuël helpen niet

1Yahweh zei tegen mij: „Al zouden Mozes en Samuël voor Mij staan, Mijn ziel zou zich niet tot dit volk keren. Stuur hen weg van Mijn aangezicht, laat hen gaan.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
אִם
(im)
al
יַעֲמֹ֨ד
(yaamod)
zouden staan
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
וּשְׁמוּאֵל֙
(ushemuel)
en Samuël
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mij
אֵ֥ין
(ein)
niet
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
אֶל
(el)
naar
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
stuur weg
מֵֽעַל
(meal)
van
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn aangezicht
וְיֵצֵֽאוּ
(veyetseu)
en laat hen gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes en Samuël staan hier als de grote voorbidders van Israël.

Zie Exod. 32:11–14, Num. 14:13–20, 1 Sam. 7:9 en 1 Sam. 12:23.

Zelfs hun voorbede zou nu niet helpen.

נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: het woord נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier Yahweh’s eigen wil en hart. Wij vertalen ‘ziel’.

2Wanneer zij tegen je zeggen: ‘Waarheen zullen wij gaan?’ Zeg dan tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Wie voor de dood bestemd is, gaat naar de dood. Wie voor het zwaard bestemd is, naar het zwaard. Wie voor de honger, naar de honger. Wie voor de gevangenschap, naar de gevangenschap.’
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֹאמְר֥וּ
(yomru)
zij zeggen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tegen je
אָ֣נָה
(ana)
waarheen
נֵצֵ֑א
(netse)
zullen wij gaan
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
לַמָּ֤וֶת
(lamavet)
voor de dood
לַמָּ֨וֶת֙
(lamavet)
naar de dood
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wie
לַחֶ֨רֶב֙
(lacherev)
voor het zwaard
לַחֶ֔רֶב
(lacherev)
naar het zwaard
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en wie
לָֽרָעָב֙
(laraav)
voor de honger
לָֽרָעָ֔ב
(laraav)
naar de honger
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wie
לַשְּׁבִ֖י
(lashevi)
voor de gevangenschap
לַשֶּֽׁבִי
(lashevi)
naar de gevangenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vier uitdrukkingen noemen vier lotgevallen: dood (door ziekte of pest), zwaard, honger en gevangenschap.

Wie voor één van die vier bestemd is, ontkomt er niet aan.

3Ik zal vier soorten over hen aanstellen, godsspraak van Yahweh: het zwaard om te doden en de honden om weg te slepen. En ook de vogels van de hemel en de dieren van de aarde, om te eten en te vernietigen.
וּפָקַדְתִּ֨י
(ufaqadti)
en Ik zal aanstellen
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
over hen
אַרְבַּ֤ע
(arba)
vier
מִשְׁפָּחוֹת֙
(mishpachot)
soorten
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֣רֶב
(hacherev)
het zwaard
לַֽהֲרֹ֔ג
(laharog)
om te doden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכְּלָבִ֖ים
(hakelavim)
de honden
לִסְחֹ֑ב
(lischov)
om te slepen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
ע֧וֹף
(of)
vogels van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֶּהֱמַ֥ת
(behemat)
dieren van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te eten
וּלְהַשְׁחִֽית
(ulehashchit)
en te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּפָקַדְתִּי (ufaqadti), ‘Ik zal aanstellen’: de stam פקד (pqd) betekent ‘bezoeken, aanstellen, straffen’.

Hier stelt Yahweh vier ‘soorten’ aan om het oordeel uit te voeren.

מִשְׁפָּחוֹת (mishpachot), ‘soorten’: letterlijk ‘families, geslachten’.

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

4Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde. Dat is vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem heeft gedaan.
וּנְתַתִּ֣ים
(unetatim)
en Ik zal hen maken
לְזַֽעֲוָ֔ה
(lezaava)
tot een schrikbeeld
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
בִּ֠גְלַל
(biglal)
vanwege
מְנַשֶּׁ֤ה
(menashe)
Manasse
בֶן
(ben)
zoon van
יְחִזְקִיָּ֨הוּ֙
(yechizqiyahu)
Hizkia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַ֥ל
(al)
om
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij deed
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לְזַעֲוָה (leza’avah), ‘tot een schrikbeeld’: iets waarvoor men huivert; zo ook in Deut. 28:25.

Manasse was de koning van Juda die de afgodendienst in Jeruzalem op grote schaal invoerde (2 Kon. 21:1–16; 24:3).

5Want wie zal medelijden met je hebben, Jeruzalem? Wie zal je beklagen? Wie komt bij je langs om naar je welzijn te vragen?
כִּ֠י
(ki)
want
מִֽי
(mi)
wie
יַחְמֹ֤ל
(yachmol)
zal medelijden hebben
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
met je
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וּמִ֖י
(umi)
en wie
יָנ֣וּד
(yanud)
zal beklagen
לָ֑ךְ
(lakh)
je
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יָס֔וּר
(yasur)
komt langs
לִשְׁאֹ֥ל
(lishol)
om te vragen
לְשָׁלֹ֖ם
(leshalom)
naar vrede
לָֽךְ
(lakh)
voor je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לְשָׁלֹם (leshalom), ‘naar vrede’: ‘vragen naar de vrede van iemand’ is een gewone groet: vragen hoe het met iemand gaat.

Wij vertalen ‘naar je welzijn’.

יָנוּד (yanud), ‘beklagen’: het werkwoord betekent letterlijk ‘schudden, knikken’, het gebaar van deelneming.

6Jij hebt Mij verlaten, godsspraak van Yahweh. Je gaat achteruit. Daarom strek Ik Mijn hand uit tegen je en verderf Ik je. Ik ben moe geworden Mij te laten rouwen.
אַ֣תְּ
(at)
jij
נָטַ֥שְׁתְּ
(natasht)
hebt verlaten
אֹתִ֛י
(oti)
Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אָח֣וֹר
(achor)
achterwaarts
תֵּלֵ֑כִי
(telekhi)
ga je
וָאַ֨ט
(vaat)
en Ik strek uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֤י
(yadi)
Mijn hand
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
tegen je
וָֽאַשְׁחִיתֵ֔ךְ
(vaashchitekh)
en Ik verderf je
נִלְאֵ֖יתִי
(nileiti)
Ik ben moe geworden
הִנָּחֵֽם
(hinachem)
Mij te laten rouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִלְאֵיתִי הִנָּחֵם (nil’eiti hinnachem), ‘Ik ben moe geworden Mij te laten rouwen’: de stam נחם (nacham) betekent als Yahweh Zich bedenkt ‘Zich laten rouwen’; zie Gen. 6:6.

Vaak heeft Yahweh het oordeel uitgesteld; nu is Hij daar moe van.

7Ik wan hen met een wan in de poorten van het land. Ik heb hen kinderloos gemaakt. Ik heb Mijn volk vernietigd. Van hun wegen zijn zij niet teruggekeerd.
וָאֶזְרֵ֥ם
(vaezrem)
en Ik wan hen
בְּמִזְרֶ֖ה
(bemizre)
met een wan
בְּשַׁעֲרֵ֣י
(beshaarei)
in de poorten van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
שִׁכַּ֤לְתִּי
(shikalti)
Ik heb kinderloos gemaakt
אִבַּ֨דְתִּי֙
(ibadti)
Ik heb vernietigd
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
מִדַּרְכֵיהֶ֖ם
(midarkheihem)
van hun wegen
לוֹא
(lo)
niet
שָֽׁבוּ
(shavu)
zijn zij teruggekeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּמִזְרֶה (mizreh), ‘wan’: een soort riek of schop waarmee graan in de wind wordt geworpen om het kaf te scheiden.

Hier is het een beeld voor het uit elkaar drijven van het volk.

8Zijn weduwen zijn Mij talrijker geworden dan het zand van de zeeën. Over de moeder van de jonge man heb Ik een verwoester gebracht, op de middag. Plotseling heb Ik angst en schrik over haar laten vallen.
עָֽצְמוּ
(atsemu)
zijn talrijk geworden
לִ֤י
(li)
voor Mij
אַלְמְנֹתָו֙
(almenotav)
zijn weduwen
מֵח֣וֹל
(mechol)
meer dan het zand van
יַמִּ֔ים
(yamim)
de zeeën
הֵבֵ֨אתִי
(heveti)
Ik heb gebracht
לָהֶ֥ם
(lahem)
over hen
עַל
(al)
over
אֵ֛ם
(em)
de moeder van
בָּח֖וּר
(bachur)
de jonge man
שֹׁדֵ֣ד
(shoded)
een verwoester
בַּֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
op de middag
הִפַּ֤לְתִּי
(hipalti)
Ik heb laten vallen
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
over haar
פִּתְאֹ֔ם
(pitom)
plotseling
עִ֖יר
(ir)
angst
וּבֶהָלֽוֹת
(uvehalot)
en schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִיר (ir), ‘angst’: dit woord komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker.

Het kan ‘opwinding, angst’ betekenen, of ook ‘stad’.

בָּחוּר (bachur), ‘jonge man’: ‘de moeder van de jonge man’ staat voor elke moeder wier zoon in de strijd valt. De tekst noemt geen naam.

9Zij die zeven kinderen baarde, kwijnt weg. Haar ziel is uitgeblazen. Haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was. Zij is beschaamd en vernederd. De overgeblevenen van hen geef Ik aan het zwaard, voor het aangezicht van hun vijanden, godsspraak van Yahweh.”
אֻמְלְלָ֞ה
(umlela)
zij kwijnt weg
יֹלֶ֣דֶת
(yoledet)
die baarde
הַשִּׁבְעָ֗ה
(hashiva)
de zeven
נָפְחָ֥ה
(nafecha)
is uitgeblazen
נַפְשָׁ֛הּ
(nafshah)
haar ziel
בָּ֥א
(ba)
is ondergegaan
שִׁמְשָׁ֛הּ
(shimshah)
haar zon
בְּעֹ֥ד
(beod)
terwijl nog
יוֹמָ֖ם
(yomam)
dag
בּ֣וֹשָׁה
(bosha)
zij is beschaamd
וְחָפֵ֑רָה
(vechafera)
en vernederd
וּשְׁאֵֽרִיתָ֗ם
(usheeritam)
en hun overgeblevenen
לַחֶ֧רֶב
(lacherev)
aan het zwaard
אֶתֵּ֛ן
(eten)
zal Ik geven
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֹיְבֵיהֶ֖ם
(oyeveihem)
hun vijanden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zeven’ is het getal van volheid: een moeder met zeven kinderen was gezegend; vergelijk 1 Sam. 2:5.

Haar ‘zon’ gaat onder terwijl het nog dag is: zij verliest haar kinderen voor de tijd.

Jeremia's klacht

10Wee mij, mijn moeder, dat u mij hebt gebaard, een man van twist en strijd voor heel het land. Ik heb niemand iets uitgeleend, en niemand heeft aan mij iets uitgeleend. Toch vervloekt ieder van hen mij.
אֽוֹי
(oy)
wee
לִ֣י
(li)
mij
אִמִּ֔י
(imi)
mijn moeder
כִּ֣י
(ki)
dat
יְלִדְתִּ֗נִי
(yelidtini)
u mij hebt gebaard
אִ֥ישׁ
(ish)
een man van
רִ֛יב
(riv)
twist
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en een man van
מָד֖וֹן
(madon)
strijd
לְכָל
(lekhal)
voor heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
לֹֽא
(lo)
niet
נָשִׁ֥יתִי
(nashiti)
heb ik uitgeleend
וְלֹא
(velo)
en niet
נָֽשׁוּ
(nashu)
hebben zij uitgeleend
בִ֖י
(bi)
aan mij
כֻּלֹּ֥ה
(kulo)
ieder van hen
מְקַלְלַֽונִי
(meqallavni)
vervloekt mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers spreekt Jeremia.

Vergelijk zijn klacht in Jer. 20:14–18 en Job 3:3.

אִישׁ רִיב וְאִישׁ מָדוֹן (ish riv ve’ish madon), ‘een man van twist en strijd’: iemand om wie altijd ruzie is. Jeremia lijdt onder zijn opdracht.

נָשִׁיתִי (nashiti), ‘heb ik uitgeleend’: uitlenen en lenen leidt vaak tot ruzie. Jeremia zegt: er is geen schuld waarom men mij haat.

Yahweh antwoordt

11Yahweh zei: „Zeker, Ik zal je ten goede sterken. Zeker, Ik zal de vijand bij je laten smeken, in de tijd van onheil en in de tijd van nood.
אָמַ֣ר
(amar)
zei
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
zeker
לֹ֥א
(lo)
niet
שֵֽׁרִיתִ֖יךָ
(sheritikha)
Ik zal je sterken
לְט֑וֹב
(letov)
ten goede
אִם
(im)
zeker
ל֣וֹא
(lo)
niet
הִפְגַּ֣עְתִּֽי
(hifgati)
zal Ik laten smeken
בְךָ֗
(bekha)
bij je
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
וּבְעֵ֥ת
(uveet)
en in de tijd van
צָרָ֖ה
(tsara)
nood
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹיֵֽב
(haoyev)
de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws van de verzen 11–14 is moeilijk en de betekenis is onzeker.

שֵׁרִיתִיךָ (sheritikha), ‘Ik zal je sterken’: het werkwoord is onzeker; het kan ook ‘Ik zal je vrijmaken’ betekenen.

הִפְגַּעְתִּי בְךָ (hifga’ti vekha), ‘Ik zal laten smeken bij je’: letterlijk ‘Ik zal laten tussenkomen’. De vijand zal Jeremia zelf om hulp vragen.

Lezing

In de geschreven tekst staat שרותך (sherotekha); de overlevering leest שֵׁרִיתִיךָ (sheritikha).

Wij volgen de lezing.

Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.

12Kan men ijzer breken, het ijzer uit het noorden, en koper?
הֲיָרֹ֨עַ
(hayaroa)
kan men breken
בַּרְזֶ֧ל
(barzel)
ijzer
בַּרְזֶ֛ל
(barzel)
ijzer
מִצָּפ֖וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
וּנְחֹֽשֶׁת
(unechoshet)
en koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het is onzeker wat het beeld bedoelt: het ‘ijzer uit het noorden’ kan verwijzen naar de macht van het leger uit het noorden (Jer. 1:14), of naar de kracht die Jeremia krijgt (vers 20).

13Je bezit en je schatten geef Ik prijs als buit, zonder betaling. Dat is vanwege al je zonden, in al je gebieden.
חֵילְךָ֧
(cheilekha)
je bezit
וְאוֹצְרוֹתֶ֛יךָ
(veotseroteikha)
en je schatten
לָבַ֥ז
(lavaz)
tot buit
אֶתֵּ֖ן
(eten)
zal Ik geven
לֹ֣א
(lo)
niet
בִמְחִ֑יר
(bimchir)
voor een prijs
וּבְכָל
(uvekhal)
en vanwege alle
חַטֹּאותֶ֖יךָ
(chatovteikha)
je zonden
וּבְכָל
(uvekhal)
en in alle
גְּבוּלֶֽיךָ
(gevuleikha)
je gebieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 13 en 14 komen bijna woordelijk terug in Jer. 17:3–4.

14Ik zal je vijanden laten doortrekken naar een land dat je niet kent. Want in Mijn toorn is een vuur ontstoken, dat tegen jullie brandt.”
וְהַֽעֲבַרְתִּי֙
(vehaavarti)
en Ik zal laten doortrekken
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣יְבֶ֔יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
naar een land
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑עְתָּ
(yadata)
ken je
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֛שׁ
(esh)
een vuur
קָדְחָ֥ה
(qadecha)
is ontstoken
בְאַפִּ֖י
(beapi)
in Mijn toorn
עֲלֵיכֶ֥ם
(aleikhem)
tegen jullie
תּוּקָֽד
(tuqad)
zal branden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהַעֲבַרְתִּי (veha’avarti), ‘Ik zal laten doortrekken’: in Jer. 17:4 staat een woord dat ‘Ik zal je laten dienen’ betekent.

Lezing

Wij volgen de Hebreeuwse tekst zoals hij er staat.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Jeremia bidt

15U weet het, Yahweh. Denk aan mij en bezoek mij, en neem voor mij wraak op mijn vervolgers. Neem mij niet weg, terwijl U zo langzaam bent tot toorn. Weet dat ik om U smaad draag.
אַתָּ֧ה
(ata)
U
יָדַ֣עְתָּ
(yadata)
weet het
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
זָכְרֵ֤נִי
(zakhereni)
denk aan mij
וּפָקְדֵ֨נִי֙
(ufaqedeni)
en bezoek mij
וְהִנָּ֤קֶם
(vehinaqem)
en wreek
לִי֙
(li)
voor mij
מֵרֹ֣דְפַ֔י
(merodefay)
op mijn vervolgers
אַל
(al)
niet
לְאֶ֥רֶךְ
(leerekh)
in de langzaamheid van
אַפְּךָ֖
(apekha)
Uw toorn
תִּקָּחֵ֑נִי
(tiqacheni)
neem mij weg
דַּ֕ע
(da)
weet
שְׂאֵתִ֥י
(seeti)
ik draag
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
om U
חֶרְפָּֽה
(cherpa)
smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְאֶרֶךְ אַפְּךָ (le’erekh appekha), ‘in de langzaamheid van Uw toorn’: zie Exod. 34:6, ‘langzaam tot toorn’.

Jeremia vreest dat Yahweh’s geduld met de vijanden hem het leven kost.

מֵרֹדְפַי (mereddefay), ‘op mijn vervolgers’: wie Jeremia achtervolgt.

16Uw woorden werden gevonden en ik at ze op. Uw woord werd voor mij tot vreugde en tot blijdschap van mijn hart, want Uw naam is over mij uitgeroepen, Yahweh, Elohim van de legermachten.
נִמְצְא֤וּ
(nimtseu)
werden gevonden
דְבָרֶ֨יךָ֙
(devareikha)
Uw woorden
וָאֹ֣כְלֵ֔ם
(vaokhelem)
en ik at ze
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en werd
דְבָֽרְךָ֙
(devarekha)
Uw woord
לִ֔י
(li)
voor mij
לְשָׂשׂ֖וֹן
(lesason)
tot vreugde
וּלְשִׂמְחַ֣ת
(ulesimchat)
en tot blijdschap van
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
כִּֽי
(ki)
want
נִקְרָ֤א
(niqra)
is uitgeroepen
שִׁמְךָ֙
(shimkha)
Uw naam
עָלַ֔י
(alay)
over mij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Ik at ze op’: de woorden van Yahweh werden voor Jeremia levensonderhoud.

Vergelijk Ezech. 3:1–3.

‘Uw naam is over mij uitgeroepen’: ik hoor bij U. Zie ook Jer. 14:9.

Lezing

In de geschreven tekst staat דבריך (devarekha), ‘Uw woorden’; de overlevering leest דְּבָרְךָ (devarkha), ‘Uw woord’.

Wij volgen de lezing.

17Ik zat niet in de kring van de lachers en was niet vrolijk. Vanwege Uw hand zat ik alleen, want U hebt mij met toorn gevuld.
לֹֽא
(lo)
niet
יָשַׁ֥בְתִּי
(yashavti)
zat ik
בְסוֹד
(besod)
in de kring van
מְשַׂחֲקִ֖ים
(mesachaqim)
lachers
וָֽאֶעְלֹ֑ז
(vaeloz)
en was ik vrolijk
מִפְּנֵ֤י
(mipenei)
vanwege
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
בָּדָ֣ד
(badad)
alleen
יָשַׁ֔בְתִּי
(yashavti)
zat ik
כִּֽי
(ki)
want
זַ֖עַם
(zaam)
toorn
מִלֵּאתָֽנִי
(miletani)
U hebt mij gevuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְסוֹד (besod), ‘in de kring van’: een besloten kring of gezelschap.

Jeremia houdt zich afzijdig van het feestvieren, omdat hij Yahweh’s toorn draagt.

18Waarom is mijn pijn blijvend en mijn wond ongeneeslijk? Zij weigert zich te laten genezen. Zult U voor mij werkelijk zijn als een bedrieglijke beek, als water dat niet betrouwbaar is?
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
הָיָ֤ה
(haya)
is geworden
כְאֵבִי֙
(keevi)
mijn pijn
נֶ֔צַח
(netsach)
blijvend
וּמַכָּתִ֖י
(umakati)
en mijn wond
אֲנוּשָׁ֑ה֙
(anusha)
ongeneeslijk
מֵֽאֲנָה֙
(meana)
weigert
הֵֽרָפֵ֔א
(herafe)
te genezen
הָי֨וֹ
(hayo)
zeker
תִֽהְיֶ֥ה
(tihye)
zult U zijn
לִי֙
(li)
voor mij
כְּמ֣וֹ
(kemo)
als
אַכְזָ֔ב
(akhzav)
een bedrieglijke beek
מַ֖יִם
(mayim)
water
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶאֱמָֽנוּ
(neemanu)
betrouwbaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַכְזָב (akhzav), ‘bedrieglijke beek’: een beek die in de regentijd stroomt, maar in de zomer droogvalt.

Jeremia verwijt Yahweh dat Hij onbetrouwbaar lijkt.

Zie ook Job 6:15.

Yahweh roept Jeremia terug

19Daarom, zo zegt Yahweh: „Als je terugkeert, laat Ik je terugkeren. Voor Mijn aangezicht zul je staan. Als je het kostbare uit het waardeloze naar voren brengt, zul je zijn als Mijn mond. Zij zullen naar jou terugkeren, maar jij zult niet naar hen terugkeren.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
תָּשׁ֤וּב
(tashuv)
je terugkeert
וַאֲשִֽׁיבְךָ֙
(vaashivekha)
dan laat Ik je terugkeren
לְפָנַ֣י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
תַּֽעֲמֹ֔ד
(taamod)
zul je staan
וְאִם
(veim)
en als
תּוֹצִ֥יא
(totsi)
je naar voren brengt
יָקָ֛ר
(yaqar)
het kostbare
מִזּוֹלֵ֖ל
(mizolel)
uit het waardeloze
כְּפִ֣י
(kefi)
als Mijn mond
תִֽהְיֶ֑ה
(tihye)
zul je zijn
יָשֻׁ֤בוּ
(yashuvu)
zullen terugkeren
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar jou
וְאַתָּ֖ה
(veata)
maar jij
לֹֽא
(lo)
niet
תָשׁ֥וּב
(tashuv)
zult terugkeren
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint Yahweh’s antwoord op Jeremia’s klacht; de aanhef staat zwart.

כְּפִי (kefi), ‘als Mijn mond’: Jeremia zal Yahweh’s woord spreken. Vergelijk Exod. 4:16.

20Ik maak je voor dit volk tot een versterkte, koperen muur. Zij zullen tegen je strijden, maar je niet overmeesteren. Want Ik ben met je om je te redden en je te bevrijden, godsspraak van Yahweh.
וּנְתַתִּ֜יךָ
(unetatikha)
en Ik maak je
לָעָ֣ם
(laam)
voor het volk
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
לְחוֹמַ֤ת
(lechomat)
tot een muur van
נְחֹ֨שֶׁת֙
(nechoshet)
koper
בְּצוּרָ֔ה
(betsura)
versterkte
וְנִלְחֲמ֥וּ
(venilchamu)
en zij zullen strijden
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tegen je
וְלֹא
(velo)
maar niet
י֣וּכְלוּ
(yukhelu)
zullen zij kunnen
לָ֑ךְ
(lakh)
jou
כִּֽי
(ki)
want
אִתְּךָ֥
(itekha)
met je
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
לְהוֹשִֽׁיעֲךָ֥
(lehoshiakha)
om je te redden
וּלְהַצִּילֶ֖ךָ
(ulehatsilekha)
en je te bevrijden
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘versterkte, koperen muur’ komt ook voor in Jer. 1:18–19.

Yahweh’s belofte ‘Ik ben met je om je te redden’ klinkt ook daar.

21Ik zal je bevrijden uit de hand van de boosdoeners en je vrijkopen uit de greep van de geweldenaars.”
וְהִצַּלְתִּ֖יךָ
(vehitsaltikha)
en Ik zal je bevrijden
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
רָעִ֑ים
(raim)
boosdoeners
וּפְדִתִ֖יךָ
(ufeditikha)
en Ik zal je vrijkopen
מִכַּ֥ף
(mikaf)
uit de greep van
עָרִצִֽים
(aritsim)
geweldenaars
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּפְדִתִיךָ (ufeditikha), ‘Ik zal je vrijkopen’: het werkwoord פדה (pada) betekent ‘vrijkopen’, zoals iemand uit slavernij wordt vrijgekocht.