Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Samuël legt rekenschap af
1Samuël zei tegen heel Israël: „Zie, ik heb naar jullie stem geluisterd in alles wat jullie tegen mij zeiden. Ik heb een koning over jullie gemaakt.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנֵּה֙
(hine)
zie
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
ik heb geluisterd
בְקֹֽלְכֶ֔ם
(beqolekhem)
naar jullie stem
לְכֹ֥ל
(lekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie hebben gezegd
לִ֑י
(li)
tegen mij
וָאַמְלִ֥יךְ
(vaamlikh)
en ik heb koning gemaakt
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Samuël houdt hier zijn afscheidsrede als leider van het volk.
De aanleiding staat in 1 Sam. 8:5–6 (het verzoek om een koning) en 1 Sam. 11:14–15.
2Zie, nu gaat de koning voor jullie uit. Ik ben oud en grijs geworden. Mijn zonen zijn bij jullie. Ik ben van jongs af tot vandaag voor jullie uit gegaan.
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מִתְהַלֵּ֣ךְ
(mithalekh)
wandelend
לִפְנֵיכֶ֗ם
(lifneikhem)
voor jullie
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
זָקַ֣נְתִּי
(zaqanti)
ben oud geworden
וָשַׂ֔בְתִּי
(vasavti)
en ik ben grijs geworden
וּבָנַ֖י
(uvanay)
en mijn zonen
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
bij jullie
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
הִתְהַלַּ֣כְתִּי
(hithalakhti)
heb gewandeld
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie
מִנְּעֻרַ֖י
(mineuray)
van mijn jeugd
עַד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִנְּעֻרַי (minne’uray), ‘van mijn jeugd af’: van af het begin van zijn dienst, zie 1 Sam. 3.
3Hier ben ik. Getuig tegen mij voor het aangezicht van Yahweh en van Zijn gezalfde. Wiens os heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik uitgebuit? Wie heb ik onderdrukt? Uit wiens hand heb ik een afkoopsom genomen om mijn ogen ervoor te sluiten? Ik geef het jullie terug.”
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie mij
עֲנ֣וּ
(anu)
getuig
בִי֩
(bi)
tegen mij
נֶ֨גֶד
(neged)
tegenover
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנֶ֣גֶד
(veneged)
en tegenover
מְשִׁיח֗וֹ
(meshicho)
Zijn gezalfde
אֶת
(et)
(obj.)
שׁוֹר֩
(shor)
de os van
מִ֨י
(mi)
wie
לָקַ֜חְתִּי
(laqachti)
heb ik genomen
וַחֲמ֧וֹר
(vachamor)
en de ezel van
מִ֣י
(mi)
wie
לָקַ֗חְתִּי
(laqachti)
heb ik genomen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִ֤י
(mi)
wie
עָשַׁ֨קְתִּי֙
(ashaqti)
heb ik uitgebuit
אֶת
(et)
(obj.)
מִ֣י
(mi)
wie
רַצּ֔וֹתִי
(ratsoti)
heb ik onderdrukt
וּמִיַּד
(umiyad)
en uit de hand van
מִי֙
(mi)
wie
לָקַ֣חְתִּי
(laqachti)
heb ik genomen
כֹ֔פֶר
(kofer)
een afkoopsom
וְאַעְלִ֥ים
(vealim)
en ik zou verbergen
עֵינַ֖י
(einay)
mijn ogen
בּ֑וֹ
(bo)
ermee
וְאָשִׁ֖יב
(veashiv)
en ik zal teruggeven
לָכֶֽם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשִׁיחוֹ (meshicho), ‘Zijn gezalfde’: de koning Saul (vergelijk vers 5).
כֹּפֶר (kofer), ‘afkoopsom’: een geschenk waarmee men een rechter omkoopt. Het zich afwenden van de ogen is: een misdaad over het hoofd zien.
Lezing
In sommige oude vertalingen staat hier ook ‘een paar sandalen’.
5Hij zei tegen hen: „Yahweh is getuige tegen jullie, en Zijn gezalfde is vandaag getuige, dat jullie niets in mijn hand hebben gevonden.” Zij zeiden: „Getuige!”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tegen hen
עֵ֧ד
(ed)
getuige
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּכֶ֗ם
(bakhem)
tegen jullie
וְעֵ֤ד
(veed)
en getuige
מְשִׁיחוֹ֙
(meshicho)
Zijn gezalfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
op de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֧א
(lo)
niet
מְצָאתֶ֛ם
(metsatem)
jullie hebben gevonden
בְּיָדִ֖י
(beyadi)
in mijn hand
מְא֑וּמָה
(meuma)
iets
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
עֵֽד
(ed)
getuige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het werkwoord ‘hij zei’ staat in het Hebreeuws in het enkelvoud.
7Ga nu staan, dan treed ik met jullie in het geding voor het aangezicht van Yahweh. Het gaat om alle daden van gerechtigheid van Yahweh, die Hij voor jullie en voor jullie vaderen heeft gedaan.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִֽתְיַצְּב֛וּ
(hityatsevu)
stel jullie op
וְאִשָּׁפְטָ֥ה
(veishafeta)
en ik zal in het geding gaan
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
met jullie
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
צִדְק֣וֹת
(tsidqot)
de daden van gerechtigheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֥ה
(asa)
Hij heeft gedaan
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
voor jullie
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲבוֹתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִדְקוֹת (tsidqot), ‘daden van gerechtigheid’: de redding en rechtsdaden van Yahweh.
Dezelfde woorden staan in Richt. 5:11.
נִשְׁפַּט (nishpat), ‘in het geding treden’: een rechtszaak voeren.
8Toen Jakob in Egypte kwam, riepen jullie vaderen om hulp tot Yahweh. Yahweh stuurde Mozes en Aäron. Zij leidden jullie vaderen uit Egypte en lieten hen op deze plaats wonen.
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
בָּ֥א
(ba)
kwam
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּזְעֲק֤וּ
(vayizaqu)
en zij riepen om hulp
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaderen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij stuurde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וַיּוֹצִ֤יאוּ
(vayotsiu)
en zij leidden uit
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֹֽתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaderen
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיֹּשִׁב֖וּם
(vayoshivum)
en zij lieten hen wonen
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
De tekst springt over de tijd tussen Jakobs komst in Egypte en de bevrijding heen.
9Zij vergaten Yahweh, hun Elohim. Hij verkocht hen in de hand van Sisera, de aanvoerder van het leger van Chasor. Hij verkocht hen ook in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab. Die voerden oorlog tegen hen.
וַֽיִּשְׁכְּח֖וּ
(vayishkechu)
en zij vergaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
וַיִּמְכֹּ֣ר
(vayimkor)
en Hij verkocht
אֹתָ֡ם
(otam)
hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
סִֽיסְרָא֩
(sisera)
Sisera
שַׂר
(sar)
de aanvoerder van
צְבָ֨א
(tseva)
het leger van
חָצ֜וֹר
(chatsor)
Chasor
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
פְּלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וּבְיַד֙
(uveyad)
en in de hand van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וַיִּֽלָּחֲמ֖וּ
(vayilachamu)
en zij streden
בָּֽם
(bam)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Uitleg
Vergelijk Richt. 3:12 (Moab), Richt. 4:2 (Sisera, Chasor) en Richt. 10:7 (de Filistijnen).
10Toen riepen zij om hulp tot Yahweh en zeiden: ‘Wij hebben gezondigd, want wij hebben Yahweh verlaten en de Baäls en de Astarten gediend. Red ons nu uit de hand van onze vijanden, dan zullen wij U dienen.’
וַיִּזְעֲק֤וּ
(vayizaqu)
en zij riepen om hulp
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
חָטָ֔אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
כִּ֤י
(ki)
want
עָזַ֨בְנוּ֙
(azavnu)
wij hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַנַּעֲבֹ֥ד
(vanaavod)
en wij dienden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִ֖ים
(habealim)
de Baäls
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעַשְׁתָּר֑וֹת
(haashtarot)
de Astarten
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הַצִּילֵ֛נוּ
(hatsilenu)
red ons
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אֹיְבֵ֖ינוּ
(oyeveinu)
onze vijanden
וְנַעַבְדֶֽךָּ
(venaavdeka)
en wij zullen U dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het citaat staat binnen Samuëls rede, daarom met enkele aanhalingstekens.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘en hij zei’, enkelvoud.
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘en zij zeiden’.
12Jullie zagen dat Nachasj, de koning van de zonen van Ammon, tegen jullie optrok. Toen zeiden jullie tegen mij: ‘Nee, een koning moet over ons regeren.’ Maar Yahweh, jullie Elohim, was jullie koning.
וַתִּרְא֗וּ
(vatiru)
en jullie zagen
כִּֽי
(ki)
dat
נָחָ֞שׁ
(nachash)
Nachasj
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּוֹן֮
(amon)
Ammon
בָּ֣א
(ba)
kwam
עֲלֵיכֶם֒
(aleikhem)
tegen jullie
וַתֹּ֣אמְרוּ
(vatomru)
en jullie zeiden
לִ֔י
(li)
tegen mij
לֹ֕א
(lo)
nee
כִּי
(ki)
maar
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal regeren
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
over ons
וַיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מַלְכְּכֶֽם
(malkekhem)
jullie koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
De aanval van Nachasj staat in 1 Sam. 11:1, het verzoek om een koning in 1 Sam. 8:5–6.
14Als jullie ontzag hebben voor Yahweh en Hem dienen, naar Zijn stem luisteren en jullie je niet verzetten tegen het bevel van Yahweh, dan volgen jullie Yahweh, jullie Elohim. Ook de koning die over jullie regeert, zal Hem volgen.
אִם
(im)
als
תִּֽירְא֣וּ
(tireu)
jullie ontzag hebben voor
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲבַדְתֶּ֤ם
(vaavadtem)
en jullie dienen
אֹתוֹ֙
(oto)
Hem
וּשְׁמַעְתֶּ֣ם
(ushematem)
en jullie luisteren
בְּקֹל֔וֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַמְר֖וּ
(tamru)
jullie je verzetten
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וִהְיִתֶ֣ם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
גַּם
(gam)
zowel
אַתֶּ֗ם
(atem)
jullie
וְגַם
(vegam)
en zowel
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָלַ֣ךְ
(malakh)
koning is
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
אַחַ֖ר
(achar)
achter
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּי יהוה (pi Yahweh), letterlijk ‘de mond van Yahweh’: wat Yahweh gebiedt.
Lezing
Het Hebreeuws van vers 14 eindigt zonder duidelijke volgzin: ‘en jullie zullen zijn, jullie en de koning, achter Yahweh, jullie Elohim’.
Wij lezen dit als de volgzin: dan zullen jullie Hem volgen.
Men kan het ook lezen als een tweede voorwaarde, waarna de volgzin ontbreekt (‘het is goed’ of ‘dan is het goed’).
15Maar als jullie niet naar de stem van Yahweh luisteren en jullie je verzetten tegen het bevel van Yahweh, dan zal de hand van Yahweh tegen jullie zijn, zoals tegen jullie vaderen.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
תִשְׁמְעוּ֙
(tishmeu)
jullie luisteren
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמְרִיתֶ֖ם
(umeritem)
en jullie je verzetten
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיְתָ֧ה
(vehayeta)
en zal zijn
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּכֶ֖ם
(bakhem)
tegen jullie
וּבַאֲבֹתֵיכֶֽם
(uvaavoteikhem)
en tegen jullie vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De Masoretische tekst heeft ‘en tegen jullie vaderen’.
Sommige oude vertalingen hebben ‘en tegen jullie koning’.
17Is het vandaag niet de tarweoogst? Ik zal tot Yahweh roepen. Dan geeft Hij donder en regen. Dan weten en zien jullie dat jullie kwaad groot is. Dat kwaad hebben jullie voor de ogen van Yahweh gedaan door een koning voor jullie te vragen.”
הֲל֤וֹא
(halo)
is het niet
קְצִיר
(qetsir)
oogst van
חִטִּים֙
(chitim)
tarwe
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
אֶקְרָא֙
(eqra)
ik zal roepen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיִתֵּ֥ן
(veyiten)
en Hij zal geven
קֹל֖וֹת
(qolot)
stemmen
וּמָטָ֑ר
(umatar)
en regen
וּדְע֣וּ
(udeu)
en weet
וּרְא֗וּ
(ureu)
en zie
כִּֽי
(ki)
dat
רָעַתְכֶ֤ם
(raatkhem)
jullie kwaad
רַבָּה֙
(raba)
groot is
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עֲשִׂיתֶם֙
(asitem)
jullie hebben gedaan
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁא֥וֹל
(lishol)
om te vragen
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tarweoogst valt in mei–juni, in het droge seizoen.
Regen is dan ongewoon.
קֹלֹת (qolot), ‘stemmen’: donder, zoals in Exod. 9:23.
19Heel het volk zei tegen Samuël: „Bid voor uw dienaren tot Yahweh, uw Elohim, zodat wij niet sterven. Want bij al onze zonden hebben wij nog dit kwaad toegevoegd: dat wij een koning voor ons hebben gevraagd.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zij zeiden
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
הִתְפַּלֵּ֧ל
(hitpalel)
bid
בְּעַד
(bead)
voor
עֲבָדֶ֛יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
וְאַל
(veal)
en niet
נָמ֑וּת
(namut)
wij sterven
כִּֽי
(ki)
want
יָסַ֤פְנוּ
(yasafnu)
wij hebben toegevoegd
עַל
(al)
aan
כָּל
(kal)
al
חַטֹּאתֵ֨ינוּ֙
(chatoteinu)
onze zonden
רָעָ֔ה
(raa)
het kwaad
לִשְׁאֹ֥ל
(lishol)
om te vragen
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Samuël zei tegen het volk: „Wees niet bang. Jullie zelf hebben al dit kwaad gedaan. Maar wijk niet af van Yahweh en dien Yahweh met heel jullie hart.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
הָעָם֙
(haam)
het volk
אַל
(al)
niet
תִּירָ֔אוּ
(tirau)
wees bang
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עֲשִׂיתֶ֔ם
(asitem)
hebben gedaan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
אַ֗ךְ
(akh)
maar
אַל
(al)
niet
תָּס֨וּרוּ֙
(tasuru)
wijk af
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲבַדְתֶּ֥ם
(vaavadtem)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבַבְכֶֽם
(levavkhem)
jullie hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)