1 Korintiërs 5
Ontucht in de gemeente en het zuurdesem
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Ontucht in de gemeente
πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele immoraliteit in het algemeen; hier gaat het om een verbinding met de vrouw van de vader. ὅλως (holos), ‘in het algemeen’: het kan ook ‘werkelijk’ of ‘zonder meer’ betekenen.
Het Grieks zegt ‘de vrouw van de vader’. ἔχειν (echein), ‘hebben’: hier met een vrouw samenleven als haar man.
De tora verbiedt dit: Lev. 18:8; Deut. 23:1 (Nederlandse telling 22:30); Deut. 27:20.
Zie ook Lev. 18:8; Deut. 23:1; Deut. 27:20.
φυσιόω (physioo), ‘opblazen’: hoogmoedig zijn. πενθέω (pentheo), ‘rouwen’: wie rouwt, laat zien dat er iets ergs is gebeurd.
Het Grieks heeft ‘hebben niet liever gerouwd’: een verwijt dat zij dat niet hebben gedaan.
‘Mijn geest’ (τοῦ ἐμοῦ πνεύματος, tou emou pneumatos): Paulus is in de geest bij hen als zij verzameld zijn.
‘Met de kracht van onze Heer Yeshua’: de gemeente handelt met het gezag van de Heer.
De SBLGNT markeert hier ‘Ἰησοῦ’ (Iesou), ‘Yeshua’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft hier een onbepaalde wijs: παραδοῦναι (paradounai), ‘overgeven’; dat is de inhoud van het oordeel uit vers 3. παραδίδωμι (paradidomi) betekent ‘overgeven, uitleveren’. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: de tegenstander.
Wat ‘aan Satan overgeven’ precies inhoudt, zegt het Grieks niet; het sluit aan bij ‘uit jullie midden weggenomen’ in vers 2. ὄλεθρος (olethros), ‘verderf’: ondergang. σάρξ (sarx), ‘vlees’, en τὸ πνεῦμα (to pneuma), ‘de geest’: wij houden ‘geest’ met kleine letter, maar het Grieks zegt niet zeker of het de geest van de man of de Geest is.
ἡ ἡμέρα τοῦ κυρίου (he hemera tou kyriou), ‘de dag van de Heer’: dit neemt de ‘dag van Yahweh’ uit de profeten over (Joël 2:1; Amos 5:18; Jes. 13:6) en past hem toe op Yeshua.
Zie ook Joël 2:1; Amos 5:18; Jes. 13:6.
De SBLGNT markeert hier ‘κυρίου’ (kyriou), ‘van de Heer’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
Een beetje zuurdesem
‘Ons Pesach is geslacht: de Messias’: τὸ πάσχα ἡμῶν ἐτύθη Χριστός (to pascha hemon etythe Christos). θύω (thyo), ‘slachten, offeren’.
Aan het Pesach hoort het uitdoen van alle zuurdesem uit het huis en het eten van ongezuurd brood (Exod. 12:15, 12:21; 13:7).
Paulus gebruikt dat als beeld: de gemeente is ongezuurd, dus rein.
Zie ook Exod. 12:15; Exod. 12:21.
ἑορτάζω (heortazo), ‘feestvieren’: een feest houden; het beeld volgt uit het Pesach van vers 7. ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurd brood’. εἰλικρίνεια (eilikrineia), ‘oprechtheid’: zuiverheid van bedoeling. κακία (kakia), ‘kwaad’; πονηρία (poneria), ‘slechtheid’.
Omgang binnen en buiten de gemeente
‘In de brief’ (ἐν τῇ ἐπιστολῇ, en te epistole): Paulus verwijst naar een eerdere brief aan de gemeente; wij hebben die niet. συναναμίγνυμι (synanamignymi), ‘omgang hebben’: letterlijk ‘zich mengen met’. πόρνος (pornos), ‘ontuchtige’.
οὐ πάντως (ou pantos), ‘niet zonder meer’: Paulus bedoelt niet alle ontuchtigen in de wereld. πλεονέκτης (pleonektes), ‘hebzuchtige’: iemand die altijd méér wil. ἅρπαξ (harpax), ‘rover’. εἰδωλολάτρης (eidololatres), ‘afgodendienaar’.
ἀδελφὸς ὀνομαζόμενος (adelphos onomazomenos), ‘een broer genoemd’: iemand die door zichzelf of door anderen een broer wordt genoemd, een lid van de gemeente. λοίδορος (loidoros), ‘lasteraar’; μέθυσος (methysos), ‘dronkaard’.
Samen eten: het delen van de tafel. Ἀδελφοί, ‘broers’, omvat in het Grieks ook de zusters in de gemeente.
‘Binnen’ (οἱ ἔσω, hoi eso) en ‘buiten’ (οἱ ἔξω, hoi exo): de leden van de gemeente en de mensen daarbuiten.
Het citaat is Deut. 17:7: ‘Zo moet je het kwaad uit je midden wegdoen.’ ἐξαίρω (exairo), ‘wegdoen’.
Dezelfde formule staat in Deut. 13:6; 19:19; 21:21; 22:21; 24:7.
Het Hebreeuws heeft ‘het kwaad’ en spreekt een enkele persoon aan (‘je’); de Griekse tekst heeft τὸν πονηρόν (ton poneron), een mannelijke vorm: ‘de slechte’ (een persoon, of ‘de boze’), en spreekt de gemeente aan (‘jullie’).
Zie ook Deut. 17:7; Deut. 13:6.